2022-05-18 | BWBR0037940 | Netcode elektriciteit
This commit is contained in:
parent
5b8b2b0d2f
commit
9bd180eb02
1 changed files with 57 additions and 51 deletions
|
|
@ -201,22 +201,22 @@ f. de bedrijfsvoering.
|
|||
|
||||
**2.** De netbeheerder kan de aangeslotene verzoeken tot het treffen van zodanige voorzieningen dat de ontoelaatbare hinder ophoudt, dan wel voor een door hem te bepalen aantal uren de aangeslotene verbieden om door hem aan te wijzen toestellen en motoren te gebruiken.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid, past de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet centrale filtering toe wanneer de verantwoordelijkheid voor het treffen van de voorzieningen, niet eenduidig kan worden toegewezen aan de aangeslotene of aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, mits de ontoelaatbare hinder veroorzaakt wordt door spanningsverschijnselen als gevolg van de interactie van een wisselstroomkabel langer dan 5 km, deel uitmakend van de aansluiting of de installatie van een aangeslotene, en de netconfiguratie ter plaatse
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid, past de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet centrale filtering toe wanneer de verantwoordelijkheid voor het treffen van de voorzieningen, niet eenduidig kan worden toegewezen aan de aangeslotene of aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, mits de ontoelaatbare hinder veroorzaakt wordt door spanningsverschijnselen als gevolg van de interactie van een wisselstroomkabel langer dan 5 km, deel uitmakend van de aansluiting of de installatie van een aangeslotene, en de netconfiguratie ter plaatse.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.16
|
||||
|
||||
**1.** De elektrische installaties bevatten geen bedrijfsmiddelen die tot het plaatsen of wijzigen van een elektriciteitsproductie-eenheid of een energieopslagfaciliteit in het net van de netbeheerder kunnen leiden, tenzij aan de aanvullende voorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden zoals opgenomen in hoofdstuk 3 wordt voldaan.
|
||||
**1.** De elektrische installaties bevatten geen bedrijfsmiddelen die tot invoeding in het net van de netbeheerder kunnen leiden, tenzij aan de aanvullende voorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden zoals opgenomen in hoofdstuk 3 wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**2.** De aangeslotene stelt de netbeheerder tijdig op de hoogte van zijn voornemen tot het plaatsen of wijzigen van een elektriciteitsproductie-eenheid of een energieopslagfaciliteit, opdat de netbeheerder eventueel noodzakelijke wijzigingen in het net kan doorvoeren.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien het bedrijfsmiddel dat tot het plaatsen of wijzigen van een elektriciteitsproductie-eenheid of een energieopslagfaciliteit in het net van de netbeheerder kan leiden, als bedoeld in het eerste lid, een energieopslagfaciliteit betreft:
|
||||
Indien het bedrijfsmiddel dat tot invoeding in het net van de netbeheerder kan leiden, als bedoeld in het eerste lid, een energieopslagfaciliteit betreft:
|
||||
|
||||
a. zijn aansluitvoorwaarden zoals verwoord in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) en de daarbij behorende onderdelen van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
1°. een synchroon gekoppelde energieopslagfaciliteit voldoet aan de voorwaarden zoals verwoord in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) artikel 13 tot en met 19;
|
||||
2°. een niet-synchroon gekoppelde energieopslagfaciliteit voldoet aan de voorwaarden zoals verwoord in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) artikel 13 tot en met 16 en artikel 20 tot en met 22;
|
||||
1°. een synchroon gekoppelde energieopslagfaciliteit voldoet aan de voorwaarden zoals verwoord in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) artikel 13 tot en met 19, artikel 40, artikel 42 tot en met 46 en artikel 51 tot en met 53;
|
||||
2°. een niet-synchroon gekoppelde energieopslagfaciliteit voldoet aan de voorwaarden zoals verwoord in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) artikel 13 tot en met 16, artikel 20 tot en met 22, artikel 40, artikel 42, artikel 43, artikel 47 tot en met 49 en artikel 54 tot en met 56;
|
||||
3°. een energieopslagfaciliteit met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 0,8 kW en kleiner dan 1 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type A;
|
||||
4°. een energieopslagfaciliteit met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 1 MW en kleiner dan 50 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type B;
|
||||
5°. een energieopslagfaciliteit met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 50 MW en kleiner dan 60 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type C;
|
||||
|
|
@ -397,7 +397,7 @@ d. de aangeslotene bij de netbeheerder een verzoek heeft ingediend tot verlaging
|
|||
|
||||
### Artikel 2.33
|
||||
|
||||
**1.** Aansluitingen waar naar het oordeel van de netbeheerder geen grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,75 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden als éénfase-aansluiting uitgevoerd, tenzij de aan te sluiten elektrische installatie verbruikende toestellen of motoren bevat die ingevolge het bepaalde in artikel 2.34 op drie fasen moeten worden aangesloten, dan wel de netbeheerder om vergelijkbare technische redenen een driefasen-aansluiting verlangt.
|
||||
**1.** Aansluitingen waar naar het oordeel van de netbeheerder geen grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,75 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden als éénfase-aansluiting uitgevoerd, tenzij de aan te sluiten elektrische installatie verbruikende toestellen of motoren bevat die ingevolge het bepaalde in het vierde, vijfde en zesde lid op drie fasen of tussen twee fasen moeten worden aangesloten, dan wel de netbeheerder om vergelijkbare technische redenen een driefasen-aansluiting verlangt.
|
||||
|
||||
**2.** Aansluitingen waar naar het oordeel van de netbeheerder een grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,75 kVA, dan wel een met de netbeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden, behoudens ontheffing van de netbeheerder, als driefasen-aansluiting uitgevoerd. Daarbij zorgt de aangeslotene voor een zo veel mogelijk gelijke verdeling van de belasting over de drie fasen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -574,7 +574,7 @@ Het parallel schakelen van de elektriciteitsproductie-eenheid dient automatisch
|
|||
|
||||
### Artikel 3.6
|
||||
|
||||
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.27 mag de arbeidsfactor in het overdrachtspunt van een aansluiting waarachter zich een elektriciteitsproductie-eenheid bevindt, liggen tussen 0,9 capacitief en 0,9 inductief.
|
||||
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.27 ligt de arbeidsfactor in het overdrachtspunt van een aansluiting waarachter zich een elektriciteitsproductie-eenheid bevindt, tussen 0,9 capacitief en 0,9 inductief.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.7
|
||||
|
||||
|
|
@ -701,7 +701,7 @@ d. een frequentiebeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 47,5 e
|
|||
|
||||
### Artikel 3.15
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van het bepaalde in artikel 2.27 mag de arbeidsfactor van een elektriciteitsproductie-eenheid, aangesloten op een middenspanningsnet of hoogspanningsnet met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV, in het overdrachtspunt liggen tussen 0,98 capacitief en 0,98 inductief.
|
||||
**1.** In afwijking van het bepaalde in artikel 2.27 ligt de arbeidsfactor van een elektriciteitsproductie-eenheid, aangesloten op een middenspanningsnet of hoogspanningsnet met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV, in het overdrachtspunt tussen 0,98 capacitief en 0,98 inductief.
|
||||
|
||||
**2.** De elektriciteitsproductie-eenheid, die is aangesloten op een midden- of hoogspanningsnet, is voorzien van een bedrijfsmeting.
|
||||
|
||||
|
|
@ -756,7 +756,7 @@ De parameters voor de fault-ride-through-capaciteit van de synchrone elektricite
|
|||
|
||||
a. de spanningsparameters:
|
||||
|
||||
1°. U_ret is 0,05 pu;
|
||||
1°. U_ret is 0,30 pu;
|
||||
2°. U_clear is 0,70 pu;
|
||||
3°. U_rec1 is U_clear;
|
||||
4°. U_rec2 is 0,85 pu;
|
||||
|
|
@ -779,10 +779,10 @@ a. de spanningsparameters:
|
|||
4°. U_rec2 is 0,85 pu;
|
||||
b. de tijdsparameters:
|
||||
|
||||
1°. t_clear is 0,25 s;
|
||||
1°. t_clear is 0,20 s;
|
||||
2°. t_rec1 is t_clear;
|
||||
3°. t_rec2 is t_rec1;
|
||||
4°. t_rec3 is 3,0 s.
|
||||
4°. t_rec3 is 2,0 s.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -845,14 +845,14 @@ b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,3
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De power park module is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
De power park module is in staat bij zijn maximumcapaciteit en bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,9 pu tot 1,05 pu; en
|
||||
b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,33 en 0,0 bij een spanning tussen 1,05 pu en 1,1 pu.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De power park module is in staat bij variërende spanning maximaal blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
De power park module is in staat bij zijn maximumcapaciteit en bij variërende spanning maximaal blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,95 pu tot 1,1 pu; en
|
||||
b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een spanning tussen 0,9 en 0,95 pu.
|
||||
|
|
@ -885,10 +885,10 @@ b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,3
|
|||
|
||||
De power park module is in staat snelle foutstroom op het overdrachtspunt van de aansluiting te leveren in het geval van symmetrische (driefasen) storingen als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), onder de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. additionele blindstroominjectie wordt geactiveerd indien op de aansluitklemmen van de afzonderlijke opwekkingseenheden van de power park module één van de volgende verschijnselen plaatsvindt:
|
||||
a. additionele blindstroominjectie wordt geactiveerd indien op de aansluitklemmen van de afzonderlijke opwekkingseenheden van de power park module:
|
||||
|
||||
1°. een afwijking van meer dan 10% van de effectieve waarde van de nominale spanning; of
|
||||
2°. een sprongsgewijze verandering van de momentane sinusvormige spanning vóór het optreden van de fout ter grootte van tenminste 5% van de piekwaarde van de nominale spanning;
|
||||
1°. een afwijking van meer dan 10% van de effectieve waarde van de nominale spanning plaatsvindt; of
|
||||
2°. een sprongsgewijze verandering van de momentane sinusvormige spanning vóór het optreden van de fout ter grootte van tenminste 5% van de piekwaarde van de nominale spanning plaatsvindt;
|
||||
b. de spanningsregeling zorgt ervoor dat de aanvoer van additionele blindstroom, afkomstig van de aansluitklemmen van de afzonderlijke opwekkingseenheden van de power park module, met minimaal 2% en maximaal 6% van de nominale stroom per procent spanningsafwijking verzekerd is;
|
||||
c. de stijgtijd (de tijd vanaf de storingsaanvang die ervoor nodig is dat de te injecteren additionele blindstroom voor het eerst een waarde van 90% van de stabiele eindwaarde bereikt) is maximaal 30 ms; de inslingertijd (de tijd vanaf de storingsaanvang die ervoor nodig is dat de te injecteren additionele blindstroom blijvend tussen 90% en 110% van de stabiele eindwaarde is) is maximaal 60 ms;
|
||||
d. additionele blindstroominjectie wordt geleverd met een spanningslimiet van ten minste 120% van de nominale spanning op de aansluitklemmen van de afzonderlijke opwekkingseenheden van de power park module;
|
||||
|
|
@ -982,9 +982,9 @@ d. de nauwkeurigheid van het herstelde werkzame vermogen is 10% van het vermogen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat een referentiewaarde van het werkzaam vermogen te ontvangen en te volgen op aangeven van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat een referentiewaarde van het werkzaam vermogen te ontvangen en te volgen op aangeven van de netbeheerder of de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. Het regelbereik ligt tussen het technisch minimum vermogen en het actuele maximum vermogen, tenzij anders overeengekomen is door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en de aangeslotene.
|
||||
a. Het regelbereik ligt tussen het technisch minimum vermogen en het actuele maximum vermogen, tenzij anders overeengekomen is door de netbeheerder of de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en de aangeslotene.
|
||||
b. De tijdsperiode, waarbinnen de aangepaste referentiewaarde voor het werkzaam vermogen moet worden bereikt, wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
c. De tolerantie voor de nieuwe referentiewaarde bedraagt 2% van de maximumcapaciteit.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1163,11 +1163,11 @@ b. de tijdsparameters:
|
|||
|
||||
### Artikel 3.29
|
||||
|
||||
**1.** De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau lager dan 300kV is in staat blindvermogen te leveren, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), overeenkomstig artikel 3.18, eerste en tweede lid.
|
||||
**1.** De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een net met een spanningsniveau lager dan 300 kV is in staat blindvermogen te leveren, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), overeenkomstig artikel 3.25, eerste en tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,3 bij een spanning van 1,05pu;
|
||||
b. gelijk aan 0,55 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu;
|
||||
|
|
@ -1175,17 +1175,17 @@ c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,55 en 0,
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,1 bij een spanning van 0,9 pu;
|
||||
b. gelijk aan 0,4 bij een spanning van 1 pu tot 1,05 pu;
|
||||
c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,4 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu.
|
||||
|
||||
**4.** De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300kV is op grond van het tweede en het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Pmax-diagram:
|
||||
**4.** De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is op grond van het tweede en het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Pmax-diagram:
|
||||
|
||||
**5.** De tussen de aangeslotene en netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet overeengekomen parameters en instellingen van de componenten van het spanningsregel-systeem van de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), worden vastgelegd in een bijlage bij de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
**6.** De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op netten met een spanningsniveau van 220kV en hoger worden uitgerust met een PSS-functie om vermogensoscillaties te dempen, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel v, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
|
||||
**6.** De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op netten met een spanningsniveau van 220 kV en hoger worden uitgerust met een PSS-functie om vermogensoscillaties te dempen, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel v, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
|
||||
|
||||
**7.** De tussen de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en de aangeslotene overeengekomen technische capaciteit van de elektriciteitsproductie-eenheid om bij te dragen tot de rotorhoekstabiliteit onder storingsomstandigheden, als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1227,9 +1227,9 @@ b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,33 en 0,
|
|||
|
||||
**3.** Offshore-power park modules voldoen tevens aan de in artikel 3.17, met uitzondering van het eerste en zevende lid, artikel 3.19, tiende tot en met dertiende lid, en artikel 3.20, eerste en tweede lid, gestelde voorwaarden.
|
||||
|
||||
**4.** Offshore-power park modules voldoen tevens aan de in artikel 3.24, met uitzondering van het zevende lid, en artikel 3.26 gestelde voorwaarden.
|
||||
**4.** Offshore-power park modules voldoen tevens aan de in artikel 3.24, met uitzondering van het zevende lid, en artikel 3.26, met uitzondering van het eerste en tweede lid, gestelde voorwaarden.
|
||||
|
||||
**5.** Offshore-power park modules voldoen tevens aan de in artikel 3.28, tweede, derde en zesde lid, en artikel 3.30, eerste, derde en vierde lid, gestelde voorwaarden.
|
||||
**5.** Offshore-power park modules voldoen tevens aan de in artikel 3.28, zesde lid, en artikel 3.30, eerste, derde en vierde lid, gestelde voorwaarden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.33
|
||||
|
||||
|
|
@ -1632,7 +1632,7 @@ a. gelijk aan 0,4 bij een spanning van 0,975 pu tot 1,1 pu;
|
|||
b. gelijk aan 0,1 bij een spanning van 0,875 pu;
|
||||
c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,4 bij een spanning van 0,875 pu tot 0,975 pu.
|
||||
|
||||
**6.** Het HVDC-systeem aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300kV is op grond van het vierde en het vijfde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Pmax-diagram, als bedoeld in figuur 5 van bijlage IV bij artikel 20, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).
|
||||
**6.** Het HVDC-systeem aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is op grond van het vierde en het vijfde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Pmax-diagram, als bedoeld in figuur 5 van bijlage IV bij artikel 20, eerste lid, van de Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).
|
||||
|
||||
**7.** De tijdsperiodes voor het HVDC-systeem om over te gaan tot elk bedrijfspunt binnen zijn U-Q/P_max-profiel worden overeengekomen tussen de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem en de netbeheerder, in overleg met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet, als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC). De overeengekomen tijdsperiodes worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1865,13 +1865,13 @@ c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,14 en 0,
|
|||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De DC-aangesloten power park module, aangesloten op een wisselstroomnet met een spanningsniveau lager dan 300kV, is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):
|
||||
De DC-aangesloten power park module, aangesloten op een wisselstroomnet met een spanningsniveau lager dan 300 kV, is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):
|
||||
|
||||
a. gelijk aan 0,14 bij een spanning van 0,95 pu tot 1,1 pu;
|
||||
b. gelijk aan 0,0 bij een spanning gelijk aan 0,9 pu;
|
||||
c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,14 bij een spanning tussen 0,9 pu en 0,95 pu.
|
||||
|
||||
**6.** De DC-aangesloten power park module, aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau lager dan 300kV, is op grond van het vierde en het vijfde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/P_max-diagram, als bedoeld in figuur 7 van bijlage VII bij artikel 40, tweede lid, van de Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).
|
||||
**6.** De DC-aangesloten power park module, aangesloten op een hoogspanningsnet met een spanningsniveau lager dan 300 kV, is op grond van het vierde en het vijfde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/P_max-diagram, als bedoeld in figuur 7 van bijlage VII bij artikel 40, tweede lid, van de Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).
|
||||
|
||||
**7.** Indien dat vereist is voor de spanningsstabiliteit komt de netbeheerder van het net op zee, in overleg met de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet met de aangeslotene die beschikt over een DC-aangesloten power park module een profiel overeen met een groter blindvermogensbereik dan het gespecificeerde profiel in het zesde lid en legt dit vast in de aansluit- en transportovereenkomst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2007,9 +2007,9 @@ d. De harmonische vervorming is op het overdrachtspunt van de aansluiting als vo
|
|||
4°. THD is kleiner dan of gelijk aan 12% voor alle harmonischen tot en met de 40e, gedurende 99,9% van de tijd.
|
||||
e. voor spanningsdips geldt dat het gemiddelde van het aantal opgetreden spanningsdips per aansluiting over de voorgaande vijf aaneengesloten kalenderjaren kleiner is dan of gelijk is aan:
|
||||
|
||||
1°. 3 voor spanningsdips met een duur van 10 tot 200 milliseconden en een restspanning kleiner dan 40% (klasse B1);
|
||||
2°. 4 voor spanningsdips met een duur van 200 tot 500 milliseconden en een restspanning kleiner dan 70% (klasse B2);
|
||||
3°. 4 voor spanningsdips met een duur van 500 tot 5.000 milliseconden en een restspanning kleiner dan 80% (klasse C).
|
||||
1°. 3 voor spanningsdips met een duur groter dan of gelijk aan 10 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 200 milliseconden en een restspanning kleiner dan 40% (klasse B1);
|
||||
2°. 4 voor spanningsdips met een duur groter dan 200 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 500 milliseconden en een restspanning kleiner dan 70% (klasse B2);
|
||||
3°. 4 voor spanningsdips met een duur groter dan 500 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 5.000 milliseconden en een restspanning kleiner dan 80% (klasse C).
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2038,9 +2038,9 @@ e. De harmonische vervorming is op het overdrachtspunt van de aansluiting op een
|
|||
2°. THD is kleiner dan of gelijk aan 6% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een week.
|
||||
f. voor spanningsdips geldt dat het gemiddelde van het aantal opgetreden spanningsdips per aansluiting over de voorgaande vijf aaneengesloten kalenderjaren kleiner is dan of gelijk is aan:
|
||||
|
||||
1°. 1,2 voor spanningsdips met een duur van 10 tot 200 milliseconden en een restspanning kleiner dan 40% (klasse B1);
|
||||
2°. 1,2 voor spanningsdips met een duur van 200 tot 500 milliseconden en een restspanning kleiner dan 70% (klasse B2);
|
||||
3°. 0,4 voor spanningsdips met een duur van 500 tot 5.000 milliseconden en een restspanning kleiner dan 80% (klasse C).
|
||||
1°. 1,2 voor spanningsdips met een duur groter dan of gelijk aan 10 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 200 milliseconden en een restspanning kleiner dan 40% (klasse B1);
|
||||
2°. 1,2 voor spanningsdips met een duur groter dan 200 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 500 milliseconden en een restspanning kleiner dan 70% (klasse B2);
|
||||
3°. 0,4 voor spanningsdips met een duur groter dan 500 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 5.000 milliseconden en een restspanning kleiner dan 80% (klasse C).
|
||||
|
||||
**4.** Voor de overige voorwaarden ten aanzien van spanningskwaliteit geldt de norm NEN-EN 50160:2010+A1:2015+A2:2019+A3:2019 ‘Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten’.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2063,13 +2063,15 @@ f. overige en onbekende oorzaken.
|
|||
|
||||
**9.** De betrouwbaarheid van de geleverde transportdienst bij aangeslotenen op netten met een spanningsniveau groter dan 50 kV wordt mede bepaald door de toetsingscriteria die worden gehanteerd bij de planning van hoogspanningsnetten, beschreven in paragraaf 9.3.
|
||||
|
||||
**10.** In geval van een aansluiting op het net op zee kan in overleg met alle aangeslotenen op het desbetreffende platform worden afgeweken van de eisen in het derde en vierde lid mits op de aansluiting van het net op zee op het landelijk hoogspanningsnet wel aan de eisen in het derde en vierde lid wordt voldaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4
|
||||
|
||||
**1.** De netbeheerder bewaakt de kwaliteit van het transport en registreert afwijkingen van de eisen aan de kwaliteit van het transport.
|
||||
|
||||
**2.** Een netbeheerder past een uniforme, door de gezamenlijke netbeheerders overeengekomen werkwijze toe voor de registratie van onderbrekingen in het transport van elektriciteit, als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van het Besluit investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas. Deze werkwijze omvat tevens de wijze waarop een netbeheerder de prestatie-indicatoren, als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas, vaststelt. De gezamenlijke netbeheerders maken de werkwijze openbaar.
|
||||
|
||||
**3.** Een netbeheerder past een uniforme, door de gezamenlijke netbeheerders overeengekomen werkwijze toe voor de registratie van de afwijkingen van de eisen aan de kwaliteit van het transport van elektriciteit, als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van het Besluit investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas, alsmede van de vaststelling van de prestatie-indicatoren, als bedoeld in artikel 3.1, onderdeel d, van de Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas. De gezamenlijke netbeheerders maken de werkwijze openbaar op www.uwspanningskwaliteit.nl.
|
||||
**3.** Een netbeheerder past een uniforme, door de gezamenlijke netbeheerders overeengekomen werkwijze toe voor de registratie van de afwijkingen van de eisen aan de kwaliteit van het transport van elektriciteit, als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van het Besluit investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas, alsmede van de vaststelling van de prestatie-indicatoren, als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas. De gezamenlijke netbeheerders maken de werkwijze openbaar op www.uwspanningskwaliteit.nl.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2078,7 +2080,7 @@ De meting ten behoeve van de registratie van de kwaliteit van transport van elek
|
|||
a. in geval van een laagspanningsnet bij een steekproef van minstens 250 aselect gekozen aansluitingen gedurende één week in het overdrachtspunt van de aansluiting;
|
||||
b. in geval van een middenspanningsnet:
|
||||
|
||||
1°. voor het aspect spanningsdips op een door de netbeheerders gezamenlijk bepaalde representatieve selectie van minstens 200 middenspanningsstations op de rail van middenspanningsstation, of indien dat niet mogelijk is, in het afgaande veld door middel van continu meting;
|
||||
1°. voor het aspect spanningsdips op een door de netbeheerders gezamenlijk bepaalde representatieve selectie van minstens 200 middenspanningsstations op de rail van het middenspanningsstation, of indien dat niet mogelijk is, in het afgaande veld door middel van continu meting;
|
||||
2°. voor alle voorwaarden voor spanningskwaliteit bij een steekproef van minstens 250 aselect gekozen aansluitingen gedurende één week in het overdrachtspunt van de aansluiting;
|
||||
c. in geval van een hoogspanningsnet:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2228,7 +2230,7 @@ De netbeheerder handelt een verzoek van een aangeslotene tot verstrekking van EA
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Vanaf het moment dat een aangeslotene de netbeheerder heeft verzocht geïnformeerd te worden over opgetreden spanningsdips, geeft de netbeheerder, nadat een hinderlijke spanningsdip door de netbeheerder is gesignaleerd of door een aangeslotene aan de netbeheerder is gemeld,:
|
||||
Vanaf het moment dat een aangeslotene de netbeheerder heeft verzocht geïnformeerd te worden over opgetreden spanningsdips, geeft de netbeheerder, nadat een hinderlijke spanningsdip door de netbeheerder is gesignaleerd of door een aangeslotene aan de netbeheerder is gemeld:
|
||||
|
||||
a. de aangeslotene binnen tien werkdagen een indicatie van de oorzaak van de hinderlijke spanningsdip;
|
||||
b. zo spoedig mogelijk aan welke maatregelen hij treft ter voorkoming van toekomstige hinderlijke spanningsdips dan wel beargumenteert hij waarom maatregelen niet nodig zijn.
|
||||
|
|
@ -2531,7 +2533,7 @@ d. de tijd waarin na een enkelvoudige storing weer aan de hierboven genoemde cri
|
|||
|
||||
### Artikel 9.14
|
||||
|
||||
**1.** De regionale netbeheerder bepaalt de instelling van de helling en de referentiewaarde van de automatische spanningsregeling van de elektriciteitsproductie-eenheid.
|
||||
**1.** De netbeheerder bepaalt de instelling van de helling en de referentiewaarde van de automatische spanningsregeling van de elektriciteitsproductie-eenheid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een elektriciteitsproductie-eenheid niet bijdraagt aan de blindvermogenshuishouding in de normale toestand moet, de referentiewaarde binnen 15 minuten na constatering van een afwijking naar een uitwisseling van 0 Mvar worden teruggebracht, tenzij anders is overeengekomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3416,7 +3418,9 @@ c. het onbalansnettingproces.
|
|||
|
||||
**2.** De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is een boete verschuldigd van € 5.000,– voor iedere keer dat hij één of meer BRP's niet voor 14:30 heeft bericht omtrent het hanteren van de in artikel 10.14, vierde lid respectievelijk de in artikel 10.12 tweede lid bedoelde waardes in de interne commerciële handelsprogramma’s.
|
||||
|
||||
**3.** De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is een boete verschuldigd van € 5.000,– voor iedere keer dat hij één of meer BRP's niet vóór 24:00 uur van een werkdag een opgave verstrekt van de onbalansen van een BRP gedurende het daaraan voorafgaande etmaal of, als de eerstbedoelde werkdag volgt op een weekeinde of een algemeen erkende feestdag, de onbalansen gedurende dat weekeinde onderscheidenlijk die feestdag of -dagen en het etmaal dat daaraan vooraf is gegaan.
|
||||
**3.** De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is een boete verschuldigd van € 5.000,– voor iedere keer dat hij één of meer BRP's niet binnen 30 minuten na indiening van het energieprogramma heeft bericht omtrent de in artikel 10.14, eerste lid, onderdeel a, bedoelde consistentie respectievelijk niet binnen 30 minuten na de sluitingstijd voor inzending van energieprogramma's respectievelijk programmawijzigingen heeft bericht omtrent de in artikel 10.14, eerste lid, onderdeel a, bedoelde consistentie van het door een BRP ingediende energieprogramma.
|
||||
|
||||
**4.** De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet is een boete verschuldigd van € 5.000,– voor iedere keer dat hij één of meer BRP's niet vóór 24:00 uur van een werkdag een opgave verstrekt van de onbalansen van een BRP gedurende het daaraan voorafgaande etmaal of, als de eerstbedoelde werkdag volgt op een weekeinde of een algemeen erkende feestdag, de onbalansen gedurende dat weekeinde onderscheidenlijk die feestdag of -dagen en het etmaal dat daaraan vooraf is gegaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 10.34
|
||||
|
||||
|
|
@ -3846,7 +3850,7 @@ Indien ten aanzien van één of meer landsgrensoverschrijdende verbindingen de b
|
|||
|
||||
### Artikel 12.13
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 12.13 is van toepassing op de verbindingen Eemshaven-Noorwegen en Eemshaven-Denemarken.
|
||||
**1.** Vervallen.
|
||||
|
||||
**2.** De marktpartijen hebben tot 12:00 uur op de dag voorafgaande aan het transport de mogelijkheid vraag- en aanbodorders van elektriciteit aan de day-aheadmarkt aan te bieden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4315,7 +4319,7 @@ De structurele gegevens als bedoeld in het derde lid worden verstrekt onder verm
|
|||
a. de EAN-code van de aansluiting, als bedoeld in artikel 2.1.1 van de Informatiecode elektriciteit en gas, waarachter het regionale net zich bevindt;
|
||||
b. de EAN-code van het desbetreffende overdrachtspunt als bedoeld in artikel 2.4, vierde lid.
|
||||
|
||||
**5.** Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een gesloten distributiesysteem, aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet.
|
||||
**5.** Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een gesloten distributiesysteem, aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet.
|
||||
|
||||
### Artikel 13.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -4589,7 +4593,7 @@ Wijzigingen ten opzichte van de overeenkomstig het zevende lid ter beschikking g
|
|||
a. groter dan 60 MW en kleiner dan 200 MW als de wijziging groter is dan 5% van de maximumcapaciteit;
|
||||
b. groter dan of gelijk aan 200 MW als de wijziging groter is dan 10 MW.
|
||||
|
||||
**9.** In geval van een elektriciteitsproductie-eenheid met een maximumcapaciteit van 100 MW of groter, wordt van de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b. jaarlijks, uiterlijk op 1 april, een zo goed mogelijke schatting voor de komende drie jaar ter beschikking gesteld overeenkomstig de specificaties uit artikel 15, eerste lid, van de Verordening (EU) 543/2013. De netbeheerder draagt zo nodig zorg voor het doorgeven van deze gegevens aan het platform als bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EU) 543/2013.
|
||||
**9.** In geval van een elektriciteitsproductie-eenheid met een maximumcapaciteit van 100 MW of groter, wordt van de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, jaarlijks, uiterlijk op 1 april, een zo goed mogelijke schatting voor de komende drie jaar ter beschikking gesteld overeenkomstig de specificaties uit artikel 15, eerste lid, van de Verordening (EU) 543/2013. De netbeheerder draagt zo nodig zorg voor het doorgeven van deze gegevens aan het platform als bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EU) 543/2013.
|
||||
|
||||
### Artikel 13.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -4766,7 +4770,7 @@ b. de EAN-code van het desbetreffende overdrachtspunt, als bedoeld in artikel 2.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Netbeheerders van onderling gekoppelde distributienetten bepalen in onderling overleg en verstrekken vervolgens elkaar, van elk afzonderlijk station waarin de netten worden gekoppeld, uit te wisselen de plannings- en prognosegegevens, jaarlijks, uiterlijk op 1 april, inhoudende een zo goed mogelijke schatting voor de komende tien jaar, van:
|
||||
Netbeheerders van onderling gekoppelde distributienetten bepalen in onderling overleg en verstrekken vervolgens elkaar, van elk afzonderlijk station waarin de netten worden gekoppeld, de uit te wisselen plannings- en prognosegegevens, jaarlijks, uiterlijk op 1 april, inhoudende een zo goed mogelijke schatting voor de komende tien jaar, van:
|
||||
|
||||
a. de ontwikkeling van de wintermaxima, de zomermaxima en de dalbelasting op jaarbasis;
|
||||
b. een beschrijving van het belastingpatroon (bijvoorbeeld standaard dagcurve voor een werkdag, zaterdag en zondag);
|
||||
|
|
@ -4812,7 +4816,7 @@ b. groter dan of gelijk aan 200 MW als de wijziging groter is dan 10 MW.
|
|||
|
||||
Het eerste tot en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een gesloten distributiesysteem, aangesloten op een distributienet, waarbij:
|
||||
|
||||
a. anders overeengekomen tussen de netbeheerder van dat distributienet en de desbetreffende beheerder van een gesloten distributiesysteem kan worden overeengekomen om op onderdelen af te wijken van het eerste tot en met het achtste lid;
|
||||
a. tussen de netbeheerder van dat distributienet en de desbetreffende beheerder van een gesloten distributiesysteem kan worden overeengekomen om op onderdelen af te wijken van het eerste tot en met het achtste lid;
|
||||
b. de netbeheerder van het desbetreffende distributienet een verzoek van een beheerder van een gesloten distributiesysteem tot een andere overeenkomst niet op onredelijke gronden zal weigeren;
|
||||
c. de overeenkomst als bedoeld in onderdeel b wordt vastgelegd in de aansluit-en transportovereenkomst;
|
||||
d. de gegevens als bedoeld in het eerste tot en met het achtste lid op verzoek van de beheerder van het gesloten distributiesysteem worden aangeleverd door zijn BRP of, indien het een beheerder van een gesloten distributiesysteem betreft als bedoeld in artikel 5.8 door de partij die in opdracht van de beheerder van het gesloten distributiesysteem namens hem deelneemt aan het elektronisch berichtenverkeer als bedoeld in paragraaf 13.5.
|
||||
|
|
@ -5013,9 +5017,9 @@ Een aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem of een DC-aangesloten power
|
|||
a. de operationele signalen, waaronder ten minste:
|
||||
|
||||
1°. de opstartsignalen;
|
||||
2°. de AC- en DC-spanningsmetingen;
|
||||
3°. de AC- en DC-stroommetingen;
|
||||
4°. de metingen van het werkzaam en het blindvermogen aan de AC-zijde;
|
||||
2°. de wisselspannings- en gelijkspanningsmetingen;
|
||||
3°. de wisselstroom- en gelijkstroommetingen;
|
||||
4°. de metingen van het werkzaam en het blindvermogen aan de wisselstroomzijde;
|
||||
5°. de metingen van het DC-vermogen;
|
||||
6°. de bedrijfsvoering op het niveau van HVDC-convertoreenheden in een HVDC-convertor van het multi-pooltype;
|
||||
7°. de status van de elementen en de topologie;
|
||||
|
|
@ -5031,7 +5035,7 @@ b. de alarmsignalen, waaronder ten minste:
|
|||
De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet stelt aan de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem of een DC-aangesloten power park module aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet de volgende realtimegegevens ter beschikking:
|
||||
|
||||
a. standmeldingen van de vermogensschakelaars en spanning- en stroommetingen die voor een adequate beveiliging van het HVDC-systeem of de DC-aangesloten power park module bij storingen vanuit het net noodzakelijk zijn;
|
||||
b. standmeldingen van de vermogensschakelaars zodat op een juiste wijze gesignaleerd kan worden of het HVDC-systeem of de DC-aangesloten power park module het net is verbonden.
|
||||
b. standmeldingen van de vermogensschakelaars zodat op een juiste wijze gesignaleerd kan worden of het HVDC-systeem of de DC-aangesloten power park module met het net is verbonden.
|
||||
|
||||
### Artikel 13.29
|
||||
|
||||
|
|
@ -5056,7 +5060,7 @@ c. van elke aansluiting waarachter zich een net of een gesloten distributiesyste
|
|||
Ten behoeve van de gegevensuitwisseling, als bedoeld in de artikelen 10.11 tot en met 10.28, en de artikelen 13.1 tot en met 13.8, artikelen 13.11 tot en met 13.18, stellen de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet en de overige netbeheerders in onderling overleg regels vast ten aanzien van hetgeen tussen de netbeheerders onderling alsmede tussen hen en BRP's en voor zover van toepassing aangeslotenen geldt omtrent:
|
||||
|
||||
a. berichtspecificaties voor de (elektronische) berichtenuitwisseling waaronder mede begrepen gegevensuitwisseling via een webportal;
|
||||
b. procedures en specificaties van het te gebruiken centrale communicatiesysteem voor de geautomatiseerde berichtenuitwisseling waaronder mede begrepen gegevensuitwisseling via een web-portal:
|
||||
b. procedures en specificaties van het te gebruiken centrale communicatiesysteem voor de geautomatiseerde berichtenuitwisseling waaronder mede begrepen gegevensuitwisseling via een webportal:
|
||||
c. communicatieprotocollen voor de dagelijkse gegevensuitwisseling;
|
||||
d. specificaties waaraan de energieprogramma’s en daarmee verband houdende berichten voldoen;
|
||||
e. specificaties waaraan de prognoses voldoen;
|
||||
|
|
@ -5250,14 +5254,14 @@ b. na 1 juli 2021 maar voor 1 januari 2024 op het net zijn aangesloten, indien
|
|||
Tenzij sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), is artikel 3.29 niet van toepassing op de elektriciteitsproductie-eenheden:
|
||||
|
||||
a. die voor 9 september 2021 op het net zijn aangesloten, of
|
||||
b. waarvan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie voor 9 september 2021 een definitief en bindend contract heeft gesloten voor de aankoop van het belangrijkste onderdeel van de productie-installatie binnen een tijdsbestek van twee jaar na het sluiten van het contract.
|
||||
b. waarvan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie voor 9 september 2021 een definitief en bindend contract heeft gesloten voor de aankoop van het belangrijkste onderdeel van de elektriciteitsproductie-installatie binnen een tijdsbestek van twee jaar na het sluiten van het contract.
|
||||
|
||||
**15.**
|
||||
|
||||
Tenzij sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), is artikel 3.13, tweede lid, niet van toepassing op de elektriciteitsproductie-eenheden:
|
||||
|
||||
a. die voor 9 september 2021 op het net zijn aangesloten, of
|
||||
b. waarvan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie voor 9 september 2021 een definitief en bindend contract heeft gesloten voor de aankoop van het belangrijkste onderdeel van de productie-installatie. De eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie stelt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet binnen een termijn van 6 maanden na het afsluiten van het contract uit de eerste volzin op hoogte van het afsluiten van dat contract.
|
||||
b. waarvan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie voor 9 september 2021 een definitief en bindend contract heeft gesloten voor de aankoop van het belangrijkste onderdeel van de elektriciteitsproductie-installatie. De eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie stelt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet binnen een termijn van 6 maanden na het afsluiten van het contract uit de eerste volzin op hoogte van het afsluiten van dat contract.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 14.2. Bestaande verbruiksinstallaties en gesloten distributiesystemen
|
||||
|
||||
|
|
@ -5275,6 +5279,8 @@ b. waarvan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie voor 9 septem
|
|||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 6.15, eerste lid, is de maximale toegestane tijd voor het herstel van het werkzame vermogen gelijk aan 0,3 seconden voor de verbinding Eemshaven-Denemarken, 0,35 seconden voor de verbinding Maasvlakte-Groot-Brittannië, en 0,6 seconden voor de verbinding Eemshaven-Noorwegen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 14.4. Bestaande distributiesystemen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 15. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 15.1
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue