2009-01-01 | BWBR0020419 | Besluit reikwijdtebepalingen Wft
This commit is contained in:
parent
7b89a41b62
commit
9bcb6b742a
1 changed files with 9 additions and 8 deletions
|
|
@ -77,7 +77,7 @@ d. tenminste de helft van het jaarlijkse bruto premie-inkomen afkomstig is van d
|
|||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.** Een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 3 een verklaring is verleend dient binnen de door artikel 2:58, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijnen de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 2:361, eerste lid, onderscheidenlijk 2:391, eerste lid, en 2:392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van het Burgerlijk Wetboek bij de Nederlandsche Bank in.
|
||||
**1.** Een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 3 een verklaring is verleend, dient binnen de door artikel 58, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijnen de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, bij de Nederlandsche Bank in.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen waarvan het aantal verzekeringnemers niet groter is dan tweehonderd en het jaarlijkse bruto premie-inkomen niet meer dan € 91.000 beloopt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -89,13 +89,13 @@ d. tenminste de helft van het jaarlijkse bruto premie-inkomen afkomstig is van d
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 3 een verklaring is verleend, is het bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:6, tweede lid, 1:10, aanhef en onderdeel a, 1:24, 1:25, 1:36, 1:40 tot en met 1:42, 1:51, 1:52, 1:59, 1:65, 1:68, 1:72 tot en met 1:74, 1:75, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en tweede lid, 1:76, eerste tot en met zevende lid, 1:89 tot en met 1:91, 1:92, 1:93, 1:110, eerste lid, 2:27, tweede lid, 2:28, 3:8 tot en met 3:10, 3:17 eerste en tweede lid, aanhef en onderdelen a en b, en vierde lid, 3:29, derde lid, 3:38, en 3:70 van de wet van toepassing.
|
||||
**1.** Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 3 een verklaring is verleend, is het bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:6, tweede lid, 1:10, aanhef en onderdeel a, 1:24, 1:25, 1:36, 1:40 tot en met 1:42, 1:51, 1:52, 1:59, 1:65, 1:68, 1:72 tot en met 1:74, 1:75, 1:76, eerste tot en met zevende lid, 1:89 tot en met 1:91, 1:92, 1:93, 1:110, eerste lid, 2:27, tweede lid, 2:28, 3:8 tot en met 3:10, 3:17 eerste en tweede lid, aanhef en onderdelen a en b, en vierde lid, 3:29, derde lid, 3:38, en 3:70 van de wet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot het verzekeren van bijkomende risico’s is het ingevolge artikel 3:36, vierde lid, van de wet bepaalde van toepassing met dien verstande dat de risico’s van de branche Rechtsbijstand uitsluitend als bijkomende risico’s mogen worden gecombineerd met branches waarbij risico’s worden verzekerd die verband houden met het gebruik van zeeschepen. Risico’s die verband houden met aansprakelijkheden ten aanzien waarvan de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is worden evenwel niet als bijkomend risico verzekerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 4 een verklaring is verleend, is het bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:6, tweede lid, 1:10, aanhef en onderdeel a, 1:24, 1:25, 1:36, 1:40, 1:41, 1:42, 1:51, 1:52, 1:55, 1:59, 1:65, 1:68, 1:72 tot en met 1:74, 1:75, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b en tweede lid, 1:76, tweede tot en met zevende lid, 1:78, 1:89 tot en met 1:91, 1:92, 1:93, 1:110, 2:27, tweede lid, 2:28, 2:117 eerste en derde lid, 2:119, 3:8 tot en met 3:10, 3:17, eerste lid, tweede lid, aanhef en onderdelen a en b en vierde lid,, 3:29, derde lid, 3:38, 3:67, eerste lid, derde lid en vierde lid, onderdeel a, 3:70, 3:71, 3:72, derde en vijfde tot en met negende lid, 3:73, 3:88, 3:89, 3:114, 3:115 eerste en vierde lid, 3:116, 3:117, tweede lid, 3:118, 3:120, eerste tot en met derde lid, en vijfde tot en met negende lid, 3:121, 3:128, 3:130, 3:132, 3:136, eerste, vierde en vijfde lid, 3:138, 3:139, 3:161, 3:162 tot en met 3:167, 3:169, 3:170, 3:171, eerste tot en met derde lid, 3:172 tot en met 3:176, 3:177, eerste lid, 3:178 tot en met 3:193, 3:195, eerste tot en met zesde lid, en 3:196 tot en met 3:198, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de wet van toepassing. Artikel 108 van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Ten aanzien van een onderlinge waarborgmaatschappij waaraan op grond van artikel 4 een verklaring is verleend, is het bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:6, tweede lid, 1:10, aanhef en onderdeel a, 1:24, 1:25, 1:36, 1:40, 1:41, 1:42, 1:51, 1:52, 1:55, 1:59, 1:65, 1:68, 1:72 tot en met 1:74, 1:75, 1:76, eerste tot en met zevende lid, 1:78, 1:89 tot en met 1:91, 1:92, 1:93, 1:110, 2:27, tweede lid, 2:28, 2:117 eerste en derde lid, 2:119, 3:8 tot en met 3:10, 3:17, eerste lid, tweede lid, aanhef en onderdelen a en b en vierde lid,, 3:29, derde lid, 3:38, 3:67, eerste lid, derde lid en vierde lid, onderdeel a, 3:70, 3:71, 3:72, derde en vijfde tot en met negende lid, 3:73, 3:88, 3:89, 3:114, 3:115 eerste en vierde lid, 3:116, 3:117, tweede lid, 3:118, 3:120, eerste tot en met derde lid, en vijfde tot en met negende lid, 3:121, 3:128, 3:130, 3:132, 3:136, eerste, vierde en vijfde lid, 3:138, 3:139, 3:161, 3:162 tot en met 3:167, 3:169, 3:170, 3:171, eerste tot en met derde lid, 3:172 tot en met 3:176, 3:177, eerste lid, 3:178 tot en met 3:193, 3:195, eerste tot en met zesde lid, en 3:196 tot en met 3:198, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van de wet van toepassing. Artikel 108 van de Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen luiden. Deze waarden zijn in Nederland aanwezig, met dien verstande dat met betrekking tot een overeenkomst van communautaire co-assurantie deze waarden ter keuze van de onderlinge waarborgmaatschappij ook aanwezig mogen zijn in de andere lidstaten van waaruit de overige co-assuradeuren deelnemen aan de overeenkomst. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het bepaalde in dit lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit lid beoogt te beschermen anderszins worden bereikt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -144,7 +144,7 @@ b. indien de betrokken vestiging zich in een lidstaat bevindt, op deze vestiging
|
|||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
Het bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:45, eerste lid, aanhef en onderdelen h en i, 1:51, tweede lid, 1:78, 1:104, eerste lid, onderdeel d, 3:38, 3:53, eerste tot en met vierde lid, 3:57, eerste tot en met vijfde lid, 3:67, 3:72, derde en vijfde tot en met negende lid, 3:73, 3:88, 3:89, 3:132, 3:135 tot en met 3:139, 3:161 tot en met 3:193, 3:195 tot en met 3:201, 3:203, 3:204, 3:207 tot en met 3:219, 3:221, 3:238 tot en met 3:251, 3:255 tot en met 3:257, 3:268 tot en met 3:273, 3:281 tot en met 3:288, 4:27 eerste en derde tot en met zesde lid, en 5:68 van de wet is niet van toepassing op een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:10, aanhef en onderdeel b, van de wet die voldoet aan de krachtens artikel 3, derde lid, van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën door Onze Minister gestelde regels.
|
||||
Het bepaalde ingevolge de artikelen 1:1, 1:45, eerste lid, aanhef en onderdelen h en i, 1:51, tweede lid, 1:78, 1:104, eerste lid, onderdeel d, 3:38, 3:53, eerste tot en met vierde lid, 3:57, eerste tot en met vijfde lid, 3:67, 3:72, derde en vijfde tot en met negende lid, 3:73, 3:88, 3:89, 3:132, 3:135 tot en met 3:139, 3:161 tot en met 3:193, 3:195 tot en met 3:201, 3:203, 3:204, 3:207 tot en met 3:219, 3:221, 3:238 tot en met 3:251, 3:255 tot en met 3:257, 3:268 tot en met 3:273, 3:282 tot en met 3:288, 4:27 eerste en derde tot en met zesde lid, en 5:68 van de wet is niet van toepassing op een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:10, aanhef en onderdeel b, van de wet die voldoet aan de krachtens artikel 3, derde lid, van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën door Onze Minister gestelde regels.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
|
|
@ -266,8 +266,9 @@ Een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, van de wet, kan, onvermin
|
|||
a. de nakoming van alle verplichtingen van de aanvrager die zijn ontstaan door het in de uitoefening van een bedrijf buiten besloten kring aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, wordt gegarandeerd door:
|
||||
|
||||
1°. een onderneming met een positief geconsolideerd eigen vermogen, waarvan de aanvrager dochtermaatschappij is;
|
||||
2°. een financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen of een bank met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
|
||||
2°. een financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen of een bank met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
|
||||
3°. de Staat der Nederlanden of een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden; of
|
||||
4°. een onderneming die behoort tot een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen categorie; of
|
||||
b. de aanvrager een door de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten op grond van de wet verleende vergunning heeft.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
|
@ -279,7 +280,7 @@ b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
|
|||
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in artikel 30; en
|
||||
d. een opgave van referenten.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van de ontheffing verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen artikelen 2:361, eerste lid, onderscheidenlijk 2:391, eerste lid, en 2:392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
**3.** De houder van de ontheffing verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
|
|
@ -310,7 +311,7 @@ e. de in onderdeel 6 van de bijlage genoemde overige antecedenten.
|
|||
De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 29 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
|
||||
|
||||
a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
|
||||
b. van de Landelijke Officier van Justitie verkregen gegevens uit de politieregisters;
|
||||
b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;
|
||||
c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet documentatie vennootschappen;
|
||||
d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
|
||||
e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
|
||||
|
|
@ -447,7 +448,7 @@ d. een opgave van referenten.
|
|||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 38 blijven op onderlinge waarborgmaatschappijen die op 20 maart 2002 in het bezit waren van een verklaring als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994, tot 20 maart 2007 de ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994 van toepassing verklaarde eisen van toepassing zoals deze luidden op 2 december 2003.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de onderlinge waarborgmaatschappij op 20 maart 2007 nog niet volledig voldoet aan de ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994 van toepassing verklaarde eisen, kan de Nederlandse Bank een aanvullende termijn van ten hoogste twee jaar toestaan, mits de onderlinge waarborgmaatschappij voor genoemde datum de maatregelen die zij voornemens is te nemen om de vereiste solvabiliteitsmarge te bereiken overeenkomstig artikel 3:136, eerste, vierde en vijfde lid, van de wet ter toestemming bij de Nederlandsche Bank heeft ingediend en de Nederlandsche Bank die toestemming heeft verleend.
|
||||
**2.** Indien de onderlinge waarborgmaatschappij op 20 maart 2007 nog niet volledig voldoet aan de ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit vrijgestelde onderlinge waarborgmaatschappijen 1994 van toepassing verklaarde eisen, kan de Nederlandsche Bank een aanvullende termijn van ten hoogste twee jaar toestaan, mits de onderlinge waarborgmaatschappij voor genoemde datum de maatregelen die zij voornemens is te nemen om de vereiste solvabiliteitsmarge te bereiken overeenkomstig artikel 3:136, eerste, vierde en vijfde lid, van de wet ter toestemming bij de Nederlandsche Bank heeft ingediend en de Nederlandsche Bank die toestemming heeft verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue