diff --git a/wet/wet-op-het-voortgezet-onderwijs/BWBR0002399/README.md b/wet/wet-op-het-voortgezet-onderwijs/BWBR0002399/README.md index 02a0a19e733..5b144d63da2 100644 --- a/wet/wet-op-het-voortgezet-onderwijs/BWBR0002399/README.md +++ b/wet/wet-op-het-voortgezet-onderwijs/BWBR0002399/README.md @@ -44,6 +44,10 @@ a. een openbare school: 4°. de stichting, bedoeld in artikel 42b of artikel 53c; b. een bijzondere school: het schoolbestuur; +«regionaal opleidingencentrum»: een regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; + +«agrarisch opleidingscentrum»: een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; + «Informatie Beheer Groep»: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank; «persoonsgebonden nummer»: het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder j, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dan wel het door de Informatie Beheer Groep uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 27b, vierde lid; @@ -136,18 +140,16 @@ Onderwijs in lichamelijke opvoeding, bestaande uit praktische bewegingsactivitei ### Artikel 7 -**1.** Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend wetenschappelijk onderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs wordt gegeven aan gymnasia, athenea en lycea, elk met een cursusduur van zes jaren. +**1.** Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend wetenschappelijk onderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs wordt gegeven aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Deze worden onderscheiden in gymnasia en athenea, elk met een cursusduur van zes jaren. **2.** Aan de gymnasia wordt in elk geval onderwijs verzorgd in Latijnse taal en literatuur en Griekse taal en literatuur. -**3.** Elke school die een gymnasium en een atheneum omvat, is een lyceum. - ### Artikel 8 Hoger algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend hoger beroepsonderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het hoger algemeen voortgezet onderwijs wordt gegeven: a. aan scholen met een cursusduur van vijf jaren; -b. aan afdelingen van athenea, lycea en scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. Deze hebben een cursusduur van twee jaren en vangen aan na drie jaren voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of na vier jaren middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. +b. aan afdelingen van scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. Deze hebben een cursusduur van twee jaren en vangen aan na vier jaren middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. ### Artikel 9 @@ -239,7 +241,7 @@ Het onderwijs in de beroepsgerichte leerwegen bestaat voor elke sector uit: a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk is, b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en -c. een vrij deel, dat bestaat uit door de leerling te kiezen afdelingsvakken, dan wel intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen van een of meer afdelingen binnen de desbetreffende sector, mogelijkerwijs aangevuld met andere te kiezen programma-onderdelen. +c. een vrij deel, dat bestaat uit door de leerling te kiezen afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale programma’s. **5.** Het gemeenschappelijk deel van de beroepsgerichte leerwegen omvat Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijke opvoeding en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama. @@ -258,7 +260,7 @@ De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de kaderberoepsgerichte le Het vrije deel van de beroepsgerichte leerwegen: -a. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende afdelingsvakken of intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, +a. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale programma’s, b. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programma-onderdelen. **8.** Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde lid, onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid, onderdeel a, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens beslissen dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd. @@ -274,10 +276,10 @@ d. een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen extra vakken te **10.** -Bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld: +Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld: -a. de afdelingsvakken en intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, -b. voorschriften met betrekking tot intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, met inbegrip van voorschriften waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder kan worden afgeweken van het eerste lid, en +a. de afdelingsvakken, intrasectorale programma’s en intersectorale programma’s, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, +b. voorschriften met betrekking tot intrasectorale programma’s en intersectorale programma’s, met inbegrip van voorschriften waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder kan worden afgeweken van het eerste lid alsmede de voorwaarden waaronder aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs binnen het kader van regionale samenwerking als bedoeld in artikel 72 een intersectoraal programma kan worden verzorgd, en c. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken. Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, alsmede welke vakken het betreft. @@ -361,7 +363,7 @@ k. het bedrijf of de organisatie respecteert, voor zover van toepassing, het mul ### Artikel 10b7 -**1.** Leer-werktrajecten worden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van een regionaal opleidingencentrum, een regionaal opleidingencentrum in een samenwerkingsverband of een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs voor zover aan die instelling een basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt verzorgd. +**1.** Leer-werktrajecten worden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van een regionaal opleidingencentrum, een regionaal opleidingencentrum in een samenwerkingsverband of een agrarisch opleidingscentrum voor zover aan die instelling een basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt verzorgd. **2.** Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid voorziet in elk geval in de inrichting van een doorlopende leerweg tot en met de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs. @@ -376,7 +378,7 @@ a. de sector techniek: 3. elektrotechniek, 4. voertuigentechniek, 5. installatietechniek, -6. grafische techniek, +6. grafimedia, 7. transport en logistiek, 8. afdelingen, aangewezen ingevolge artikel 24, vijfde lid, b. de sector zorg en welzijn: @@ -395,7 +397,15 @@ landbouw en natuurlijke omgeving. ### Artikel 10d -**1.** Aan een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaken, kan, naast het onderwijs in de leerwegen, genoemd in de artikelen 10 en 10b, onderwijs in de gemengde leerweg worden gegeven. In afwijking van de eerste volzin kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onder door hem te stellen voorwaarden, op aanvraag van het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, toestaan dat aan die school onderwijs in de gemengde leerweg wordt gegeven. In afwijking van de eerste volzin, kan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onder door hem te stellen voorwaarden, op aanvraag van het bevoegd gezag van een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, ten behoeve van het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs en in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, toestaan dat onderwijs in de gemengde leerweg wordt gegeven. +**1.** + +Naast het onderwijs in de leerwegen, genoemd in de artikelen 10 en 10b, kan onderwijs in de gemengde leerweg worden gegeven aan: + +a. een scholengemeenschap met in elk geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, of +b. een vestiging van een agrarisch opleidingscentrum wat het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs betreft, indien: + +1°. het agrarisch opleidingscentrum onderdeel uitmaakt van een scholengemeenschap waarvan tevens een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs onderdeel uitmaakt, en +2°. het voorbereidend beroepsonderwijs op de desbetreffende vestiging deels leerlingen betrekt uit hetzelfde gebied als de desbetreffende school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. **2.** @@ -419,7 +429,7 @@ Het onderwijs in de gemengde leerweg bestaat voor elke sector uit: a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk is, b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en -c. een vrij deel, dat bestaat uit een door de leerling te kiezen afdelingsvak, dan wel intrasectoraal te kiezen andere programma-onderdelen van een of meer afdelingen binnen de desbetreffende sector, mogelijkerwijs aangevuld met andere te kiezen programma-onderdelen. +c. een vrij deel, dat bestaat uit een door de leerling te kiezen afdelingsvak, intrasectorale programma’s of intersectorale programma’s. **5.** Het gemeenschappelijk deel van de gemengde leerweg omvat Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijke opvoeding en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama. @@ -437,7 +447,7 @@ d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling, biologie of natuu Het vrije deel van de gemengde leerweg: a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in het zesde lid, -b. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende afdelingsvakken of intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, +b. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende afdelingsvakken, intrasectorale programma’s of intersectorale programma’s, c. kan omvatten natuur- en scheikunde II, Spaanse taal, Turkse taal, Arabische taal, vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, drama, Friese taal en cultuur en lichamelijke opvoeding, door de leerling te kiezen, en d. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programma-onderdelen. @@ -447,10 +457,10 @@ d. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programma-onder **10.** -Bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld: +Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld: -a. de afdelingsvakken en intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, -b. voorschriften met betrekking tot intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, en +a. de afdelingsvakken, intrasectorale programma’s en intersectorale programma’s, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, +b. voorschriften met betrekking tot intrasectorale programma’s en intersectorale programma’s, met inbegrip van voorschriften waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs binnen het kader van regionale samenwerking als bedoeld in artikel 72 een intersectoraal programma kan worden verzorgd, en c. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid van het bevoegd gezag om ontheffing te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken. Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, alsmede welke vakken het betreft. @@ -467,13 +477,13 @@ Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur wo **4.** De in artikel 10g bedoelde regionale verwijzingscommissie beslist op aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen. Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag na overleg met de ouders een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport. Artikel 10g, derde en vierde lid, zevende lid, eerste volzin, en achtste tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing. -**5.** In afwijking van artikel 10g, zevende lid, eerste volzin, kan de regionale verwijzingscommissie tegelijk met de beslissing dat een leerling niet is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, beslissen dat die leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. Alvorens daartoe te beslissen, hoort de regionale verwijzingscommissie de ouders van de leerling en het bevoegd gezag van de betrokken school of afdeling voor praktijkonderwijs. +**5.** In afwijking van artikel 10g, zevende lid, eerste volzin, kan de regionale verwijzingscommissie tegelijk met de beslissing dat een leerling niet is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, beslissen dat die leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. Alvorens daartoe te beslissen, hoort de regionale verwijzingscommissie de ouders van de leerling en het bevoegd gezag van de betrokken school voor praktijkonderwijs. **6.** Artikel 10g, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de leerling die op basis van een beschikking van de regionale verwijzingscommissie is toegelaten. ### Artikel 10f -**1.** Praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor praktijkonderwijs, alsmede aan afdelingen voor praktijkonderwijs, verbonden aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs en aan scholengemeenschappen waarvan ten minste een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt. +**1.** Praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor praktijkonderwijs. **2.** @@ -486,7 +496,7 @@ b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen **3a.** Wat betreft de eerste twee leerjaren wordt het praktijkonderwijs zodanig ingericht dat de leerlingen in afwijking van artikel 11c, eerste lid, onder a, per leerjaar ten minste 1000 uren praktijkonderwijs ontvangen. De leerlingen ontvangen per dag ten hoogste 5,5 uren praktijkonderwijs, voor zover het betreft aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden. -**4.** Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs of van een school met een afdeling voor praktijkonderwijs kan, met inachtneming van de tweede volzin van het derde lid en van lid 3a, indien dat ten behoeve van de leerling noodzakelijk is, bij het aanbieden van dat onderwijs afwijken van de voorschriften, gegeven bij of krachtens de artikelen 11a tot en met 11c, 22 en 29. +**4.** Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan, met inachtneming van de tweede volzin van het derde lid en van lid 3a, indien dat ten behoeve van de leerling noodzakelijk is, bij het aanbieden van dat onderwijs afwijken van de voorschriften, gegeven bij of krachtens de artikelen 11a tot en met 11c, 22 en 29. **5.** Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot de vakken die het praktijkonderwijs omvat, alsmede met betrekking tot het aantal uren dat het onderricht in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep gedurende een schoolweek ten hoogste omvat. @@ -496,7 +506,7 @@ b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen **1.** Aan de ouders van een leerling van wie het bevoegd gezag van de school waar de leerling zich aanmeldt dan wel van de school waaraan de leerling is ingeschreven, redelijkerwijs kan aannemen dat deze niet in staat is het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d, al dan niet in combinatie met leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, met een diploma of getuigschrift voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 29, derde lid, af te sluiten, kan het bevoegd gezag voorstellen deze leerling in plaats daarvan praktijkonderwijs te doen volgen. -**2.** Het bevoegd gezag van de school of afdeling voor praktijkonderwijs beslist, in overeenstemming met de andere bevoegde gezagsorganen in het in artikel 10h bedoelde samenwerkingsverband en na overleg met de ouders van de in het eerste lid bedoelde leerling, over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs. Het bevoegd gezag kan een leerling toelaten tot het praktijkonderwijs mits voor 1 oktober van het desbetreffende schooljaar een aanvraag bij een door Onze minister erkende regionale verwijzingscommissie is ingediend om vast te stellen of de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. De aanvraag gaat vergezeld van een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport en de op schrift gestelde zienswijze van de ouders. Indien de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, kan de desbetreffende leerling de toelating tot een school of afdeling voor praktijkonderwijs binnen het samenwerkingsverband niet worden geweigerd. +**2.** Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist, in overeenstemming met de andere bevoegde gezagsorganen in het in artikel 10h bedoelde samenwerkingsverband en na overleg met de ouders van de in het eerste lid bedoelde leerling, over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs. Het bevoegd gezag kan een leerling toelaten tot het praktijkonderwijs mits voor 1 oktober van het desbetreffende schooljaar een aanvraag bij een door Onze minister erkende regionale verwijzingscommissie is ingediend om vast te stellen of de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. De aanvraag gaat vergezeld van een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport en de op schrift gestelde zienswijze van de ouders. Indien de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, kan de desbetreffende leerling de toelating tot een school voor praktijkonderwijs binnen het samenwerkingsverband niet worden geweigerd. **3.** @@ -507,9 +517,9 @@ b. rechtstreeks afkomstig is van het eerste leerjaar van een school voor voortge **4.** In afwijking van het derde lid kan een aanvraag slechts worden ingediend na dat schooljaar, indien het een vreemdeling betreft als bedoeld in artikel 27, lid 1a, onderdeel b of c, die op 1 oktober van het schooljaar waarin hij voor het eerst wordt meegeteld als leerling in het voortgezet onderwijs korter dan een jaar in Nederland is. -**5.** In afwijking van het derde lid kan tevens een aanvraag tot indicatiestelling voor praktijkonderwijs bij een regionale verwijzingscommissie als bedoeld in het tweede lid worden ingediend door het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs of van een school met een afdeling voor praktijkonderwijs voor een leerling die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen criteria, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag het zorg- en onderwijsaanbod van het praktijkonderwijs het beste aansluit bij de behoeften van deze leerling. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven voor de procedure voor indiening van aanvragen. +**5.** In afwijking van het derde lid kan tevens een aanvraag tot indicatiestelling voor praktijkonderwijs bij een regionale verwijzingscommissie als bedoeld in het tweede lid worden ingediend door het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs voor een leerling die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen criteria, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag het zorg- en onderwijsaanbod van het praktijkonderwijs het beste aansluit bij de behoeften van deze leerling. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven voor de procedure voor indiening van aanvragen. -**6.** Het bevoegd gezag van de school of afdeling voor praktijkonderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het praktijkonderwijs met inachtneming van artikel 10f, derde lid, wordt verzorgd. +**6.** Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het praktijkonderwijs met inachtneming van artikel 10f, derde lid, wordt verzorgd. **7.** Indien de regionale verwijzingscommissie bepaalt dat de leerling niet tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is, brengt zij advies uit aan het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag, over de wijze waarop de leerling op de school waar hij is ingeschreven, naar het oordeel van de verwijzingscommissie zou moeten worden begeleid. In afwijking van de eerste volzin kan de regionale verwijzingscommissie tegelijk met de beslissing dat een leerling niet toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, beslissen dat die leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. @@ -523,9 +533,9 @@ b. rechtstreeks afkomstig is van het eerste leerjaar van een school voor voortge ### Artikel 10h -**1.** Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, van een scholengemeenschap waarvan ten minste deel uitmaakt een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, of van een school voor praktijkonderwijs, is aangesloten bij een samenwerkingsverband met twee of meer andere van deze scholen of scholengemeenschappen. Een samenwerkingsverband omvat ten minste één school of afdeling voor praktijkonderwijs en drie scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs, waaronder in ieder geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs. Indien van een samenwerkingsverband niet drie scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaken, maar twee scholengemeenschappen die elk in ieder geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs omvatten, kan Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden dat samenwerkingsverband aanmerken als een samenwerkingsverband als bedoeld in de tweede volzin. Het samenwerkingsverband heeft tot doel zo veel mogelijk leerlingen voor wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, deel te laten nemen aan het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d. +**1.** Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, van een scholengemeenschap waarvan ten minste deel uitmaakt een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, of van een school voor praktijkonderwijs, is aangesloten bij een samenwerkingsverband met twee of meer andere van deze scholen of scholengemeenschappen. Een samenwerkingsverband omvat ten minste één school voor praktijkonderwijs en drie scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs, waaronder in ieder geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs. Indien van een samenwerkingsverband niet drie scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaken, maar twee scholengemeenschappen die elk in ieder geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs omvatten, kan Onze Minister onder door hem te stellen voorwaarden dat samenwerkingsverband aanmerken als een samenwerkingsverband als bedoeld in de tweede volzin. Het samenwerkingsverband heeft tot doel zo veel mogelijk leerlingen voor wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, deel te laten nemen aan het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d. -**2.** Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan een samenwerkingsverband, wordt deze deelname door het samenwerkingsverband niet geweigerd. Een samenwerkingsverband waarvan geen school of afdeling voor praktijkonderwijs deel uitmaakt, wordt gelijkgesteld met een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, indien de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband met de bevoegde gezagsorganen in een of meer andere samenwerkingsverbanden die voldoen aan het eerste lid, tweede volzin, zijn overeengekomen dat ten behoeve van de leerlingen van het eerstbedoelde samenwerkingsverband praktijkonderwijs wordt verzorgd door een of meer van de scholen of afdelingen voor praktijkonderwijs die deel uitmaken van bedoelde andere samenwerkingsverbanden. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een school slechts deelnemen aan één samenwerkingsverband. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat van de derde volzin wordt afgeweken. +**2.** Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan een samenwerkingsverband, wordt deze deelname door het samenwerkingsverband niet geweigerd. Een samenwerkingsverband waarvan geen school voor praktijkonderwijs deel uitmaakt, wordt gelijkgesteld met een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, indien de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband met de bevoegde gezagsorganen in een of meer andere samenwerkingsverbanden die voldoen aan het eerste lid, tweede volzin, zijn overeengekomen dat ten behoeve van de leerlingen van het eerstbedoelde samenwerkingsverband praktijkonderwijs wordt verzorgd door een of meer van de scholen voor praktijkonderwijs die deel uitmaken van bedoelde andere samenwerkingsverbanden. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een school slechts deelnemen aan één samenwerkingsverband. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat van de derde volzin wordt afgeweken. **3.** De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband dragen gezamenlijk zorg voor een toereikende organisatie en deskundige ondersteuning van het onderwijs voor leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, alsmede voor overdracht van de deskundigheid op dit gebied tussen de scholen in het samenwerkingsverband. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband kunnen gezamenlijk een of meer voorzieningen in het samenwerkingsverband, met het oog op de uitoefening van de in de eerste volzin genoemde taken, aanduiden als «orthopedagogisch-didactisch centrum». De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband zijn aangesloten bij dezelfde rechtspersoon, bedoeld in artikel 53b. @@ -817,7 +827,22 @@ d. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid van het ### Artikel 16 -Vervallen +**1.** Een scholengemeenschap omvat een school of inrichting in de zin van deze wet, en een of meer andere al dan niet in deze wet bedoelde scholen, inrichtingen of instellingen, die niet zijn instellingen voor hoger onderwijs. + +**2.** Aan een school of scholengemeenschap kan, naast een hoofdvestiging als bedoeld in artikel 65, derde lid, een nevenvestiging of een tijdelijke nevenvestiging zijn verbonden. + +**3.** Een tijdelijke nevenvestiging voorziet in de tijdelijke huisvestingsbehoefte van een hoofdvestiging of nevenvestiging en is gelegen op een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van de desbetreffende hoofdvestiging of nevenvestiging. + +**4.** Een nevenvestiging komt tot stand door een samenvoeging als bedoeld in artikel 71, tweede lid, of door vorming van een nieuwe nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel b. Een tijdelijke nevenvestiging komt tot stand op grond van artikel 71, vijfde lid. + +**5.** + +Op een nevenvestiging kan in elk geval onderwijs worden verzorgd + +a. in de eerste drie leerjaren aan een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7, of aan een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 8, en +b. in de eerste twee leerjaren aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 10, of aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 10a. + +**6.** Op een tijdelijke nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5, in dezelfde afdelingen als bedoeld in artikel 10c, en in dezelfde leerjaren als op de hoofdvestiging of nevenvestiging, bedoeld in het derde lid. ### Artikel 17 @@ -862,15 +887,7 @@ b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op het pri ### Artikel 19 -**1.** In een scholengemeenschap zijn tot één school verenigd een school of inrichting in de zin van deze wet en een of meer andere al dan niet in deze wet bedoelde scholen, niet zijnde instellingen van hoger onderwijs. - -**2.** Aan een school of aan een scholengemeenschap kan een nevenvestiging zijn verbonden indien de nevenvestiging is tot stand gebracht op de wijze en voldoet aan de voorwaarden bepaald krachtens artikel 75, vierde lid. Aan een scholengemeenschap kan eveneens een nevenvestiging zijn verbonden indien de nevenvestiging is tot stand gebracht op de wijze en voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 75a zoals luidend op 1 augustus 1993. - -**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten behoeve van scholengemeenschappen waarin tot één school zijn verenigd een school of inrichting in de zin van deze wet en een of meer andere scholen in de zin van een andere dan deze wet, nadere voorschriften worden gegeven, zo nodig in afwijking van de artikelen 32 tot en met 41. - -**4.** Aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs of aan een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt, kan een nevenvestiging zijn verbonden, indien de nevenvestiging is tot stand gebracht op de wijze en voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel IV, derde lid, onderscheidenlijkartikel V, derde lid, of VIII, vierde lid, van de Wet van 25 mei 1998 (Stb. 337). Aan een school voor praktijkonderwijs kan een nevenvestiging zijn verbonden indien die is tot stand gebracht op de wijze en voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de regels die voor nevenvestigingen aan scholen voor praktijkonderwijs zijn gesteld krachtens artikel XXII van de in de eerste volzin genoemde wet. - -**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van het voorbereidend beroepsonderwijs, verzorgd in agrarische opleidingscentra als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, worden vastgesteld dat het bepaalde bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is. +De bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften ten aanzien van het voorbereidend beroepsonderwijs zijn van overeenkomstige toepassing op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in agrarische opleidingscentra, tenzij bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is bepaald dat dit niet of gedeeltelijk niet het geval is. ### Artikel 20 @@ -882,7 +899,13 @@ b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op het pri **1.** De naam van de school duidt aan, tot welke van de soorten van scholen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f, de school behoort. Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, of een scholengemeenschap waarvan in ieder geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt, kan voor die school de aanduiding «voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs» hanteren. Bij verschil van mening tussen het bevoegd gezag en Onze minister, tot welke van de soorten zij behoort, beslist Onze minister. -**2.** In het maatschappelijk verkeer brengt het bevoegd gezag ondubbelzinnig tot uitdrukking, welk bij en krachtens deze wet geregeld, uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs de leerlingen volgen, en in voorkomend geval welk onderwijs de school verzorgt met toepassing van artikel 20, tweede lid. +**2.** + +In het maatschappelijk verkeer brengt het bevoegd gezag ondubbelzinnig tot uitdrukking: + +a. welk bij of krachtens deze wet geregeld, uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs de leerlingen volgen en aankomende leerlingen kunnen gaan volgen, +b. van welke richting dit onderwijs uitgaat, en +c. in voorkomend geval welk onderwijs de school verzorgt met toepassing van artikel 20, tweede lid. ### Artikel 22 @@ -1091,7 +1114,7 @@ d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b **2.** De toelating wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan een bij of krachtens de wet geregelde bijdrage. Overeenkomsten waarbij ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage zijn nietig, behoudens voorzover zij na de toelating van de leerling tot de school schriftelijk zijn aangegaan en in het desbetreffende schriftelijke stuk aan de ouders kenbaar is gemaakt dat het een vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de overeenkomst niet behoeft te worden aangegaan, doch waarvoor geldt dat na de ondertekening wel een verplichting tot betaling van de overeengekomen bijdrage bestaat. Zodanige overeenkomsten zijn evenzeer nietig, indien deze niet hebben voorzien in de vermelding dat de ouders de mogelijkheid hebben er voor te kiezen om de overeenkomst slechts voor bepaalde voorzieningen aan te gaan en ten behoeve daarvan niet een specificatie voor de te onderscheiden voorzieningen in de overeenkomst is opgenomen. Zodanige overeenkomsten zijn voorts nietig indien ten aanzien daarvan geen reductie- en kwijtscheldingsregeling geldt en de inhoud van die regeling niet in de overeenkomst is opgenomen. Een overeenkomst wordt telkens voor de periode van een schooljaar aangegaan. -**3.** Een leerling mag na vijf jaren te rekenen vanaf het ogenblik dat hij is aangevangen met voortgezet onderwijs, geen onderwijs meer volgen aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs en in de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Indien een leerling na 31 januari van het schooljaar aanvangt met voortgezet onderwijs, eindigt het vijfde jaar op 31 juli van het schooljaar waarin de periode van vijf jaren verstrijkt. Een leerling mag geen praktijkonderwijs meer volgen aan een school of afdeling voor praktijkonderwijs na afloop van het schooljaar waarin hij de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. Op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, gedaan in het in de derde volzin bedoelde schooljaar, kan de inspectie toestaan dat de leerling het daaropvolgende schooljaar praktijkonderwijs kan blijven volgen, indien zij van mening is dat zonder het volgen van dit schooljaar de leerling niet voldoende is voorbereid op de functies, bedoeld in artikel 10f, derde lid, derde volzin. De inspectie kan de vierde volzin op overeenkomstige wijze toepassen in het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van 19 jaren heeft bereikt. +**3.** Een leerling mag na vijf jaren te rekenen vanaf het ogenblik dat hij is aangevangen met voortgezet onderwijs, geen onderwijs meer volgen aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs en in de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Indien een leerling na 31 januari van het schooljaar aanvangt met voortgezet onderwijs, eindigt het vijfde jaar op 31 juli van het schooljaar waarin de periode van vijf jaren verstrijkt. Een leerling mag geen praktijkonderwijs meer volgen aan een school voor praktijkonderwijs na afloop van het schooljaar waarin hij de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. Op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, gedaan in het in de derde volzin bedoelde schooljaar, kan de inspectie toestaan dat de leerling het daaropvolgende schooljaar praktijkonderwijs kan blijven volgen, indien zij van mening is dat zonder het volgen van dit schooljaar de leerling niet voldoende is voorbereid op de functies, bedoeld in artikel 10f, derde lid, derde volzin. De inspectie kan de vierde volzin op overeenkomstige wijze toepassen in het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van 19 jaren heeft bereikt. **4.** Het derde lid is niet van toepassing op scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs die zijn aangewezen op grond van artikel 24, vijfde lid, voor zover het onderwijs bestemd is voor gehandicapte leerlingen. @@ -1915,199 +1938,163 @@ Vervallen ## Titel III. Aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der bekostiging -### Afdeling I. Aanvang der bekostiging +### Afdeling I. Aanvang van de bekostiging ### Artikel 64 -**1.** +**1.** Bekostiging uit de openbare kas van een school neemt geen aanvang dan krachtens de bepalingen van deze afdeling. -In deze afdeling wordt onder school verstaan: - -a. een school als bedoeld in afdeling I van titel II, -b. een afdeling, als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, en 10f, eerste lid, en -c. een afdeling voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 10c. - -**2.** - -De artikelen 65 tot en met 74 zijn niet van toepassing: - -a. op cursussen; -b. indien twee of meer uit de openbare kas bekostigde scholen, als bedoeld in afdeling I van titel II, worden verenigd tot een lyceum of tot een scholengemeenschap, tenzij het derde lid van toepassing is; -c. bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of omgekeerd, bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting en bij uitbreiding van het onderwijs aan een school met onderwijs van een of meer andere richtingen. - -**3.** De artikelen 65 tot en met 74 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een bekostigde school waarvoor Onze minister de toestemming, bedoeld in artikel 75, derde lid, niet heeft verleend. - -**4.** De bekostiging uit de openbare kas van een school neemt geen aanvang dan krachtens de bepalingen van deze afdeling. - -**5.** Voor het bij of krachtens deze afdeling bepaalde, treden voor de toepassing van de afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht de in artikel 65 bedoelde organisaties in de plaats van het bevoegd gezag. - -**6.** Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van scholen. - -### Artikel 64a - -Vervallen +**2.** Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van scholen. ### Artikel 65 -**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt na overleg met de daarvoor in aanmerking komende organisaties en, voor zover het betreft het landbouwonderwijs, in overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, jaarlijks een plan van scholen vast, die in de drie kalenderjaren, volgende op het jaar van de vaststelling voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zullen worden gebracht. Dit plan heeft ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen naar soort van onderwijs, mede gelet op het verlangde onderwijs in het betrokken gebied. Op het plan worden uitsluitend scholen geplaatst waarover overleg heeft plaats gevonden met de in de eerste volzin bedoelde organisaties. - -**2.** Het ontwerp van het Plan van Scholen wordt jaarlijks voor 1 september bekendgemaakt in de Staatscourant en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. Het plan wordt niet vastgesteld dan nadat vier weken na de bekendmaking en overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat over dat ontwerp overleg gewenst wordt. De vaststelling van het Plan van Scholen geschiedt voor 1 oktober, volgend op de datum van de bekendmaking van het ontwerp. - -**3.** Bij de samenstelling van het plan wordt uitgegaan van de verzoeken en de deelplannen, bedoeld in artikel 66. - -**4.** Indien een bijzondere school wordt opgericht, die niet in het plan is opgenomen, komt deze school niet voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking gedurende ten minste drie kalenderjaren, volgende op het jaar van de oprichting, tenzij artikel 69 of artikel 72 van toepassing is. - -### Artikel 65a - **1.** -Het plan omvat tevens: +Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort, de verlangde richting en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal worden bezocht door ten minste: -a. een toelichting, en -b. een toetsingskader. +a. 390 leerlingen, wat een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs betreft; +b. 325 leerlingen, wat een school en 130 leerlingen wat een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs betreft; +c. 260 leerlingen, wat een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs betreft; +d. 260 leerlingen, wat een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met één afdeling als bedoeld in artikel 10c betreft, met dien verstande dat meer dan één afdeling binnen de desbetreffende nieuw te vormen school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, indien voor elke afdeling aannemelijk wordt gemaakt dat deze door ten minste 160 leerlingen zal worden bezocht, of +e. 120 leerlingen, wat een school voor praktijkonderwijs betreft. -**2.** De toelichting bevat in elk geval de beschikkingen, houdende afwijzing van de verzoeken om opneming in het plan. Bovendien wordt in de toelichting in elk geval melding gemaakt van het oordeel van gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders van de gemeenten, bedoeld in artikel 66, vijfde en zesde lid. +**2.** Een scholengemeenschap die twee of meer van de in het eerste lid genoemde scholen omvat, wordt in ieder geval voor bekostiging in aanmerking gebracht indien op dezelfde manier als volgens het eerste lid kan worden aangetoond, dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid genoemde aantal. -**3.** Het toetsingskader omvat de uiteenzetting van het toe- en afwijzingsbeleid, aangaande verzoeken om opneming in het plan, en heeft in elk geval betrekking op de plannen die in de drie opvolgende jaren zullen worden vastgesteld. +**3.** Een op grond van het eerste of tweede lid voor bekostiging in aanmerking gebrachte school of scholengemeenschap wordt aangeduid als hoofdvestiging. -**4.** In het toetsingskader kan, onverminderd het bepaalde in artikel 69, worden bepaald welk soort of welke soorten van scholen, onderscheidenlijk welk soort of welke soorten van afdelingen, gedurende een of meer jaren niet in het plan zullen worden opgenomen. +**4.** Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een school waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, eerste lid, is ingediend. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, tweede lid, is ingediend. + +**5.** Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden de besluiten, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, gepubliceerd in de Staatscourant. ### Artikel 66 -**1.** +**1.** Het bevoegd gezag kan bij Onze Minister een aanvraag indienen om een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen. De aanvraag wordt ingediend voor 1 november. -Een verzoek om opneming in het plan wordt voor 1 januari van het jaar van de vaststelling van het plan, bij Onze minister ingediend +**2.** Elke aanvraag vermeldt de schoolsoorten, de verlangde richting en de plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap en gaat vergezeld van een prognose over de te verwachten omvang. Een aanvraag voor een school voor praktijkonderwijs wordt ingediend in overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan de school deel gaat uitmaken en na overleg met de gemeente. -a. door de gemeenteraad, indien het een openbare school betreft die door een gemeente in stand wordt gehouden, -b. door het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan, indien het een openbare school betreft die door een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 1 in stand wordt gehouden, -c. door het bestuur van een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a dan wel van een stichting als bedoeld in artikel 42b indien het een openbare school betreft die door een openbare rechtspersoon of een stichting in stand wordt gehouden, dan wel -d. door het schoolbestuur, indien het een bijzondere school betreft. +**3.** Onze Minister besluit met inachtneming van artikel 65 voor 1 mei volgend op de aanvraag of de school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht. Indien het besluit niet voor 1 mei kan worden genomen, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen het besluit wel tegemoet kan worden gezien. -**2.** Ten minste eenmaal in de drie jaren stellen gedeputeerde staten vast, of voldoende is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen. - -**3.** Gedeputeerde staten kunnen de gemeente opdragen een verzoek te richten tot Onze minister om opneming in het plan van een openbare school, indien de ouders, voogden en verzorgers van een naar hun oordeel voldoend aantal leerlingen hiertoe de wens hebben te kennen gegeven en de gemeente daaraan niet heeft voldaan. - -**3a.** Onze minister kan de gemeente opdragen een verzoek tot hem te richten om opneming op het plan van een openbare school, indien gedeputeerde staten geen toepassing geven aan het derde lid en ouders, voogden en verzorgers van een naar zijn oordeel voldoend aantal leerlingen hiertoe de wens hebben te kennen gegeven. - -**4.** Elk verzoek is met redenen omkleed, vermeldt de aard en de plaats van vestiging van de school en gaat vergezeld van een prognose omtrent de te verwachten omvang. Een verzoek tot opneming in het plan van een school voor praktijkonderwijs dan wel van een afdeling voor praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, wordt gedaan in overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan die school dan wel die afdeling deel gaat uitmaken, en gaat vergezeld van een advies van de gemeente waarin die school dan wel die afdeling wordt gevestigd. Indien het verzoek namens de raad, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan of het schoolbestuur wordt ingediend door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die zich de bevordering van het voortgezet onderwijs ten doel stelt, is het vervat in een deelplan, waarin zijn opgenomen de scholen, waarvan de oprichting in de drie kalenderjaren, waarover het plan zich uitstrekt, door die rechtspersoon wordt voorgestaan. - -**5.** Elk verzoek, bedoeld in het voorgaande lid, wordt door Onze minister toegezonden aan gedeputeerde staten die het aangaat. Binnen vier maanden na ontvangst stellen gedeputeerde staten Onze minister in kennis van hun oordeel over deze verzoeken. - -**6.** Het bepaalde in het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot verzoeken die de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage en Utrecht aangaan. +**4.** De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar, ten vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister. Behoudens in het laatste geval vangt de bekostiging aan in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het bevoegd gezag, voor 1 augustus, heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente uiterlijk met ingang van 1 augustus van het eerstgenoemde kalenderjaar de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen. ### Artikel 67 -**1.** Het plan vermeldt van elke school de aard, de plaats van vestiging en de te verwachten omvang en geeft aan, welke scholen in het eerste jaar voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zullen worden gebracht. +**1.** Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in de provincie. Daartoe kunnen gedeputeerde staten burgemeester en wethouders van de gemeente opdragen, een aanvraag bij Onze Minister in te dienen om een openbare school voor bekostiging in aanmerking te brengen indien de ouders, voogden en verzorgers van een naar hun oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij dat wensen en burgemeester en wethouders van de gemeente daaraan niet hebben voldaan. -**2.** Indien scholen op het plan worden vermeld zonder aanduiding van het eerste jaar van bekostiging uit 's Rijks kas, worden de redenen daarvan aan het plan toegevoegd. +**2.** Onze Minister kan burgemeester en wethouders van de gemeente opdragen een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school voor bekostiging in aanmerking te brengen, indien gedeputeerde staten het eerste lid niet toepassen en ouders, voogden of verzorgers van een naar zijn oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij indiening van een dergelijke aanvraag wensen. -**3.** Behoudens het bepaalde in het vierde lid zijn in ieder plan mede opgenomen de scholen uit het vorige plan, die nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht. +**3.** Indien een besluit van Onze Minister op een aanvraag als bedoeld in dit artikel onherroepelijk is geworden, gaan burgemeester en wethouders van de gemeente over tot stichting van de daarbij voor bekostiging in aanmerking gebrachte school. -**4.** Op verzoek van de aanvrager, dan wel indien zich naar het oordeel van Onze minister omstandigheden hebben voorgedaan, die bij de vaststelling van een plan niet bekend waren, kan uit het plan een in een vorig plan opgenomen school vervallen. +**4.** De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar, ten vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister, afhankelijk van het moment dat burgemeester en wethouders van de gemeente huisvesting ter beschikking hebben. ### Artikel 68 -**1.** Indien Onze Minister van oordeel is dat een andere school dan wordt gevraagd, dan wel een andere plaats van vestiging meer in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen, treedt hij, alvorens het plan wordt vastgesteld, in overleg met de aanvrager. +**1.** Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een nieuw te vormen afdeling als bedoeld in artikel 10c aan een reeds bekostigde school voor voorbereidend beroepsonderwijs indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze afdeling, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende afdeling, de verlangde richting en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal worden bezocht door ten minste 260 leerlingen, met dien verstande dat meer dan één afdeling voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht indien voor elke nieuw te vormen afdeling aannemelijk wordt gemaakt dat de desbetreffende afdeling door ten minste 160 leerlingen zal worden bezocht. -**2.** Indien het verzoek om opneming in het plan in strijd is met het laatst vastgestelde toetsingskader, bedoeld in artikel 65a, wijst Onze minister het verzoek af voor 1 februari, volgend op de ontvangst. - -**3.** Indien het verzoek om opneming in het plan gelijk of nagenoeg gelijk is aan het verzoek dat het voorgaande jaar is gedaan, en indien in het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, wijst Onze Minister het verzoek af voor 1 februari, volgend op de ontvangst. +**2.** Artikel 65, vijfde lid, en artikel 66 zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 69 -**1.** +**1.** Leerwegondersteunend onderwijs komt voor bekostiging in aanmerking voor zover de school of een daaraan uiterlijk op 1 augustus 2002 verbonden school of afdeling voor bekostiging van dat onderwijs in aanmerking kwam op grond van artikel II, eerste of tweede lid, artikel IV, eerste lid, of artikel IVa, eerste of tweede lid, van de Wet van 25 mei 1998 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van leerwegen in de hogere leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs) (Stb. 1998, 337). -Onze minister neemt in het plan in elk geval op de scholen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij, gelet op de belangstelling voor het desbetreffende schooltype en op het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, waaronder die verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zullen worden bezocht door ten minste - -a. driehonderd vijfenvijftig leerlingen, voor wat betreft een gymnasium; -b. driehonderd veertig leerlingen, voor wat betreft een atheneum; -c. vierhonderd zestig leerlingen, voor wat betreft een lyceum; -d. driehonderd zestig leerlingen, voor wat betreft een school en honderd vijfentwintig voor wat betreft een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs; -e. tweehonderd zestig leerlingen, voor wat betreft een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs; -f. driehonderd twintig leerlingen voor wat betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs bestaande uit een afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel a, en een afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel b, of uit twee afdelingen als bedoeld in artikel 10c, onderdeel c; -g. tweehonderd zestig leerlingen voor wat betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs bestaande uit de afdeling, bedoeld in artikel 10c, onderdeel d; -h. honderd zestig leerlingen voor elke nieuw te vormen afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel a, b of c, aan een reeds bekostigde of nieuw te vormen school voor voorbereidend beroepsonderwijs; -i. tweehonderd zestig leerlingen voor elke nieuw te vormen afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, aan een reeds bekostigde of nieuw te vormen school voor voorbereidend beroepsonderwijs; -j. honderd twintig leerlingen, voor wat betreft een school en vijfennegentig voor wat betreft een afdeling voor praktijkonderwijs. - -**2.** Een scholengemeenschap, in zich verenigende twee of meer van de in het eerste lid genoemde scholen, wordt in ieder geval in het plan opgenomen, indien op gelijke wijze als volgens het eerste lid kan worden aangetoond, dat het aantal leerlingen van elk der samenstellende scholen ten minste het daarvoor in het eerste lid genoemde aantal zal bedragen. Indien bij een in de eerste volzin bedoelde scholengemeenschap sprake is van een atheneum, een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als een of meer van de samenstellende scholen, geldt voor elk van deze scholen afzonderlijk dat het aantal aan te tonen leerlingen ten minste drie vierden zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid genoemde aantal. - -**3.** Bij de toepassing van de voorgaande leden worden niet in aanmerking genomen de leerlingen, voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een gelijksoortige school, waar het verlangde onderwijs wordt gegeven, tenzij deze school uitsluitend voor interne leerlingen bestemd is. +**2.** Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap dat is aangesloten bij een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 10h leerwegondersteunend onderwijs voor bekostiging in aanmerking brengen indien dat doelmatig is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van leerwegondersteunend onderwijs en de meerderheid van de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen en scholengemeenschappen in het desbetreffende samenwerkingsverband instemt met de aanvraag. ### Artikel 70 -Het plan wordt binnen vier weken na de vaststelling bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant en gelijktijdige toezending aan alle aanvragers, bedoeld in artikel 66, eerste lid, zomede aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 66, vierde lid. +**1.** Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde openbare school in een gelijksoortige bijzondere school. + +**2.** Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of door omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting. + +**3.** Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar. ### Artikel 71 -Vervallen +**1.** De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag een vestiging van een school of scholengemeenschap verplaatst over een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van de vorige vestigingsplaats. + +**2.** + +Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen: + +a. een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen, indien voor elke bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap geldt dat ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van die school of scholengemeenschap en van de leerlingen van een vestiging van een andere bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden, of +b. een scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan een regionaal opleidingencentrum deel uitmaakt, met een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, indien ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van laatstgenoemde scholengemeenschap en van de leerlingen van een vestiging van een bij de samenvoeging betrokken school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs, afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden. + +**3.** Het tweede lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan een agrarisch opleidingscentrum deel uitmaakt, die wordt samengevoegd met een school voor middelbaar algemeen voorgezet onderwijs, een school voor voorbereidend beroepsonderwijs waarin slechts onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, of een school voor praktijkonderwijs. + +**4.** Na een samenvoeging wordt op een vestiging onderwijs verzorgd in dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5, in dezelfde afdelingen als bedoeld in artikel 10c, en in dezelfde leerjaren als op de desbetreffende vestiging voor de samenvoeging, behoudens wijzigingen in het onderwijsaanbod op grond van artikel 68 of artikel 72. + +**5.** Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, indien het bevoegd gezag heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen. + +**6.** Artikel 65, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing bij toepassing van het tweede, derde en vijfde lid. Artikel 66, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing bij toepassing van het tweede en derde lid. ### Artikel 72 -Indien op grond van artikel 75c1 beroep is ingesteld tegen: +**1.** -a. een besluit omtrent het vervallen van een school uit het plan, anders dan op verzoek van de aanvrager op grond van artikel 67, vierde lid, of -b. een besluit waarbij aan een verzoek tot opneming van een school in het plan geen gevolg is gegeven, +Een bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap kan samenwerken met ten minste één ander bevoegd gezag met als doel het onderwijsaanbod af te stemmen op de vraag van de leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in hun regio. Een regio omvat een aaneengesloten gebied bestaande uit het grondgebied van een of meer gemeenten, met dien verstande dat: -en de uitspraak strekt tot opneming van een school in het plan van scholen, neemt Onze minister de school op in het eerste na de uitspraak vast te stellen plan van scholen. +a. op de deelnemende vestigingen van scholen of scholengemeenschappen van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen per gemeente ten minste zestig procent staat ingeschreven van alle leerlingen die op het grondgebied van die gemeente voortgezet onderwijs volgen, en +b. ten minste vijfenzestig procent van de bevoegde gezagsorganen die binnen een gemeente een of meer vestigingen van scholen of scholengemeenschappen hebben, bij de samenwerking betrokken is. + +**2.** + +Samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor hun regio een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vast. Een dergelijk plan: + +a. wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan overleg plaats heeft gevonden met de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen of scholengemeenschappen in de regio en vertegenwoordigers van de desbetreffende provincie of provincies alsmede voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de regio en met de bevoegde gezagsorganen van de regionale opleidingencentra en de agrarische opleidingscentra in de regio, aa. wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente of gemeenten, overeenkomstig een procedure die daartoe is vastgesteld door de samenwerkende bevoegde gezagsorganen en burgemeester en wethouders van die gemeente of gemeenten, welke procedure een voorziening voor het beslechten van geschillen bevat, +b. geldt voor een periode van vijf jaar, die aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar, en +c. bevat een gezamenlijk gedragen visie op het onderwijs in de regio, waarin in elk geval tot uitdrukking worden gebracht: + +1°. de omvang en begrenzing van de regio, +2°. gegevens over het aanbod en gebruik van onderwijsvoorzieningen, +3°. een overzicht van de onderwijsvoorzieningen, bedoeld in het derde lid, die de bevoegde gezagsorganen binnen de periode, bedoeld in onderdeel b, voor bekostiging in aanmerking willen laten brengen en een prognose van het aantal leerlingen per vestiging, +4°. de relatie van het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod met het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt, en +5°. de visie van de deelnemers aan het overleg, bedoeld in onderdelen a en aa, op het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en de onderwijshuisvesting. + +**3.** + +Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met f, indien de voorziening is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in het tweede lid en indien nodig tevens wordt voldaan aan de in genoemde onderdelen opgenomen voorwaarden. Een bevoegd gezag kan bij Onze Minister een aanvraag indienen voor bekostiging van: + +a. een vestiging van een school of scholengemeenschap die door het bevoegd gezag wordt verplaatst over een hemelsbreed gemeten afstand van drie kilometer of meer van de huidige vestigingsplaats, +b. een nieuwe nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 van een school of scholengemeenschap, indien ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen voor de nieuwe nevenvestiging en van de leerlingen van één van de al bestaande vestigingen van de school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden, +c. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een scholengemeenschap, +d. onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 aan een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7, of aan een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 8, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 10, of aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 10a, +e. onderwijs in de gemengde leerweg aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs of aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, of +f. een afdeling als bedoeld in artikel 10c met uitzondering van een afdeling als bedoeld in artikel 10c, onderdeel a, onder 6, en de afdelingen Kust-, Rijn- en Binnenvaart en Haven en Vervoer School, aangewezen op grond van artikel 24, vijfde lid, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden. + +**4.** In afwijking van het derde lid kan Onze Minister voor bekostiging in aanmerking brengen een onderwijsvoorziening als bedoeld in het derde lid, onderdelen c tot en met f, die niet is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in het tweede lid, indien de overige bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan de samenwerking instemmen met de aanvraag en indien nodig tevens wordt voldaan aan de in genoemde onderdelen opgenomen voorwaarden. + +**5.** Op de voorbereiding van de besluiten, bedoeld in het derde en vierde lid, is afdeling 3.4, met uitzondering van artikel 3:18, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. + +**6.** Een aanvraag als bedoeld in het derde of vierde lid wordt afgewezen indien de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan tien procent leerlingverlies bij een vestiging van een school of scholengemeenschap van een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de samenwerking, tenzij dat bevoegd gezag heeft verklaard, daarmee in te stemmen. + +**7.** Artikelen 65, vijfde lid, en 66, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in het derde en vierde lid. + +**8.** Bij besluiten over een onderwijsvoorziening als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, is artikel 66, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Bij besluiten over overige in het derde lid bedoelde onderwijsvoorzieningen vangt de bekostiging aan op 1 augustus van enig kalenderjaar. ### Artikel 73 -Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, beslist Onze minister bij beschikking, met ingang van welk tijdstip dit kan geschieden. +**1.** Onze Minister kan in bijzondere gevallen cursussen voortgezet onderwijs, niet zijnde voorbereidend beroepsonderwijs, geheel of gedeeltelijk en voor een door hem te bepalen periode voor bekostiging in aanmerking brengen, indien naar zijn oordeel daaraan behoefte bestaat. + +**2.** Onze Minister kan aan de bekostiging verplichtingen verbinden. + +**3.** Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels over de verdeling vastgesteld. ### Artikel 74 -**1.** De bekostiging vangt in elk geval aan, nadat de school vijf achtereenvolgende jaren in het plan is opgenomen. - -**2.** Ten aanzien van een school, die ingevolge artikel 72 voor het eerst in het plan wordt opgenomen, vangt deze termijn aan in het jaar, waarin het beroep werd ingesteld, en ten aanzien van een school, die ingevolge dat artikel weer in het plan wordt opgenomen, in het jaar, waarin de school voor het eerst in het plan werd opgenomen. - -**3.** De aanspraak op bekostiging vervalt, indien de voorgenomen oprichting van de desbetreffende school niet is verwezenlijkt binnen twee jaren na het jaar, waarin de bekostiging een aanvang had kunnen nemen, tenzij Onze minister in bijzondere gevallen anders bepaalt. - -### Artikel 74a - -Vervallen +Onze Minister kan onder door hem nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding als bedoeld in de artikelen 179 van de Wet op het primair onderwijs en 165 van de Wet op de expertisecentra ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCenW-subsidies van toepassing. ### Artikel 75 -**1.** Onze minister kan, de daarvoor in aanmerking komende organisaties gehoord, onder door hem te stellen voorwaarden voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door middel van een omzetting, als bedoeld in artikel 64, tweede lid, onder c. +Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van het bepaalde in deze afdeling ten behoeve van scholengemeenschappen die omvatten: -**2.** Onze minister kan, de daarvoor in aanmerking komende organisaties gehoord, toestaan dat een bekostigde school wordt gesplitst of een andere plaats van vestiging krijgt. Onze minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden. - -**3.** Naar aanleiding van een verzoek op grond van het eerste lid, betreffende de omzetting van een openbare school in een gelijksoortige bijzondere school, of een verzoek op grond van het tweede lid, betreffende de verplaatsing van een openbare school, stellen gedeputeerde staten vast of voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen, indien Onze Minister in het verzoek zou toestemmen. Gedeputeerde staten kunnen burgemeester en wethouders binnen zes maanden nadat het verzoek te hunner kennis is gebracht opdragen het zodanige verzoek in te trekken, indien de ouders, voogden en verzorgers van een naar hun oordeel voldoend aantal leerlingen hiertoe de wens hebben te kennen gegeven en burgemeester en wethouders daaraan niet hebben voldaan. - -**4.** Onze minister kan op grond van bijzondere omstandigheden, de daarvoor in aanmerking komende organisaties gehoord, onder door hem te stellen voorwaarden een nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking brengen. - -**5.** Onze minister besluit binnen tien maanden na ontvangst van een aanvraag tot omzetting, splitsing of verplaatsing. Indien de beschikking niet binnen tien maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. +a. een regionaal opleidingencentrum en een of meer scholen voor voortgezet onderwijs of +b. een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor praktijkonderwijs. ### Artikel 75a -Vervallen - -### Artikel 75b - -**1.** Onze minister kan in bijzondere gevallen cursussen voortgezet onderwijs, niet zijnde voorbereidend beroepsonderwijs, geheel of gedeeltelijk en voor een door hem te bepalen periode voor bekostiging in aanmerking brengen, indien naar zijn oordeel daaraan behoefte bestaat. - -**2.** Onze minister kan aan de bekostiging verplichtingen verbinden. - -**3.** Onze minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld. - -### Artikel 75c - -**1.** Leerwegondersteunend onderwijs komt voor bekostiging in aanmerking voor zover de school of een daaraan uiterlijk op 1 augustus 2002 verbonden school of afdeling voor bekostiging van dat onderwijs in aanmerking kwam op grond van artikel II, eerste of tweede lid, artikel IV, eerste lid, of artikel IVa, eerste of tweede lid, van de Wet van 25 mei 1998 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van leerwegen in de hogere leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs) (Stb. 1998, 337). - -**2.** Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap leerwegondersteunend onderwijs voor bekostiging in aanmerking brengen indien dat doelmatig is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van leerwegondersteunend onderwijs en de meerderheid van de overige scholen en scholengemeenschappen in het desbetreffende samenwerkingsverband met de aanvraag instemt. - -### Artikel 75c1 - -Tegen een besluit op grond van deze afdeling met uitzondering van artikel 75d kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. - -### Artikel 75d - -Onze minister kan onder nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen, die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en van de Wet op de expertisecentra ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Voor zover toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing. +Tegen een besluit op grond van deze afdeling met uitzondering van artikel 74 kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ### Artikel 76 -Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de uitvoering van deze afdeling. +Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van deze afdeling. ### Afdeling IA. Voorziening in de huisvesting en inventaris @@ -2343,10 +2330,10 @@ In afwijking van dit hoofdstuk kan de gemeenteraad besluiten dat jaarlijks een b **1.** -In afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk en onverminderd het tweede lid zijn de bepalingen inzake de huisvesting bij of krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing op scholen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van een scholengemeenschap waarin tot één instelling zijn verenigd: +In afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk en onverminderd het tweede lid zijn de bepalingen inzake de huisvesting bij of krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing op scholen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van een scholengemeenschap die omvat: -a. een regionaal opleidingencentrum als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en een school voor voortgezet onderwijs, dan wel -b. een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs. +a. een regionaal opleidingencentrum en een school voor voortgezet onderwijs, dan wel +b. een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor praktijkonderwijs. **2.** Artikel 76u is van overeenkomstige toepassing op de gebouwen en terreinen waarvan het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school eigenaar is op het moment dat op of na 1 januari 1997 een scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid tot stand komt dan wel wordt uitgebreid met een school voor voortgezet onderwijs. @@ -2396,18 +2383,31 @@ Vervallen ### Artikel 77a -**1.** Indien op verzoek van de ouders van een leerling voor wie op basis van een beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra, een leerlinggebonden budget beschikbaar is, die leerling wordt ingeschreven bij een school, meldt het bevoegd gezag van die school die inschrijving aan Onze minister. +**1.** Indien op verzoek van de ouders van een leerling voor wie op basis van een beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra, een leerlinggebonden budget beschikbaar is, die leerling wordt ingeschreven bij een school, dan wel indien een dergelijk budget beschikbaar komt voor een leerling die al staat ingeschreven bij een school, meldt het bevoegd gezag van die school die inschrijving, respectievelijk het beschikbaar komen van een leerlinggebonden budget voor de desbetreffende leerling, aan Onze minister. -**2.** Indien sprake is van een eerste inschrijving bij een school als leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de inschrijving aan het bevoegd gezag van die school ten behoeve van die leerling een leerlinggebonden budget toegekend, dat wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze. De omvang van het leerlinggebonden budget is afhankelijk van de onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is verklaard en van de onderwijssoort van de school waarbij de leerling wordt ingeschreven. In de vorige volzin wordt met de onderwijssoort van de school waarbij de leerling is ingeschreven tevens bedoeld het toegelaten zijn tot het leerwegondersteunend onderwijs. +**2.** Indien sprake is van een eerste inschrijving bij een school als leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, dan wel indien een leerlinggebonden budget beschikbaar komt voor een leerling die al staat ingeschreven bij een school, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de inschrijving, respectievelijk het beschikbaar komen van het leerlinggebonden budget, aan het bevoegd gezag van die school ten behoeve van die leerling een leerlinggebonden budget toegekend, dat wordt berekend op een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze. De omvang van het leerlinggebonden budget is afhankelijk van de onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is verklaard, waarbinnen onderscheid kan worden gemaakt op grond van leerlingkenmerken, en van de onderwijssoort van de school waarbij de leerling wordt ingeschreven. In de vorige volzin wordt met de onderwijssoort van de school waarbij de leerling is ingeschreven tevens bedoeld het toegelaten zijn tot het leerwegondersteunend onderwijs. **3.** Indien ten behoeve van een leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is in het lopende kalenderjaar dat budget aan het bevoegd gezag van een school is toegekend, wordt bij inschrijving van die leerling bij een andere school, het in het tweede lid bedoelde leerlinggebonden budget aan het bevoegd gezag van laatstbedoelde school toegekend met ingang van het nieuwe kalenderjaar. -**4.** Het bevoegd gezag van de school is verplicht een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van het leerlinggebonden budget te besteden bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra waarbinnen onderwijs wordt gegeven van de soort waarvoor de leerling toelaatbaar is verklaard. Het in de eerste volzin bedoelde deel kan voor de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, verschillend worden vastgesteld. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een leerling die toelaatbaar is verklaard tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, van de Wet op de expertisecentra. +**4.** Het bevoegd gezag van de school is verplicht een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van het leerlinggebonden budget te besteden bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra waarbinnen onderwijs wordt gegeven van de soort waarvoor de leerling toelaatbaar is verklaard of van de soort die behoort tot hetzelfde cluster als de onderwijssoort waarvoor de leerling toelaatbaar is verklaard. Het in de eerste volzin bedoelde deel kan voor de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, verschillend worden vastgesteld. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een leerling die toelaatbaar is verklaard tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, van de Wet op de expertisecentra. **5.** Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, geeft het bevoegd gezag tevens aan bij welke school bedoeld in de Wet op de expertisecentra het in het vierde lid bedoelde deel van het leerlinggebonden budget wordt besteed. Op grond van deze melding kent Onze minister dat deel van het leerlinggebonden budget toe aan laatstbedoelde school. **6.** Een krachtens het tweede en vierde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens de kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. De vorige 3 volzinnen zijn niet van toepassing, voor zover het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur voordien aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is voorgelegd en door of namens de kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken. +### Artikel 77b + +**1.** + +De commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra, beoordeelt, indien de ouders van een leerling niet overgaan tot een verzoek als bedoeld in artikel 28c, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, op verzoek van het bevoegd gezag van de school van een leerling, die zijn woonplaats heeft in het gebied van het regionaal expertisecentrum dat de desbetreffende commissie voor de indicatiestelling in stand houdt, of een leerling op basis van de in het achtste lid van artikel 28c van de Wet op de expertisecentra bedoelde criteria: + +a. in aanmerking komt voor een leerlinggebonden budget indien de leerling wordt dan wel is ingeschreven bij een school alsmede +b. toelaatbaar is tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder d, van de Wet op de expertisecentra waarvoor de commissie voor de indicatiestelling werkzaam is. + +**2.** Het tweede, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, tiende en elfde lid van artikel 28c van de Wet op de expertisecentra zijn van overeenkomstige toepassing. + +**3.** Het bevoegd gezag informeert de ouders van de desbetreffende leerling schriftelijk over zijn voornemen om tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid over te gaan en stelt hen daarbij in de gelegenheid binnen ten minste vier weken na dagtekening van de informatieve mededeling aan te geven of zij zelf tot een verzoek overgaan. Bij het aanmeldingsformulier, bedoeld in artikel 28c, vierde lid, geeft het bevoegd gezag de reactie van de ouders weer. + ### Artikel 78 De kosten van de scholen zijn: @@ -2509,7 +2509,7 @@ De bekostiging voor de exploitatiekosten van de scholen heeft betrekking op de v a. onderhoud van het gebouw en het terrein, b. energie- en waterverbruik, -c. middelen, +c. middelen, waaronder mede wordt verstaan lesmateriaal als bedoeld in artikel 6e, d. administratie, beheer en bestuur, e. loopbaanoriëntatie en -begeleiding, f. schoonmaken, en @@ -3021,7 +3021,7 @@ e. het leerjaar; f. het behaalde diploma; g. de vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het schoolexamen en het centraal examen, de eindcijfers en de uitslag van het eindexamen of deeleindexamen; h. indien van toepassing de aanduiding van de minderheidsgroep en de verblijfsduur in Nederland, voorzover de desbetreffende minderheidsgroep of verblijfsduur als categorie is opgenomen in een ministeriële regeling waarin voorschriften zijn vastgesteld omtrent toekenning van een aanvullende vergoeding voor personeelskosten als bedoeld in artikel 85a, eerste lid; en -i. het registratienummer van de school dan wel scholengemeenschap of, indien sprake is van een nevenvestiging, het registratienummer daarvan. +i. het registratienummer van de school dan wel scholengemeenschap of, indien sprake is van een nevenvestiging dan wel tijdelijke nevenvestiging, het registratienummer daarvan. **3.** Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en achtste lid. @@ -3117,36 +3117,18 @@ d. de controle van de boekhouding en de administratie van de scholen. ### Artikel 107 -**1.** Een openbare school voor m.a.v.o., een openbare school voor h.a.v.o., een openbaar atheneum, of een openbaar gymnasium wordt opgeheven en de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een zodanige bijzondere school gaat verloren, indien de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens is bezocht door minder dan 240 leerlingen. +**1.** -**2.** +Een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd indien de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan: -Een openbare school voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt opgeheven en de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een zodanige bijzondere school gaat verloren: +a. voor een school voor praktijkonderwijs: 70 leerlingen, +b. voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met twee of drie sectoren als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 240 leerlingen, +c. voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met vier sectoren als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 360 leerlingen, en +d. voor de overige scholen: drie kwart van het aantal leerlingen dat voor de desbetreffende schoolsoort is genoemd in artikel 65, eerste lid. -a. voor zover het betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met één of meer afdelingen uit één, twee of drie van de sectoren, bedoeld in artikel 10c, indien de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens is bezocht door minder dan 240 leerlingen, -b. voor zover het betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met één of meer afdelingen uit alle vier sectoren, bedoeld in artikel 10c, indien de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens is bezocht door minder dan 360 leerlingen. +**2.** Een openbare scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere scholengemeenschap wordt beëindigd indien de scholengemeenschap gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan de helft van het aantal leerlingen dat op grond van artikel 65, eerste lid, vereist is voor stichting van de scholen die deel uitmaken van de scholengemeenschap. -**3.** Een openbaar lyceum wordt opgeheven en de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een bijzonder lyceum gaat verloren, indien de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens is bezocht door minder dan 300 leerlingen. - -**4.** - -Indien één school deel uitmaakt van een scholengemeenschap is het bepaalde in het eerste, tweede, dan wel derde lid op die school van toepassing. Indien twee of meer openbare scholen deel uitmaken van een scholengemeenschap, worden al deze scholen opgeheven en gaat de aanspraak op bekostiging ten behoeve van al deze bijzondere scholen verloren, indien de scholen gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens zijn bezocht door minder dan gemiddeld 30 leerlingen per leerjaar per school. Voor de toepassing van de tweede volzin wordt: - -a. een lyceum beschouwd als een school met 10 leerjaren, -b. een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met afdelingen uit twee of drie van de sectoren, bedoeld in artikel 10c, beschouwd als een school met 8 leerjaren en -c. een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met afdelingen uit alle vier sectoren, bedoeld in artikel 10c, beschouwd als een school met 12 leerjaren. - -**5.** Voor wat betreft de afdelingen van scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs, wordt een afdeling opgeheven en gaat de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een afdeling van een bijzondere school verloren, indien de afdeling in een leerjaar voorafgaande aan het laatste leerjaar gedurende twee achtereenvolgende jaren door geen leerlingen is bezocht. - -**6.** Een afdeling van een openbare school voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt niet opgeheven en de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een afdeling van een bijzondere school voor voorbereidend beroepsonderwijs gaat niet verloren vanwege het overeenkomstig artikel 10b, tiende lid, of 10d, tiende lid, verzorgen van een of meer intrasectorale programma's. - -**7.** Vervallen. - -**8.** Vervallen. - -**9.** Vervallen. - -**10.** Indien scholen die onderdeel van een scholengemeenschap vormen, of afdelingen door het bevoegd gezag worden opgeheven, worden deze voor de toepassing van het tweede lid geacht niet te bestaan, met ingang van de datum waarop de uitvoering van het besluit van het bevoegd gezag een aanvang neemt. Leerlingen die een nog niet opgeheven tweede leerjaar bezoeken, dat tevens het tweede leerjaar is van een of meer scholen van een scholengemeenschap of afdelingen van een school of scholengemeenschap, die niet wordt opgeheven, worden geheel toegerekend aan dat deel van de school of scholengemeenschap, dat niet wordt opgeheven. Het bepaalde in de voorgaande volzinnen is tevens van toepassing, indien de opheffing het gevolg is van het bepaalde in de laatste volzin van het tweede of vierde lid. +**3.** De opheffing van een openbare school of scholengemeenschap of de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of scholengemeenschap geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste of tweede lid. ### Artikel 108 @@ -3156,19 +3138,19 @@ c. een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met afdelingen uit alle vier s **3.** Artikel 107 blijft buiten toepassing, zolang de school niet alle leerjaren omvat. -**4.** In bijzondere gevallen kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag of van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 66, vierde lid, voor een door hem te bepalen tijd toestaan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd, ook al is het aantal leerlingen minder, dan in artikel 107 is vermeld. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. +**4.** In bijzondere gevallen kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag voor een door hem te bepalen tijd toestaan, dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd, ook al is het aantal leerlingen minder, dan in artikel 107 is vermeld. Onze minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. **5.** Binnen acht weken na de bekendmaking door het Centraal Bureau voor de Statistiek dan wel door Onze minister van de aantallen leerlingen per school voor voortgezet onderwijs, stellen gedeputeerde staten vast welke gemeentelijke scholen uit hun provincie gedurende reeds een jaar niet meer voldoen aan de voor hen geldende norm, genoemd in artikel 107. Wanneer er als gevolg van de opheffing van een school als bedoeld in de vorige volzin, naar hun oordeel niet meer voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen, dragen gedeputeerde staten burgemeester en wethouders op een verzoek te doen op grond van het vierde lid. ### Artikel 109 -**1.** De artikelen 107 en 108, met uitzondering van het vijfde lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing op scholen voor praktijkonderwijs en op afdelingen voor praktijkonderwijs. Een openbare school of afdeling voor praktijkonderwijs wordt opgeheven dan wel de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een zodanige bijzondere school of afdeling wordt beëindigd, indien de school of afdeling niet langer voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden, waartoe in ieder geval behoren het aantal leerlingen dat de school of afdeling bezoekt, en het evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen. Artikel 108, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. +**1.** Bij het verstrijken van de looptijd van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 72 gaat de aanspraak op bekostiging verloren voor zover het betreft een afdeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel f, met dien verstande dat de bekostiging nog een jaar wordt gehandhaafd voor zover het betreft het onderwijs aan leerlingen in het derde leerjaar en nog twee jaar voor zover het betreft het onderwijs aan leerlingen in het vierde leerjaar. -**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op nevenvestigingen, bedoeld in artikel 19, vierde lid, voor zover het betreft nevenvestigingen die tot stand zijn gebracht op de wijze en voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel V, derde lid, dan wel artikel VIII, vierde lid, van de Wet van 25 mei 1998 (Stb. 337). +**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de desbetreffende afdeling op grond van een aansluitend regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 72 of op grond van artikel 68 voor bekostiging in aanmerking is gebracht. ### Artikel 110 -De artikelen 107 en 108 zijn, voor zover zij betrekking hebben op scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, van overeenkomstige toepassing op afdelingen, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b. +Vervallen ### Artikel 110a @@ -3176,7 +3158,7 @@ De artikelen 107 en 108 zijn, voor zover zij betrekking hebben op scholen voor h Het bevoegd gezag stort het exploitatie-overschot terug in de desbetreffende overheidskas -a. indien een openbare school ingevolge artikel 107, 109 of 110 wordt opgeheven, +a. indien een openbare school ingevolge artikel 107 wordt opgeheven, b. indien de bekostiging van een bijzondere school ingevolge een van de in onderdeel a genoemde artikelen wordt beëindigd, of c. indien een school ingevolge een beslissing van het bevoegd gezag wordt opgeheven en deze opheffing is gerealiseerd. @@ -3202,7 +3184,7 @@ Het toezicht op de beoordeling door de regionale verwijzingscommissies, bedoeld ### Artikel 118a -Burgemeester en wethouders, de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente, en de bevoegde gezagsorganen van de in de gemeente gelegen agrarische opleidingscentra als bedoeld in artikel 1.3.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover het betreft het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, voeren tenminste jaarlijks overleg over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden, de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van in de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen. Het overleg is gericht op het maken van afspraken over de in de eerste volzin bedoelde onderwerpen. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen worden bereikt. Burgemeester en wethouders kunnen de uitkomsten van het verplichte op overeenstemming gerichte overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties en inspanningen, die – alvorens de afspraken tot stand komen – aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt, schrijven burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit, waarbij zij initiatieven nemen tot het bereiken van een zo groot mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot overeenstemming leidt, vragen burgemeester en wethouders of een van de bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld in het tweede lid, om een bindend advies. De geschillencommissie brengt binnen 4 weken aan burgemeester en wethouders dan wel aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies uit. Burgemeester en wethouders maken dit advies bekend aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente. +Burgemeester en wethouders, de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente, en de bevoegde gezagsorganen van de in de gemeente gelegen agrarische opleidingscentra, voor zover het betreft het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, voeren tenminste jaarlijks overleg over het voorkomen van segregatie, het bevorderen van integratie en het bestrijden van onderwijsachterstanden, de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en het uit het overleg voortvloeiende voorstel van het bevoegd gezag van in de gemeente gevestigde scholen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen. Het overleg is gericht op het maken van afspraken over de in de eerste volzin bedoelde onderwerpen. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen worden bereikt. Burgemeester en wethouders kunnen de uitkomsten van het verplichte op overeenstemming gerichte overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties en inspanningen, die – alvorens de afspraken tot stand komen – aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt, schrijven burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit, waarbij zij initiatieven nemen tot het bereiken van een zo groot mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot overeenstemming leidt, vragen burgemeester en wethouders of een van de bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld in het tweede lid, om een bindend advies. De geschillencommissie brengt binnen 4 weken aan burgemeester en wethouders dan wel aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies uit. Burgemeester en wethouders maken dit advies bekend aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente. **2.** Onze minister stelt een geschillencommissie in. @@ -3267,7 +3249,7 @@ c. organiseren en coördineren zij de in het eerste lid bedoelde melding, regist **8.** Indien burgemeester en wethouders van de contactgemeente het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met zevende lid niet nakomen, kan Onze Minister de uitkering geheel of gedeeltelijk inhouden of opschorten. Onze Minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke inhouding dan na overleg met burgemeester en wethouders van de contactgemeente. Onze Minister kan de uitkering wederom toekennen indien de reden voor inhouding of opschorting is vervallen. -**9.** Onze Minister kan de in het vijfde lid bedoelde uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de rekening van de gemeente, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het gemeentelijk verslag omtrent het financieel beheer, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het verslag van de accountant, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet, dan wel uit een afzonderlijke verantwoording, voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel. +**9.** Onze Minister kan de in het vijfde lid bedoelde uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien niet uit de informatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met dit artikel. ### Artikel 118i @@ -3379,26 +3361,6 @@ c. de procedure voor het aanvragen van het geschiktheidsonderzoek en voor afgift Het in artikel 118n en het in artikel 118p bedoelde bestuur verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig acht ten behoeve van een goede naleving van deze titel. Het bestuur zendt de inspectie van het onderwijs telkens na zes maanden een overzicht van in die periode afgegeven geschiktheidsverklaringen en bekwaamheidsonderzoeken waaraan met goed gevolg is deelgenomen. -## Titel IVE. Overgangsbepalingen - -### Artikel 118u - -**1.** Personen die in het bezit zijn van een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat ten aanzien van het vak omgangskunde is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 36, eerste lid, zijn tevens benoembaar of tewerkstelbaar zonder benoeming voor het geven van praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f en voor het geven van onderwijs aan groepen van uitsluitend geïndiceerde leerlingen in het leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, in de vakken Nederlands, Engels, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, biologie (incl. kennis der natuur), verzorging, muziek, handvaardigheid (textiele werkvormen) en tekenen. - -**2.** - -Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van personen die: - -a. het in het eerste lid bedoelde getuigschrift hebben behaald na 1 augustus 2006; -b. voor 1 september 2012 zijn gestart met de opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in het vak omgangskunde aan de Fontys Hogeschool Tilburg, de NHL Hogeschool, de Hogeschool Leiden of de Hogeschool Utrecht; en -c. uiterlijk op 31 augustus 2016 met goed gevolg de aanvullende opleiding «Leergang omgangskunde in praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs» met een omvang van ten minste 420 uren studie hebben afgerond aan een van de in onderdeel b genoemde hogescholen. - -### Afdeling VII. Overgangsrecht in verband met de - -### Artikel 118ii - -Artikel 76v.1 is van overeenkomstige toepassing op de school of scholengemeenschap die samen met een vakinstelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs als scholengemeenschap in de zin van de artikelen 2.6 en 12.2.3 WEB is aangemerkt. - ## Titel V. Slotbepalingen ### Artikel 119