2006-12-22 | BWBR0004575 | Wet op de waterhuishouding

This commit is contained in:
Coornhert 2006-12-22 12:00:00 +00:00
parent dd59ef7704
commit 9bbfae762f

View file

@ -75,7 +75,14 @@ voor zover die betrekking hebben op hun onderscheiden aandeel in de waterhuishou
### Artikel 3
**1.** Onze Ministers stellen een nota vast, waarin de hoofdlijnen van het ten aanzien van de landelijke waterhuishouding te voeren beleid zijn aangegeven.
**1.**
Onze Ministers stellen een nota vast waarin:
a. de hoofdlijnen van het ten aanzien van de landelijke waterhuishouding te voeren beleid zijn aangegeven, en
b. de stroomgebiedbeheersplannen of de inbreng voor de internationale stroomgebiedbeheersplannen met betrekking tot de in artikel 2a bedoelde delen van de stroomgebieddistricten zijn opgenomen.
Bij het vaststellen van de nota wordt voor elk van de in artikel 2a bedoelde delen van de stroomgebieddistricten rekening gehouden met het desbetreffende internationale stroomgebiedbeheersplan, dan wel wordt dat plan in acht genomen voor zover dat uit het plan voortvloeit.
**2.**
@ -84,22 +91,40 @@ De hoofdlijnen omvatten:
a. een aanduiding van de belangrijkste functies van de oppervlaktewateren behorend tot het waterhuishoudkundig hoofdsysteem en, voorzover nationale belangen dat nodig maken, van de regionale waterhuishoudkundige systemen;
b. aanwijzingen voor de verdere bepaling van functies van waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan;
c. een aanduiding, in samenhang met de onder *a* en *b* bedoelde functies, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan, alsmede van de termijnen die daarbij worden nagestreefd;
d. een uiteenzetting van de algemene aard en omvang van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, en werking en bescherming nodig zijn;
d. een uiteenzetting van de algemene aard en omvang van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, en werking en bescherming nodig zijn, met inbegrip van de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, voor zover die op elk van de in artikel 2a bedoelde delen van de stroomgebieddistricten van toepassing zijn;
e. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële, economische en ruimtelijke gevolgen van het te voeren beleid.
**3.** De nota geeft aan in hoeverre de hoofdlijnen zijn afgestemd op dan wel leiden tot aanpassing van het nationale milieubeleid en het nationale beleid inzake natuur en landschap en in hoeverre en binnen welke termijn Onze Ministers voornemens zijn het geldende nationale milieubeleidsplan en het geldende natuurbeleidsplan te herzien.
**4.** De nota wordt eenmaal in de vier jaren herzien. Onze Ministers kunnen besluiten die termijn met ten hoogste vier jaren te verlengen.
**4.** Een stroomgebiedbeheersplan omvat de informatie die ingevolge bijlage VII bij de kaderrichtlijn water daarin moet worden opgenomen.
**5.** Onze Minister doet de nota aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toekomen.
**5.** Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inbreng, met dien verstande dat slechts de gegevens worden opgenomen die betrekking of mede betrekking hebben op het Nederlandse deel van een stroomgebieddistrict.
**6.** De nota wordt tenminste eenmaal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in de nota in werking.
**7.** Onze Minister doet de nota aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toekomen.
### Artikel 4
**1.** Op de voorbereiding van de nota is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
**2.** Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
**2.**
**3.** Met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende wateren raadplegen Onze Ministers de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.
Onze Ministers leggen ter inzage:
a. een tijdschema en een werkprogramma voor de opstelling of een herziening van het internationale stroomgebiedbeheersplan of het stroomgebiedbeheersplan, tenminste drie jaren voor het begin van de periode waarop het plan betrekking heeft,
b. een tussentijds overzicht van belangrijke waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in het stroomgebieddistrict of het in artikel 2a bedoelde deel daarvan, tenminste twee jaren voor het begin van de periode waarop het plan of een herziening betrekking heeft, en
c. het ontwerp voor het stroomgebiedbeheersplan of voor het internationaal stroomgebiedbeheersplan of een herziening voor zover betrekking of mede betrekking hebbend op het op Nederlands grondgebied gelegen deel van het desbetreffende stroomgebieddistrict, tenminste een jaar voor het begin van de periode waarop het plan of de herziening betrekking heeft.
**3.** Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
**4.** De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen over de in het tweede lid bedoelde stukken bedraagt zes maanden en vangt aan met ingang van de dag waarop het stuk ter inzage is gelegd.
**5.** Met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende wateren raadplegen Onze Ministers de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten. Met betrekking tot stroomgebiedbeheersplannen en de inbreng voor de internationale stroomgebiedbeheersplannen raadplegen Onze Ministers de regeringen van de andere staten in het stroomgebieddistrict.
**6.** Onze Ministers raadplegen ten aanzien van de maatregelen bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn gedeputeerde staten van de betrokken provincies en de kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders van het op Nederlands grondgebied gelegen deel van het stroomgebieddistrict.
**7.** Onze Ministers brengen de ontvangen zienswijzen over het ontwerp voor een internationaal stroomgebiedbeheersplan of een herziening, voor zover die zienswijzen niet uitsluitend betrekking hebben op het op Nederlands grondgebied gelegen deel van het desbetreffende stroomgebieddistrict, ter kennis van de regeringen van de andere staten in het stroomgebieddistrict.
### Afdeling 2. Het beheersplan voor de rijkswateren
@ -116,20 +141,29 @@ b. het programma van maatregelen en voorzieningen, die met het oog op de ontwikk
c. de wijze waarop het beheer bij normale en bij afwijkende omstandigheden wordt gevoerd;
d. de financiële middelen, die voor de uitvoering van het programma en het te voeren beheer nodig zijn.
**3.** Het plan gaat vergezeld van een toelichting.
**3.**
**4.** Het plan wordt tenminste eenmaal in de vier jaren herzien. Onze Ministers kunnen die termijn met ten hoogste vier jaren verlengen. Van een besluit tot verlenging van de herzieningstermijn wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Tot de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, behoren mede, gerangschikt naar stroomgebieddistrict:
a. de aanwijzing, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, van regionale waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan als kunstmatige, als sterk veranderde dan wel als natuurlijke oppervlaktewaterlichamen en
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water.
**4.** Het plan gaat vergezeld van een toelichting.
**5.** Het plan wordt ten minste eenmaal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking.
### Artikel 6
**1.** Op de voorbereiding van het plan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
**2.** Onverminderd artikel 3:11, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de stukken ter inzage gelegd ter griffie van de betrokken provincies.
**2.** De terinzagelegging geschiedt tevens ter secretarie van de betrokken provincies.
**3.** Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
**4.** Met betrekking tot grensvormende of grensoverschrijdende wateren raadplegen Onze Ministers de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.
**5.** Onze Ministers stemmen de in artikel 5, derde lid, bedoelde maatregelen en voorzieningen per stroomgebieddistrict af met gedeputeerde staten van de betrokken provincies en de kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders van het stroomgebieddistrict.
### Afdeling 3. De provinciale plannen voor de waterhuishouding
### Artikel 7
@ -148,11 +182,18 @@ c. een uiteenzetting van het ingevolge de Grondwaterwet (*Stb.* 1981, 392) te vo
d. een uiteenzetting van de algemene aard en omvang van de overige maatregelen en voorzieningen die met het oog op de onder *b* bedoelde ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn;
e. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid.
**4.** In het plan geven provinciale staten aan in hoeverre de hoofdlijnen zijn afgestemd op dan wel leiden tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, het provinciale ruimtelijk beleid of het provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het geldende provinciale milieubeleidsplan, een of meer geldende streekplannen of het geldende provinciale verkeers- en vervoerplan te herzien. Het plan gaat vergezeld van een toelichting.
**4.**
**5.** Het plan wordt tenminste eenmaal in de vier jaren herzien. Provinciale staten kunnen die termijn met ten hoogste vier jaren verlengen.
Tot de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c en d, behoren mede, gerangschikt naar stroomgebieddistrict:
**6.** Van een besluit tot vaststelling of herziening van een plan en van de verlenging van de herzieningstermijn wordt mededeling gedaan in de *Nederlandse Staatscourant*. Het besluit tot vaststelling of herziening van het plan wordt met het plan toegezonden aan Onze Ministers.
a. de aanwijzing, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, van regionale waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan als kunstmatige, als sterk veranderde dan wel als natuurlijke oppervlaktewaterlichamen en
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die in alle in de provincie gelegen delen van stroomgebieddistricten van toepassing zijn dan wel het te voeren grondwaterbeheer betreffen.
**5.** In het plan geven provinciale staten aan in hoeverre de hoofdlijnen zijn afgestemd op dan wel leiden tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, het provinciale ruimtelijk beleid of het provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het geldende provinciale milieubeleidsplan, een of meer geldende streekplannen of het geldende provinciale verkeers- en vervoerplan te herzien. Het plan gaat vergezeld van een toelichting.
**6.** Het plan wordt ten minste een maal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking.
**7.** Het besluit tot vaststelling of herziening van het plan wordt met het plan toegezonden aan Onze Ministers.
### Artikel 8
@ -160,8 +201,8 @@ e. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economisch
Provinciale staten stellen bij verordening nadere regelen met betrekking tot de voorbereiding van het plan. Zij stellen daarbij in elk geval regels met betrekking tot:
a. de wijze waarop het ontwerp van het plan in gemeenschappelijk overleg met de kwaliteitsbeheerders en kwantiteitsbeheerders die een beheersplan als bedoeld in artikel 9 vaststellen, wordt voorbereid;
b. de raadpleging van gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies en, indien het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten;
a. de wijze waarop het ontwerp van het plan in gemeenschappelijk overleg met de kwaliteitsbeheerders en kwantiteitsbeheerders die een beheersplan als bedoeld in artikel 9 vaststellen, alsmede de gemeentebesturen wordt voorbereid;
b. de raadpleging van Onze Minister, gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies en, indien het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten;
c. de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbereiding van het plan, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening.
**2.** Provinciale staten en gedeputeerde staten regelen overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet gezamenlijk de instelling, samenstelling, taak en werkwijze van een commissie, die door provinciale staten en gedeputeerde staten vooraf worden gehoord over maatregelen en plannen die van betekenis zijn voor het provinciale beleid inzake de waterhuishouding. Provinciale staten en gedeputeerde staten benoemen elk een gelijk aantal leden.
@ -176,17 +217,34 @@ c. de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbe
**2.** Een beheersplan geeft aan hetgeen de beheerder ter vervulling van zijn taak verricht.
**3.** Een niet door het provinciaal bestuur vastgesteld beheersplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.
**3.**
**4.** Provinciale staten stellen bij verordening nadere regelen vast met betrekking tot de inrichting, voorbereiding en vaststelling van het beheersplan. Zij geven daarin aan welke beheerders zijn uitgezonderd van de verplichting tot vaststelling van een beheersplan. Tevens geven zij daarin regelen ten aanzien van de wijze waarop kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders bij de voorbereiding en vaststelling van een plan samenwerken. Voorts regelen zij daarbij dat de in het beheersgebied woonachtige personen en in het beheersgebied belanghebbenden bij de voorbereiding van het plan worden betrokken, op overeenkomstige wijze als voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening.
Door een kwaliteitsbeheerder worden mede opgenomen, gerangschikt naar stroomgebieddistrict en voor zover niet opgenomen in het provinciale plan:
**5.** Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening bedoeld in het vorige lid, is vastgesteld aan Onze Minister.
a. de aanwijzing, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de kaderrichtlijn water, van regionale waterhuishoudkundige systemen of onderdelen daarvan als kunstmatige, als sterk veranderde dan wel als natuurlijke oppervlaktewaterlichamen en
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, met uitzondering van maatregelen die het kwantiteitsbeheer betreffen.
**4.** Het derde lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een kwantiteitsbeheerder, voor zover de maatregelen van artikel 11 van de kaderrichtlijn water het kwantiteitsbeheer van oppervlaktewateren betreffen.
**5.** Een niet door het provinciaal bestuur vastgesteld beheersplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.
**6.** Het plan wordt tenminste een maal in de zes jaren herzien. Nieuwe of herziene maatregelen treden uiterlijk drie jaren na de opneming in het plan in werking.
**7.**
Provinciale staten stellen bij verordening nadere regels vast met betrekking tot de inrichting, voorbereiding en vaststelling van het beheersplan. Zij geven daarin aan welke beheerders zijn uitgezonderd van de verplichting tot vaststelling van een beheersplan. Tevens geven zij daarin regels met betrekking tot:
a. de wijze waarop kwantiteitsbeheerders en kwaliteitsbeheerders bij de voorbereiding en vaststelling van een plan samenwerken;
b. het betrekken van de in het beheersgebied woonachtige personen en in het beheersgebied belanghebbenden bij de voorbereiding van het plan, op overeenkomstige wijze als voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening en
c. de raadpleging, indien het plan betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, van de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten.
**8.** Provinciale Staten zenden het besluit waarbij de verordening, bedoeld in het vorige lid, is vastgesteld aan Onze Minister.
### Afdeling 5. Voorschriften van hoger gezag
### Artikel 10
**1.** Onze Ministers kunnen aan provinciale staten omtrent de vaststelling of herziening en de inhoud van een provinciaal plan voor de waterhuishouding aanwijzingen geven, indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding zulks vorderen.
**1.** Onze Ministers kunnen aan provinciale staten omtrent de vaststelling of herziening en de inhoud van een provinciaal plan voor de waterhuishouding aanwijzingen geven, indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding, nationaal dan wel per stroomgebieddistrict, zulks vorderen.
**2.** Bij een aanwijzing kan een termijn worden gesteld binnen welke het plan dient te zijn vastgesteld dan wel, indien het een vastgesteld plan betreft, de herziening dient te hebben plaatsgevonden.
@ -198,7 +256,7 @@ c. de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij de voorbe
### Artikel 11
Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid en 9, vierde lid, aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishoudings zulks vorderen. Artikel 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister kan aan provinciale staten omtrent de vaststelling of wijziging en de inhoud van een verordening als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid en 9, vierde lid, aanwijzingen geven indien een samenhangend en doelmatig beleid en beheer met betrekking tot de waterhuishouding, nationaal dan wel per stroomgebieddistrict, zulks vorderen. Artikel 10, tweede, derde, vierde en vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk III. Beheersinstrumenten