2022-07-02 | BWBR0035187 | Vragen en antwoorden met betrekking tot besluit Dienstverleningslichamen en zekerheid vooraf (DGB 2014/3101), besluit Behandeling verzoeken zekerheid vooraf in vorm van Advance Tax Ruling (ATR) (DGB 2014/3099)

This commit is contained in:
Coornhert 2022-07-02 12:00:00 +00:00
parent 5a246ab5d1
commit 9b6682ea94

View file

@ -49,7 +49,7 @@ Voor de reële risico-eis is doorslaggevend in hoeverre risicos worden gelope
Antwoord:
Het verstrekken van zekerheid vooraf is gebaseerd op het van 4 april 2011, Nr. BLKB2011/265M. Op basis van dat besluit wordt uitsluitsel gegeven over de fiscale gevolgen die zijn verbonden aan handelingen van de belastingplichtige. In het geval van een dienstverleningslichaam omvat dit zowel de toepassing van de vereisten van het onderhavige besluit als de arms-lengthvergoeding van de vennootschap en de verrekenbaarheid van eventuele bronbelastingen. In het gewijzigde besluit is daarom expliciet opgenomen dat het verstrekken van zekerheid vooraf over toepassing van de vereisten van het onderhavige besluit uitsluitend plaatsvindt in combinatie met zekerheid vooraf met betrekking tot de arms-lengthvergoeding en verrekenbaarheid van eventuele bronheffingen.
Het verstrekken van zekerheid vooraf is gebaseerd op het van 4 april 2011, Nr. BLKB2011/265M. Op basis van dat besluit wordt uitsluitsel gegeven over de fiscale gevolgen die zijn verbonden aan handelingen van de belastingplichtige. In het geval van een dienstverleningslichaam omvat dit zowel de toepassing van de vereisten van het onderhavige besluit als de arms-lengthvergoeding van de vennootschap en de verrekenbaarheid van eventuele bronbelastingen. In het gewijzigde besluit is daarom expliciet opgenomen dat het verstrekken van zekerheid vooraf over toepassing van de vereisten van het onderhavige besluit uitsluitend plaatsvindt in combinatie met zekerheid vooraf met betrekking tot de arms-lengthvergoeding en verrekenbaarheid van eventuele bronheffingen.
7. **Kan zekerheid vooraf worden verkregen over de toepassing van artikel 8c Wet Vpb 1969 zonder dat tevens zekerheid vooraf over de beloning wordt verzocht?**
Antwoord:
@ -118,7 +118,7 @@ Het vereiste beoogt om dual resident lichamen uit te sluiten van het verkrijgen
Antwoord:
De omvang van het bij de activiteiten en gelopen risicos passend eigen vermogen dient te worden bepaald op basis van de feiten en omstandigheden van het geval. Hoewel een dienstverleningslichaam activiteiten binnen concern verricht en een bancaire instelling diensten verleent jegens derde partijen, kan voor het vaststellen van het passend eigen vermogen ten aanzien van de verstrekte leningen in voorkomende gevallen bijvoorbeeld het Bazels kapitaalakkoord naar analogie worden toegepast. Het Bazels kapitaalakkoord gaat uit van risicogewogen activa; dat wil zeggen, via een risicoweging wordt aan een bepaald activum een minimumkapitaalvereiste gekoppeld. Analoge toepassing van het Bazels kapitaalakkoord is een voorbeeld van een mogelijke methode voor vaststelling van het passend eigen vermogen; andere methoden voor het vaststellen van het passend eigen vermogen zijn ook denkbaar.
17. **Vereist is dat het dienstverleningslichaam minimaal een bij de door het dienstverleningslichaam verrichte functies passend eigen vermogen heeft (rekening houdend met de gebruikte activa en de gelopen risicos). Is dit een andere eis dan het aan te houden eigen vermogen op basis van paragraaf 6 van het besluit DGB 2014/3101, zijnde 1% van het bedrag van de geldlening dan wel een bedrag van € 2 miljoen?**
17. **Vereist is dat het dienstverleningslichaam minimaal een bij de door het dienstverleningslichaam verrichte functies passend eigen vermogen heeft (rekening houdend met de gebruikte activa en de gelopen risicos). Is dit een andere eis dan het aan te houden eigen vermogen op basis van paragraaf 6 van het besluit DGB 2014/3101, zijnde 1% van het bedrag van de geldlening dan wel een bedrag van € 2 miljoen?**
Antwoord:
@ -126,11 +126,11 @@ Ja, het minimaal aan te houden eigen vermogen op basis van paragraaf 6 van het b
*Voorbeeld 1*
Een dienstverleningslichaam (DVL) heeft een geldlening verstrekt van € 200 miljoen en houdt een eigen vermogen aan van € 2 miljoen. Er zijn ten aanzien van de geldlening geen garanties verstrekt. DVL loopt ten aanzien van deze transactie zodanige risicos dat op basis van een analoge toepassing van het Bazels kapitaalakkoord) dat is een mogelijke methode voor vaststelling van het passend eigen vermogen het passend eigen vermogen bijvoorbeeld kan worden gesteld op 4% van de uitgaande lening, ofwel € 8 miljoen. Er is geen sprake van een passend vermogen als bedoeld in de bijlage van het besluit en er wordt geen zekerheid vooraf verstrekt.
Een dienstverleningslichaam (DVL) heeft een geldlening verstrekt van € 200 miljoen en houdt een eigen vermogen aan van € 2 miljoen. Er zijn ten aanzien van de geldlening geen garanties verstrekt. DVL loopt ten aanzien van deze transactie zodanige risicos dat op basis van een analoge toepassing van het Bazels kapitaalakkoord) dat is een mogelijke methode voor vaststelling van het passend eigen vermogen het passend eigen vermogen bijvoorbeeld kan worden gesteld op 4% van de uitgaande lening, ofwel € 8 miljoen. Er is geen sprake van een passend vermogen als bedoeld in de bijlage van het besluit en er wordt geen zekerheid vooraf verstrekt.
*Voorbeeld 2*
Een dienstverleningslichaam (DVL) heeft een eigen vermogen van € 2 miljoen, dat volledig is belegd in een Nederlandse staatslening. Daarnaast heeft DVL een geldlening verstrekt van € 200 miljoen, die volledig is gefinancierd met een van een groepsmaatschappij aangetrokken lening. Het risico dat DVL loopt ten aanzien van de groepsleningen is door garanties van een groepsmaatschappij beperkt tot € 2 miljoen. Op basis van het Bazels kapitaalakkoord heeft een lening aan de overheid van een OESO-land (zoals Nederland) een risicogewogen waarde van 0) (er wordt geen risico gelopen). Tegenover de Nederlandse staatslening zou derhalve op basis van het risicoprofiel geen eigen vermogen hoeven te worden aangehouden. Er is sprake van een passend eigen vermogen als bedoeld in de bijlage van het besluit omdat de € 2 miljoen eigen vermogen ter beschikking staat om het aan de lening gerelateerde risico te dragen. Er kan derhalve zekerheid vooraf worden verkregen.
Een dienstverleningslichaam (DVL) heeft een eigen vermogen van € 2 miljoen, dat volledig is belegd in een Nederlandse staatslening. Daarnaast heeft DVL een geldlening verstrekt van € 200 miljoen, die volledig is gefinancierd met een van een groepsmaatschappij aangetrokken lening. Het risico dat DVL loopt ten aanzien van de groepsleningen is door garanties van een groepsmaatschappij beperkt tot € 2 miljoen. Op basis van het Bazels kapitaalakkoord heeft een lening aan de overheid van een OESO-land (zoals Nederland) een risicogewogen waarde van 0) (er wordt geen risico gelopen). Tegenover de Nederlandse staatslening zou derhalve op basis van het risicoprofiel geen eigen vermogen hoeven te worden aangehouden. Er is sprake van een passend eigen vermogen als bedoeld in de bijlage van het besluit omdat de € 2 miljoen eigen vermogen ter beschikking staat om het aan de lening gerelateerde risico te dragen. Er kan derhalve zekerheid vooraf worden verkregen.
## IV. Lopen van reële risicos
@ -139,11 +139,11 @@ Een dienstverleningslichaam (DVL) heeft een eigen vermogen van € 2 miljoen, da
Antwoord:
In beginsel is sprake van een doorlopende toets. Indien echter het eigen vermogen is aangetast omdat de gelopen reële risicos zich verwezenlijkt hebben, blijft de zekerheid vooraf gelden. Ook indien na het aangaan van de transacties, bijvoorbeeld als gevolg van een herwaardering, blijkt dat onvoldoende vermogen aanwezig was op vorenbedoeld tijdstip en alsnog het vermogen wordt aangevuld, blijft de zekerheid vooraf in stand. Indien belastingplichtige kapitaal heeft verminderd door bijvoorbeeld terugbetaling van kapitaal, zal de zekerheid vooraf vervallen indien niet langer wordt beschikt over voldoende eigen vermogen. Hetzelfde geldt voor het passend eigen vermogen zoals bedoeld in de bijlage van het besluit (substance). Indien de omvang van de transactie wordt teruggebracht (bijvoorbeeld, als het een lening betreft, door aflossing van een deel van de hoofdsom) en/of de daarmee gelopen risicos, kan het aangehouden eigen vermogen dienovereenkomstig worden verminderd zonder dat de zekerheid vooraf vervalt, mits daarbij voor de resterende transacties en gelopen risicos aan de voorwaarden van het besluit voldaan blijft worden. Overigens merk ik op dat de realistische mogelijkheid dient te bestaan dat dit eigen vermogen dat wordt aangehouden in verband met de onder het besluit vallende transacties wordt aangetast als de daarmee samenhangende risicos zich manifesteren.
19. **Kan het minimaal aan te houden eigen vermogen van 1% van het bedrag van de geldlening dan wel een bedrag van € 2 miljoen, op overeenkomstige manier worden toegepast voor situaties waarin sprake is van het ontvangen en (door)betalen van royaltys, huur of leasetermijnen in plaats van rente?**
19. **Kan het minimaal aan te houden eigen vermogen van 1% van het bedrag van de geldlening dan wel een bedrag van € 2 miljoen, op overeenkomstige manier worden toegepast voor situaties waarin sprake is van het ontvangen en (door)betalen van royaltys, huur of leasetermijnen in plaats van rente?**
Antwoord:
Gelet op de diversiteit van de verschijningsvormen van situaties waarin het royaltys, huur of leasetermijnen betreft, kan dit niet op overeenkomstige wijze worden toegepast. In die situaties dient het minimaal aan te houden eigen vermogen steeds op basis van de specifieke omstandigheden van het geval te worden vastgesteld. Met inachtneming van het voorgaande kan echter als vuistregel worden gehanteerd dat het eigen vermogen dat wordt aangehouden om de risicos te dragen minimaal 50% van de jaarlijks te ontvangen royaltys, huur of leasetermijnen dient te zijn, dan wel € 2 miljoen. Minimaal de helft van het gelopen risico dient te bestaan uit marktrisico.
Gelet op de diversiteit van de verschijningsvormen van situaties waarin het royaltys, huur of leasetermijnen betreft, kan dit niet op overeenkomstige wijze worden toegepast. In die situaties dient het minimaal aan te houden eigen vermogen steeds op basis van de specifieke omstandigheden van het geval te worden vastgesteld. Met inachtneming van het voorgaande kan echter als vuistregel worden gehanteerd dat het eigen vermogen dat wordt aangehouden om de risicos te dragen minimaal 50% van de jaarlijks te ontvangen royaltys, huur of leasetermijnen dient te zijn, dan wel € 2 miljoen. Minimaal de helft van het gelopen risico dient te bestaan uit marktrisico.
20. **Is sprake van het lopen van reële risicos in de zin van paragraaf 6 van het besluit DGB 2014/3101 als een lening u/g gesplitst wordt verstrekt, namelijk in een risico-deel en een deel waarover geen risico wordt gelopen, in die zin dat de verstrekte lening (lening u/g) voor het risicoloze deel back-to-back is met een evenredig deel van de opgenomen lening (lening o/g)?**
Antwoord:
@ -154,11 +154,11 @@ Als een lening u/g in twee delen wordt verstrekt, dienen beide delen afzonderlij
Antwoord:
Splitsing van het risico is mogelijk mits het dienstverleningslichaam voldoende reële risicos blijft lopen en de realistische mogelijkheid dat het daarmee aangehouden eigen vermogen wordt aangetast bij manifestatie van de gelopen risicos in de zin van het besluit voldoende aanwezig is. Hiervan is in ieder geval sprake indien het risico, als dat risico zich verwezenlijkt, eerst voor rekening van het dienstverleningslichaam komt dan wel gelijktijdig, op pro rata basis, voor rekening van het dienstverleningslichaam en de groepsmaatschappij.
22. **Is sprake van het lopen van reële risicos in de zin van paragraaf 6 van het besluit DGB 2014/3101 als in de situatie van voorbeeld 1 van die paragraaf het kredietrisico (debiteurenrisico) dat DVL loopt zich manifesteert (X kan niet aan haar betalingsverplichtingen voldoen) waardoor het vermogen van DVL wordt aangetast maar waarbij DVL als gevolg van een interne garantie van M (aan DVL) een vordering krijgt op M voor € 1,5 miljoen?**
22. **Is sprake van het lopen van reële risicos in de zin van paragraaf 6 van het besluit DGB 2014/3101 als in de situatie van voorbeeld 1 van die paragraaf het kredietrisico (debiteurenrisico) dat DVL loopt zich manifesteert (X kan niet aan haar betalingsverplichtingen voldoen) waardoor het vermogen van DVL wordt aangetast maar waarbij DVL als gevolg van een interne garantie van M (aan DVL) een vordering krijgt op M voor € 1,5 miljoen?**
Antwoord:
Nee, hoewel DVL een eigen vermogen heeft van meer dan € 2 miljoen, is in beginsel geen realistische mogelijkheid aanwezig dat dit eigen vermogen wordt aangetast als X niet aan haar betalingsverplichting kan voldoen. Door DVL worden derhalve geen reële risicos gelopen.
Nee, hoewel DVL een eigen vermogen heeft van meer dan € 2 miljoen, is in beginsel geen realistische mogelijkheid aanwezig dat dit eigen vermogen wordt aangetast als X niet aan haar betalingsverplichting kan voldoen. Door DVL worden derhalve geen reële risicos gelopen.
23. **Is sprake van het lopen van reële risicos in de zin van paragraaf 6 van het besluit DGB 2014/3101 als in de situatie van voorbeeld 1 van die paragraaf M ten aanzien van Y een volledige garantie heeft afgegeven en de garantie direct intreedt als het kredietrisico (debiteurenrisico) dat DVL loopt zich manifesteert, doch waarbij DVL (intern) bij het intreden van het risico aan M een schuld krijgt tot het bedrag van haar eigen vermogen?**
Antwoord:
@ -171,14 +171,14 @@ Antwoord:
Nee, artikel 8c Wet Vpb 1969 geldt per belastingplichtige, terwijl op basis van het besluit DGB 2014/3101 op het niveau van de transactie wordt getoetst. Voor het besluit betekent dit dat indien een lichaam meerdere leningen verstrekt, ten aanzien van elk van de leningen een evenredig deel van het risico dient te worden gelopen. Per lening dient een risico te worden gelopen dat gelijk is aan het laagste bedrag van de volgende bedragen:
a. 1% van de (individuele) geldlening, dan wel
b. een evenredig deel van € 2 miljoen ten opzichte van het totale bedrag aan geldleningen.
b. een evenredig deel van € 2 miljoen ten opzichte van het totale bedrag aan geldleningen.
Dit is expliciet opgenomen in paragraaf 6 van het besluit en met een voorbeeld toegelicht.
25. **Geldt de reële risico-eis van paragraaf 6 van het besluit DGB 2014/3101 (dus op het niveau van de transactie) ook ten aanzien van nieuwe leningen als er volgtijdelijk leningen worden aangegaan?**
Antwoord:
Ja, de reële risico-eis geldt ook in die situatie; het is in dat geval echter toegestaan om afgesloten garanties op bestaande leningen uit te breiden in verband met de toerekening van eigen vermogen aan de nieuwe lening. Een voorbeeld ter illustratie. Een dienstverleningslichaam (DVL) heeft een geldlening verstrekt aan een groepsmaatschappij van € 400 miljoen (lening 1). Ter zake van deze lening wordt een eigen vermogen aangehouden van € 2 miljoen. DVL gaat een nieuwe lening verstrekken van € 100 miljoen (lening 2). Ten aanzien van lening 2 dient DVL minimaal een eigen vermogen aan te houden dat correspondeert met een eigen vermogen van € 400.000 (laagste van a. 1% van € 100 miljoen, ofwel € 1 miljoen en b. 100/500 x € 2 miljoen, ofwel € 400.000). Als ten aanzien van lening 2 geen reële risicos worden gelopen, kan ter zake geen zekerheid vooraf worden gekregen. Wel kan DVL zekerheid vooraf krijgen ten aanzien van lening 2 als DVL ten aanzien van lening 2 wel voldoende risico loopt, waarbij met behoud van zekerheid vooraf ten aanzien van lening 1, de garantie op lening 1 uitgebreid mag worden met € 400.000. Per saldo volstaat voor lening 1 en 2 samen een eigen vermogen van € 2 miljoen.
Ja, de reële risico-eis geldt ook in die situatie; het is in dat geval echter toegestaan om afgesloten garanties op bestaande leningen uit te breiden in verband met de toerekening van eigen vermogen aan de nieuwe lening. Een voorbeeld ter illustratie. Een dienstverleningslichaam (DVL) heeft een geldlening verstrekt aan een groepsmaatschappij van € 400 miljoen (lening 1). Ter zake van deze lening wordt een eigen vermogen aangehouden van € 2 miljoen. DVL gaat een nieuwe lening verstrekken van € 100 miljoen (lening 2). Ten aanzien van lening 2 dient DVL minimaal een eigen vermogen aan te houden dat correspondeert met een eigen vermogen van € 400.000 (laagste van a. 1% van € 100 miljoen, ofwel € 1 miljoen en b. 100/500 x € 2 miljoen, ofwel € 400.000). Als ten aanzien van lening 2 geen reële risicos worden gelopen, kan ter zake geen zekerheid vooraf worden gekregen. Wel kan DVL zekerheid vooraf krijgen ten aanzien van lening 2 als DVL ten aanzien van lening 2 wel voldoende risico loopt, waarbij met behoud van zekerheid vooraf ten aanzien van lening 1, de garantie op lening 1 uitgebreid mag worden met € 400.000. Per saldo volstaat voor lening 1 en 2 samen een eigen vermogen van € 2 miljoen.
In dit kader wordt ook opgemerkt dat indien door het aangaan van volgtijdelijke leningen er een situatie ontstaat waarin niet (langer) sprake is een passend eigen vermogen als bedoeld in de bijlage van het besluit, dit betekent dat niet (langer) aan de substance eisen wordt voldaan en dat de vennootschap in het geheel niet in aanmerking komt voor zekerheid vooraf. Voor zover reeds zekerheid vooraf is gegeven, komt deze te vervallen.
@ -188,7 +188,7 @@ In dit kader wordt ook opgemerkt dat indien door het aangaan van volgtijdelijke
Antwoord:
De basis voor de beoordeling van de te hanteren verrekenprijzen wordt gevormd door het raamwerk van art. 8b Wet Vpb 1969, het Verrekenprijsbesluit (Besluit van 14 november, nr. IFZ 2013/184M), het APA-besluit (DGB 2014/3098) alsmede de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations die in 1995 door de OESO zijn gepubliceerd en in 2010 zijn gewijzigd (OESO- richtlijnen).
De basis voor de beoordeling van de te hanteren verrekenprijzen wordt gevormd door het raamwerk van art. 8b Wet Vpb 1969, het Verrekenprijsbesluit (Besluit van 14 november, nr. IFZ 2013/184M), het APA-besluit (DGB 2014/3098) alsmede de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations die in 1995 door de OESO zijn gepubliceerd en in 2010 zijn gewijzigd (OESO- richtlijnen).
Ten aanzien van de keuze voor een bepaalde verrekenprijsmethode zegt het Verrekenprijsbesluit:
@ -214,7 +214,7 @@ Alhoewel de keuze voor een bepaalde verrekenprijsmethode vrij is, dient bij de k
Antwoord:
De keuze voor een bepaalde verrekenprijsmethode staat vrij mits deze in overeenstemming is met art. 8b Wet Vpb 1969, het Verrekenprijsbesluit (Besluit van 14 november, nr. IFZ 2013/184M), het besluit nr. DGB 2014/3098 alsmede de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations die in 1995 door de OESO zijn gepubliceerd en in 2010 zijn gewijzigd (OESO- richtlijnen). Een voorbeeld van een onderbouwing die in overeenstemming is met deze uitgangspunten wordt hierna beschreven. Het staat belastingplichtige vrij een andere methode van onderbouwing te kiezen, zolang deze voldoet aan voornoemde uitgangspunten.
De keuze voor een bepaalde verrekenprijsmethode staat vrij mits deze in overeenstemming is met art. 8b Wet Vpb 1969, het Verrekenprijsbesluit (Besluit van 14 november, nr. IFZ 2013/184M), het besluit nr. DGB 2014/3098 alsmede de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations die in 1995 door de OESO zijn gepubliceerd en in 2010 zijn gewijzigd (OESO- richtlijnen). Een voorbeeld van een onderbouwing die in overeenstemming is met deze uitgangspunten wordt hierna beschreven. Het staat belastingplichtige vrij een andere methode van onderbouwing te kiezen, zolang deze voldoet aan voornoemde uitgangspunten.
De vergoeding voor een financieel dienstverleningslichaam wordt gesplitst in twee componenten: i) een vergoeding voor het risico dat wordt gelopen met het ter beschikking gestelde eigen vermogen dan wel een vergoeding voor het at risk gestelde eigen vermogen en ii) een vergoeding voor de activiteiten rondom het in- en doorlenen van gelden (handling fee). Beide vergoedingen worden gerealiseerd door een rentemarge, namelijk het verschil tussen de rente op de lening u/g en de rente op de lening o/g. Uit deze vergoeding dienen de kosten te worden gedekt. Soms worden de uitvoerende activiteiten uitbesteed aan derden of aan een gelieerde vennootschap; deze kosten moeten ook worden kunnen gedekt uit de vergoeding, waarna nog een redelijke vergoeding dient te resteren.
@ -255,4 +255,4 @@ Dit besluit treedt in werking de dag na de datum van uitgifte van de Staatscoura
## VII. Intrekking oude besluiten
Dit besluit vervangt het besluit van 11 augustus 2004, nr. IFZ2004/127M, dat hierbij wordt ingetrokken.
Dit besluit vervangt het besluit van 11 augustus 2004, nr. IFZ2004/127M, dat hierbij wordt ingetrokken.