2013-01-01 | BWBR0006622 | Wegenverkeerswet 1994
This commit is contained in:
parent
9ee90d68e1
commit
9c3213603e
1 changed files with 320 additions and 93 deletions
|
|
@ -55,7 +55,7 @@ o. houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen: degene die het voertuig:
|
|||
3°. anderszins, anders dan als eigenaar of bezitter, tot duurzaam gebruik onder zich heeft;
|
||||
p. verwerken van gegevens: verwerken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
|
||||
q. Dienst Wegverkeer: de in artikel 4a bedoelde dienst;
|
||||
r. het CBR: de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen;
|
||||
r. het CBR: het in artikel 4z bedoelde bureau;
|
||||
s. goedkeuring van een productieproces: ter uitvoering van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie, al dan niet gezamenlijk, verleende goedkeuring van een productieproces van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers;
|
||||
t. fabrikant: persoon of instantie die tegenover een goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van een typegoedkeurings- of toestemmingsprocedure en instaat voor de overeenstemming van de productie met de verleende goedkeuring of toestemming;
|
||||
u. schadevoertuig: voertuig dat ten gevolge van een beschadiging niet langer deugdelijk van bouw en inrichting is;
|
||||
|
|
@ -165,7 +165,9 @@ In geval van de beperkte of de algemene noodtoestand is het militair gezag bevoe
|
|||
|
||||
### Artikel 4a
|
||||
|
||||
Er is een Dienst Wegverkeer, in het maatschappelijk verkeer aangeduid als RDW. De dienst bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Zoetermeer.
|
||||
**1.** Er is een Dienst Wegverkeer, in het maatschappelijk verkeer aangeduid als RDW. De dienst bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Zoetermeer.
|
||||
|
||||
**2.** Op de Dienst Wegverkeer is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van artikel 15 van die wet.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Taken van de Dienst Wegverkeer
|
||||
|
||||
|
|
@ -191,7 +193,7 @@ e. het behandelen van bezwaren tegen afgegeven keuringsrapporten,
|
|||
f. het in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg verlenen van goedkeuringen voor motorrijtuigen en aanhangwagens waarvan de constructie is gewijzigd dan wel waarvan het kentekenbewijs is ingevorderd,
|
||||
g. het afgeven van rijbewijzen in de gevallen, bedoeld in artikel 116, eerste lid, alsmede het ongeldigverklaren van rijbewijzen in de in deze wet bepaalde gevallen,
|
||||
g1. het afgeven van een verklaring in verband met de aanvraag van een rijbewijs,
|
||||
h. het verwerken van gegevens met betrekking tot opgegeven kentekens, afgegeven kentekenbewijzen, afgegeven keuringsrapporten, krachtens artikel 149a verleende ontheffingen, afgegeven rijbewijzen , fietsen en de mobiele objecten, bedoeld in artikel 70l, eerste lid, alsmede met betrekking tot rechterlijke uitspraken houdende ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen,
|
||||
h. het verwerken van gegevens met betrekking tot opgegeven kentekens, afgegeven kentekenbewijzen, afgegeven keuringsrapporten, krachtens artikel 149a verleende ontheffingen, afgegeven rijbewijzen , fietsen en de mobiele objecten, bedoeld in artikel 70l, eerste lid, alsmede met betrekking tot rechterlijke uitspraken houdende ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen,
|
||||
i. het overeenkomstig de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen verstrekken van gegevens uit de in onderdeel h bedoelde registers alsmede het houden van toezicht als bedoeld in artikel 45a, eerste lid,
|
||||
j. het verlenen van erkenningen als bedoeld in de artikelen 62, 70a, 83 en 101, en het verlenen van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen als bedoeld in artikel 85a alsmede het schorsen, wijzigen en intrekken van erkenningen en van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen,
|
||||
j1: de bevoegdheid tot het aanwijzen van een technische dienst voor het uitvoeren van bepaalde tests ten behoeve van het verlenen van typegoedkeuringen of individuele goedkeuringen of voor het uitvoeren van bepaalde toezichtstaken,
|
||||
|
|
@ -211,7 +213,7 @@ b. andere door Onze Minister opgedragen taken.
|
|||
|
||||
### Artikel 4c
|
||||
|
||||
Onze Minister kan de Dienst Wegverkeer aanwijzingen van algemene aard geven omtrent de uitoefening van de aan de Dienst opgedragen taken. Aanwijzingen omtrent de uitoefening van de bij of krachtens andere wetten dan deze wet opgedragen taken worden door Onze Minister gegeven in overeenstemming met Onze voor die wetten eerst verantwoordelijke Ministers.
|
||||
Beleidsregels omtrent de uitoefening van de bij of krachtens andere wetten dan deze wet aan de Dienst Wegverkeer opgedragen taken worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister(s) wie het aangaat.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. De organen
|
||||
|
||||
|
|
@ -225,9 +227,7 @@ De Dienst Wegverkeer heeft een directie en een raad van toezicht.
|
|||
|
||||
**2.** Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht.
|
||||
|
||||
**3.** De leden van de directie worden aangesteld, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht.
|
||||
|
||||
**4.** De leden van de directie worden aangesteld voor een periode van 5 jaren en kunnen terstond opnieuw worden aangesteld.
|
||||
**3.** De leden van de directie worden benoemd voor een periode van 5 jaren en kunnen terstond opnieuw worden benoemd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4f
|
||||
|
||||
|
|
@ -243,7 +243,7 @@ De Dienst Wegverkeer heeft een directie en een raad van toezicht.
|
|||
|
||||
### Artikel 4h
|
||||
|
||||
In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet de raad van toezicht in de waarneming van diens functie.
|
||||
In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet Onze Minister in de waarneming van diens functie.
|
||||
|
||||
### Artikel 4i
|
||||
|
||||
|
|
@ -263,13 +263,15 @@ In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet de r
|
|||
|
||||
### Artikel 4k
|
||||
|
||||
**1.** De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn voor een aansluitende periode éénmaal herbenoembaar.
|
||||
**1.** De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar.
|
||||
|
||||
**2.** De leden van de raad van toezicht kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.
|
||||
|
||||
**3.** Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad. Binnen twee maanden na het openvallen van een vacature wordt een nieuw lid benoemd. Betreft het de vacature van de voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een lid aan dat tijdelijk als voorzitter fungeert.
|
||||
**3.** Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad. Betreft het de vacature van de voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een lid aan dat tijdelijk als voorzitter fungeert.
|
||||
|
||||
**4.** Degene die is benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou moeten aftreden en is vervolgens voor een aansluitende periode éénmaal herbenoembaar.
|
||||
**4.** Indien een lid wordt benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, bepaalt Onze Minister het tijdvak van de benoeming.
|
||||
|
||||
**5.** De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut.
|
||||
|
||||
### Artikel 4l
|
||||
|
||||
|
|
@ -279,26 +281,32 @@ In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet de r
|
|||
|
||||
Goedkeuring door de raad van toezicht behoeven in ieder geval de besluiten van de directie betreffende:
|
||||
|
||||
a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 4n, 4o en 4r;
|
||||
b. vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdeel n, de tarieven die voortvloeien uit artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, alsmede van de wijze van betaling van deze tarieven;
|
||||
c. investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;
|
||||
d. de financiële begroting;
|
||||
e. het jaarverslag en de jaarrekening;
|
||||
f. het aangaan of garanderen van geldleningen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;
|
||||
g. wijzigingen in de rechtspositie van het personeel;
|
||||
h. de bij of krachtens deze wet aan Onze Minister uit te brengen rapportages;
|
||||
i. het financiële meerjarenbeleidsplan;
|
||||
j. uitbreiding van de keuringscapaciteit als bedoeld in artikel 78, tweede lid;
|
||||
k. het oprichten of mede-oprichten van dan wel het deelnemen in rechtspersonen of vennootschappen;
|
||||
l. het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang.
|
||||
a. de reglementen, bedoeld in de artikelen 4o en 4r;
|
||||
b. investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;
|
||||
c. wijzigingen in de rechtspositie van het personeel;
|
||||
d. de bij of krachtens deze wet aan Onze Minister uit te brengen rapportages.
|
||||
|
||||
**3.** Het aangaan of garanderen van geldleningen die een door Onze Minister vast te stellen bedrag te boven gaan, de in het tweede lid, onderdelen b, d, i, j, k en l genoemde besluiten, het in artikel 4n bedoelde reglement, alsmede het in artikel 4o bedoelde reglement voor zover het betreft de bezoldiging van de directie van de Dienst Wegverkeer, behoeven bovendien de goedkeuring van Onze Minister. Bij de goedkeuring van het hier in artikel 4o bedoelde reglement zal Onze Minister als richtsnoer de bezoldigingsniveaus van functies van vergelijkbare zwaarte bij de ministeries hanteren.
|
||||
**3.** Onze Minister kan bepalen dat de directie de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat de directie, ingeval Onze Minister een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben.
|
||||
|
||||
**4.** De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet ten minste vier leden ter vergadering aanwezig zijn.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
**5.** De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
|
||||
De directie behoeft in elk geval de voorafgaande instemming van de raad van toezicht voor de besluiten betreffende:
|
||||
|
||||
**6.** De vergaderingen van de raad van toezicht zijn niet openbaar.
|
||||
a. de begroting;
|
||||
b. de vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdeel n, de tarieven die voortvloeien uit artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, alsmede van de wijze van betaling van deze tarieven;
|
||||
c. het jaarverslag en de jaarrekening;
|
||||
d. het bestuursreglement, bedoeld in artikel 4n;
|
||||
e. het financiële meerjarenbeleidsplan;
|
||||
f. de uitbreiding van de keuringscapaciteit als bedoeld in artikel 78, tweede lid;
|
||||
g. het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang.
|
||||
|
||||
**5.** De in het vierde lid, onderdelen e tot en met g genoemde besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
|
||||
|
||||
**6.** De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet ten minste de meerderheid van de leden ter vergadering aanwezig is.
|
||||
|
||||
**7.** De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**8.** De vergaderingen van de raad van toezicht zijn niet openbaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 4m
|
||||
|
||||
|
|
@ -312,7 +320,7 @@ l. het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang.
|
|||
|
||||
### Artikel 4n
|
||||
|
||||
De directie stelt bij reglement zijn werkwijze vast.
|
||||
De directie stelt bij bestuursreglement haar werkwijze vast.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Personeel van de organisatie
|
||||
|
||||
|
|
@ -349,7 +357,7 @@ p. een geschillenregeling met betrekking tot de in de onderdelen *l* en *o* geno
|
|||
|
||||
De inkomsten van de Dienst Wegverkeer bestaan uit:
|
||||
|
||||
a. de opbrengst van de heffingen;
|
||||
a. de opbrengst van de tarieven en overige heffingen;
|
||||
b. vergoedingen voor verrichte diensten;
|
||||
c. andere baten hoe ook genoemd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -377,84 +385,260 @@ De directie stelt bij reglement richtlijnen vast voor het voeren van een ordelij
|
|||
|
||||
### Artikel 4s
|
||||
|
||||
**1.** De directie stelt jaarlijks een jaarverslag en een jaarrekening op.
|
||||
|
||||
**2.** Het boekjaar van de Dienst Wegverkeer valt samen met het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**3.** De directie zendt jaarlijks binnen vier maanden na afloop van het boekjaar de jaarstukken aan de raad van toezicht.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De jaarstukken omvatten:
|
||||
|
||||
a. het jaarverslag;
|
||||
b. de jaarrekening;
|
||||
c. de verklaring van de door de raad van toezicht aangewezen externe registeraccountant;
|
||||
d. een opgave over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden.
|
||||
|
||||
**5.** De directie zendt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de jaarstukken met een document, houdende de goedkeuring door de raad van toezicht van het jaarverslag en de jaarrekening ter kennisneming aan Onze Minister. De directie stelt te zelfder tijd de in het vierde lid, onderdelen *a*, *b* en *c*, bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar en maakt hiervan melding in de *Staatscourant*.
|
||||
Het boekjaar van de Dienst Wegverkeer valt samen met het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 4t
|
||||
|
||||
**1.** De directie dient het financiële meerjarenbeleidsplan en de goedkeuring daarvan door de raad van toezicht voor 1 oktober voorafgaand aan het boekjaar, in bij Onze Minister.
|
||||
**1.** De directie dient het financiële meerjarenbeleidsplan, waarmee de raad van toezicht heeft ingestemd, voor 1 oktober voorafgaand aan het boekjaar, in bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** De directie verstrekt Onze Minister voor 15 januari van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar de door Onze Minister voor het opstellen van de Rijksbegroting vereiste gegevens.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan regels stellen over de inrichting van de begroting, het financiële meerjarenbeleidsplan en de jaarstukken, en kan aandachtspunten vaststellen voor de accountantscontrole.
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de inrichting van het financiële meerjarenbeleidsplan en kunnen aandachtspunten worden vastgesteld voor de accountantscontrole.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 7. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 4u
|
||||
|
||||
**1.** De directie verstrekt Onze Minister de inlichtingen die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig oordeelt.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het toezicht op de Dienst Wegverkeer door Onze Minister en de raad van toezicht.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister verstrekt de Dienst Wegverkeer de inlichtingen die deze voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met betrekking tot de in dit hoofdstuk bedoelde informatie-uitwisseling tussen Onze Minister en de Dienst Wegverkeer.
|
||||
**3.** Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen Onze Minister en de Dienst Wegverkeer.
|
||||
|
||||
### Artikel 4v
|
||||
|
||||
**1.** Waar in deze wet de goedkeuring van Onze Minister is vereist, verleent dan wel onthoudt deze die goedkeuring binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige stukken.
|
||||
**1.** Waar in deze wet dan wel de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de goedkeuring van Onze Minister is vereist, verleent dan wel onthoudt deze die goedkeuring binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige stukken.
|
||||
|
||||
**2.** Met goedkeuring wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring is verleend of onthouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 4w
|
||||
|
||||
**1.** Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan wel de vaststelling door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt deze die goedkeuring dan wel stelt deze vast of weigert die vaststelling binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige dan wel vast te stellen stukken.
|
||||
**1.** Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan wel instemming door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt deze die goedkeuring dan wel die instemming binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring dan wel instemming onderhevige stukken.
|
||||
|
||||
**2.** Met goedkeuring dan wel vaststelling wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring is verleend of onthouden dan wel de vaststelling heeft plaatsgevonden of is geweigerd.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de raad van toezicht goedkeuring onthoudt aan de financiële begroting, is de directie gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van maximaal een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.
|
||||
**2.** Met goedkeuring dan wel instemming wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring dan wel de instemming is verleend of onthouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 4wa
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Zolang de begroting niet is goedgekeurd, is de directie gerechtigd gedurende ten hoogste de eerste zes maanden van het nieuwe boekjaar voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van 115% van een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 4x
|
||||
|
||||
**1.** Indien naar het oordeel van Onze Minister de Dienst Wegverkeer zijn taken, omschreven in artikel 4b, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, niet langer naar behoren verricht, kan Onze Minister bepalen dat de bevoegdheden die met die taken verband houden niet langer aan de Dienst Wegverkeer toekomen. De betrokken bevoegdheden gaan in dat geval over op Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de Dienst Wegverkeer een bij of krachtens een andere wet dan deze wet opgedragen taak naar het oordeel van Onze Minister en Onze voor die wet eerst verantwoordelijke Minister niet langer naar behoren verricht, kunnen zij gezamenlijk bepalen dat de bevoegdheden die met die taak verband houden niet langer aan de Dienst Wegverkeer toekomen. De betrokken bevoegdheden gaan in dat geval over op Onze Minister.
|
||||
Indien de Dienst Wegverkeer een bij of krachtens een andere wet dan deze wet opgedragen taak naar het oordeel van Onze Minister niet langer naar behoren verricht, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen na overleg met Onze Minister(s) wie het aangaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 4y
|
||||
|
||||
Het Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 1994 is van toepassing op de Dienst Wegverkeer.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IB. Toezicht op het CBR
|
||||
## Hoofdstuk IB. Het CBR
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Algemeen
|
||||
|
||||
### Artikel 4z
|
||||
|
||||
**1.** Het CBR verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig oordeelt. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
|
||||
**1.** Er is een Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, in het maatschappelijk verkeer aangeduid als CBR. Het bureau bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Rijswijk.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan aan het CBR aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de uitvoering van de artikelen 130 tot en met 134a en 149, tweede lid, onderdeel a.
|
||||
**2.** Op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van artikel 15 van die wet.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het CBR naar het oordeel van Onze Minister zijn taak ernstig verwaarloost of in gevaar brengt, kan Onze Minister, gehoord het CBR, de noodzakelijke voorzieningen treffen.
|
||||
### Paragraaf 2. Taken van het CBR
|
||||
|
||||
**4.** Over de uitoefening van het toezicht op het CBR door Onze Minister kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
|
||||
### Artikel 4aa
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het CBR is belast met de volgende taken:
|
||||
|
||||
a. het beoordelen van de rijvaardigheid;
|
||||
b. het beoordelen van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen;
|
||||
c. het opleggen van onderzoeken naar de rijvaardigheid en de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van houders van rijbewijzen ten aanzien van wie een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid of geschiktheid bestaat;
|
||||
d. het opleggen van educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen;
|
||||
e. het opleggen en uitvoeren van het alcoholslotprogramma;
|
||||
f. het schorsen van de geldigheid van rijbewijzen;
|
||||
g. het ongeldig verklaren van rijbewijzen;
|
||||
h. het verlenen van ontheffingen als bedoeld in artikel 149, tweede lid;
|
||||
i. het afgeven van gehandicaptenparkeerkaarten aan aanvragers die niet zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente;
|
||||
j. het beoordelen van de vakbekwaamheid van bestuurders in het goederen- en personenvervoer over de weg;
|
||||
k. het erkennen van opleidingscentra voor het verrichten van nascholing en het certificeren van cursussen met betrekking tot vakbekwaamheid bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg en het registreren van nascholing;
|
||||
l. het houden van toezicht op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel k bedoelde erkenningen;
|
||||
m. het uitreiken van Nederlandse omwisselingscertificaten en deelcertificaten vakbekwaamheid bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg;
|
||||
n. het ongeldig verklaren van getuigschriften van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en Nederlandse omwisselingscertificaten;
|
||||
o. het verwerken van gegevens, waaronder mede begrepen gegevens betreffende iemands gezondheid, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarmee het CBR bij of krachtens deze wet is belast, alsmede van de taken waarmee het CBR bij of krachtens andere wetten is belast;
|
||||
p. het met inachtneming van artikel 4am vaststellen van de tarieven, alsmede het vaststellen van de wijze van betaling van deze tarieven, voor het verrichten van taken waarvoor het CBR bij of krachtens deze wet bevoegd is, alsmede voor de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken;
|
||||
q. het verstrekken van gegevens voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarmee het CBR dan wel andere organisaties bij of krachtens deze wet zijn belast.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de toepassing van de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, neemt het CBR de bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn of de aangewezen onderdelen daarvan, in acht.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen c tot en met g, wordt onder rijbewijzen mede verstaan rijbewijzen, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Voorts is het CBR belast met:
|
||||
|
||||
a. de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken, en
|
||||
b. andere bij regeling van Onze Minister opgedragen taken waarbij regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de tarieven van deze taken.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ab
|
||||
|
||||
Beleidsregels omtrent de uitoefening van de bij of krachtens andere wetten dan deze wet aan het CBR opgedragen taken worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister(s) wie het aangaat.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. De organen
|
||||
|
||||
### Artikel 4ac
|
||||
|
||||
Het CBR heeft een directie en een raad van toezicht.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ad
|
||||
|
||||
**1.** De directie bestaat uit maximaal twee leden.
|
||||
|
||||
**2.** Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht.
|
||||
|
||||
**3.** In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet Onze Minister in de waarneming van diens functie.
|
||||
|
||||
**4.** De leden van de directie worden benoemd voor een periode van ten hoogste 4 jaren en kunnen terstond éénmaal opnieuw worden benoemd.
|
||||
|
||||
**5.** De directie stelt bij bestuursreglement haar werkwijze vast.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ae
|
||||
|
||||
**1.** De directie is belast met de dagelijkse leiding van het CBR.
|
||||
|
||||
**2.** Alle bevoegdheden van het CBR die niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen toe aan de directie.
|
||||
|
||||
### Artikel 4af
|
||||
|
||||
**1.** De directie vertegenwoordigt het CBR in en buiten rechte.
|
||||
|
||||
**2.** De directie kan onder haar verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taak van het CBR dan wel op bepaalde aangelegenheden.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ag
|
||||
|
||||
**1.** De directie verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens.
|
||||
|
||||
**2.** De directe legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht aanleiding bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door haar gevoerde beleid.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ah
|
||||
|
||||
**1.** De raad van toezicht bestaat uit vijf leden, waaronder de voorzitter.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de raad van toezicht.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister benoemt de voorzitter, gehoord de raad van toezicht.
|
||||
|
||||
**4.** De leden van de raad van toezicht hebben op persoonlijke titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
|
||||
|
||||
**5.** De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ai
|
||||
|
||||
**1.** De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar.
|
||||
|
||||
**2.** De leden van de raad van toezicht kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.
|
||||
|
||||
**3.** Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad. Betreft het de vacature van de voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een lid aan dat tijdelijk als voorzitter fungeert.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een lid wordt benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, bepaalt Onze Minister het tijdvak van de benoeming.
|
||||
|
||||
### Artikel 4aj
|
||||
|
||||
**1.** De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van de directie en staat die met raad terzijde.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Goedkeuring door de raad van toezicht behoeven in ieder geval de besluiten van de directie betreffende:
|
||||
|
||||
a. het reglement, bedoeld in artikel 4an;
|
||||
b. investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan;
|
||||
c. wijzigingen in de rechtspositie van het personeel;
|
||||
d. de bij of krachtens deze wet aan Onze Minister uit te brengen rapportages.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan bepalen dat de directie de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat de directie, ingeval Onze Minister een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De directie behoeft in elk geval de voorafgaande instemming van de raad van toezicht voor de besluiten betreffende:
|
||||
|
||||
a. de begroting;
|
||||
b. de vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa, eerste lid, onderdeel p, de tarieven die voortvloeien uit artikel 4aa, derde lid, onderdeel b, alsmede de wijze van betaling van deze tarieven;
|
||||
c. het jaarverslag en de jaarrekening;
|
||||
d. het bestuursreglement, bedoeld in artikel 4ad, vijfde lid;
|
||||
e. het financiële meerjarenbeleidsplan;
|
||||
f. het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang.
|
||||
|
||||
**5.** De in het vierde lid, onderdelen e en f genoemde besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
|
||||
|
||||
**6.** De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet ten minste de meerderheid van de leden ter vergadering aanwezig is.
|
||||
|
||||
**7.** De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
|
||||
|
||||
**8.** De vergaderingen van de raad van toezicht zijn niet openbaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ak
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan aan de leden van de raad van toezicht, ten laste van het CBR, een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden.
|
||||
|
||||
**2.** De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten.
|
||||
|
||||
**3.** De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten daarvan komen ten laste van het CBR.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Financiële bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 4al
|
||||
|
||||
De inkomsten van het CBR bestaan uit:
|
||||
|
||||
a. de opbrengsten van de tarieven en overige heffingen;
|
||||
b. vergoedingen voor verrichte diensten;
|
||||
c. andere baten hoe ook genoemd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4am
|
||||
|
||||
De hoogte van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa, eerste lid, onderdeel p wordt gerelateerd aan de met de uitvoering van de taak redelijkerwijs gemoeide kosten.
|
||||
|
||||
### Artikel 4an
|
||||
|
||||
De directie stelt bij reglement richtlijnen vast voor het voeren van een ordelijk financieel beheer van het CBR.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ao
|
||||
|
||||
Het boekjaar van het CBR valt samen met het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ap
|
||||
|
||||
**1.** De directie dient het financiële meerjarenbeleidsplan, waarmee de raad van toezicht heeft ingestemd, voor 1 oktober voorafgaande aan het boekjaar, in bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de inrichting van het financiële meerjarenbeleidsplan en kunnen aandachtspunten worden vastgesteld voor de accountantscontrole.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 4aq
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het toezicht op het CBR door Onze Minister en de raad van toezicht.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister verstrekt het CBR de inlichtingen die het CBR voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen Onze Minister en het CBR.
|
||||
|
||||
### Artikel 4ar
|
||||
|
||||
**1.** Waar in deze wet dan wel de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de goedkeuring van Onze Minister is vereist, verleent dan wel onthoudt deze die goedkeuring binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige stukken.
|
||||
|
||||
**2.** Met goedkeuring wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring is verleend of onthouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 4as
|
||||
|
||||
**1.** Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan wel de instemming door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt deze die goedkeuring dan wel die instemming binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring dan wel instemming onderhevige stukken.
|
||||
|
||||
**2.** Met goedkeuring dan wel instemming wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring dan wel de instemming is verleend of onthouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 4at
|
||||
|
||||
Zolang de begroting niet is goedgekeurd, is de directie gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden van het nieuwe boekjaar voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van 115% van een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 4au
|
||||
|
||||
Indien het CBR een bij of krachtens een andere wet dan deze wet opgedragen taak naar het oordeel van Onze Minister niet langer naar behoren verricht, kan Onze Minister de nodige voorzieningen treffen na overleg met Onze Minister wie het aangaat.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IC. Toezicht op keuringsinstellingen en onderzoeksgerechtigden
|
||||
|
||||
### Artikel 4aa
|
||||
### Artikel 4av
|
||||
|
||||
**1.** Keuringsinstellingen, aangewezen ingevolge de artikelen 71a, 84, eerste lid, 101, eerste lid, en 132e, vijfde lid, en 106a, derde lid, jo. 101, eerste lid, en de ingevolge deze artikelen erkende onderzoeksgerechtigden en instellingen, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig oordeelt. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -657,7 +841,7 @@ Een belanghebbende kan tegen een verkeersbesluit tot plaatsing of verwijdering v
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voorafgaande aan de toelating tot het verkeer op de weg kan Onze Minister een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm^3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, per type of individueel voertuig aanwijzen op grond van zijn veiligheidsaspecten, indien:
|
||||
Voorafgaande aan de toelating tot het verkeer op de weg kan Onze Minister een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm^3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, per type of individueel voertuig aanwijzen op grond van zijn veiligheidsaspecten, indien:
|
||||
|
||||
a. de toelating overeenstemt met de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, tweede lid en derde lid, onderdeel a, genoemde doeleinden; en
|
||||
b. er voor dit motorrijtuig niet een typegoedkeuring overeenkomstig in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen voorschriften vereist is.
|
||||
|
|
@ -1436,6 +1620,50 @@ Het is een ieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in artikel 62 is verleen
|
|||
|
||||
### Paragraaf 5a. Erkenningsregeling exportdienstverlening
|
||||
|
||||
### Artikel 66a
|
||||
|
||||
**1.** De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is de tenaamstelling van motorrijtuigen en aanhangwagens ten behoeve van een derde in het kentekenregister te beëindigen indien het motorrijtuig of de aanhangwagen door die derde wordt geëxporteerd.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 66b
|
||||
|
||||
**1.** De erkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag en tegen betaling, op de door deze dienst vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief verleend aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Deze eisen betreffen onder meer de administratieve organisatie van de natuurlijke persoon of rechtspersoon alsmede de wijze waarop deze er voor zorgdraagt dat de aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling wegens export verbonden procedures in acht worden genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanvraag van een erkenning.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van het krachtens het tweede lid bepaalde.
|
||||
|
||||
**4.** De erkenning wordt geweigerd indien een reeds aan de aanvrager verleende erkenning op grond van artikel 66d, juncto artikel 65, tweede lid, is ingetrokken binnen een direct aan de datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken, dan wel van zes maanden ingeval reeds twee of meer malen een dergelijke aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken.
|
||||
|
||||
### Artikel 66c
|
||||
|
||||
**1.** Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de *Staatscourant*. Het toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de ter zake van de vervallenverklaring van de tenaamstelling wegens export gevoerde administratie van degene aan wie de erkenning is verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Degene aan wie een erkenning is verleend, is gehouden tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van degene aan wie een erkenning is verleend. Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 66d
|
||||
|
||||
**1.** De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning in, indien degene aan wie de erkenning is verleend, daarom verzoekt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend:
|
||||
|
||||
a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde eisen,
|
||||
b. de verplichtingen, vervat in artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 66c, tweede lid niet nakomt, of
|
||||
c. handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.
|
||||
|
||||
**3.** De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het intrekken, wijzigen en schorsen van de erkenning.
|
||||
|
||||
### Artikel 66e
|
||||
|
||||
Het is een ieder aan wie niet een erkenning als bedoeld in artikel 66a is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen, dat daardoor bij het publiek de indruk kan worden gewekt, dat zodanige erkenning aan hem is verleend.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6. Schorsing
|
||||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
|
@ -2906,7 +3134,7 @@ De Dienst Wegverkeer stelt ten aanzien van het verwerken van gegevens als bedoel
|
|||
|
||||
### Artikel 145b
|
||||
|
||||
**1.** Een elektronisch heffingssysteem als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn, dat na 31 december 2006 in gebruik wordt genomen, is gebaseerd op één of meer van de technologieën, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn.
|
||||
**1.** Een elektronisch heffingssysteem als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn, dat na 31 december 2006 in gebruik wordt genomen, is gebaseerd op één of meer van de technologieën, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid geldt niet voor een heffingssysteem als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de richtlijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2976,7 +3204,7 @@ b. voor wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten;
|
|||
c. voor wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur;
|
||||
d. voor andere wegen door burgemeester en wethouders of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een deelgemeente.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan door Onze Minister ontheffing worden verleend van het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingsmiddelen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regels worden vastgesteld.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan door het CBR ontheffing worden verleend van het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingsmiddelen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regels worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Het op grond van het eerste lid tot het verlenen van een ontheffing bevoegde gezag kan van de kentekenplicht als bedoeld in artikel 36, eerste lid, ontheffing verlenen voor aanhangwagens die worden gebruikt ten behoeve van een evenement of optocht waarvoor een vergunning op grond van een gemeentelijke verordening is afgegeven. Bij ministeriële regeling kunnen terzake nadere regels worden gesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3041,9 +3269,8 @@ c. basiskwalificatie: het opleidings- en kennisniveau dat de in de richtlijn vak
|
|||
d. getuigschrift van vakbekwaamheid: document dat dient als bewijs dat de houder de basiskwalificatie heeft behaald;
|
||||
e. nascholing: periodiek opleidingstraject dat in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aangewezen onderwerpen en praktische vaardigheden omvat;
|
||||
f. getuigschrift van nascholing: document dat dient als bewijs dat de houder de nascholing met goed gevolg heeft voltooid;
|
||||
g. aangewezen exameninstantie: persoon of instelling als bedoeld in artikel 151f, eerste lid;
|
||||
h. erkend opleidingscentrum: opleidingscentrum als bedoeld in artikel 151f, tweede lid;
|
||||
i. gewone verblijfplaats: de verblijfplaats zoals omschreven in artikel 14, derde lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370).
|
||||
g. erkend opleidingscentrum: opleidingscentrum als bedoeld in artikel 151f, tweede lid;
|
||||
h. gewone verblijfplaats: de verblijfplaats zoals omschreven in artikel 14, derde lid, van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370).
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Getuigschrift van vakbekwaamheid en getuigschrift van nascholing
|
||||
|
||||
|
|
@ -3059,7 +3286,7 @@ i. gewone verblijfplaats: de verblijfplaats zoals omschreven in artikel 14, derd
|
|||
|
||||
Een in artikel 151b, onderdeel b, onder 2°, bedoelde bestuurder die beschikt over de volgende documenten, voldoet aan de ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders gestelde vereisten:
|
||||
|
||||
a. indien hij goederenvervoer over de weg verricht: een bestuurdersattest als bedoeld in verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van meer lidstaten (PbEG L 95);
|
||||
a. indien hij goederenvervoer over de weg verricht: een bestuurdersattest als bedoeld in verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van meer lidstaten (PbEG L 95);
|
||||
b. indien hij personenvervoer over de weg verricht: een nationaal certificaat waarvan de lidstaten van de Europese Unie de geldigheid op hun grondgebied onderling erkennen.
|
||||
|
||||
### Artikel 151d
|
||||
|
|
@ -3075,7 +3302,7 @@ b. een stelsel van nascholing.
|
|||
|
||||
Bij de in het eerste lid bedoelde regels kan in elk geval worden bepaald dat:
|
||||
|
||||
a. een bestuurder die het getuigschrift van vakbekwaamheid heeft behaald, bedoeld in richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoersondernemers (PbEG L 124), is vrijgesteld van bij die regels bepaalde examens tot het verkrijgen van het getuigschrift van vakbekwaamheid;
|
||||
a. een bestuurder die het getuigschrift van vakbekwaamheid heeft behaald, bedoeld in richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoersondernemers (PbEG L 124), is vrijgesteld van bij die regels bepaalde examens tot het verkrijgen van het getuigschrift van vakbekwaamheid;
|
||||
b. een bestuurder die kan aantonen in Nederland een opleiding van ten minste zes maanden tot het verkrijgen van een getuigschrift van vakbekwaamheid te volgen, op Nederlands grondgebied voor ten hoogste drie jaar is vrijgesteld van de verplichting over een getuigschrift van vakbekwaamheid te beschikken.
|
||||
|
||||
### Artikel 151e
|
||||
|
|
@ -3086,19 +3313,19 @@ b. een bestuurder die kan aantonen in Nederland een opleiding van ten minste zes
|
|||
|
||||
### Artikel 151f
|
||||
|
||||
**1.** Een examen gericht op het behalen van de basiskwalificatie wordt afgelegd bij een bij ministeriële regeling aangewezen persoon of instelling, die onder zijn verantwoordelijkheid voor onderdelen van dat examen anderen kan inschakelen.
|
||||
**1.** Een examen gericht op het behalen van de basiskwalificatie wordt afgelegd bij het CBR, dat onder zijn verantwoordelijkheid voor onderdelen van dat examen anderen kan inschakelen.
|
||||
|
||||
**2.** Nascholing wordt georganiseerd door een door de aangewezen exameninstantie voor het verrichten van nascholing erkend opleidingscentrum.
|
||||
**2.** Nascholing wordt georganiseerd door een door het CBR voor het verrichten van nascholing erkend opleidingscentrum.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:
|
||||
|
||||
a. de taken, bevoegdheden en werkwijze van de aangewezen exameninstantie;
|
||||
a. de taken, bevoegdheden en werkwijze van het CBR;
|
||||
b. de wijze waarop erkenning als opleidingscentrum geschiedt;
|
||||
c. de eisen waaraan voldaan moet worden om de erkenning als opleidingscentrum te verkrijgen en te behouden.
|
||||
|
||||
**4.** Nascholing georganiseerd door een erkend opleidingscentrum behoeft de certificering van de aangewezen exameninstantie.
|
||||
**4.** Nascholing georganiseerd door een erkend opleidingscentrum behoeft de certificering van het CBR.
|
||||
|
||||
**5.** De in het vierde lid bedoelde certificering vindt plaats indien de nascholing voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen regels.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3117,13 +3344,13 @@ b. hij ingezetene is van een land buiten de Europese Unie en werkzaam is voor ee
|
|||
|
||||
**4.** Een bestuurder die in Nederland de basiskwalificatie behaalt of de nascholing met goed gevolg voltooit en op dat moment geen houder is van een in Nederland afgegeven geldig rijbewijs ontvangt als bewijs daarvan een certificaat, met een geldigheidsduur gelijk aan die van een getuigschrift van vakbekwaamheid onderscheidenlijk een getuigschrift van nascholing, dat hij kan gebruiken om bij een bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie een verzoek in te dienen om op een door die lidstaat aan de desbetreffende bestuurder afgegeven of nog af te geven rijbewijs of kwalificatiekaart bestuurder de in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders bedoelde communautaire code te vermelden.
|
||||
|
||||
**5.** Op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze wordt door de aangewezen exameninstantie in het in artikel 126 bedoelde register geregistreerd dat een bestuurder die houder is van een Nederlands rijbewijs de basiskwalificatie heeft behaald onderscheidenlijk met goed gevolg de nascholing heeft voltooid.
|
||||
**5.** Op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze wordt door het CBR in het in artikel 126 bedoelde register geregistreerd dat een bestuurder die houder is van een Nederlands rijbewijs de basiskwalificatie heeft behaald onderscheidenlijk met goed gevolg de nascholing heeft voltooid.
|
||||
|
||||
**6.** Een erkend opleidingscentrum meldt op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze aan de aangewezen exameninstantie welke onderdelen van de nascholing een bestuurder met goed gevolg heeft voltooid.
|
||||
**6.** Een erkend opleidingscentrum meldt op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze aan het CBR welke onderdelen van de nascholing een bestuurder met goed gevolg heeft voltooid.
|
||||
|
||||
**7.** Een in het derde lid bedoeld getuigschrift wordt afgegeven door de aangewezen exameninstantie en uitgereikt door degene die belast is met de afgifte van rijbewijzen.
|
||||
**7.** Een in het derde lid bedoeld getuigschrift wordt afgegeven door het CBR en uitgereikt door degene die belast is met de afgifte van rijbewijzen.
|
||||
|
||||
**8.** Het in het vierde lid bedoelde certificaat wordt afgegeven en uitgereikt door de aangewezen exameninstantie en door deze instantie geregistreerd in het in artikel 126 bedoelde register.
|
||||
**8.** Het in het vierde lid bedoelde certificaat wordt afgegeven en uitgereikt door het CBR en door deze instantie geregistreerd in het in artikel 126 bedoelde register.
|
||||
|
||||
### Artikel 151h
|
||||
|
||||
|
|
@ -3133,10 +3360,10 @@ a. de vermelding op het rijbewijs van de communautaire code, bedoeld in de richt
|
|||
b. het in overeenstemming met de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders vastgestelde tijdschema dat een bestuurder moet volgen bij de nascholing;
|
||||
c. de certificering bedoeld in artikel 151f, vijfde lid;
|
||||
d. het model voor een certificaat als bedoeld in artikel 151g, vierde lid;
|
||||
e. de wijze waarop een bestuurder die in een van de andere lidstaten van de Europese Unie de basiskwalificatie heeft behaald of de nascholing met goed gevolg heeft voltooid door middel van de daarbij behorende bewijsstukken, afgegeven door bevoegde autoriteiten van die lidstaten, via de aangewezen exameninstantie een aanvraag kan indienen om in Nederland een getuigschrift als bedoeld in artikel 151g, derde lid, te verkrijgen;
|
||||
f. de wijze waarop de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie via de aangewezen exameninstantie geautoriseerde informatie kunnen verkrijgen over de door een bestuurder in Nederland behaalde basiskwalificatie en over een door hem in Nederland geheel of gedeeltelijk met goed gevolg voltooide nascholing;
|
||||
e. de wijze waarop een bestuurder die in een van de andere lidstaten van de Europese Unie de basiskwalificatie heeft behaald of de nascholing met goed gevolg heeft voltooid door middel van de daarbij behorende bewijsstukken, afgegeven door bevoegde autoriteiten van die lidstaten, via het CBR een aanvraag kan indienen om in Nederland een getuigschrift als bedoeld in artikel 151g, derde lid, te verkrijgen;
|
||||
f. de wijze waarop de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten van de Europese Unie via het CBR geautoriseerde informatie kunnen verkrijgen over de door een bestuurder in Nederland behaalde basiskwalificatie en over een door hem in Nederland geheel of gedeeltelijk met goed gevolg voltooide nascholing;
|
||||
g. het model voor een nationaal certificaat als bedoeld in artikel 151c, vierde lid, onderdeel b, de afgifte en de kosten van een dergelijk certificaat en de wijze waarop de erkenning van nationale certificaten die zijn afgegeven door andere lidstaten van de Europese Unie tot stand komt;
|
||||
h. de mate waarin en de wijze waarop de aangewezen exameninstantie in verband met de haar in dit hoofdstuk opgedragen taken toegang heeft tot het in artikel 126 bedoelde register.
|
||||
h. de mate waarin en de wijze waarop het CBR in verband met de haar in dit hoofdstuk opgedragen taken toegang heeft tot het in artikel 126 bedoelde register.
|
||||
|
||||
### Artikel 151i
|
||||
|
||||
|
|
@ -3254,15 +3481,15 @@ e. een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van ge
|
|||
|
||||
**4.** In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 8, derde lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
|
||||
**5.** Indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
|
||||
|
||||
**6.** De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
**7.** De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
|
||||
|
||||
**8.** De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde stoffen of het in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 8, derde lid, onderdeel b, genoemde gehalte vast te stellen.
|
||||
**8.** De krachtens het zevende lid van de in het zesde lid genoemde verplichtingen vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloed- of ademonderzoek het gebruik van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde stoffen of het in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 8, derde lid, onderdeel b, genoemde gehalte vast te stellen.
|
||||
|
||||
**9.** Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
|
||||
**9.** Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
|
||||
|
||||
**10.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160, vijfde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3294,7 +3521,7 @@ c. een rechterlijke uitspraak of strafbeschikking waarbij de bevoegdheid tot het
|
|||
|
||||
De schorsing duurt voort zolang de bewijzen ingevolge de onderdelen a, b en c ongeldig zijn.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte plaats indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Het rijbewijs wordt niet aan betrokkene teruggegeven, indien het een rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.
|
||||
**6.** Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte plaats indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Het rijbewijs wordt niet aan betrokkene teruggegeven, indien het een rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.
|
||||
|
||||
**7.** In geval van toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder toezicht of, voor zover degene die het proces-verbaal opmaakt zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats indien aan de vordering is voldaan of indien de officier van justitie zich niet langer tegen de teruggave verzet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3416,7 +3643,7 @@ c. de aanwijzing van de weggedeelten en wegen, voor de bevoegdheid tot oplegging
|
|||
|
||||
### Artikel 174
|
||||
|
||||
**1.** Indien ter zake van een overtreding van artikel 40, eerste lid, proces-verbaal wordt opgemaakt door een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een op dat voorschrift betrekking hebbende gedraging, omschreven in de in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften bedoelde bijlage door hem wordt geconstateerd, begaan met een op de weg staand motorrijtuig, terwijl niet terstond blijkt wie de eigenaar of houder van dat motorrijtuig is, is de burgemeester bevoegd op verzoek van die ambtenaar dat motorrijtuig naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen.
|
||||
**1.** Indien ter zake van een overtreding van artikel 40, eerste lid, proces-verbaal wordt opgemaakt door een ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een op dat voorschrift betrekking hebbende gedraging, omschreven in de in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften bedoelde bijlage door hem wordt geconstateerd, begaan met een op de weg staand motorrijtuig, terwijl niet terstond blijkt wie de eigenaar of houder van dat motorrijtuig is, is de burgemeester bevoegd op verzoek van die ambtenaar dat motorrijtuig naar een door hem aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te doen stellen.
|
||||
|
||||
**2.** Alvorens het in het eerste lid bedoelde verzoek te doen, kan de daar bedoelde ambtenaar door middel van een daartoe aan te brengen apparaat het rijden met het motorrijtuig voor ten hoogste twee dagen beletten. Het apparaat wordt binnen die termijn verwijderd, zodra bekend wordt wie de eigenaar of houder van het motorrijtuig is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3613,8 +3840,8 @@ b. het resultaat dat met een experiment, als bedoeld in het eerste lid, wordt be
|
|||
|
||||
De verplichting, bedoeld in artikel 151c, eerste lid, geldt voor een bestuurder van:
|
||||
|
||||
a. een voertuig waarvoor een rijbewijs van een van de categorieën D1, E bij D1, D of E bij D, bedoeld in artikel 3 van richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PbEG L 237), of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs vereist is: met ingang van 10 september 2008;
|
||||
b. een voertuig waarvoor een rijbewijs van een van de categorieën C1, E bij C1, C of E bij C, bedoeld in artikel 3 van de in onderdeel a genoemde richtlijn, of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs vereist is: met ingang van 10 september 2009.
|
||||
a. een voertuig waarvoor een rijbewijs van een van de categorieën D1, E bij D1, D of E bij D, bedoeld in artikel 3 van richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PbEG L 237), of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs vereist is: met ingang van 10 september 2008;
|
||||
b. een voertuig waarvoor een rijbewijs van een van de categorieën C1, E bij C1, C of E bij C, bedoeld in artikel 3 van de in onderdeel a genoemde richtlijn, of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs vereist is: met ingang van 10 september 2009.
|
||||
|
||||
**2.** Een wijziging van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde richtlijn en van de in artikel 151b, onderdeel a, bedoelde richtlijn vakbekwaamheid bestuurders gaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue