2002-01-01 | BWBR0001950 | Algemeen Rijksambtenarenreglement

This commit is contained in:
Coornhert 2002-01-01 12:00:00 +00:00
parent db5c1f900f
commit 9d9a8ee533

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Algemeen Rijksambtenarenreglement
bwb_id: BWBR0001950
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2013-12-18'
datum_inwerkingtreding: '1931-09-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0001950
citeertitel: Algemeen Rijksambtenarenreglement
---
@ -22,13 +22,13 @@ Ambtenaar in de zin van dit besluit is degene, die door het Rijk is aangesteld o
Voor de toepassing van dit besluit worden niet als ambtenaren beschouwd:
a. ministers en staatssecretarissen;
a. Ministers;
b. Commissarissen des Konings;
c. krachtens Grondwet of wet voor hun leven aangestelde ambtenaren;
d. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;
e. burgemeesters;
f. de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid;
g. de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters van de huurcommissie, bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
g. de voorzitters van de huurcommissies, bedoeld in de Wet op de huurcommissies (*Stb.* 1979, 16).
**2.** De hoofdstukken III, IV en V zijn niet van toepassing op ambtenaren met gedeeltelijke dag-, week- of jaartaken, die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van de in die hoofdstukken geregelde onderwerpen worden voor hen voor elk betrokken dienstvak de nodige bepalingen vastgesteld.
@ -37,10 +37,10 @@ g. de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters van d
Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van enkele diensten niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, waarbij per dienst een afzonderlijke beloning wordt vastgesteld, zijn niet van toepassing:
a. hoofdstuk II, paragraaf 4;
b. de artikelen 14 en 16 tot en met 20d;
b. de artikelen 14 en 16 tot en met 20*d*;
c. de hoofdstukken IV en V;
d. hoofdstuk VI, paragrafen 2 en 3;
e. de artikelen 33fb, 39, 47 en 48a.
e. de artikelen 43, 46, 47 en 49.
### Artikel 3
@ -54,30 +54,11 @@ e. de artikelen 33fb, 39, 47 en 48a.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: het hoofd van het betrokken ministerie;
b. hoofd van dienst: de door Ons of door Onze Minister als zodanig aangewezen autoriteit;
c. volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat;
d. arbeidsduurfactor: een breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer bestaat uit het getal 36;
e. *sector Rijk:* de ambtelijke diensten van:
"Onze Minister": het hoofd van het betrokken departement van algemeen bestuur;
1° elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
2° de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
3° de Raad van State;
4° de Algemene Rekenkamer;
5° de Nationale ombudsman;
6° de Hoge Raad van Adel;
7° het Kabinet van de Koning;
8° de Kanselarij der Nederlandse Orden;
9° het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
10° de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
11° het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden;
f. *bevoegd gezag:*
"hoofd van dienst": de door Ons of door Onzen Minister als zoodanig aangewezen autoriteit.
1° het tot aanstelling bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid;
2° Onze Minister, indien aanstelling bij koninklijk besluit als bedoeld in artikel 7, derde lid geschiedt, of
3° de vicepresident van de Raad van State, het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of de voorzitter van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden, voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, respectievelijk de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
**2.** Tenzij anders is bepaald wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder salaris onderscheidenlijk bezoldiging, vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
**2.** Tenzij anders is bepaald wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging, hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
**3.** Ingeval de bezoldiging van de ambtenaar is geregeld krachtens een andere bezoldigingsregeling dan die bedoeld in het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit besluit onder salaris, onderscheidenlijk bezoldiging verstaan, het bedrag dat op overeenkomstige wijze is vastgesteld als in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
@ -91,25 +72,9 @@ Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wor
In dit besluit wordt onder lid van de Algemene Bestuursdienst verstaan:
a. de ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep;
b. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 17 of 18 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt;
c. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 16 of 15 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt en die daartoe door of namens Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aangewezen.
## Hoofdstuk Ia. Elektronische berichtgeving
### Artikel 4.a1
**1.** Berichten inzake het maandelijkse in geld vastgestelde loon en de jaaropgave aan de ambtenaar behoeven uitsluitend elektronisch te worden verzonden.
**2.**
De in het eerste lid bedoelde berichten worden niet uitsluitend elektronisch verzonden:
a. indien de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te nemen van een elektronisch verzonden bericht;
b. bij ontslag of overlijden van de ambtenaar;
c. op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op andere wijze.
**3.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels stellen over de wijze waarop de elektronische verzending geschiedt.
a. de ambtenaar die het ambt van lid van de topmanagementgroep, genoemd in de bijlage A van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, vervult;
b. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 17 of 18 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt;
c. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 16 of 15 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt en die daartoe door of namens Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aangewezen.
## Hoofdstuk II. Aanstelling en loopbaanvorming
@ -117,7 +82,7 @@ c. op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een zwaarwegend belang heeft bi
### Artikel 4a
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt regels ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren.
### Artikel 5
@ -125,7 +90,11 @@ Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aan
**2.** De aanstelling geschiedt in vaste dienst, tenzij er grond is een aanstelling in tijdelijke dienst te verlenen.
**3.** De niet-Nederlander kan uitsluitend worden aangesteld indien hij in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 en het bevoegd gezag voor hem beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens laatstgenoemde wet niet is vereist.
**3.** Degene die geen Nederlander is, kan slechts worden aangesteld indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet en de vergunning tot verblijf het verrichten van arbeid in loondienst niet uitsluit, of indien hem verblijf is toegestaan op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet.
**4.** Evenmin vindt aanstelling plaats in een functie waaruit ontslag op grond van artikel 97, tweede of derde lid, kan worden verleend, van personen die onmiddellijk voorafgaande aan de vroegst mogelijke datum van dat ontslag geen ononderbroken diensttijd van ten minste 5 jaar, doorgebracht in een of meer zodanige functies, zouden kunnen aanwijzen.
**5.** Het in het vorige lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing in geval van plaatsing van een ambtenaar in een functie als in dat lid bedoeld.
### Artikel 5a
@ -153,7 +122,7 @@ f. voor een andere reden.
**3.**
In het geval een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd is voorafgegaan door een andere aanstelling in tijdelijke dienst krachtens het tweede lid, onder b tot en met f, wordt de maximale duur van de proeftijd verminderd met de duur van die andere aanstelling, indien:
In het geval een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd is voorafgegaan door een andere aanstelling in tijdelijke dienst krachtens het eerste lid, onder b tot en met f, wordt de maximale duur van de proeftijd verminderd met de duur van die andere aanstelling, indien:
a. beide aanstellingen in tijdelijke dienst zijn verleend door Onze Minister;
b. de andere aanstelling in tijdelijke dienst is beëindigd binnen een periode van drie maanden direct voorafgaande aan de aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd; en
@ -174,13 +143,13 @@ b. meer dan drie door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst
**8.** Het zesde lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een aanstelling, aangegaan voor niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een aanstelling van 36 maanden of langer.
**9.** Voorzover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van State, het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden dient in het derde, het vierde, het zesde en het zevende lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer, respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet van de Koning, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de vice-president van de Raad van State, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of de voorzitter van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
**9.** Voorzover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de Raad van State dient in het derde, het vierde, het zesde en het zevende lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer, respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de vice-president van de Raad van State.
### Artikel 6a
**1.** In zeer bijzondere gevallen kan op verzoek van betrokkene een aanstelling in tijdelijke dienst worden verleend waarin ten aanzien van hem dit besluit gedeeltelijk of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden verklaard.
**2.** Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
**2.** Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
### Artikel 6b
@ -188,25 +157,53 @@ b. meer dan drie door Onze Minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst
**2.** Indien de aanstelling geschiedt voor een variabel aantal uren wordt daarbij een aantal garantie-uren bepaald.
**3.** Indien het dienstbelang zich in bijzondere gevallen verzet tegen het bepalen van een aantal garantie-uren kan Onze Minister regels stellen waarbij wordt afgeweken van het tweede lid.
### Artikel 7
**1.** De aanstelling van de ambtenaar vindt plaats door Onze Minister. Indien het een ambtenaar betreft als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, vindt de aanstelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
**1.**
**2.** Voor zover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de Raad van State, wordt in het eerste lid voor Onze Minister respectievelijk gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet van de Koning, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de vicepresident van de Raad van State.
Tenzij Wij anders hebben bepaald geschiedt de aanstelling en, voor zover nodig, de vaststelling van de salarisschaal door Ons, indien het betreft:
**3.** De aanstelling als lid van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, vindt plaats bij Koninklijk Besluit op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
a. een lid van de Algemene Bestuursdienst;
b. de ambtenaar die een ambt vervult genoemd in de bijlage A van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, niet zijnde dat van lid van de topmanagementgroep;
c. de ambtenaar die een functie vervult waarvoor salarisschaal 16 of 15 van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt en die niet is aangewezen tot lid van de Algemene Bestuursdienst.
**4.** De ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister voor een periode van maximaal zeven jaar benoemd in een bij ministeriële regeling aangewezen functie.
**2.**
Tenzij Wij anders hebben bepaald geschiedt de in het eerste lid bedoelde aanstelling en vaststelling van de salarisschaal op de voordracht van:
a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het betreft een lid van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a;
b. Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het betreft een ambtenaar bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c;
c. Onze Minister, indien het betreft een ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, onder b of c.
**3.** In de overige gevallen vindt de aanstelling en vaststelling van de salarisschaal plaats door Onze Minister.
**4.**
De ambtenaar die is aangesteld tot lid van de topmanagementgroep wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister voor een periode van maximaal zeven jaar benoemd in een van de volgende functies:
• secretaris-generaal
• directeur-generaal
• inspecteur-generaal van het Onderwijs
• thesaurier-generaal
• directeur Bureau voor de Industriële eigendom
• directeur van het Centraal Planbureau
• hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.
**5.** In bijzondere gevallen kan de periode van zeven jaar, genoemd in het vierde lid, worden verlengd dan wel voortijdig worden beëindigd. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van de wijze waarop tot verlenging respectievelijk voortijdige beëindiging wordt gekomen, alsmede over de gevolgen voor de rechtspositie van de ambtenaar.
**6.** Tenzij Wij anders hebben bepaald wordt de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, voor een periode van in beginsel ten hoogste vijf jaar in een functie benoemd. Deze benoeming duurt voort, zolang na afloop van die periode geen nieuwe functie wordt opgedragen.
**7.** Voor zover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman of de Raad van State, dient in het tweede en derde lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman of de vice-president van de Raad van State.
### Paragraaf 2. Voorwaarden voor aanstelling
### Artikel 8
Vervallen
**1.** In deze paragraaf wordt verstaan onder "het bevoegd gezag": het tot aanstelling bevoegd gezag of, indien de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt, Onze Minister.
**2.** Voor zover de aanstelling bij koninklijk besluit geschiedt en betrekking heeft op een functie bij de Raad van State, de Algemene Rekenkamer of het bureau van de Nationale ombudsman wordt verstaan onder het bevoegd gezag: de vice-president van de Raad van State respectievelijk de Algemene Rekenkamer of de Nationale ombudsman.
### Artikel 9
@ -225,23 +222,23 @@ b. een geneeskundig onderzoek, indien dit op grond van een wettelijk voorschrift
**5.** Onze Minister stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de medische geschiktheid van de betrokkene noodzakelijk is.
**6.** Het bevoegd gezag kan, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in het zevende en het achtste lid, van de betrokkene vergen dat deze een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens overlegt.
**6.** Het bevoegd gezag kan, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in het zevende en het achtste lid, van de betrokkene vergen dat deze een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag overlegt.
**7.** Indien een functie niet zijnde een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, bijzondere eisen stelt aan de integriteit of de verantwoordelijkheid van degene die deze functie vervult en indien een zwaarwegend algemeen belang dit vordert, kunnen aan het bevoegd gezag justitiële gegevens worden verstrekt voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en de geschiktheid van een kandidaat voor die functie. Aanstelling in een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van het onderzoek tegen de vervulling door betrokkene van de desbetreffende functie geen bezwaar blijkt te bestaan.
**7.** Indien het, anders dan een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder *a*, van de Wet veiligheidsonderzoeken, een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, wordt naar de betrokkene een antecedentenonderzoek ingesteld. Aanstelling in een zodanige functie is slechts mogelijk, indien op grond van een ten aanzien van de betrokkene ingesteld antecedentenonderzoek tegen diens vervulling van de desbetreffende functie geen bezwaar blijkt te bestaan.
**8.** Aanstelling in een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder *a*, van de Wet veiligheidsonderzoeken is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder *b*, van die wet is afgegeven.
**9.** Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het zevende lid. Deze nadere regels dienen in ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.
**9.** Onze Minister stelt nadere regels vast ter uitvoering van het antecedentenonderzoek. Deze nadere regels dienen in ieder geval waarborgen te bevatten omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene.
**10.** Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel *b*, mag pas plaatsvinden, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag op grond van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, en eventueel na het psychologisch onderzoek, bedoeld in het vierde lid, onderdeel *a*, overigens voldoende bekwaam en geschikt is voor de desbetreffende functie. Ook een verklaring omtrent het gedrag mag dan pas worden gevraagd.
**11.** Een onderzoek als bedoeld in het zevende lid of een veiligheidsonderzoek wordt pas ingesteld als naar het oordeel van het bevoegd gezag de betrokkene bekwaam en geschikt is voor de betreffende functie.
**11.** Een antecedentenonderzoek of een veiligheidsonderzoek wordt pas ingesteld als naar het oordeel van het bevoegd gezag de betrokkene bekwaam en geschikt is voor de betreffende functie.
**12.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het onderzoek, bedoeld in het derde lid, nadere regels vaststellen.
**12.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan omtrent het onderzoek, bedoeld in het derde lid, nadere regels vaststellen.
### Artikel 9a
Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, wordt niet verzocht om justitiële gegevens, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag door gewijzigde omstandigheden betreffende de functie of de tewerkstelling een verklaring omtrent het gedrag dan wel een onderzoek, bedoeld in artikel 9, zevende lid, nodig is.
Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling of van aanstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene vindt geen antecedentenonderzoek plaats, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag door gewijzigde omstandigheden betreffende de functie of de tewerkstelling een verklaring omtrent het gedrag dan wel een antecedentenonderzoek nodig is.
### Artikel 9b
@ -259,7 +256,7 @@ Vervallen
**3.** De betrokkene kan binnen twee weken nadat hem de uitslag van het geneeskundig onderzoek is meegedeeld, een hernieuwd geneeskundig onderzoek aanvragen.
**4.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt omtrent het hernieuwd geneeskundig onderzoek nadere regels vast. Dit hernieuwd geneeskundig onderzoek mag niet worden verricht door de arts die het geneeskundig onderzoek heeft verricht.
**4.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt omtrent het hernieuwd geneeskundig onderzoek nadere regels vast. Dit hernieuwd geneeskundig onderzoek mag niet worden verricht door de arts die het geneeskundig onderzoek heeft verricht.
**5.** Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband vindt niet opnieuw een geneeskundig onderzoek plaats, tenzij ten aanzien van de geschiktheid van de betrokkene ernstige twijfel is gerezen.
@ -279,7 +276,7 @@ Vervallen
**6.** De kosten van het onderzoek en van het nagesprek komen voor rekening van het Rijk. De betrokkene ontvangt voor ten behoeve van het onderzoek gemaakte reis- en verblijfkosten een vergoeding op de voet van de bepalingen van het Reisbesluit binnenland.
**7.** Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op vergelijkende vooronderzoeken in de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen gevallen.
**7.** Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op vergelijkende vooronderzoeken in de door Onze Minister van Binnenlandse Zaken te bepalen gevallen.
### Paragraaf 3. De akte van aanstelling en andere bescheiden
@ -311,7 +308,7 @@ c. de specifieke reden, indien sprake is van een aanstelling op grond van artike
Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld, worden aan de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld:
a. het ministerie, de afdeling of het dienstvak waarbij, de betrekking waarin, en de periode gedurende welke hij in die betrekking wordt te werk gesteld, zomede de hem dienovereenkomstig aangewezen standplaats;
b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regels;
b. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regelen;
c. het salaris dat hem is toegekend, zomede, het salarisnummer en het tijdstip waarop het salaris voor de eerste maal periodiek zal worden verhoogd;
d. andere hem mogelijk toegekende voordelen, onder verwijzing naar de desbetreffende kortingsregeling.
@ -337,9 +334,9 @@ Vervallen
### Artikel 13
**1.** Wij behouden Ons voor op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen overleg pleegt met Onze betrokken Minister, regels vast te stellen omtrent loopbaanvorming in het algemeen en omtrent daarmede verband houdende bijzondere regelingen ter bepaling van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.
**1.** Wij behouden Ons voor op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen overleg pleegt met Onze betrokken Minister, regels vast te stellen omtrent loopbaanvorming in het algemeen en omtrent daarmede verband houdende bijzondere regelingen ter bepaling van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal.
**2.** Voor zover dit niet door Ons is geschied, kunnen deze regels en bijzondere regelingen ook worden vastgesteld door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel, passend in het door deze gecoördineerde beleid, door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur.
**2.** Voor zover dit niet door Ons is geschied, kunnen deze regels en bijzondere regelingen ook worden vastgesteld door Onze Minister van Binnenlandse Zaken dan wel, passend in het door deze gecoördineerde beleid, door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur.
## Hoofdstuk III. Bezoldiging
@ -374,9 +371,9 @@ b. onder inkomsten die in verband met zijn werkzaamheden in dat publiekrechtelij
**3.**
Voor de toepassing van het vorige lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20*d* wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende arbeidstijdpatroon zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken.
Voor de toepassing van het vorige lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20*d* wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken.
Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit, met inachtneming van de percentages en het berekeningsmaximum zoals genoemd in artikel 17 van vorengenoemd besluit, berekend over het voor de ambtenaar geldende salaris, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, ingevolge de voor hem geldende arbeidstijdpatroon gemiddeld per maand is gewerkt.
Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit, met inachtneming van de percentages en het berekeningsmaximum zoals genoemd in artikel 17 van vorengenoemd besluit, berekend over het voor de ambtenaar geldende salaris, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, ingevolge de voor hem geldende werktijdregeling gemiddeld per maand is gewerkt.
**4.** Voor de toepassing van het tweede lid en de artikelen 18 tot en met 20 en 20*d* wordt - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 18*a* van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge het voor hem geldende consignatierooster zou zijn toegekend, indien hij niet aan zijn burgerlijke betrekking zou zijn onttrokken. Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit bedrag berekend naar de berekeningsgrondslag en de percentages zoals genoemd in artikel 18*a* van vorengenoemd besluit, zulks naar de aantallen uren als bedoeld in dat artikel waarop door hem gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan hij aan zijn burgerlijke betrekking werd onttrokken, gemiddeld per maand consignatiediensten zijn verricht.
@ -386,19 +383,19 @@ Is de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk, dan wordt dit, me
**1.** De ambtenaar, die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet onverminderd het bepaalde in artikel 92 de aan zijn ambt verbonden bezoldiging voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning, met dien verstande, dat indien de ambtenaar ongehuwd is, hij slechts de aan zijn ambt verbonden bezoldiging geniet, voor zoveel 70 ten honderd daarvan meer bedraagt dan zijn militaire beloning.
**2.** Zonodig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft de ambtenaar als daar bedoeld in ieder geval de aan zijn ambt verbonden bezoldiging genieten tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het verschuldigde premieverhaal op de overheidswerknemers op grond van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet privatisering ABP.
**2.** Zonodig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft de ambtenaar als daar bedoeld in ieder geval de aan zijn ambt verbonden bezoldiging genieten tot een bedrag, dat gelijk is aan het bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
**3.** Ongehuwde enige kostwinners worden voor de toepassing van het eerste lid gelijk gesteld met gehuwden. Onze Minister, Hoofd van het betrokken departement van algemeen bestuur, beslist of een ongehuwde als enig kostwinner wordt beschouwd.
**4.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventuele aftrek wegens genot van voeding en huisvesting.
**5.** Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën stellen bij gemeenschappelijke ministeriële regeling vast hetgeen voor de toepassing van dit artikel onder militaire beloning wordt verstaan.
**5.** Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën stellen bij gemeenschappelijke ministeriële regeling vast hetgeen voor de toepassing van dit artikel onder militaire beloning wordt verstaan.
### Artikel 19
**1.** Het bepaalde in artikel 18 is eerst van toepassing, nadat de ambtenaar als militair de opleiding en oefening heeft volbracht.
**2.** De ambtenaar, die ingevolge een wettelijke verplichting voor opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet gedurende deze opleiding en oefening, de aan zijn ambt verbonden bezoldiging tot een bedrag, hetwelk gelijk is aan het verschuldigde premieverhaal op de overheidswerknemers op grond van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet privatisering ABP.
**2.** De ambtenaar, die ingevolge een wettelijke verplichting voor opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet gedurende deze opleiding en oefening, de aan zijn ambt verbonden bezoldiging tot een bedrag, hetwelk gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van ambtenaren op wie bij koninklijk besluit de artikelen 17 en 18 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
@ -438,7 +435,7 @@ b. de ambtenaar, die in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij he
c. de ambtenaar, die als militair in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het reserve-personeel der krijgsmacht;
d. de ambtenaar, die op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijke militaire of daarmede gelijk te stellen dienst is, ter zake waarvan Wij zulks hebben bepaald.
**2.** Wij behouden Ons voor met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid nadere regels te stellen.
**2.** Wij behouden Ons voor met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid nadere regelen te stellen.
### Artikel 20c
@ -446,46 +443,37 @@ Op de ambtenaar, die in tijdelijke dienst is aangesteld, zijn de bepalingen, ver
### Artikel 20d
**1.** De ambtenaar die als vrijwillige ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie in werkelijke dienst is, wordt geacht met verlof te zijn.
**1.** De ambtenaar, die op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid onder *a* of *b*, van de Rechtstoestandsregeling reservepolitie (*Stb.* 1964, 473) of van een overeenkomstige verbintenis, als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is, wordt geacht met verlof te zijn.
**2.** De in het eerste lid bedoelde ambtenaar blijft gedurende het aldaar bedoelde verlof, onverminderd het bepaalde in artikel 92, in het genot van de aan zijn ambt verbonden bezoldiging, met dien verstande, dat deze bezoldiging, indien het verlof langer dan twee weken duurt, voor de verdere duur van het verlof wordt verminderd met de beloning, waarop de ambtenaar als vrijwilliger aanspraak heeft.
**3.** De in het tweede lid bedoelde vermindering wordt slechts toegepast tot een zodanig bedrag, dat de ambtenaar in het genot blijft van een bedrag gelijk aan het verschuldigde premieverhaal op de overheidswerknemers op grond van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet privatisering ABP.
**3.** De in het tweede lid bedoelde vermindering wordt slechts toegepast tot een zodanig bedrag, dat de ambtenaar in het genot blijft van een bedrag gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
**4.** Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is niet van toepassing indien de ambtenaar de werkelijke dienst als vrijwilliger vervult tijdens aan hem verleend vakantieverlof.
**5.** Het bepaalde in artikel 20c is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 20e
Vervallen
**5.** Het bepaalde in artikel 20*c* is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk IV. Dienst- en werktijden
### Artikel 21
**1.** Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en van het bepaalde in of krachtens wetten, houdende regels tot beperking van de werktijd, stelt het bevoegd gezag voor de ambtenaar een arbeidstijdpatroon vast. Onder arbeidstijdpatroon wordt verstaan een van tevoren bekend gemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werktijden gedurende een bepaalde periode. Het in de arbeidstijdpatroon opgenomen aantal te werken uren op jaarbasis kan niet hoger zijn dan gemiddeld 40 uur per week.
**1.** Met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en van het bepaalde in of krachtens wetten, houdende regels tot beperking van de arbeidsduur, stelt het bevoegd gezag voor de ambtenaren werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde der dagelijkse werktijden. In de werktijdregeling is het aantal te werken uren, bedoeld in het derde lid, opgenomen.
**2.**
**2.** De arbeidsduur bedraagt gemiddeld ten hoogste 36 uur per week. De werktijd wordt behoorlijk door rusttijd onderbroken.
De arbeidsduur bedraagt gemiddeld ten hoogste 36 uur per week. De werktijd wordt behoorlijk door rusttijd onderbroken. De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om de arbeidsduur in hele uren vast te stellen op meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt toegewezen tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
Een aanvraag tot het vaststellen van de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur per week wordt niet toegewezen voor:
a. de ambtenaar wiens gemiddelde wekelijkse werktijd op basis van artikel 21a is teruggebracht;
b. de ambtenaar die op basis van artikel 33g betaald ouderschapsverlof geniet;
c. de ambtenaar die op basis van artikel 34 buitengewoon verlof van lange duur geniet;
d. de arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten, waarbij een verminderde arbeidsprestatie is vastgesteld.
**3.** Het aantal te werken uren per jaar bedraagt: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, genoemd in het zevende lid, onder a, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,2 en vervolgens vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
**3.** a. voor de ambtenaar met een volledige arbeidsduur bedraagt het aantal te werken uren per jaar: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, genoemd in het zevende lid, onder *a*, in dat jaar vermenigvuldigd met 7,2.
b. Voor de ambtenaar met een onvolledige arbeidsduur bedraagt het aantal te werken uren per jaar een evenredig deel van het aantal te werken uren volgens de systematiek van de onder *a* opgenomen berekeningswijze.
**4.** Het aantal te werken uren, bedoeld in het derde lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond.
**5.** Aan de ambtenaar van 55 jaar en ouder wordt niet opgedragen dienst te verrichten tussen 22.00 uur en 06.00 uur tenzij het een gedeelte van een dienst betreft die doorloopt na 22.00 uur en ten laatste eindigt om 24.00 uur.
**6.** Van het bepaalde in het vorige lid kan voor de duur van telkens ten hoogste één jaar worden afgeweken indien de ambtenaar dit heeft aangevraagd danwel zeer gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe noodzaken, mits de deskundige persoon of de arbodienst als bedoeld in hoofdstuk VI, daaromtrent een positief medisch advies heeft uitgebracht.
**6.** Van het bepaalde in het vorige lid kan voor de duur van telkens ten hoogste één jaar worden afgeweken indien de ambtenaar dit heeft aangevraagd danwel zeer gewichtige redenen van dienstbelang hiertoe noodzaken, mits de Arbo-dienst als bedoeld in hoofdstuk VI, daaromtrent een positief medisch advies heeft uitgebracht.
**7a.**
Geen dienst wordt geëist op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en op 5 mei.
**7.** a. Geen dienst wordt geëist op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en op 5 mei.
b. Van onderdeel a van dit artikellid kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en met inachtneming van het navolgende:
1. geen dienst wordt geëist op ten minste dertien zondagen per periode van zes maanden;
@ -493,22 +481,23 @@ b. Van onderdeel a van dit artikellid kan slechts worden afgeweken indien het di
c. De onderdelen a en b vinden ten aanzien van de zondag voor de ambtenaar die aan het hoofd van dienst heeft medegedeeld dat hij, in verband met zijn godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing voor die dag in plaats van ten aanzien van de zondag.
d. Op zaterdag kan dienst worden geëist, mits de belangen van de dienst daartoe aanleiding geven.
**8.** a. De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 72 uren in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren, welke rusttijd kan worden gesplitst in onafgebroken rustperioden van elk ten minste 32 uren.
b. De ambtenaar van 16 of 17 jaar heeft een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren.
**8a.**
**9.** Van het voor de ambtenaar vastgestelde arbeidstijdpatroon kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en - behoudens in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden - mits ervoor wordt gezorgd, dat de ambtenaar in of over het desbetreffende tijdvak van zeven dagen een ononderbroken rusttijd van ten minste 36 uren geniet.
De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uur, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren.
**10.** In bijzondere gevallen kan van de vaststelling van een arbeidstijdpatroon als bedoeld in het eerste lid worden afgezien. In die gevallen vindt in het tweede tot en met negende lid overeenkomstige toepassing.
b. De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uur, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren.
**11.** Indien de ambtenaar gedurende vier aaneengesloten weken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk geen dienst heeft verricht, geldt met ingang van de dag onmiddellijk aansluitend op die vier weken voor zolang wegens ziekte geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht een arbeidstijdpatroon waarin het aantal te werken uren per week gelijk is aan 36 vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor.
**9.** Van de voor de ambtenaar vastgestelde werktijdregeling kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en - behoudens in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden - mits ervoor wordt gezorgd, dat de ambtenaar in of over het desbetreffende tijdvak van zeven dagen een ononderbroken rusttijd van ten minste 36 uren geniet.
**12.** In overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan in uitzonderlijke gevallen van het bepaalde in het tweede tot en met negende lid, alsmede van het bepaalde in de tweede volzin van het tiende lid, worden afgeweken voorzover dat niet in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de Arbeidstijdenwet.
**10.** In bijzondere gevallen kan van de vaststelling van een werktijdregeling als bedoeld in het eerste lid worden afgezien. In die gevallen vindt in het tweede tot en met negende lid overeenkomstige toepassing.
**13.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd ter zake van de uitvoering van het bepaalde in dit artikel nadere regels vast te stellen.
**11.** In overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan in uitzonderlijke gevallen van het bepaalde in het tweede tot en met negende lid, alsmede van het bepaalde in de tweede volzin van het tiende lid, worden afgeweken voorzover dat niet in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de Arbeidstijdenwet.
**12.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd ter zake van de uitvoering van het bepaalde in dit artikel nadere regels vast te stellen.
### Artikel 21a
**1.** De gemiddelde wekelijkse werktijd van een ambtenaar van 57 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met 15,8%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. De ambtenaar voor wie de arbeidsduur op meer dan gemiddeld 36 uur is vastgesteld, kan een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin eerst indienen nadat op zijn aanvraag door het bevoegd gezag zijn arbeidsduur is vastgesteld op ten hoogste gemiddeld 36 uur.
**1.** De gemiddelde wekelijkse werktijd van een ambtenaar van 57 jaar en ouder die daartoe een aanvraag heeft ingediend, wordt, met behoud van zijn arbeidsduur, teruggebracht met 15,8%, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
**2.** De in het eerste lid bedoelde ambtenaar dient op het moment van de vermindering van de werktijd tenminste 5 aaneengesloten jaren in dienst te zijn van het rijk.
@ -531,7 +520,7 @@ Op het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar wordt een inhouding t
**5.** De inhouding, bedoeld in het vierde lid, wordt teruggebracht tot 70% voor zover op grond van artikel 37, eerste lid, niet meer dan 70% van de bezoldiging wordt doorbetaald.
**5.** Indien na 78 weken ziekte de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 37, derde lid, daalt naar het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt ook de inhouding, bedoeld in het vierde lid, teruggebracht tot 80%.
**6.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt omtrent de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met het salaris van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar regels vast.
@ -541,31 +530,67 @@ De ambtenaar heeft het recht om, op zijn verzoek, in deeltijd te gaan werken, te
### Artikel 21c
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket.
**1.** De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om gedurende een kalenderjaar meer uren te werken dan het aantal uren dat op grond van artikel 21, derde en vierde lid, voor hem is vastgesteld. Voor de ambtenaar die een volledige werktijd heeft, bedraagt het aantal uren dat meer gewerkt mag worden maximaal 100 uren per kalenderjaar. Voor de ambtenaar met een onvolledige werktijd geldt een in evenredigheid lager aantal uren als maximum.
**2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt door het bevoegd gezag toegewezen tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
**3.** Per meer te werken uur ontvangt de ambtenaar een vergoeding ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de krachtens artikel 21e, tweede lid, vastgestelde datum.
### Artikel 21d
Vervallen
**1.** De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om gedurende een kalenderjaar minder uren te werken dan het aantal uren dat op grond van artikel 21, derde en vierde lid, voor hem is vastgesteld. Voor de ambtenaar die een volledige werktijd heeft, bedraagt het aantal uren dat minder gewerkt mag worden maximaal 80 uren per kalenderjaar. Voor de ambtenaar met een onvolledige werktijd geldt een in evenredigheid lager aantal uren als maximum.
**2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt door het bevoegd gezag toegewezen tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
**3.** Per minder te werken uur wordt een inhouding op het salaris van de ambtenaar toegepast ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de krachtens artikel 21e, tweede lid, vastgestelde datum.
### Artikel 21e
Vervallen
**1.** De ambtenaar kan een keer per kalenderjaar een aanvraag indienen als bedoeld in de artikelen 21c en 21d.
**2.** Het bevoegd gezag stelt jaarlijks vast voor welke datum een aanvraag als bedoeld in de artikelen 21c en 21d moet worden ingediend.
**3.** Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag geheel of gedeeltelijk niet toe te wijzen voert daarover overleg met de ambtenaar.
**4.** Het bevoegd gezag geeft op of na de datum, bedoeld in het tweede lid, gelijktijdig beschikkingen af op alle voor die datum ingediende aanvragen.
**5.** Een door het bevoegd gezag toegewezen aanvraag als bedoeld in de artikelen 21c en 21d dient binnen het desbetreffende kalenderjaar te worden uitgevoerd.
**6.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bepalen dat de ambtenaar meer dan een keer per jaar een aanvraag als bedoeld in de artikelen 21c en 21d kan indienen.
### Artikel 21f
Vervallen
Artikel 21c is niet van toepassing op:
a. de ambtenaar wiens gemiddelde wekelijkse werktijd op basis van artikel 21a is teruggebracht;
b. de ambtenaar die op basis van artikel 33g betaald ouderschapsverlof geniet;
c. de ambtenaar die op basis van artikel 34 buitengewoon verlof van lange duur geniet;
d. de ambtenaar aan wie op basis van artikel 94a, derde lid, gedeeltelijk ontslag is verleend.
### Artikel 21g
Vervallen
Onze Minister kan voor de uitvoering van de artikelen 21c tot en met 21e nadere regels vaststellen.
### Artikel 21h
Vervallen
**1.**
De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om ten behoeve van vastgestelde bestedingsmogelijkheden af te zien van zijn aanspraken op:
a. een vergoeding als bedoeld in artikel 21c;
b. een vergoeding als bedoeld in artikel 22, veertiende lid;
c. een uitkering als bedoeld in artikel 20a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
d. de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 21 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
e. een aan hem toegekende eenmalige toeslag als bedoeld in artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
f. een aan hem toegekende eenmalige mobiliteitstoeslag als bedoeld in artikel 22c van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
g. een aan hem toegekende vergoeding op basis van artikel 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
h. een tegemoetkoming op basis van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel.
**2.** Bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden de in het eerste lid genoemde bestedingsmogelijkheden vastgesteld.
### Artikel 21i
Vervallen
Onze Minister stelt voor de uitvoering van artikel 21h, eerste lid, nadere regels vast.
## Hoofdstuk V. Vakantie en verlof
@ -575,7 +600,7 @@ Vervallen
**1.** De ambtenaar heeft jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van zijn volle bezoldiging.
**2.** De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen wettelijke vakantie-uren en bovenwettelijke vakantie-uren.
**2.** De aanspraak op vakantie wordt uitgedrukt in hele uren. Zo nodig vindt afronding naar boven plaats.
**3.**
@ -584,11 +609,11 @@ De omvang van de aanspraak op vakantie is afhankelijk van:
a. de leeftijd van de ambtenaar;
b. de werktijd van de ambtenaar.
**4.** Voor de ambtenaar met volledige werktijd bedraagt de aanspraak op vakantie 144 wettelijke vakantie-uren en 21,6 bovenwettelijke vakantie-uren per kalenderjaar. Onder volledige werktijd wordt verstaan een werktijd welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat.
**4.** Voor de ambtenaar met volledige werktijd bedraagt de aanspraak op vakantie 165,6 uren per kalenderjaar. Onder volledige werktijd wordt verstaan een werktijd welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat.
**5.**
De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt met bovenwettelijke vakantie-uren verhoogd volgens onderstaande tabel afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt:
De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt verhoogd volgens onderstaande tabel afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt:
| leeftijd: | verhoging: |
| --- | --- |
@ -597,73 +622,62 @@ De op grond van het vierde lid geldende aanspraak op vakantie wordt met bovenwet
| van 55 tot en met 59 jaar | 21,6 uren |
| vanaf 60 jaar | 28,8 uren. |
**6.** De ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie wordt vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Zo nodig vindt afronding naar boven op hele uren plaats.
**6.** Voor de ambtenaar met onvolledige werktijd wordt de ingevolge de leden 4 en 5 geldende aanspraak op vakantie vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige werktijd.
**7.** Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie vastgesteld naar evenredigheid van de dienst, die hij in dat jaar verricht heeft of zal verrichten.
**8.** Indien de werktijd van de ambtenaar wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over een eventueel resterend gedeelte van het desbetreffende kalenderjaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe werktijd. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de werktijd verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.
**9.** Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van het voor hem geldende arbeidstijdpatroon in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van het voor hem geldende arbeidstijdpatroon gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij volgens het arbeidstijdpatroon dienst verricht.
**9.** Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking van de voor hem geldende werktijdregeling gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij volgens de werktijdregeling dienst verricht.
**10.**
Lid 9 is niet van toepassing, indien geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:
a. genoten vakantie;
b. ziekteverlof;
b. ziekte, voor zover de verhindering tot dienstverrichting korter duurt dan 26 weken, waarbij een hervatting van de dienstverrichting gedurende vier weken of minder geen nieuwe periode van 26 weken inluidt.
c. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 33fb, derde en vierde lid;
d. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;
e. verlof verleend op basis van artikel 32a, 33, 33b, 33c, 33d, 33fa,33h of 33i van dit besluit of op basis van hoofdstuk 5, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg;
f. het minder uren werken op basis van de in artikel 21c van dit besluit bedoelde regels;
g. het zijn van een verplichte VWNW-kandidaat als bedoeld in artikel 49r, onderdeel e.
e. verlof verleend op basis van artikel 32a, 33, 33b, 33c, 33d, 33h of 33i van dit besluit;
f. het minder uren werken op basis van artikel 21d van dit besluit.
**11.** In afwijking van het tiende lid, onder b, heeft de ambtenaar gedurende de periode dat artikel 40a, eerste lid, onderdeel i, q of r, toepassing vindt, geen aanspraak op vakantie.
**11.** Met ingang van de dag dat de ambtenaar op grond van artikel 21*a* gedeeltelijk geen dienst verricht vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak.
**12.** Met ingang van de dag dat de ambtenaar op grond van artikel 21a gedeeltelijk geen dienst verricht vervalt de in het vijfde lid bedoelde verhoging van de vakantieaanspraak.
**12.** Indien het belang van de dienst zich daartegen niet verzet, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn ingevolge het vierde en vijfde lid geldende aanspraak op vakantie verlagen. Het aantal uren vakantie waarmee de aanspraak kan worden verlaagd bedraagt ten hoogste het aantal uren vakantie waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, verminderd met 144 uur indien hij een volledige werktijd heeft en verminderd met een in evenredigheid lager aantal uren indien hij een onvolledige werktijd heeft.
**13.** Het bevoegd gezag stelt vast voor welke datum aanvragen als bedoeld in het twaalfde lid kunnen worden ingediend en geeft op of na die datum gelijktijdig beschikkingen op de voor die datum ingediende aanvragen.
**14.** De ambtenaar wordt voor elk uur vakantie waarmee zijn aanspraak op vakantie overeenkomstig het twaalfde lid wordt verlaagd, een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de door het bevoegd gezag krachtens het dertiende lid vastgestelde datum.
### Artikel 23
**1.** De ambtenaar is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor zoveel de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.
**2.** Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar ieder jaar in de gelegenheid in ieder geval de wettelijke vakantie-uren op te nemen.
**2.** De ambtenaar dient in elk kalenderjaar ten minste 108 uur vakantie op te nemen waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten periode indien voor hem een volledige werktijd geldt en tot in evenredigheid lagere getallen indien voor hem een onvolledige werktijd geldt.
**3.** Het bevoegde gezag kan toestaan, dat een ambtenaar in enig kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn aanspraak tot en met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande, dat de opgenomen vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan 57,6 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar met onvolledige werktijd wordt het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane overschrijding verminderd naar evenredigheid van de werktijd. De in een kalenderjaar teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op de aanspraak op wettelijke vakantie-uren over het eerstvolgende jaar.
**3.** Het bevoegde gezag kan toestaan, dat een ambtenaar in enig kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn aanspraak tot en met het lopende jaar bedraagt, met dien verstande, dat de opgenomen vakantie de aanspraak tot en met het lopende jaar nimmer met meer dan 57,6 uren mag overschrijden. Voor de ambtenaar met onvolledige werktijd wordt het in de vorige volzin bedoelde aantal uren van de maximaal toegestane overschrijding verminderd naar evenredigheid van de werktijd. De in een kalenderjaar teveel genoten vakantie wordt in mindering gebracht op de aanspraak op vakantie over het eerstvolgende jaar.
**4.** De ambtenaar meldt het voornemen vakantie op te nemen ruimschoots van tevoren.
**5.** Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten, is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen, terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten.
**5.** Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten, is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen, terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten. De vorige volzin geldt in geval van ziekte of ongeval alleen indien de ambtenaar ten genoege van het bevoegd gezag die ziekte of dat ongeval aantoont.
**6.** Wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken, kan het bevoegde gezag aan de ambtenaar verleende toestemming vakantie op te nemen intrekken, zowel vóór als tijdens de vakantie. Indien de ambtenaar ten gevolge van het intrekken van de toestemming vakantie op te nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.
**7.** Indien een ambtenaar verlof geniet als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder c, is het hem toegestaan het opnemen van vakantie niet voort te zetten. Indien het bevoegd gezag hier om verzoekt, dient de ambtenaar de ziekte of het ongeval aan te tonen.
**7.** Niet-opgenomen vakantie, waaronder eventuele van vorige jaren overgeboekte vakantie, wordt naar het volgende kalenderjaar overgeboekt tot een maximum van de aanspraak van de ambtenaar over een vol kalenderjaar berekend volgens artikel 22, verminderd met de in het tweede lid van dit artikel bedoelde vakantie.
### Artikel 23a
**1.** De aanspraak op wettelijke vakantie-uren vervalt na verloop van één jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.
**2.** Indien de ambtenaar redelijkerwijs niet in staat is geweest de wettelijke vakantie-uren binnen de in het eerste lid genoemde termijn op te nemen, staat het bevoegd gezag toe dat van het eerste lid wordt afgeweken. In dit geval vervalt de aanspraak alsnog na verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.
**3.** De aanspraak op bovenwettelijke vakantie-uren vervalt na verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin deze aanspraak is ontstaan.
### Artikel 23b
**1.** Tenzij het belang van de dienst zich daartegen verzet, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op bovenwettelijke vakantie-uren van dat kalenderjaar verlagen.
**2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt voor 1 november van het lopende kalenderjaar ingediend.
**3.** De ambtenaar wordt een vergoeding toegekend voor elk uur waarmee zijn aanspraak op bovenwettelijke vakantie-uren overeenkomstig het eerste lid wordt verlaagd, ten bedrage van het salaris per uur dat hij geniet op de eerste dag van de maand waarin hij de aanvraag doet.
**8.** Het bevoegd gezag kan toestaan dat in individuele gevallen in een bepaald jaar wordt afgeweken van de overeenkomstig het zevende lid maximaal naar een volgend kalenderjaar over te boeken vakantie-aanspraken.
### Artikel 24
**1.** Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot.
**1.** Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de werktijd zoals die direct voorafgaand aan het ontslag voor de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd.
**2.** Indien op de dag van zijn ontslag blijkt, dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van het salaris per uur.
**3.** Indien de ambtenaar een aanstelling in tijdelijke dienst heeft en hij zonder onderbreking een nieuwe aanstelling binnen de rijksdienst krijgt, behoudt de ambtenaar in afwijking van het eerste lid de vakantieaanspraken die niet genoten zijn.
**3.** In geval van overgang zonder onderbreking naar een andere functie binnen de rijksdienst in de loop van een kalenderjaar kan de ambtenaar er - in zoverre in afwijking van lid 1 - voor kiezen de vakantieaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet genoten zijn, te behouden. Daarbij wordt vakantie die in het lopende kalenderjaar genoten is in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.
### Artikel 25
Ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 dan wel artikel 18a van het BBRA 1984 is - met betrekking tot de vaststelling van dat bezoldigingsdeel tijdens vakantie - artikel 17, derde lid, respectievelijk vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 dan wel artikel 18*a* van het BBRA 1984 is - met betrekking tot de vaststelling van dat bezoldigingsdeel tijdens vakantie - van artikel 17 lid 3, respectievelijk lid 4, van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 25a
@ -671,7 +685,7 @@ Vervallen
### Artikel 26
Vervallen
Onze Minister is bevoegd nadere en zonodig afwijkende regels vast te stellen.
### Artikel 27
@ -717,16 +731,12 @@ Vervallen
### Artikel 32
**1.**
Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken III en VI, geniet verlof:
a. de ambtenaar, die als militair dan wel als vrijwillige ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, in werkelijke dienst is;
b. de ambtenaar, die zich bevindt in een der omstandigheden, genoemd in artikel 20b;
a. de ambtenaar, die als militair dan wel op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid, onder *a* of *b* van de Rechtstoestandregeling reservepolitie (*Stb.* 1964, 473) of van een overeenkomstige verbintenis, als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is;
b. de ambtenaar, die zich bevindt in een der omstandigheden, genoemd in artikel 20*b*;
c. de ambtenaar, die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten.
**2.** De ambtenaar die ingevolge het eerste lid, onder c, verlof geniet, kan, onverminderd artikel 23, zevende lid, vakantie opnemen.
### Artikel 32a
**1.** Indien de Rijksdienst op een daartoe aangewezen kerkelijke of nationale, landelijk, regionaal of plaatselijk erkende feest- of gedenkdag is gesloten, geniet de desbetreffende ambtenaar verlof voor zoveel het dienstbelang niet anders vereist.
@ -752,7 +762,7 @@ b. voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, een en ander, voor zover di
**1.** Indien de ambtenaar een vaste vergoeding ontvangt uit de functie waarvoor hem het in artikel 125*c*, tweede lid, van de Ambtenarenwet bedoelde verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vaste vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd in de bedoelde functie niet te boven.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels ter uitvoering van het eerste lid vaststellen.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan nadere regels ter uitvoering van het eerste lid vaststellen.
### Artikel 33b
@ -770,10 +780,10 @@ c. voor zover betreft vergaderingen van een internationale ambtenarenorganisatie
**4.**
Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt te zamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend
Het aantal uren dat op grond van het eerste, tweede en derde lid alsmede op grond van artikel 126*b*, derde en zesde lid aan een ambtenaar mag worden verleend, bedraagt te zamen ten hoogste 240 uren per jaar, met dien verstande dat ten hoogste 320 uren worden verleend
a. aan leden van de hoofdbesturen van de centrale organisaties, genoemd in artikel 105, tweede lid onder *a* en *b*, en van organisaties, die rechtstreeks bij die centrale organisaties zijn aangesloten;
b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden van het dagelijks bestuur van de bij die centrale aangesloten organisaties;
b. aan leden van het hoofdbestuur van het Ambtenarencentrum en aan leden van het dagelijks bestuur van de bij die organisatie aangesloten centrales;
c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen, alsmede aan de bestuursleden van de sectoren en secties van die organisatie.
**5.** Het verlof bedoeld in de vorige leden, wordt slechts verleend aan ambtenaren, die lid zijn van verenigingen van ambtenaren, welke zijn aangesloten bij centrales van verenigingen van ambtenaren, die deel uitmaken van de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
@ -782,10 +792,15 @@ c. aan leden van het hoofdbestuur van de Centrale van Middelbare en Hogere Funct
### Artikel 33c
**1.**
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
a. voor het zoeken van een woning in geval van overplaatsing: ten hoogste twee dagen;
b. bij verhuizing ingeval van overplaatsing: aan hen, die een eigen huishouding hebben: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie en in zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen, die niet een eigen huishouding hebben: ten hoogste twee dagen.
b. bij verhuizing ingeval van overplaatsing: aan hen, die een eigen huishouding hebben: twee dagen, zo nodig te verlengen tot drie en in zeer bijzondere gevallen tot vier dagen en aan hen, die niet een eigen huishouding hebben: ten hoogste twee dagen;
c. bij verhuizing anders dan in geval van overplaatsing: aan hen, die een eigen huishouding hebben, eenmaal in een kalenderjaar en ten hoogste twee dagen.
**2.** Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van het eerste lid.
### Artikel 33d
@ -793,24 +808,32 @@ b. bij verhuizing ingeval van overplaatsing: aan hen, die een eigen huishouding
Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
a. bij zijn huwelijk: twee dagen;
b. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en de tweede graad: één dag;
c. bij overlijden van:
a. bij zijn ondertrouw; één dag;
b. bij zijn huwelijk: vier dagen;
c. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en de tweede graad: één dag indien dit huwelijk wordt gesloten in zijn woon- of standplaats en ten hoogste twee dagen, indien dit huwelijk wordt gesloten buiten zijn woon- of standplaats;
d. bij overlijden van:
1e. in artikel 33i, tweede lid, genoemde personen: vier dagen;
2e. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dagen, of, indien de ambtenaar is belast met de regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap dan wel van beide, ten hoogste vier dagen;
d. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste twee dagen;
e. na de bevalling van de echtgenote of degene van wie hij het kind erkent, gedurende een tijdvak van vier weken vanaf de eerste dag dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de moeder woont: twee dagen.
1°. in artikel 33i, tweede lid, genoemde personen: vier dagen;
2°. bloed- of aanverwanten in de tweede graad: twee dagen;
3°. bloed- of aanverwanten in de derde of vierde graad: ten hoogste één dag;
**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede begrepen het sluiten van een samenlevingscontract als bedoeld in artikel 4, vierde lid, of het aangaan van een geregistreerd partnerschap.
indien de ambtenaar is belast met de regeling van de lijkbezorging of van de nalatenschap dan wel van beide: ten hoogste vier dagen;
e. bij bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste twee dagen;
f. bij zijn 25-, 40-, en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum en bij 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders of grootouders: één dag.
**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huwelijk mede begrepen het sluiten van een samenlevingscontract als bedoeld in artikel 4, vierde lid of het aangaan van een geregistreerd partnerschap.
**3.** Buitengewoon verlof dat aan de ambtenaar op grond van het eerste lid wordt verleend in verband met aanverwantschap die door zijn huwelijk is ontstaan met bloedverwanten van zijn echtgenote wordt op gelijke wijze verleend aan de ambtenaar die ongehuwd samenwoont als bedoeld in artikel 4, vierde lid, of aan de ambtenaar die een geregistreerd partnerschap is aangegaan, met betrekking tot dezelfde bloedverwanten van zijn levenspartner of van zijn geregistreerde partner.
**4.** Onze Minister kan regels stellen in aanvulling op of in afwijking van de vorige leden.
### Artikel 33e
**1.** Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van volle bezoldiging, kan bovendien worden verleend in de gevallen, waarin hij, die tot verlenen van dat verlof bevoegd is verklaard, oordeelt, dat daartoe aanleiding bestaat.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd ter uitvoering van het eerste lid zo nodig nadere regels vast te stellen.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd ter uitvoering van het eerste lid zo nodig nadere regels vast te stellen.
### Artikel 33f
@ -847,87 +870,53 @@ b. in alle andere gevallen, indien de ambtenaar, alle omstandigheden in aanmerki
**1.** De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
**2.** Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging.
**2.** Gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof behoudt de vrouwelijke ambtenaar haar aanspraak op bezoldiging overeenkomstig artikel 37.
**3.** De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling, binnen zes weken is te verwachten. Dit verlof gaat uiterlijk in vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
**3.** De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een zwangerschapsverlof vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een verklaring van een arts of van een verloskundige aangevende de vermoedelijke datum van de bevalling, binnen zes weken is te verwachten. Het verlof vangt uiterlijk aan vier weken voorafgaand aan de vermoedelijke datum van de bevalling.
**4.** De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een bevallingsverlof van tien weken vanaf de dag volgend op die van de bevalling. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste zestien weken, voor zover het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte minder dan zes weken heeft bedragen.
**5.** Indien de vrouwelijke ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het tweede lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
**6.** Indien aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de vrouwelijke ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de vrouwelijke ambtenaar zou zijn toegekend indien zij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
### Artikel 33fc
**1.** De gewezen vrouwelijke ambtenaar, wier tijdstip van ingang van haar ontslag is gelegen in de periode, bedoeld in artikel 33fb, eerste lid, behoudt haar aanspraak op bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. De aanspraak eindigt na 16 weken, te rekenen vanaf de eerste dag waarop haar zwangerschapsverlof als bedoeld in artikel 33fb, derde lid, een aanvang heeft genomen.
**2.**
De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
**3.** De periode, bedoeld in het tweede lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
**4.**
De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering gedurende de periode die:
a. aanvangt op de datum van bevalling; en
b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
**5.** De artikelen 33fb, vijfde en zesde lid, 40, tweede lid, en 48a, zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 33g
**1.** De ambtenaar die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof.
**2.** De ambtenaar die blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof.
**2.** De ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op verlof. Indien de ambtenaar met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op verlof.
**3.** Geen aanspraak op verlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.
**4.** Indien de dienstbetrekking buiten Nederland wordt vervuld bestaat aanspraak op verlof tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten.
**4.** Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd. Indien de dienstbetrekking buiten Nederland wordt vervuld bestaat aanspraak op verlof tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten.
**5.** Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar per keer ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt zesentwintig maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt.
**5.** Het aantal uren verlof waarop de ambtenaar per keer ten hoogste aanspraak heeft, bedraagt een kwart van het aantal door de ambtenaar te werken uren in het kalenderjaar waarin het verlof aanvangt uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt. Indien de arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken.
**6.** De ambtenaar, wiens dienstbetrekking ten minste een jaar heeft geduurd, heeft aanspraak op 60% van zijn bezoldiging over een gedeelte van de verlofuren, bedoeld in het vijfde lid, zijnde ten hoogste dertien maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt.
**6.** Het verlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden en gelijkmatig over deze periode verdeeld. In afwijking van de eerste volzin kan de ambtenaar het bevoegd gezag verzoeken om het verlof op een andere wijze aaneengesloten te genieten of het verlof op te delen in ten hoogste drie perioden, waarbij iedere periode ten minste een maand bedraagt. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
**7.** Indien de arbeidsduur van de ambtenaar gedurende het verlof, bedoeld in het vijfde en zesde lid, wijzigt, wordt de aanspraak op het verlof opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de mate waarin de arbeidsduur is gewijzigd en de mate waarin de periode gedurende welke het verlof wordt genoten is verstreken.
**7.** Over de uren waarop de ambtenaar verlof is verleend, behoudt hij 75% van zijn bezoldiging.
**8.** De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van hetgeen hem over de genoten uren ouderschapsverlof is toegekend wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. De terugbetalingsverplichting wordt beperkt tot de laatste twaalf maanden waarin, voorafgaande aan het verlaten van de sector Rijk, ouderschapsverlof is genoten. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de sector Rijk wordt niet als ontslag beschouwd. Het bevoegd gezag kan de ambtenaar ontheffen van de in de eerste volzin bedoelde verplichting indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat naar het oordeel van het bevoegd gezag rechtvaardigen.
**8.** Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet financiering loopbaanonderbreking, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het vijfde lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
**9.**
**9.** Indien aan de in de Wet financiering loopbaanonderbreking gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het zesde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
De ambtenaar meldt het voornemen verlof op te nemen ten minste twee maanden voor het door hem gewenste tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan het tot verlening van het verlof bevoegde gezag.
Daarbij geeft de ambtenaar op:
a. de perioden waarin het verlof zal worden genoten;
b. het aantal uren verlof per periode, en
c. de spreiding van de verlofuren over de perioden.
Bij de eerste melding ten aanzien van het desbetreffende kind dient tevens opgave te worden gedaan van het totaal aantal uren dat de ambtenaar wenst op te nemen en de eventuele opdeling daarvan in perioden. Indien de ambtenaar het verlof heeft opgedeeld in meerdere perioden geldt de opgave, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, slechts voor één periode tegelijk. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging van het kind.
**10.** Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek, bedoeld in het negende lid, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
**10.** De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten verlofuren wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof ontslag wordt verleend op aanvraag dan wel niet op aanvraag op grond van aan de ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden. Ontslag op aanvraag gevolgd door een overgang binnen een maand naar een andere functie binnen de rijksdienst wordt niet als ontslag beschouwd. Het bevoegd gezag kan de ambtenaar ontheffen van de in de eerste volzin bedoelde verplichting indien er bijzondere omstandigheden zijn die dat naar het oordeel van het bevoegd gezag rechtvaardigen.
**11.**
Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van het opnemen van zwangerschaps-, bevallings- of adoptieverlof als bedoeld in de artikelen 33fb, onderscheidenlijk 33h.
De ambtenaar meldt het voornemen verlof te nemen ten minste twee maanden voor het door hem gewenste tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan het tot verlening van het verlof bevoegde gezag onder opgave van:
Het bevoegd gezag is tevens verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten.
a. de aaneengesloten periode van het verlof;
b. het aantal uren verlof per week;
c. de spreiding van de verlofuren over de week.
**12.** Het bevoegd gezag behoeft aan een aanvraag als bedoeld in het elfde lid niet met ingang van een vroeger tijdstip dan vier weken na de aanvraag gevolg te geven. In het geval het verlof met toepassing van het elfde lid, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, wordt de aanspraak op het overige deel van het verlof opgeschort.
De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
**13.** Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van de uren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof. De eerste volzin is niet van toepassing op de ambtenaar die na het verlof op grond van artikel 33d, eerste lid, onderdeel d, gedurende een periode van vier weken voor drie dagen waarop hij arbeid pleegt te verrichten gebruik maakt van zijn verlof.
**12.** Het bevoegd gezag is verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambtenaar het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag behoeft aan de aanvraag niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na de aanvraag. In het geval het verlof met toepassing van de eerste volzin, na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt de aanspraak op het overige deel van dat verlof.
**14.** Indien de aanstelling eindigt voordat het verlof volledig is genoten, reikt het bevoegd gezag de ambtenaar op diens verzoek een verklaring uit waaruit blijkt op hoeveel uren verlof de ambtenaar nog aanspraak heeft.
**13.** Het bevoegd gezag kan, na overleg met de ambtenaar, de spreiding van de uren over de week op grond van gewichtige redenen van dienstbelang wijzigen tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.
### Artikel 33h
**1.** De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind aanspraak op verlof met behoud van bezoldiging.
**2.** De aanspraak op verlof in verband met adoptie van een kind bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
**2.** De aanspraak op verlof in verband met adoptie bedraagt bij adoptie van een kind in Nederland ten hoogste drie aaneengesloten weken en bij adoptie van een kind in het buitenland ten hoogste vier aaneengesloten weken. De aanspraak bestaat gedurende een tijdvak van zestien weken vanaf de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen zoals die dag is aangeduid in een door de ambtenaar aan het bevoegd gezag overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
**3.** Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat de aanspraak op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen.
@ -937,8 +926,6 @@ Het bevoegd gezag is tevens verplicht in te stemmen met een aanvraag van de ambt
**6.** Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het vijfde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vijfde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
**7.** De bepalingen in dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de Wet arbeid en zorg.
### Artikel 33i
**1.**
@ -948,7 +935,7 @@ Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar
a. zijn echtgenote of echtgenoot;
b. een inwonend kind tot wie de ambtenaar als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van zijn echtgenote of echtgenoot;
d. een pleegkind dat blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en dat hij als pleegouder als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet verzorgt.
d. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
**2.** Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet wordt aan de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de noodzakelijke verzorging in verband met ernstige ziekte van: echtgenote, echtgenoot, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen.
@ -958,6 +945,10 @@ d. een pleegkind dat blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres wo
**5.** Het bevoegd gezag kan achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met de noodzakelijke verzorging als bedoeld in het eerste en tweede lid.
**6.** Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet arbeid en zorg, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de doorbetaling van bezoldiging als bedoeld in het eerste en tweede lid toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
**7.** Indien aan gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het zesde lid is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het zesde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
#### Paragraaf . Buitengewoon verlof van lange duur
### Artikel 34
@ -968,11 +959,13 @@ d. een pleegkind dat blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres wo
**3.** Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de ambtenaar, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een jaar.
**4.** Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een benoeming van de ambtenaar tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaren. Artikel 33b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Aan de ambtenaar die wordt uitgezonden om in de burgerlijke landsdienst van de Nederlandse Antillen of Aruba tijdelijk een betrekking te vervullen, wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, verleend op de voet van de bepalingen van het West-Indisch Detacheeringsbesluit 1930, met dien verstande dat dit verlof in afwijking van genoemd besluit ook kan worden verleend met behoud van bezoldiging.
**5.** Het bevoegd gezag biedt de ambtenaar aan wie buitengewoon verlof is verleend op grond van het eerste lid in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, dan wel van een functie als bedoeld in het vierde of vijfde lid, na afloop van het verlof een passende functie aan.
**5.** Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een benoeming van de ambtenaar tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, van een centrale of van een internationale organisatie van zodanige verenigingen, wordt hem dit niet verleend dan zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaren. Artikel 33*b*, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**6.** Een passende functie als bedoeld in het zesde lid, dient zo mogelijk ten minste gelijkwaardig te zijn aan de functie waarop het buitengewoon verlof betrekking had.
**6.** Indien de ambtenaar aan wie verlof is verleend als bedoeld in het eerste lid, met geheel of gedeeltelijk behoud van bezoldiging, gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet financiering loopbaanonderbreking, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. Indien de financiële tegemoetkoming hoger is dan hetgeen over de verlofuren wordt doorbetaald aan bezoldiging wordt de inhouding vastgesteld op het laatstbedoelde bedrag.
**7.** Indien aan de in de Wet financiering loopbaanonderbreking gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het zesde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
### Artikel 34a
@ -1002,7 +995,7 @@ Voor de toepassing van deze paragraaf is - ingeval de ambtenaar in het genot is
### Artikel 34g
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van levensloopverlof.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van verlofsparen.
## Hoofdstuk VI. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding, rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
@ -1010,35 +1003,34 @@ Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aan
### Artikel 35
In dit hoofdstuk en in hoofdstuk X wordt verstaan onder:
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
*AAOP-uitkering:* ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen als bedoeld in hoofdstuk 11 van het pensioenreglement;
*arbeidsongeschiktheid:* volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WIA of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid als bedoeld in artikel 5 van de WIA;
*arbodienst:* een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
*beroepsincident:* een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken;
*beroepsziekte:* een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
*bovenwettelijke WW-uitkering:* de uitkering, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk;
*deskundige persoon:* een deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b of c, van die wet;
*dienstongeval:* een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
*gewezen ambtenaar:* een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;
*passende arbeid:* alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
*Pensioenreglement:* het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
*Stichting Pensioenfonds ABP:* de Stichting Pensioenfonds ABP, genoemd in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
*Wet SUWI:*
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
*UWV:* het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;
*WIA:*
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
*WIA-uitkering:* een uitkering op grond van de WIA;
*WW-uitkering:* een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
*ZW:*
Ziektewet;
*ZW-uitkering:* ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de ZW;
*arbeid:* hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de ZW.
a) arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO;
b) Arbo-dienst: een deskundige dienst als bedoeld in artikel 14, derde lid, laatste volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
c) beroepsziekte: een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
d) dienstongeval: een ongeval, welke in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
e) gangbare arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO;
f) herplaatsen: het opdragen van een andere betrekking op grond van artikel 57a;
g) herplaatsingstoelage: een herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 9 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
h) invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Pensioenreglement van de Stichting ABP;
i) medisch advies: een advies van de Arbo-dienst dat ten aanzien van de ambtenaar is uitgebracht na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 36a van dit reglement;
j) gewezen ambtenaar: een ambtenaar aan wie ontslag is verleend, met ingang van de dag waarop het ontslag is ingetreden;
k) LISV: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
l) passende arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 30 van de ZW;
m) Pensioenreglement: het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
n) Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;
o. Osv 1997: de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
p. WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
q. bovenwettelijke WW-uitkering: de uitkering bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk;
r) WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
s) WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;
t) ZW: de Ziektewet;
u) ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de ZW.
v) zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de ZW.
### Artikel 35a
Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet van de Koning, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van State, het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden, dient voor Onze Minister telkens respectievelijk te worden gelezen het college van de Algemene Rekenkamer, de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet van de Koning, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de vice-president van de Raad van State, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of de voorzitter van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman en de Raad van State, dient voor Onze Minister telkens respectievelijk te worden gelezen het college van de Algemene Rekenkamer, de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de vice-president van de Raad van State.
### Paragraaf 2. Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en het medisch advies
@ -1046,7 +1038,7 @@ Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer
### Artikel 36
**1.** Onze Minister verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en de bepalingen in dit hoofdstuk.
**1.** Onze Minister verricht zijn taak met betrekking tot begeleiding van verzuim en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de bepalingen in dit hoofdstuk.
**2.** Onze Minister kan regels vaststellen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van verzuim, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.
@ -1056,7 +1048,7 @@ Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer
**5.** De ambtenaar die wegens ziekte gedurende een jaar of langer volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten mag zijn arbeid slechts hervatten, nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend.
**6.** Onze Minister verleent de toestemming, bedoeld in het vierde en vijfde lid, eerst nadat er een medisch advies is van de deskundige persoon of de arbodienst.
**6.** Onze Minister verleent de toestemming, bedoeld in het vierde en vijfde lid, eerst nadat er een medisch advies is van de Arbo-dienst.
### Artikel 36a
@ -1068,12 +1060,13 @@ a) voor zover dit noodzakelijk is om te beoordelen of de ambtenaar van 55 jaar e
b) indien Onze Minister gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;
c) indien de ambtenaar niet meer volledig geschikt is gebleken voor het verrichten van zijn arbeid;
d) ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht;
e) indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet publieke gezondheid, een nominatieve aangifteplicht geldt;
f) om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 98, derde lid, aanhef en onderdelen a en b;
g) om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag hervatten;
h) voorzover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting;
i) indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat of hij is benoemd in een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundig onderzoek is vereist als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b;
j) om bij een verzoek als bedoeld in artikel 98, negende lid, te beoordelen of de ambtenaar lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven vervullen.
e) voor zover dit noodzakelijk is ter voorbereiding van een beslissing naar aanleiding van de aanvraag om een hernieuwd onderzoek als bedoeld in artikel 36b;
f) indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekte-oorzaken, een nominatieve aangifteplicht geldt;
g) om te beoordelen of de ambtenaar, die een functie vervult als bedoeld in artikel 97, eerste lid, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven waarnemen, nadat hij de voor zijn functie vastgestelde leeftijdsgrens heeft bereikt;
h) om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 98, derde lid, aanhef en onderdelen a en b;
i) om te beoordelen of de ambtenaar die wegens ziekte volledig ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag hervatten;
j) voorzover dit voortvloeit uit enige wettelijke verplichting;
k) indien hij in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat of hij is benoemd in een functie waarvoor bij aanstelling een geneeskundig onderzoek is vereist als bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b.
**2.** Onze Minister stelt de ambtenaar buiten dienst indien na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid, blijkt dat sprake is van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de belangen van de ambtenaar, van de dienst of van bij het verrichten van de arbeid betrokken derden zich er tegen verzetten dat de ambtenaar zijn arbeid blijft verrichten. De ambtenaar wordt niet buiten dienst gesteld indien hem andere passende werkzaamheden kunnen worden opgedragen. Indien de ambtenaar buiten dienst wordt gesteld, wordt hij geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van zijn arbeid, in welk geval de overige bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn.
@ -1081,82 +1074,88 @@ j) om bij een verzoek als bedoeld in artikel 98, negende lid, te beoordelen of d
### Artikel 36b
**1.** In geval van een geschil over het wel of niet bestaan van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voorziet artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI in het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel.
**1.** Het medisch advies dat door de Arbo-dienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en artikel 36a, wordt zo spoedig mogelijk door de Arbo-dienst aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld.
**2.** Het medisch advies dat door de deskundige persoon of de arbodienst wordt uitgebracht naar aanleiding van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 36a, wordt zo spoedig mogelijk aan de ambtenaar en Onze Minister medegedeeld.
**3.** De ambtenaar of de gewezen ambtenaar kan de deskundige persoon of de arbodienst binnen drie dagen na ontvangst van het medisch advies, schriftelijk een hernieuwd onderzoek vragen indien hij het niet eens is met het medisch advies. De deskundige persoon of de arbodienst stelt Onze Minister in kennis van een ingediend verzoek om een hernieuwd onderzoek.
**4.** Zo spoedig mogelijk na ontvangst van het schriftelijk verzoek om een hernieuwd onderzoek, doch uiterlijk binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek door een commissie van drie geneeskundigen plaats.
**5.** Op verzoek van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de gelegenheid gesteld mondeling of schriftelijk zijn mening aan de commissie van drie geneeskundigen kenbaar te maken.
**2.** De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder g, Osv 1997 komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.
### Artikel 36c
**1.** De leden van de commissie bedoeld in artikel 36b, vierde en vijfde lid, worden per verzoek om een hernieuwd onderzoek aangewezen door Onze Minister. De geneeskundige die het medisch advies heeft uitgebracht waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen zitting.
**2.**
De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan:
a) de ambtenaar of de gewezen ambtenaar;
b) Onze Minister;
c) de behandelend arts, bedoeld in artikel 36b, vijfde lid.
### Artikel 36d
De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 36b, eerste lid, respectievelijk, het hernieuwd onderzoek bedoeld in het artikel 36b, derde lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.
Vervallen
### Paragraaf 3. Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid
#### Paragraaf . Aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging of een aanvullende uitkering
#### Paragraaf . Aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging, een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of een aanvullende uitkering
### Artikel 37
**1.** De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.
**1.** De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van zijn bezoldiging.
**2.** Het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt, of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien de ambtenaar buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging geniet, vangt het tijdvak aan op de dag volgend op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.
**2.** De ambtenaar die na het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, op grond van zijn dienstbetrekking aanspraak heeft op een WAO-uitkering, heeft aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.
**3.**
Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid samengeteld indien:
De bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt:
a. zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, of
b. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
**4.** In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
**5.** In afwijking van het eerste lid, heeft de ambtenaar ook na afloop van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, recht op doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij passende arbeid heeft verricht of zou hebben verricht indien die arbeid hem zou zijn aangeboden.
**6.**
De doorbetaling van de bezoldiging eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 37a, eerste lid, is herplaatst;
b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of
c. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
**7.** Het eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing op de ambtenaar die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
### Artikel 37a
**1.** De ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is verplicht een andere functie te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid.
**2.** De ambtenaar die door het UWV in het kader van de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, wordt herplaatst in een functie die passende arbeid omvat, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.
**3.**
De ambtenaar die op grond van het eerste lid is herplaatst voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 98, derde lid, onderdeel a, is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn rechtop een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 37 recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
a) gedurende een tijdvak van ten hoogste 26 weken het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering; en
b) daarna het verschil tussen 80% van zijn bezoldiging en de WAO-uitkering.
**4.**
Indien de ziekte uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, wordt veroorzaakt door een beroepsincident, heeft de ambtenaar, bedoeld in het derde lid, van wie de arbeidsongeschiktheid ten minste 35% bedraagt, nadat de termijn van twee jaar is verstreken tevens recht op een aanvullende uitkering ter grootte van het verschil tussen:
De ambtenaar geniet ook na afloop van het tijdvak van 26 weken de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering:
a. een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing vermeerderd met de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en een uit de oorspronkelijke functie voortvloeiend recht op een WIA-uitkering en een AAOP-uitkering.
a) voor zo lang hij zijn arbeid voor ten minste 45% verricht; dan wel
b) indien hij in het belang van zijn genezing door de Arbo-dienst wenselijk geachte andere arbeid verricht voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur; danwel
c) indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.
**5.**
De ambtenaar die op grond van artikel 57a, eerste lid, is herplaatst, voordat de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 98, derde lid, onderdeel a, is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn aanspraak op een aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van zijn herplaatsing vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil tussen:
a) het bedrag waarop de ambtenaar op grond van dit artikel recht zou hebben gehad indien hem geen andere betrekking zou zijn opgedragen, maar in plaats daarvan voor dezelfde arbeidsduur zijn eigen betrekking; en
b) zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval vermeerderd met een uit zijn arbeidsongeschiktheid voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, een invaliditeitspensioen of een herplaatsingstoelage.
**6.**
De ambtenaar die is herplaatst op grond van artikel 57a, eerste lid, heeft tevens aanspraak op een aanvullende uitkering nadat de termijn van twee jaar is verstreken, indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, ter grootte van het verschil tussen:
a) een percentage van zijn bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, zoals die zou zijn op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken; en
b) zijn bezoldiging na herplaatsing, in voorkomend geval vermeerderd met een uit de oorspronkelijke betrekking voortvloeiend recht op een WAO-uitkering, invaliditeitspensioen en een herplaatsingstoelage.
**7.**
Het percentage, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
| 80% of meer: | 90,02%; |
| --- | --- |
| 65 tot 80%: | 65,26%; |
| 55 tot 65%: | 54,01%; |
| 45 tot 55%: | 45,01%; |
| 35 tot 45%: | 36,01%; |
| 25 tot 35%: | 27,01%; |
| 15 tot 25%: | 18,00%. |
### Artikel 38
**1.**
De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onderdeel f, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:
a) zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, doch niet langer dan een tijdvak van ten hoogste 52 weken, aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging; en
b) indien hij na het tijdvak van 52 weken op grond van zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft op een WAO-uitkering, zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte maar niet langer dan een tijdvak van 26 weken, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen:
i) zijn laatstelijk genoten bezoldiging; en
ii) de WAO-uitkering.
**2.** De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang betrokkene ongeschikt is tot werken wegens ziekte, maar niet langer dan 52 weken, aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest.
**3.** De gewezen ambtenaar die aanspraak heeft op een WAO-uitkering ter zake van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, heeft aanspraak op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.
**4.**
De in het derde lid bedoelde aanvullende uitkering is gelijk aan het verschil tussen:
a) een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering, in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag; en
b) de aan de ambtenaar toegekende WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een hem toegekend invaliditeitspensioen en een hem toegekende herplaatsingstoelage.
**5.**
@ -1168,175 +1167,79 @@ Het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, is afhankelijk van de ma
| 55 tot 65%: | 54,01%; |
| 45 tot 55%: | 45,01%; |
| 35 tot 45%: | 36,01%; |
| 25 tot 35%: | 27,01%; |
| 15 tot 25%: | 18,00%. |
**6.**
De aanvullende uitkeringen, bedoeld in het derde en vierde lid, eindigen in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
**7.**
In zoverre in afwijking van het derde lid, bedraagt voor de ambtenaar die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, de aanvullende uitkering na de eerste 52 weken weken het verschil tussen:
a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 76a van de Ziektewet recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, vermeerderd met de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering; en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
### Artikel 37b
**1.**
De ambtenaar, bedoeld in artikel 37a, tweede lid, ontvangt bij voortdurende arbeidsongeschiktheid gedurende hoogstens vijf jaar een uitkering van 70% van het verschil tussen:
a. zijn bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering zoals die zou zijn geweest op de dag voor zijn herplaatsing indien de ambtenaar op die dag niet ongeschikt zou zijn geweest tot werken, en
b. zijn bezoldiging na herplaatsing verminderd met eventuele daarna volgende verhogingen op grond van artikel 7 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, en vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
**2.** In afwijking van het eerste lid heeft de ambtenaar die arbeidsongeschikt is geworden ten gevolge van een beroepsincident, ook nadat de termijn van vijf jaar is verstreken recht op een uitkering.
**3.**
De uitkering eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend;
b. met ingang van de dag volgend op die waarop de ambtenaar is overleden.
**4.** Bij eventuele samenloop van een recht op uitkering op grond van dit artikel en een recht op uitkering op grond van artikel 37a, derde of vierde lid, vervalt het laatstbedoelde recht.
### Artikel 38
**1.**
De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, na zijn ontslag anders dan op grond van artikel 98, eerste lid, onderdeel f, nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft:
a. zolang hij ongeschikt tot werken is wegens ziekte, maar niet langer dan een tijdvak van 52 weken, recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering;
b. zolang hij na afloop van het tijdvak, bedoeld in onderdeel a, nog ongeschikt is tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, gedurende maximaal 26 weken recht op doorbetaling van 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
**2.** De gewezen ambtenaar die binnen vier weken na het tijdstip van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft, zolang hij ongeschikt is tot werken wegens ziekte, gedurende maximaal 52 weken recht op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaande in dienst is geweest.
**3.** De gewezen ambtenaren, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben gedurende een tijdvak van 104 weken als bedoeld in artikel 23 van de WIA, recht op doorbetaling van hun laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering indien hun arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
**4.** Het tijdvak gedurende welke de gewezen ambtenaar recht heeft op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging vangt aan op de eerste dag waarop wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is of zou zijn gewerkt of het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is of zou zijn gestaakt. Indien de gewezen ambtenaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging genoot, vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aan op de dag waarop het ontslag is ingegaan.
**5.**
Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld indien:
a. zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschap- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, of een uitkering op grond van artikel 3:8 of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, of
b. zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
**6.**
De doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, eindigt in ieder geval:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
**7.** De gewezen ambtenaar die recht heeft op een WIA-uitkering ter zake van de dienstbetrekking die hij voor zijn ontslag vervulde, heeft recht op een aanvullende uitkering indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een beroepsincident.
**8.**
De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, is gelijk aan het verschil tussen:
a. een percentage van de laatstelijk genoten bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, in het jaar voorafgaande aan zijn ontslag; en
b. de aan de gewezen ambtenaar toegekende WIA-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een hem toegekende AAOP-uitkering.
**9.**
Het percentage, bedoeld in het achtste lid, onderdeel a, is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
| 80% of meer: | 90,02%; |
| --- | --- |
| 65 tot 80%: | 65,26%; |
| 55 tot 65%: | 54,01%; |
| 45 tot 55%: | 45,01%; |
| 35 tot 45%: | 36,01%; |
**10.**
De aanvullende uitkering, bedoeld in het zevende lid, eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; of
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
### Artikel 38a
**1.** De ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident.
**2.** De gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, wordt op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de gewezen ambtenaar van wie de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
**6.** De gewezen ambtenaar aan wie eervol ontslag is verleend op grond van artikel 94a, heeft slechts aanspraak op de doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voorzover deze te samen met de aanvullende uitkering bedoeld in artikel 4 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, de laatstgenoten bezoldiging niet overschrijdt.
### Artikel 39
De artikelen 37, vierde lid, 37a, derde tot en met zevende lid, 38, 38a en 69, tweede lid, zijn niet van toepassing op de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die geen overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.
**1.** De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging, een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of een aanvullende uitkering als bedoeld in de artikelen 37 en 38, indien zij geen deelnemer zijn in de zin van het Pensioenreglement.
**2.**
De ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement, heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte tijdens de duur van zijn dienstverband recht op:
a) doorbetaling van zijn bezoldiging gedurende de eerste 52 weken;
b) gedurende de daaropvolgende 26 weken een aanvulling tot zijn volle bezoldiging op een eventueel toegekende WAO-uitkering; en
c) daarna een aanvulling tot 80% van zijn volle bezoldiging op een hem eventueel toegekende WAO-uitkering.
**3.** Indien de ambtenaar, die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement, geen ZW-uitkering of WAO-uitkering kan worden toegekend tengevolge van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, wordt bedoelde uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
**4.** Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, die geen deelnemer is in de zin van het Pensioenreglement, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt bedoelde uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
### Artikel 39a
Vervallen
#### Paragraaf . Geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering
### Artikel 40
**1.**
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging:
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging of een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering:
a) indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven wordt voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte niet kan worden aangenomen;
b) indien de ambtenaar de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
c) indien de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b en blijkt dat de ambtenaar onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring van geschiktheid, de aan de desbetreffende functie verbonden werkzaamheden te verrichten, ten onrechte heeft plaatsgevonden, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
**2.** De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op betaling van loon of bezoldiging, dan wel aanspraak kan maken op een ZW-uitkering.
**2.** De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op grond van een aanvaarde andere betrekking aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn loon of bezoldiging, dan wel op een ZW-uitkering.
### Artikel 40a
**1.**
De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
a) niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
b) zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
c) de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
d) zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
e) verzuimt de deskundige persoon of de arbodienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;
f) zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen;
g) er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
h) niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;
i) weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de deskundige persoon of de arbodienst hem in staat acht, te verrichten;
j) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;
k) zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
l) weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;
m) tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
n) vóór de betaling van de bezoldiging weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de deskundige persoon of de arbodienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
o) niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;
p) zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de deskundige persoon of de arbodienst bepaalde tijdstip en in de door deze persoon of dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;
q) zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen passende arbeid te verrichten;
r) zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;
s) geen aanspraak heeft op een WIA-uitkering omdat geen aanvraag is ingediend of in verband met de toepassing van artikel 88 van de WIA;
t) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
**2.** De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.
**3.** De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.
**4.** Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging, niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.
**5.** Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging, alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.
### Artikel 40b
**1.** Het bevoegd gezag is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.
**2.** De maatregelen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op duurzame reïntegratie in de eigen arbeid of in andere passende arbeid in de sector Rijk waarvan de voor die arbeid geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die voor de ambtenaar geldt en waarbij de resterende mogelijkheden van de ambtenaar volledig worden benut. Indien na overleg tussen het bevoegd gezag en de ambtenaar vaststaat dat dergelijke arbeid niet voorhanden is, zullen de maatregelen en voorschriften zich richten op duurzame reïntegratie in andere passende arbeid, zo mogelijk binnen een van de overheidssectoren.
**3.** Zolang duurzame reïntegratie als bedoeld in het tweede lid niet mogelijk is, stelt het bevoegd gezag de ambtenaar in de gelegenheid andere passende arbeid te verrichten.
**4.** Uit hoofde van zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
**5.** De ambtenaar die van mening is dat het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, legt bij zijn verzoek tot nakoming aan het bevoegd gezag een oordeel van het UWV als bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel b, van de Wet SUWI over. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken op het verzoek en deelt daarbij mee tot welke aanpassingen in de reïntegratie-inspanningen het verzoek hem aanleiding geeft.
Vervallen
#### Paragraaf . Begin en einde van de tijdvakken van 52 en 26 weken
### Artikel 41
Vervallen
**1.**
Het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging vangt aan op de eerste dag waarop:
a) wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt;
b) het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is gestaakt;
c) wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet zou zijn gewerkt;
d) het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn gestaakt.
**2.** Het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging eindigt na 52 weken. Voor het bepalen van het einde van het tijdvak van 52 weken worden perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samengeteld, indien de perioden van ongeschiktheid elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
**3.**
Het tijdvak van 26 weken gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, vangt aan op de dag nadat het tijdvak van 52 weken is geëindigd. Het tijdvak van 26 weken eindigt na 26 weken, vermeerderd met de tijdvakken waarin de ambtenaar gerekend vanaf de eerste ziektedag:
a) zijn arbeid voor ten minste 45% heeft verricht;
b) in het belang van zijn genezing door de Arbo-dienst wenselijk geachte andere arbeid heeft verricht, voor ten minste 45% van de voor hem geldende arbeidsduur.
**4.** Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, aan op de dag volgende op die waarop het buitengewoon verlof is beëindigd.
**5.**
Indien Onze Minister de aangifte bedoeld in artikel 38, eerste lid van de ZW doet na de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd, wordt:
a) het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de doorbetaling van hun bezoldiging vermeerderd met een tijdvak ter grootte van het tijdvak tussen de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd en de dag waarop Onze Minister de aangifte heeft gedaan; en
b) het tijdvak van 26 weken gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering, verminderd met het tijdvak ter grootte van het tijdvak tussen de eerste dag nadat de ongeschiktheid tot werken dertien weken heeft geduurd en de dag waarop Onze Minister de aangifte heeft gedaan.
### Artikel 41a
@ -1346,17 +1249,102 @@ Vervallen
### Artikel 42
Vervallen
**1.**
De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 37, eerste tot en met het vierde lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a) met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 57a is herplaatst; of
b) met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of
c) met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of
d) met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
**2.**
De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 37, vijfde en zesde lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a) met ingang van de dag waarop de ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden; of
b) met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend, waaronder het ontslag op grond van artikel 98, eerste lid en aanhef, onderdeel f; of
c) met ingang van de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt; of
d) met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
**3.**
De doorbetaling van de bezoldiging en de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 38, eerste en tweede lid, eindigen na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a) met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar is herplaatst overeenkomstig artikel 57a;
b) met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt; of
c) met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
**4.**
De aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 38, derde en vierde lid, eindigt:
a) met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden; of
b) met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, of;
c) met ingang van de dag volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden.
**5.**
De aanvulling tot zijn bezoldiging, bedoeld in artikel 39, tweede lid, eindigt na ommekomst van de uitkeringsduur, maar in ieder geval:
a) met ingang van de dag waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden; of
b) met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel 57a wordt herplaatst; of
c) met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of
d) met ingang van de dag waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; of
e) met ingang van de dag volgende op die waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar is overleden.
### Paragraaf 4. Verplichtingen en sancties
### Artikel 43
Vervallen
**1.**
De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk gedurende de eerste 52 weken van ongeschiktheid tot werken, vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
a) niet binnen redelijke termijn gezondheidskundige hulp inroept;
b) zich niet gedurende het gehele verloop van de ziekte onder gezondheidskundige behandeling blijft stellen;
c) de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
d) zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
e) verzuimt de Arbo-dienst op eerste aanvraag mee te delen om welke reden hij ongeschikt is tot werken;
f) zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de Arbo-dienst om te verschijnen;
g) er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de Arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
h) niet binnen twee dagen na de aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte dit heeft gemeld bij zijn werkgever;
i) weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de Arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden;
j) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;
k) zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
l) weigert inzage te geven in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wetten;
m) tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de Arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;
n) vóór de betaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid die hij heeft in verband met het verrichten van door de Arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden;
o) niet onverwijld op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden meedeelt, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van een aan hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering;
p) zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de Arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de Arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven.
q) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.
**2.** De aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard in het geval de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de regels heeft overtreden die ter zake van afwezigheid wegens ziekte zijn vastgesteld.
**3.** De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.
**4.** Onze Minister kan op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de aanspraak op de doorbetaling van bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vervalt maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zal worden uitbetaald.
**5.** Voor zover Onze Minister van de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, geen gebruik heeft gemaakt, wordt de niet uitbetaalde bezoldiging of de niet uitbetaalde bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitbetaald, indien het in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Osv 1997, bedoelde oordeel ten gunste van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar uitvalt.
### Artikel 44
Vervallen
**1.**
De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk na de eerste 52 weken van ongeschiktheid tot werken, vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
a) zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk;
b) weigert aangeboden gangbare arbeid, waartoe de Arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden;
c) zich niet houdt aan de ten aanzien van hem geldende regels met betrekking de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verzuimbegeleiding en de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedure;
d) geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering in verband met de toepassing van artikel 25 of 28, onder a of b, van de WAO.
**2.** De ingevolge het eerste lid vervallen aanspraken herleven met ingang van het tijdstip waarop de ambtenaar of de gewezen ambtenaar alsnog gevolg geeft aan de betreffende verplichting op grond van dat lid.
**3.** Na het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de artikelen 37, 38 en 39, is op de aanspraak die de ambtenaar en de gewezen ambtenaar heeft op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, het verplichtingen- en sanctieregime van de WAO van overeenkomstige toepassing.
**4.** Indien ten aanzien van de WAO-uitkering die de ambtenaar geniet een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door Onze Minister zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast, op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de ambtenaar aanspraak heeft.
**5.** Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de WAO- uitkering voor het vaststellen van zijn aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
### Paragraaf 5. Bijzondere situaties
@ -1364,15 +1352,17 @@ Vervallen
### Artikel 45
**1.** Bij samenloop van een recht krachtens dit hoofdstuk met een ZW-uitkering, WIA-uitkering, AAOP-uitkering, WW-uitkering of bovenwettelijke WW-uitkering, dan wel een daarmee vergelijkbare uitkering, op grond van dezelfde dienstbetrekking, wordt deze uitkering in mindering gebracht op dit recht, tenzij het een recht op grond van de artikelen 47 of 48 betreft.
**1.** Bij samenloop van een aanspraak krachtens dit hoofdstuk of artikel 33fb, tweede lid, met een ZW-uitkering, een WW-uitkering of een bovenwettelijke WW-uitkering, wordt deze aanspraak verminderd met het bedrag van deze uitkeringen, tenzij het een tegemoetkoming op grond van artikel 47 of 48 betreft.
**2.** Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WIA-uitkering, de AAOP-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
**2.** Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt de ZW-uitkering, de WW-uitkering of de bovenwettelijke WW-uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
**3.** Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar recht heeft op een ZW-uitkering of een WIA-uitkering, is het verplichtingen- en sanctieregime van de ZW of de WIA van overeenkomstige toepassing op zijn recht krachtens dit hoofdstuk op grond van dezelfde dienstbetrekking.
**3.** Indien ten aanzien van de ZW-uitkering, die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door Onze Minister zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomende sanctie toegepast op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk en artikel 33fb, tweede lid, waarop de ZW-uitkering in mindering is gebracht.
**4.** De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de deskundige persoon of de arbodienst wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering in mindering gebracht, voor zover deze inkomsten tezamen met de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering of de WIA-uitkering, vermeerderd met de AAOP-uitkering, de bezoldiging vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering te boven gaan.
**4.** Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar tevens een ZW-uitkering of een WAO-uitkering ontvangt uit een dienstbetrekking buiten het gezagsbereik van Onze Minister, wordt voor de vermeerdering of vermindering van de aanspraken op grond van dit hoofdstuk of artikel 33fb, tweede lid, slechts rekening gehouden met de ZW-uitkering of de WAO-uitkering, die voortvloeit uit de dienstbetrekking bij Onze Minister.
**5.**
**5.** De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing door de Arbo-dienst wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging of de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht, voorzover deze te samen met de aanspraak op de doorbetaling van de bezoldiging of de WAO-uitkering, vermeerderd met de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, de bezoldiging te boven gaan.
**6.**
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge dit hoofdstuk recht heeft, in mindering gebracht, tenzij:
@ -1385,12 +1375,23 @@ b) de omvang van die arbeid niet is toegenomen.
**1.**
Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge artikel 33fc, het eerste, tweede of het vierde lid, toekomende uitkering:
De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die:
a) wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel
b) binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 38. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen na beëindiging van voornoemde periode respectievelijk met ingang van de eerste dag waarop zij ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen.
a) aanvangt op de 41e dag voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en
b) eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
**2.** Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het eerste lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.
**2.** De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
**3.**
De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die:
a) aanvangt op de datum van bevalling; en
b) eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
**4.** Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge het eerste of het derde lid toekomende uitkering nog wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende een tijdvak van 52 weken recht op de doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig artikel 38. De termijn van 52 weken wordt geacht aan te vangen op de eerste dag na de bevalling.
**5.** Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het vierde lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke betrekking als zij vervulde, te vervullen.
#### Paragraaf . Tegemoetkomingen in bijzondere gevallen
@ -1403,81 +1404,104 @@ In bijzondere gevallen kan aan de ambtenaar een tegemoetkoming worden toegekend
a) indien hierin niet ingevolge een andere regeling kan worden voorzien; en
b) deze kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.
### Artikel 48
**1.** Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, voortvloeit uit een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, worden hem vergoed de naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging die voor rekening van de ambtenaar blijven.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere regels vaststellen.
### Paragraaf 6. Overige bepalingen
### Artikel 48a
**1.** Het bedrag van de bezoldiging of de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 37, 37a, derde lid, en 38, en het bedrag van de eindejaarsuitkering, bedoeld in de genoemde artikelen, worden in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris respectievelijk de eindejaarsuitkering.
**1.** Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 38 en 39, wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salariswijziging.
**2.**
Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 17a, 18 of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het bedrag dat hem ingevolge zijn arbeidstijdpatroon zou zijn toegekend indien hij niet ongeschikt was geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Indien de vaststelling van het bedrag op deze wijze niet mogelijk is, dan wordt dit bedrag vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de drie kalendermaanden voorafgaande aan:
Indien de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, 18, of 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, worden die toelagen voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag, vastgesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de ambtenaar per maand aan die toelagen heeft genoten over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan:
a) de kalendermaand waarin de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; of
b) de kalendermaand waarin de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.
**3.**
Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend over de drie kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin:
Indien ook voor het overige de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin:
a) de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
b) de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen.
**4.** Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van het tweede en derde lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke betrekking.
**4.** Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van het derde lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke betrekking.
### Artikel 48b
Vervallen
**1.** De aanspraak van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt zoveel mogelijk op gelijke wijze gewijzigd als een aan hem toegekende WAO-uitkering.
## Hoofdstuk VII. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
**2.** Het eerste lid vindt geen toepassing indien de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak op een WAO-uitkering hebben wegens de ongeschiktheid tot werken voor een betrekking die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar heeft vervuld naast zijn betrekking ter zake waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar op een uitkering krachtens dit hoofdstuk aanspraak heeft, voor zover de WAO-uitkering naar de inkomsten uit die andere betrekking wordt berekend of geacht kan worden te zijn berekend.
### Artikel 49
Vervallen
**1.** De ambtenaar die aanspraak heeft op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft aanspraak op een vakantie-uitkering ter grootte van 8% van de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.
**2.** De artikelen 21 en 22 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 zijn van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk VII. Rechten en verplichtingen bij reorganisaties
### Paragraaf . Procedure rond reorganisaties
### Artikel 49a
Vervallen
**1.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan regels vaststellen omtrent de te volgen procedure bij reorganisaties en het herplaatsen van ambtenaren.
**2.** Onze Minister kan nadere procedures en regels vaststellen omtrent reorganisaties en het herplaatsen van ambtenaren.
### Paragraaf . Werkingssfeer
### Artikel 49b
Vervallen
**1.** Bij een reorganisatie zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing.
**2.**
Onder reorganisatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van een ministerie of een onderdeel daarvan, waaraan personele consequenties zijn verbonden.
b. iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman, de Raad van State of een onderdeel daarvan, waaraan personele consequenties zijn verbonden.
**3.** De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op de overgang van de ambtenaar naar een private onderneming of zelfstandig bestuursorgaan in verband met de privatisering of verzelfstandiging van het dienstonderdeel van het ministerie waarbij de ambtenaar werkzaam is, tenzij bij algemeen verbindend voorschrift anders is bepaald.
### Paragraaf . Bevoegdheden
### Artikel 49c
Vervallen
Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman en de Raad van State, dient voor Onze Minister telkens te worden gelezen het College van de Algemene Rekenkamer, de Voorziter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de Kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale Ombudsman of de Vice-President van de Raad van State.
### Artikel 49ca
Vervallen
**1.** Door of namens Onze Minister worden de centrales van verenigingen van ambtenaren tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.
**2.** Door of namens Onze Minister worden de betrokken ondernemingsraden tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.
### Paragraaf . Het aanwijzen van herplaatsingskandidaten
### Artikel 49d
Vervallen
De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, wier functie in verband met een reorganisatie is opgeheven, worden aangewezen als te herplaatsen ambtenaar, hierna te noemen: herplaatsingskandidaat.
### Artikel 49e
Vervallen
**1.** Van overtolligheid is sprake indien binnen het te reorganiseren ministerie, het Kabinet der Koningin, de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van State, of een onderdeel daarvan, meer ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies voor de betrokken ambtenaren resteren.
**2.** De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, die in verband met een reorganisatie overtollig zijn, worden aangewezen als herplaatsingskandidaat, waarbij de ambtenaar die het geringste aantal jaren in overheidsdienst heeft doorgebracht het eerst als herplaatsingskandidaat wordt aangewezen.
**3.** Voor de berekening van het aantal in overheidsdienst doorgebrachte jaren wordt mede in aanmerking genomen tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 04 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.
**4.** Onze Minister kan van de volgorde in het tweede lid afwijken indien zulks naar zijn oordeel noodzakelijk is.
### Artikel 49f
Vervallen
De ambtenaar wordt omtrent zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
### Paragraaf . Wederzijdse rechten en verplichtingen
@ -1485,520 +1509,104 @@ Vervallen
### Artikel 49g
Vervallen
**1.** Onverminderd het gestelde in artikel 96, eerste lid is Onze Minister verplicht om de ambtenaar binnen een periode van 18 maanden, te rekenen vanaf het moment dat de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat, ten minste één passende functie aan te bieden.
**2.**
Onze Minister kan de termijn als bedoeld in het eerste lid verkorten indien:
a. de herplaatsingskandidaat heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, of;
b. reeds eerder in overleg met de ambtenaar binnen de termijn kan worden vastgesteld dat er geen mogelijkheden zijn om de herplaatsingskandidaat te herplaatsen.
**3.** Onze Minister kan de termijn verlengen of opschorten, indien de omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
**4.** De ambtenaar wordt gelijktijdig met zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat geïnformeerd over de aanvang en het einde van de termijn als bedoeld in het eerste lid.
**5.** Door Onze Minister wordt de herplaatsingskandidaat geïnformeerd over het verkorten, verlengen of opschorten van de termijn als bedoeld in het tweede en het derde lid.
#### Paragraaf . - passende functie
### Artikel 49h
Vervallen
**1.** Van een passende functie als bedoeld in artikel 49*g* is sprake indien de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen danwel indien de herplaatsingskandidaat naar het oordeel van Onze Minister binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.
**2.** Bij het eerste lid geldt de beperking dat uitsluitend sprake kan zijn van een passende functie indien de voor de functie geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat.
**3.** Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat plaatsen op een functie waarvan de geldende salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die geldt voor de herplaatsingskandidaat indien er bijzondere omstandigheden zijn die zulks rechtvaardigen en indien de herplaatsingskandidaat daarmee instemt.
**4.** Bij een herplaatsing met toepassing van het derde lid zijn de artikelen 49*k*, 49*m* en 49*n* van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf . - plaatsing in een functie
### Artikel 49i
Vervallen
Onze Minister kan de naar zijn oordeel meest geschikte herplaatsingskandidaat, voor wie de functie als passend wordt aangemerkt, herplaatsen in die functie.
#### Paragraaf . - de verplichting van de herplaatsingskandidaat om mee te zoeken naar een passende functie en een passende functie te aanvaarden
### Artikel 49j
Vervallen
**1.** Onverminderd het bepaalde in artikel 49*g*, eerste lid, is de herplaatsingskandiaat verplicht al het mogelijke te doen om een passende functie te vinden.
**2.** De herplaatsingskandidaat is verplicht een passende functie te aanvaarden.
#### Paragraaf . - Om-, her- en bijscholing
### Artikel 49k
Vervallen
De herplaatsingskandidaat die slechts in een voor hem passende functie kan worden herplaatst na om-, her- of bijscholing kan hiertoe worden verplicht, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. Artikel 59, tweede lid, eerste volzin, derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
#### Paragraaf . - Sanctie
### Artikel 49l
Vervallen
**1.** De herplaatsingskandidaat die heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde verplichting, kan in verband daarmee ontslag worden verleend.
#### Paragraaf . - Voorzieningen bij verplaatsing over grote afstand
**2.** Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.
#### Paragraaf . - Financiële tegemoetkomingen
### Artikel 49m
Vervallen
**1.** De ambtenaar voor wie in verband met zijn herplaatsing of plaatsing in een passende functie de afstand tussen de woning en het werk toeneemt zonder dat hij behoeft te verhuizen, wordt voor een termijn van ten hoogste zes jaar een extra tegemoetkoming in de reiskosten toegekend.
**2.** De extra tegemoetkoming bedraagt de eerste drie jaar het verschil tussen de ingaande de eerste dag van zijn herplaatsing aan de herplaatsingskandidaat toegekende tegemoetkoming op grond van artikel 12, tweede lid, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en de tegemoetkoming die aan de herplaatsingskandidaat zou zijn toegekend op grond van artikel 12, derde lid, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en bedraagt in het vier, vijfde en zesde jaar respectievelijk 75, 50 en 25% daarvan.
**3.** Onder door Onze Minister te stellen voorwaarden kan het recht op de extra tegemoetkoming in de reiskosten op aanvraag van de herplaatsingskandidaat worden afgekocht.
### Paragraaf . Financiële voorziening bij herplaatsing over grote afstand
### Artikel 49n
Vervallen
**1.** De ambtenaar die in verband met zijn herplaatsing of plaatsing in een passende functie in opdracht van Onze Minister is verhuisd, wordt eenmalig een bedrag toegekend van € 10 890,73 bruto ter tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten.
**2.** In de gevallen waarin de ambtenaar en zijn echtgenoot beiden in aanmerking komen voor het bedrag bedoeld in het eerste lid ontvangt elk de helft daarvan.
**3.** Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt niet toegekend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren nadat de opdracht om te verhuizen is gegeven.
### Paragraaf . Stimuleringspremie
### Artikel 49o
Vervallen
Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat een premie in het vooruitzicht stellen ter grootte van maximaal drie maandsalarissen indien aan hem binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend.
### Paragraaf . Salarissuppletie
### Artikel 49p
Vervallen
**1.** De herplaatsingskandidaat aan wie eervol ontslag op zijn aanvraag is verleend wegens de aanvaarding van een functie kan, onverminderd het bepaalde in artikel 49*o*, een salarissuppletie worden toegekend indien het in de nieuwe functie genoten salaris lager is dan het salaris in de oorspronkelijke functie.
**2.** De suppletie als bedoeld in het eerste lid wordt toegekend gedurende maximaal 5 jaar en is ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het in de oorspronkelijke functie genoten salaris en het salaris in de nieuwe functie.
**3.** Onder door Onze Minister te stellen voorwaarden kan het recht op suppletie op aanvraag van de herplaatsingskandidaat worden afgekocht.
### Paragraaf . Anticiperen op een reorganisatie
### Artikel 49q
Vervallen
## Hoofdstuk VIIbis. Van werk naar werk
### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
### Artikel 49r
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, wordt verstaan onder:
a. *begeleidingstraject:* het begeleidingstraject van werk naar werk, bedoeld in artikel 49y, vijfde lid, bij de uitvoering van het VWNW-plan;
b. *commissie:* de commissie, bedoeld in artikel 49uu, eerste lid;
c. *plaats van tewerkstelling:* de plaats van tewerkstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989;
d. *reorganisatie:* iedere wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van een onderdeel van de sector Rijk, waaraan personele consequenties zijn verbonden;
e. *verplichte VWNW-kandidaat:* de ambtenaar
1°. die krachtens artikel 49w, tweede lid, als overtollig is aangewezen,
2°. van wie de functie in verband met een reorganisatie is opgeheven,
3°. ten aanzien van wie het bevoegd gezag heeft besloten dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich zal voegen in zijn verplaatsing over een aanmerkelijke afstand tengevolge van een besluit tot wijziging van de plaats van tewerkstelling;
f. *VWNW:* van werk naar werk;
g. *voorbereidende fase:* de voorbereidende fase, bedoeld in artikel 49s, eerste lid, waarin een onderdeel van de sector Rijk zich bevindt;
h. *vrijwillige VWNW-kandidaat:* de ambtenaar, die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, en aanvangt met de uitvoering van het VWNW-plan;
i. *VWNW-kandidaat:* de vrijwillige VWNW-kandidaat of de verplichte VWNW-kandidaat;
j. *VWNW-onderzoek:* het VWNW-onderzoek, bedoeld in artikel 49x;
k. *VWNW-plan:* het VWNW-plan, bedoeld in artikel 49y.
### Artikel 49s
**1.** Een voorgenomen besluit tot een belangrijke reorganisatie wordt voorafgegaan door een voorbereidende fase, onverminderd artikel 49u.
**2.**
Het bevoegd gezag besluit tot een voorbereidende fase in de volgende gevallen:
a. om te voorkomen dat op termijn ambtenaren als verplichte VWNW-kandidaten worden aangemerkt omdat hun functie wordt opgeheven,
b. om te voorkomen dat op termijn overtolligheid ontstaat binnen een door het bevoegd gezag aangewezen groep ambtenaren die een uitwisselbare functie vervullen indien het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies resteren voor de betrokken ambtenaren, of
c. bij een besluit tot wijziging van de plaats van tewerkstelling voor een door het bevoegd gezag aangewezen groep ambtenaren naar een locatie die ten opzichte van de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling is gelegen op een reisafstand van meer dan een half uur per enkele reis.
**3.** Een aangewezen groep ambtenaren als bedoeld in het tweede lid, bestaat uit ambtenaren die zijn aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en uit ambtenaren die zijn aangesteld in vaste dienst.
**4.** Het bevoegd gezag besluit wanneer de voorbereidende fase begint en eindigt. De duur van de voorbereidende fase kan door het bevoegd gezag worden verlengd of verkort.
**5.** Gedurende de voorbereidende fase neemt een aangewezen groep ambtenaren als bedoeld in het tweede lid, deel aan een VWNW-onderzoek.
### Artikel 49t
**1.** De centrales van verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 113 en artikel 118, en de betrokken ondernemingsraden worden door het bevoegd gezag tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot aanvang van een voorbereidende fase.
**2.** Voorafgaand aan een voorbereidende fase legt het bevoegd gezag een globale beschrijving van de toekomstige organisatie aan de betrokken ondernemingsraden voor teneinde hen in de gelegenheid te stellen hun zienswijze in te brengen ten aanzien van betrokken functiegroepen en de argumentatie voor de voorziene vermindering van functies.
**3.** Het bevoegd gezag legt de zienswijze van de betrokken ondernemingsraden met de globale beschrijving van de toekomstige organisatie voor aan de centrales van verenigingen van ambtenaren en stelt hen in de gelegenheid advies uit te brengen over het aanwijzen van een groep ambtenaren als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, en over de duur en over de verlenging of verkorting van de voorbereidende fase, bedoeld in het vierde lid van dat artikel. Van dit advies kan slechts gemotiveerd worden afgeweken.
**4.** Het bevoegd gezag betrekt de centrales van verenigingen van ambtenaren bij de voorlichting en begeleiding van ambtenaren tijdens de voorbereidende fase.
### Artikel 49u
**1.** In afwijking van artikel 49s, kan het bevoegd gezag afzien van een voorbereidende fase indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, nadat het bevoegd gezag de centrales van verenigingen van ambtenaren in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen.
**2.** Een geschil tussen het bevoegd gezag en de centrales van verenigingen van ambtenaren naar aanleiding van het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt door of namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst voorgelegd aan de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, bedoeld in artikel 105.
**3.** Het geschil, bedoeld in het tweede lid, wordt door of namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst of door de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel voorgelegd aan de Advies- en Arbitragecommissie, bedoeld in artikel 110g, indien hierover in het overleg geen overeenstemming is bereikt.
### Artikel 49v
**1.** Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden regels gesteld omtrent de te volgen procedure bij reorganisatie en herplaatsing van ambtenaren.
**2.** In aanvulling op het eerste lid kan Onze Minister bij regeling nadere regels stellen omtrent de te volgen procedure bij reorganisatie en herplaatsing van ambtenaren.
**3.** Indien na afloop van de voorbereidende fase sprake is van overtolligheid of van ambtenaren van wie de functie wordt opgeheven, zijn de regels omtrent de te volgen procedure bij reorganisaties en herplaatsing van ambtenaren die krachtens het eerste en tweede lid zijn vastgesteld van toepassing.
**4.** Door het bevoegd gezag worden de centrales van verenigingen van ambtenaren tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.
**5.** Door het bevoegd gezag worden de betrokken ondernemingsraden tijdig geïnformeerd over een voorgenomen besluit tot een reorganisatie.
### Artikel 49w
**1.** Van overtolligheid is sprake indien binnen het te reorganiseren onderdeel van de sector Rijk, meer ambtenaren een uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies voor de betrokken ambtenaren resteren.
**2.** De overtolligheid wordt door het bevoegd gezag vastgesteld per leeftijdsgroep binnen de categorie uitwisselbare functies. Hierbij wordt het eerst als overtollig aangewezen de ambtenaar die het geringste aantal jaren overheidswerknemer is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag van deze volgorde afwijken.
**3.** De leeftijdsgroepen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de leeftijd van 15 tot en met 24 jaar, 25 tot en met 34 jaar, 35 tot en met 44 jaar, 45 tot en met 54 jaar, en 55 jaar en ouder.
**4.** Om te bepalen tot welke leeftijdsgroep een ambtenaar behoort, stelt het bevoegd gezag een peildatum vast.
**5.** Ambtenaren van wie de aanstelling binnen 26 weken na de peildatum eindigt blijven buiten beschouwing bij het vaststellen van overtolligheid.
**6.** Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst worden nadere regels gesteld over de toepassing van dit artikel.
### Artikel 49wa
Bij plaatsing van een ambtenaar wiens functie niet is opgeheven en die niet als overtollig is aangewezen en geen vrijwillige VWNW-kandidaat is in een functie als bedoeld in artikel 57, tweede lid, geldt dat deze functie passend is, indien het maximumsalaris van de salarisschaal in de nieuwe functie ten minste gelijk is aan het maximumsalaris van de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie. Met instemming van de ambtenaar kan het bevoegd gezag afwijken van de eerste volzin.
### Artikel 49wb
**1.** Bij regeling van Onze Minister kan worden afgeweken van artikel 49cc en paragraaf 3 , indien de kenmerken van de doelgroep of de specifieke omstandigheden met betrekking tot de reorganisatie daartoe aanleiding geven.
**2.** Bij toepassing van het eerste lid worden nadere regels gesteld omtrent de kenmerken van de doelgroep en de specifieke omstandigheden met betrekking tot de reorganisatie.
**3.** Een regeling als bedoeld in het tweede lid wordt niet eerder vastgesteld dan nadat daarover overleg is gevoerd met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel als bedoeld in artikel 105.
### Paragraaf 2. Het begeleidingstraject van werk naar werk
### Artikel 49x
**1.** De ambtenaar die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, en de verplichte VWNW-kandidaat nemen deel aan een VWNW-onderzoek.
**2.** Van een VWNW-onderzoek kan gedurende de voorbereidende fase worden afgezien indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven en het bevoegd gezag en de betrokken ambtenaar die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, daarmee instemmen.
**3.** Het VWNW-onderzoek richt zich op de wensen en ontwikkelmogelijkheden van de ambtenaar die deelneemt aan het onderzoek en diens mogelijkheden voor het vinden van een passende functie in of buiten de sector Rijk.
**4.** Het VWNW-onderzoek vindt plaats onder onafhankelijke professionele begeleiding.
**5.** Naar aanleiding van het VWNW-onderzoek wordt een advies uitgebracht aan de ambtenaar en het bevoegd gezag.
**6.** Uit het advies naar aanleiding van het VWNW-onderzoek volgt welke loopbaanbegeleiding de ambtenaar nodig heeft en of scholing dan wel het tijdelijk verrichten van andere werkzaamheden nodig is.
**7.** De ambtenaar met een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b tot en met f, waarvan de aanstelling afloopt tijdens de voorbereidende fase, bedoeld in artikel 49s, eerste lid, of waarvan de aanstelling eindigt binnen 26 weken na de peildatum, bedoeld in artikel 49w, vijfde lid, kan deelnemen aan een VWNW-onderzoek. Het derde tot en met het zesde lid, zijn van toepassing.
**8.** Indien de ambtenaar of het bevoegd gezag zich niet kan vinden in het advies naar aanleiding van het VWNW-onderzoek, kan op verzoek van de ambtenaar of het bevoegd gezag binnen twee weken nadat het advies is vastgesteld, onder onafhankelijke professionele begeleiding een nieuw advies worden uitgebracht.
**9.** Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.
### Artikel 49y
**1.** Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokken ambtenaar op basis van het advies, bedoeld in artikel 49x, vijfde lid, of een nieuw advies, bedoeld artikel 49x, achtste lid, een VWNW-plan vast, tenzij de betrokken ambtenaar kenbaar heeft gemaakt dat hij daarvan afziet.
**2.** Binnen twee weken na de datum van de vaststelling van het VWNW-plan maakt de ambtenaar, die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, aan het bevoegd gezag kenbaar of hij het plan gaat uitvoeren.
**3.** Met ingang van de datum waarop de ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, aanvangt met de uitvoering van het plan, heeft hij als vrijwillige VWNW-kandidaat aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.
**4.** Het bevoegd gezag begeleidt de VWNW-kandidaat bij de uitvoering van het VWNW-plan.
**5.**
Het bevoegd gezag kan ten behoeve van het begeleidingstraject de volgende faciliteiten toekennen in het VWNW-plan:
a. de voor de uitvoering van het VWNW-plan benodigde opleiding, waarbij verlof met behoud van bezoldiging wordt verleend voor de tijd die is gemoeid met het volgen van die opleiding,
b. het tijdelijk verrichten van andere werkzaamheden of het volgen van een stage om werkervaring op te doen,
c. de voor de uitvoering van het VWNW-plan benodigde loopbaanbegeleiding en de wijze waarop daarin wordt voorzien, en
d. overige voorzieningen die voor de uitvoering van het VWNW-plan nodig zijn.
**6.** In het VWNW-plan worden naast de faciliteiten, bedoeld in het vijfde lid, het zoekbereik voor een andere functie en voor de vrijwillige VWNW-kandidaat de datum waarop de uitvoering van het VWNW-plan aanvangt, vastgelegd.
**7.** Het VWNW-plan wordt elke zes maanden geëvalueerd.
**8.** Het bevoegd gezag evalueert het VWNW-plan indien de vrijwillige VWNW-kandidaat een aangeboden passende functie weigert.
**9.** Het bevoegd gezag kan het VWNW-plan herzien indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
### Artikel 49ya
**1.** In de voorbereidende fase kan door Onze Minister worden afgeweken van artikel 49x, eerste lid, en van artikel 49y, eerste lid, indien de centrales van verenigingen van ambtenaren , bedoeld in artikel 113 en artikel 118, met die afwijking instemmen.
**2.** Indien van de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt op verzoek van de ambtenaar die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, een VWNW-onderzoek uitgevoerd alsmede een VWNW-plan opgesteld en uitgevoerd.
### Artikel 49z
**1.** De VWNW-kandidaat voert het VWNW-plan uit.
**2.** De verplichte VWNW-kandidaat is verplicht een aangeboden passende functie te aanvaarden, binnen het voor hem geldende plaatsingsbereik, bedoeld in artikel 49cc, eerste lid.
**3.** Er is sprake van een aangeboden functie indien acceptatie van de functie door de VWNW-kandidaat leidt tot plaatsing in de functie.
**4.**
Ontslag kan worden verleend aan de verplichte VWNW-kandidaat die heeft geweigerd te voldoen aan:
a. de verplichting, bedoeld in het tweede lid, of
b. een hem op grond van dit hoofdstuk opgelegde andere verplichting.
**5.** Bij ontslagverlening op grond van het vierde lid wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.
**6.** Het bevoegd gezag herziet het VWNW-plan na overleg met de vrijwillige VWNW-kandidaat die een aangeboden passende functie weigert.
### Artikel 49aa
Van een passende functie is sprake indien de VWNW-kandidaat naar het oordeel van het bevoegd gezag beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen, dan wel indien de VWNW-kandidaat naar het oordeel van het bevoegd gezag binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.
### Artikel 49bb
**1.** Het begeleidingstraject bestaat uit drie elkaar opvolgende perioden van elk zes maanden, met dien verstande dat bij een aanstelling in tijdelijke dienst het begeleidingstraject bestaat uit maximaal de resterende periode van die aanstelling.
**2.** De eerste periode van het begeleidingstraject vangt voor de verplichte VWNW-kandidaat aan met ingang van de datum van vaststelling van het VWNW-plan, met dien verstande dat voor de verplichte VWNW-kandidaat, bedoeld in artikel 49r, onderdeel e, onder 1° en 2°, het begeleidingstraject niet eerder aanvangt dan nadat hij niet meer met zijn functie wordt belast.
**3.** Voor de ambtenaar, die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, vangt het begeleidingstraject aan vanaf de datum waarop hij aanvangt met de uitvoering van het plan.
**4.** De vrijwillige VWNW-kandidaat kan nadat de voorbereidende fase is geëindigd, gebruik blijven maken van het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.
**5.** De perioden, bedoeld in het eerste lid, worden slechts opgeschort indien de VWNW-kandidaat op verzoek van het bevoegd gezag andere werkzaamheden verricht die de uitvoering van het VWNW-plan ophouden.
**6.** Voor de vrijwillige VWNW-kandidaat die verplichte VWNW-kandidaat wordt, vangt een nieuw begeleidingstraject aan, onverminderd de reeds genoten begeleiding als vrijwillige VWNW-kandidaat.
**7.** Het bevoegd gezag kan een periode als bedoeld in het eerste lid, verlengen indien ernstige persoonlijke omstandigheden bij de VWNW-kandidaat of het begeleidingstraject hiertoe aanleiding geven.
### Artikel 49cc
**1.**
Het plaatsingsbereik waarbinnen een aangeboden functie voor een verplichte VWNW-kandidaat passend is, is gedurende:
a. de eerste periode, bedoeld in artikel 49bb, eerste lid: een functie binnen de sector Rijk indien de voor de functie geldende salarisschaal ten minste gelijk is aan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de verplichte VWNW-kandidaat vervulde functie,
b. de tweede periode, bedoeld in artikel 49bb, eerste lid: een functie binnen de sector Rijk indien de voor de functie geldende salarisschaal niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de verplichte VWNW-kandidaat vervulde functie,
c. de derde periode, bedoeld in artikel 49bb, eerste lid: een dienstverband bij een bij de Stichting Pensioenfonds ABP aangesloten organisatie, indien het maximumsalaris van de voor de functie geldende salarisschaal niet lager is dan het maximumsalaris van de salarisschaal die twee schalen lager is dan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de verplichte VWNW-kandidaat vervulde functie, en het voor een verplichte VWNW-kandidaat met een aanstelling in vaste dienst een dienstverband voor onbepaalde tijd dan wel een dienstverband voor bepaalde tijd met uitzicht op een dienstverband voor onbepaalde tijd betreft.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een vrijwillige VWNW-kandidaat, met dien verstande dat de functie passend is indien het maximumsalaris van de salarisschaal in de nieuwe functie ten minste gelijk is aan het maximumsalaris van de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de vrijwillige VWNW-kandidaat vervulde functie.
**3.** Bij plaatsing van de VWNW-kandidaat in een functie waarvan de salarisschaal lager is dan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de VWNW-kandidaat vervulde functie, heeft betrokkene gedurende twee jaar recht op VWNW-begeleiding, gericht op de plaatsing in een functie met dezelfde salarisschaal als de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de VWNW-kandidaat vervulde functie.
**4.** Indien de VWNW-kandidaat daarmee instemt, kan het bevoegd gezag afwijken van het eerste tot en met het derde lid.
### Artikel 49dd
**1.** Indien de vrijwillige VWNW-kandidaat na afloop van de derde periode van het begeleidingstraject niet geplaatst is in een andere functie, vervalt zijn status als vrijwillige VWNW-kandidaat en vervalt zijn aanspraak op het begeleidingstraject en op de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.
**2.** Indien de verplichte VWNW-kandidaat na afloop van de derde periode van het begeleidingstraject niet geplaatst is in een andere functie, wordt onder onafhankelijke professionele begeleiding een individueel vervolgtraject bepaald, dat in beginsel is gericht op de aanvaarding van een andere functie door de verplichte VWNW-kandidaat.
**3.** Tijdens het vervolgtraject, bedoeld in het tweede lid, heeft de verplichte VWNW-kandidaat aanspraak op een nieuw begeleidingstraject en heeft hij aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat artikel 49cc, eerste lid, en 49gg, zesde en zevende lid niet van toepassing zijn.
### Paragraaf 3. Voorzieningen VWNW-kandidaten
### Artikel 49ee
**1.** VWNW-kandidaten hebben aanspraak op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 49ff tot en met 49ss.
**2.** Indien sprake is van een aanstelling in tijdelijke dienst geldt de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, gedurende maximaal de resterende periode van die aanstelling.
### Artikel 49ff
De VWNW-kandidaat in vaste dienst aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid heeft, indien hij binnen twee jaar na zijn indiensttreding buiten de overheid buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen, op grond van zijn ontslag als ambtenaar aanspraak op een uitkering overeenkomstig het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.
### Artikel 49gg
**1.** Aan de VWNW-kandidaat wordt een salarisgarantie gedurende twee jaar toegekend indien hij een aangeboden functie aanvaardt waarvan de berekeningsbasis lager is dan de berekeningsbasis in de laatstelijk door de VWNW-kandidaat vervulde functie.
**2.** Bij het bepalen van de hoogte van de salarisgarantie wordt bij een functie binnen de sector Rijk voor de berekeningsbasis uitgegaan van de som van het salaris op basis van artikel 5, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Bij aanvaarding van een functie buiten de sector Rijk wordt voor de berekeningsbasis uitgegaan van de aldaar geldende vaste inkomensbestanddelen.
**3.** Bij plaatsing in een functie binnen de sector Rijk wordt de salarisgarantie maandelijks uitgekeerd.
**4.** Bij aanvaarding van een functie buiten de sector Rijk wordt de volledige aanspraak op de salarisgarantie eenmalig uitgekeerd.
**5.** Na de periode van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, kan de VWNW-kandidaat jaarlijks suppletie op zijn salaris aanvragen, waarvan de hoogte wordt bepaald op grond van het tweede lid. De salarissuppletie wordt één maal per jaar uitbetaald en volgt de algemene salarisontwikkeling van de sector Rijk. Op verzoek van de VWNW-kandidaat wordt de salarissuppletie maandelijks uitgekeerd.
**6.** In afwijking van het vijfde lid is voor een VWNW-kandidaat die op de datum waarop hij de status van VWNW-kandidaat heeft gekregen een diensttijd binnen de sector Rijk heeft van korter dan vijf jaar, de maximale duur van de salarissuppletie gelijk aan de duur van de diensttijd bij de sector Rijk. Voor de berekening van de maximale duur van de suppletie wordt uitgegaan van de datum van aanvang van de nieuwe functie waarvan de berekeningsbasis lager is dan de berekeningsbasis van de laatstelijk door de VWNW-kandidaat vervulde functie.
**7.** De salarisgarantie en de salarissuppletie zijn ten hoogste gelijk aan het verschil tussen de berekeningsbasis in de laatstelijk vervulde functie en de berekeningsbasis van een functie die twee schalen lager is, met dien verstande dat indien voor de laatstelijk vervulde functie een lagere salarisschaal geldt dan die welke waarin de VWNW-kandidaat is ingedeeld, voor de berekeningsbasis uitgegaan wordt van de salarisschaal waarin de VWNW-kandidaat is ingedeeld.
**8.** In afwijking van het zesde lid, zijn de salarisgarantie en de salarissuppletie gelijk aan het verschil tussen de berekeningsbasis in de oorspronkelijke functie en de berekeningsbasis in de nieuwe functie, indien de VWNW-kandidaat heeft ingestemd met een plaatsing in een functie waarvan de salarisschaal meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die behoort bij de laatstelijk door de VWNW-kandidaat vervulde functie.
**9.** Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst kunnen nadere regels worden gesteld over de berekeningswijze van de salarisgarantie en de salarissuppletie en de wijze waarop de salarissuppletie aangevraagd wordt.
### Artikel 49hh
**1.** In afwijking van artikel 18b, eerste en derde lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bedraagt de aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, voor VWNW-kandidaten gedurende het eerste en tweede jaar 100%, het derde jaar 75%, het vierde jaar 50% en het vijfde jaar 25% van de berekeningsbasis, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, indien zijn bezoldiging als gevolg van de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk een blijvende verlaging ondergaat.
**2.** Bij de aanvaarding van een functie buiten de sector Rijk wordt de volledige aanspraak op de aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, eenmalig uitgekeerd.
**3.** Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.
### Artikel 49ii
In afwijking van artikel 12ba, tweede lid, en het bepaalde krachtens artikel 12bb van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 heeft de VWNW-kandidaat, die als gevolg van een wijziging van de plaats van tewerkstelling wordt verplaatst, gedurende twee jaar na verplaatsing recht op volledige vergoeding van de door het bevoegd gezag redelijk geachte pensionkosten.
### Artikel 49jj
**1.** Indien de reistijd van de VWNW-kandidaat voor woon-werkverkeer door een wijziging van de plaats van tewerkstelling met meer dan 15 minuten per enkele reis toeneemt, wordt deze extra reistijd, voor zover deze meer is dan 15 minuten, gedurende twee jaar als werktijd aangemerkt.
**2.** Gedurende het derde, vierde en vijfde jaar wordt respectievelijk 75%, 50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.
**3.** Voor de voormalige VWNW-kandidaat die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar anders dan op zijn aanvraag opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de extra reistijd uitgegaan van de totale toename ten opzichte van de reistijd zoals die was voor de eerste wijziging.
**4.** Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt ten opzichte van de reistijd zoals die was na de eerste wijziging, vangt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke de aanspraak bestaat, opnieuw aan.
**5.** De ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal anders dan op eigen aanvraag de plaats van tewerkstelling wijzigt en voor wie pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid, vanaf de tweede wijziging.
**6.** Voor de bepaling van de reistijd wordt uitgegaan van de route met de minste reistijd, berekend met de ANWB-routeplanner.
**7.** Bij de plaatsing in een functie binnen de sector Rijk kan het bevoegd gezag de werktijd, bedoeld in het eerste en tweede lid, vergelden tegen het voor de VWNW-kandidaat geldende salaris per uur direct voorafgaande aan de plaatsing in de nieuwe functie, indien de VWNW-kandidaat daarmee instemt.
**8.** Bij de aanvaarding van een functie buiten de sector Rijk door de VWNW-kandidaat wordt de volledige omvang van de werktijd, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, eenmalig vergolden tegen het voor hem geldende salaris per uur direct voorafgaande aan het ontslag.
**9.** De voormalige VWNW-kandidaat die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft en voor wie de plaats van tewerkstelling op zijn aanvraag wederom wijzigt, wordt de extra reistijd herberekend. Bij een afname van de reistijd wordt de reistijd die als werktijd geldt naar rato aangepast. Bij een toename van de reistijd blijft de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid ongewijzigd.
### Artikel 49kk
**1.** In afwijking van artikel 12b, eerste lid, van het Verplaatsingsbesluit 1989 heeft de voormalige VWNW-kandidaat, die na een wijziging van de plaats van tewerkstelling in verband met plaatsing op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk de nieuwe plaats van tewerkstelling doelmatig per openbaar vervoer kan bereiken, maar daar geen gebruik van maakt, gedurende een jaar aanspraak op de volledige tegemoetkoming, bedoeld in artikel 12a van dat besluit.
**2.**
Aan de voormalige VWNW-kandidaat:
a. voor wie de reiskosten voor woon- werkverkeer toenemen ten gevolge van een wijziging van de plaats van tewerkstelling in verband met plaatsing op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk,
b. die de oude en de nieuwe plaats van tewerkstelling niet of niet doelmatig kan bereiken per openbaar vervoer, en
c. voor wie de feitelijke kosten meer bedragen dan de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 12a van het Verplaatsingskostenbesluit 1989,
wordt gedurende het eerste en tweede jaar na plaatsing in de nieuwe functie een extra tegemoetkoming toegekend ter hoogte van het verschil.
**3.** Het tweede, derde en negende lid van artikel 49jj zijn van overeenkomstige toepassing.
**4.** Bij de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten de sector Rijk wordt de volledige aanspraak op de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste en tweede lid lid, eenmalig uitgekeerd.
### Artikel 49kka
**1.** De bedragen, bedoeld in de artikelen 49hh, tweede lid, 49jj, achtste lid, en artikel 49kk, tweede lid, bedragen tezamen niet meer dan€ 79.000 per 1 januari 2019: € 81.000 of niet meer dan de som van twaalf maandsalarissen verhoogd met de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, indien deze som hoger is.
**2.** Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt telkens met ingang van 1 januari bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties herzien overeenkomstig de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor het betrokken jaar, blijkens bekendmaking in de Macro-Economische Verkenningen, in het voorafgaande jaar is geraamd. Het bedrag wordt daarbij afgerond op het naaste veelvoud van € 1.000.
### Artikel 49ll
**1.** Aan de VWNW-kandidaat die in verband met zijn plaatsing in een functie in opdracht van het bevoegd gezag is verhuisd, wordt eenmalig een bedrag toegekend van € 11.637,69 ter tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten, indien de verhuizing plaatsvindt binnen twee jaar nadat de opdracht om te verhuizen is gegeven.
**2.** In de gevallen waarin de VWNW-kandidaat en zijn echtgenoot beiden in aanmerking komen voor het bedrag bedoeld in het eerste lid ontvangt elk de helft daarvan.
### Artikel 49mm
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de VWNW-kandidaat desgewenst na plaatsing in een functie binnen de sector Rijk minimaal 20% van zijn werktijd flexibel kan werken indien het aanvaarden van die functie hierdoor wordt bevorderd, tenzij de aard van de werkzaamheden zich daartegen verzet. De flexibiliteit heeft betrekking op de werktijden en de plaats waar gewerkt wordt.
### Artikel 49nn
Indien het bevoegd gezag binnen zes maanden na plaatsing in een functie binnen de sector Rijk besluit dat de VWNW-kandidaat is geplaatst in een functie die niet passend is, heeft betrokkene vanaf de dag dat hem dit besluit hem ter kennis is gebracht, aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat de perioden van het begeleidingstraject die voor de plaatsing in de nieuwe functie zijn doorlopen, in mindering worden gebracht op de periode van het nieuwe begeleidingstraject.
### Artikel 49oo
**1.** Een VWNW-kandiaat met een aanstelling in vaste dienst die buiten de sector Rijk een dienstverband voor onbepaalde tijd heeft aanvaard en die buiten zijn schuld of toedoen binnen de eerste twaalf maanden daarvan wordt ontslagen, wordt ondersteund door zijn voormalig bevoegd gezag bij het vinden van ander werk.
**2.** Een VWNW-kandidaat met een aanstelling in vaste dienst die buiten de sector Rijk een dienstverband voor bepaalde tijd heeft aanvaard met uitzicht op een dienstverband voor onbepaalde tijd en die buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen, wordt ondersteund door zijn voormalig bevoegd gezag bij het vinden van ander werk.
### Artikel 49pp
**1.** De VWNW-kandidaat heeft bij eervol ontslag aanspraak op een diensttijdgratificatie als bedoeld in artikel 79, tweede lid.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid.
### Artikel 49qq
**1.** Het bevoegd gezag legt de VWNW-kandidaat bij eervol ontslag niet de terugbetalingsverplichting, bedoeld in artikel 33g, achtste lid, en artikel 59, zesde lid, op.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die deel uitmaakt van een aangewezen groep als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, en die aan een VWNW-onderzoek heeft deelgenomen.
### Artikel 49rr
**1.**
De verplichte VWNW-kandidaat heeft een voorrangspositie op ambtenaren die geen voorrangspositie hebben bij de vervulling van vacatures:
a. binnen de sector Rijk, en
b. binnen een zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen dat geen onderdeel uitmaakt van de Staat, indien dat zelfstandig bestuursorgaan dat schriftelijk heeft verklaard.
**2.** Indien een zelfstandig bestuursorgaan de schriftelijke verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft gegeven, heeft de verplichte VWNW-kandidaat bij de vervulling van vacatures dezelfde voorrangspositie als de werknemer in dienst van dat zelfstandig bestuursorgaan die ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen met overeenkomstige toepassing van artikel 49r, onderdeel e, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement verplichte VWNW-kandidaat is.
### Artikel 49ss
**1.** Aan de verplichte VWNW-kandidaat die een functie aanvaardt bij een organisatie die niet is aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds ABP en die aanspraak heeft op een voorwaardelijke pensioenaanspraak, kent het bevoegd gezag een bijdrage toe ter hoogte van die aanspraak. Tevens kan het bevoegd gezag de verplichte VWNW-kandidaat een aanvullende bijdrage toekennen voor het in de toekomst op te bouwen pensioen.
**2.** Aan de vrijwillige VWNW-kandidaat die een functie aanvaardt bij een organisatie die niet is aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds ABP, kan het bevoegd gezag een bijdrage toekennen voor de pensioenopbouw.
**3.** De in het eerste en tweede lid bedoelde bijdrage wordt bij leven van de VWNW-kandidaat twee jaar na verlening van het ontslag uitbetaald, voor zover de ambtenaar in die periode geen aanspraak heeft gemaakt op de in artikel 49ff bedoelde voorziening van een bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid voor de sector Rijk, voor zover de ambtenaar gedurende die twee jaar niet in dienst is geweest bij een organisatie die aangesloten is bij het ABP.
### Paragraaf 4. Individuele keuzes VWNW-kandidaten
### Artikel 49tt
**1.** Aan de VWNW-kandidaat wordt op zijn aanvraag een stimuleringspremie bij ontslag toegekend, indien hij afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar die VWNW-kandidaat is geworden gedurende een voorbereidende fase in verband met een wijziging van de plaats van tewerkstelling zonder dat sprake is van een dreigende opheffing van functies of vermindering van uitwisselbare functies als bedoeld in artikel 49s, tweede lid, onder b.
**3.** De hoogte van de stimuleringspremie bedraagt één maandsalaris per rekenkundige maand. Voor de verplichte VWNW-kandidaat bedraagt de stimuleringspremie één maandsalaris per rekenkundige maand vermenigvuldigd met het aantal voor de betrokkene resterende maanden voor het begeleidingstraject gedeeld door 18.
**4.**
De rekenkundige maanden, bedoeld in het derde lid, zijn:
a. vier maanden voor VWNW-kandidaten die minder dan tien jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
b. acht maanden voor VWNW-kandidaten die tien tot twintig jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
c. twaalf maanden voor VWNW-kandidaten die twintig tot vijfentwintig jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
d. achttien maanden voor VWNW-kandidaten die vijfentwintig tot dertig jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP,
e. vierentwintig maanden voor VWNW-kandidaten die dertig of meer jaren overheidswerknemer zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.
**5.** In afwijking van het vierde lid is het aantal rekenkundige maanden het aantal hele maanden tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste en tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien dit aantal lager is dan de aantallen bedoeld in het vierde lid.
**6.** Bij het vaststellen van de teller, bedoeld in het derde lid, wordt uitgegaan van de datum waarop de VWNW-kandidaat het ontslag wil laten ingaan waarbij tussen de aanvraag en de gewenste ontslagdatum de opzegtermijn ten minste een maand bedraagt, met dien verstande dat een maand opzegtermijn niet in mindering wordt gebracht op de resterende maanden van het begeleidingstraject in de teller.
**7.** De stimuleringspremie bedraagt ten hoogste € 79.000 per 1 januari 2019: € 81.000 of niet meer dan de som van twaalf maandsalarissen verhoogd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering van de VWNW-kandidaat, indien deze som hoger is. Artikel 49kka, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
**8.**
De stimuleringspremie wordt terugbetaald indien:
a. de voormalige VWNW-kandidaat terugkeert naar een functie binnen de sector Rijk binnen het aantal maanden van zijn volgens het vierde lid vastgestelde rekenkundige periode van VWNW-begeleiding;
b. de voormalige VWNW-kandidaat vanwege ontslag op zijn aanvraag een werkloosheidsuitkering wordt toegekend ten laste van het bevoegd gezag, of
c. de voormalige VWNW-kandidaat buitengewoon verlof is verleend krachtens de in het tiende lid gestelde regels en hij na afloop van het buitengewoon verlof terugkeert naar een functie binnen de sector Rijk binnen het voor de betrokkene op grond van het vierde lid vastgestelde rekenkundige periode.
**9.** Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen regels worden gesteld over het inzetten van de stimuleringspremie ten behoeve van buitengewoon verlof , waarbij aan VWNW-kandidaten op hun verzoek buitengewoon verlof wordt verleend.
**10.** In aanvulling op het negende lid bepaalt Onze Minister bij regeling of van de mogelijkheid tot het inzetten van de stimuleringspremie ten behoeve van buitengewoon verlof, waarbij aan VWNW-kandidaten op hun verzoek buitengewoon verlof wordt verleend gebruik kan worden gemaakt.
### Paragraaf 5. De rijksbrede commissie
### Artikel 49uu
**1.** Er is een rijksbrede commissie VWNW-beleid.
**2.**
De commissie, bedoeld in het eerste lid, heeft tot taak:
a. op verzoek van het bevoegd gezag of op verzoek van de ambtenaar die het betreft het bevoegd gezag te adviseren over het advies naar aanleiding van een VWNW-onderzoek nadat een nieuw advies is uitgebracht als bedoeld in artikel 49x, achtste lid,
b. het bevoegd gezag te adviseren over de te nemen beslissing op een bezwaarschrift tegen een besluit als bedoeld in artikel 49y, vijfde lid, inzake toekenning van faciliteiten in het VWNW-plan,
c. het bevoegd gezag te adviseren over de te nemen beslissing op een bezwaarschrift tegen een besluit als bedoeld in artikel 49bb, zevende lid, om een periode van het begeleidingstraject niet te verlengen,
d. het bevoegd gezag te adviseren over de afhandeling van een klacht over gedragingen van het bevoegd gezag in het kader van het VWNW-begeleidingstraject,
e. op verzoek van het bevoegd gezag of op verzoek van de verplichte VWNW-kandidaat die het betreft het bevoegd gezag te adviseren over een geschil over een voorgenomen besluit inzake het vervolgtraject, bedoeld in artikel 49dd, tweede lid.
**3.** De commissie spant zich in haar advies uiterlijk vier weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het tweede lid, onder a of e, uit te brengen.
**4.** Het bevoegd gezag kan van het advies, bedoeld in het tweede lid, onder a of e, slechts gemotiveerd afwijken.
**5.** De commissie brengt jaarlijks verslag uit van haar werkzaamheden aan het overleg van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
**6.** Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst worden regels gesteld met betrekking tot de benoeming van de leden en de werkwijze van de commissie.
### Paragraaf 6. Slotbepalingen
### Artikel 49vv
**1.** Indien een onderdeel van de sector Rijk wordt geprivatiseerd of verzelfstandigd dan wel de werkzaamheden van dat onderdeel worden uitbesteed of overgedragen aan andere overheden buiten de sector Rijk, wordt een sociaal plan opgesteld.
**2.** De betrokken ambtenaren gaan overeenkomstig het bepaalde in het sociaal plan over naar de private onderneming, het zelfstandig bestuursorgaan of de andere overheden buiten de sector Rijk. Aan hen wordt eervol ontslag verleend.
**3.** De betrokken ambtenaar die op basis van het sociaal plan niet kan overgaan naar de private onderneming, het zelfstandig bestuursorgaan of de andere overheden buiten de sector Rijk, wordt verplichte VWNW-kandidaat.
**4.** De ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd of die is aangesteld in vaste dienst, heeft een terugkeergarantie gedurende een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf het moment van overgang naar de private onderneming, het zelfstandig bestuursorgaan of een overheid buiten de sector Rijk.
**5.** De ambtenaar die gebruik maakt van de terugkeergarantie, bedoeld in het vierde lid, kan na terugkeer zonder herplaatsing maximaal twaalf maanden in dienst blijven. Tijdens deze periode zijn de paragrafen 2 tot en met 6 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar, met dien verstande dat de artikelen 49cc, eerste lid, onderdelen a en b, en 49dd, tweede en derde lid, niet van toepassing zijn.
**6.** De ambtenaar die aangesteld was in vaste dienst en die gebruik maakt van de terugkeergarantie, bedoeld in het vierde lid, wordt eervol ontslagen indien hij twaalf maanden na terugkeer niet kan worden herplaatst.
### Artikel 49ww
Vervallen
### Artikel 49xx
Het bevoegd gezag kan de aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit hoofdstuk toekennen aan een andere ambtenaar voor zover daarmee de plaatsing van een VWNW-kandidaat wordt gerealiseerd of hiermee een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een taakstelling.
### Artikel 49yy
Vervallen
### Artikel 49zz
De artikelen 49jj, eerste tot en met het zevende lid, 49kk, eerste lid, en artikel 49ll zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar van wie de plaats van tewerkstelling wijzigt vanwege een wijziging van de locatie van zijn organisatie.
### Artikel 49aaa
Het bevoegd gezag kan afwijken van de bepalingen in dit hoofdstuk voor zover toepassing gelet op het belang dat deze bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de ambtenaar.
Onze Minister kan de artikelen 49*j*, tweede lid, 49*k*, 49*m*, 49*n* en 49*p* toepassen op de ambtenaar wiens functie binnen afzienbare tijd wordt opgeheven of die als overtollig zal worden aangemerkt.
## Hoofdstuk VIIa. Overige rechten en verplichtingen van den ambtenaar
@ -2016,7 +1624,7 @@ Het bevoegd gezag kan afwijken van de bepalingen in dit hoofdstuk voor zover toe
**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte.
**3.** Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt het formulier vastgesteld dat wordt gebruikt voor het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte.
**3.** Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken wordt het formulier vastgesteld dat wordt gebruikt voor het afleggen door de ambtenaar van de eed of de belofte.
### Artikel 52
@ -2046,7 +1654,12 @@ Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht da
**1.** De ambtenaar kan op zijn aanvraag een andere functie worden opgedragen.
**2.** Wanneer het belang van de dienst zulks vordert, is de ambtenaar verplicht een andere passende functie als bedoeld in artikel 49aa, te aanvaarden.
**2.**
Wanneer het belang van de dienst zulks vordert, is de ambtenaar verplicht, een andere passende functie te aanvaarden:
a. overeenkomstig het bepaalde in artikel 49*h* indien het gaat om een verplaatsing in het kader van een reorganisatie, en;
b. overeenkomstig het bepaalde in artikel 49*h*, eerste lid in de overige gevallen.
**3.** Het opdragen van een andere functie aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, vindt plaats door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister.
@ -2054,7 +1667,13 @@ Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht da
### Artikel 57a
Vervallen
**1.** De ambtenaar, die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte kan een andere betrekking worden opgedragen.
**2.** Gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden betrekking te aanvaarden indien sprake is van passende arbeid als bedoeld in artikel 35, onderdeel l.
**3.** Gedurende het tweede jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is hij verplicht een hem aangeboden betrekking te aanvaarden indien sprake is van gangbare arbeid als bedoeld in artikel 35, onderdeel e. Deze verplichting geldt eveneens na afloop van het tweede jaar.
**4.** Dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing indien aan de ambtenaar de eigen betrekking wordt opgedragen onder andere voorwaarden.
### Artikel 57b
@ -2062,7 +1681,7 @@ Vervallen
**2.** De inhouding is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten bij inpassing in de bij de nieuwe functie behorende salarisschaal op hetzelfde salarisnummer. Indien dit salarisnummer in laatstbedoelde salarisschaal niet voorkomt, geschiedt de inpassing op het naastlagere salarisnummer.
**3.** Indien na 52 weken ziekte de doorbetaling van de bezoldiging op grond van artikel 37, eerste lid, wordt teruggebracht tot 70%, wordt de inhouding over die uren opgeschort voor de duur van de ziekte.
**3.** Indien na 78 weken ziekte de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 37, derde lid, daalt naar het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt de inhouding opgeschort voor de duur van de ziekte.
**4.** In bijzondere gevallen kan Onze Minister geheel of gedeeltelijk van de inhouding afzien.
@ -2078,96 +1697,51 @@ Vervallen
### Artikel 58a
**1.** De ambtenaar die door het bevoegd gezag is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.
**1.** De ambtenaar die door het bevoegd gezag is aangewezen als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en die naast zijn normale werkzaamheden de bedrijfshulpverleningstaken naar behoren heeft uitgevoerd, ontvangt een toelage.
**2.**
**2.** De toelage wordt bepaald volgens door Onze Minister vast te stellen regels en bedraagt tenminste € 158,82 per jaar.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per jaar:
**3.** De vast te stellen regels bevatten in ieder geval de criteria die gehanteerd worden bij de toekenning van een bedrijfshulpverleningstoelage.
a. voor de basisbedrijfshulpverlener: € 246,38;
b. voor de allroundbedrijfshulpverlener: € 492,74;
c. voor de bedrijfshulpverlener die door het bevoegd gezag is aangewezen om leidinggevende taken met betrekking tot bedrijfshulpverlening uit te oefenen: € 739,12.
**3.** De aanspraak op de vergoeding wordt berekend naar het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van het jaar waarin betrokkene bedrijfshulpverlener was. De vergoeding voor een gedeelte van een jaar wordt berekend naar evenredigheid van het aantal hele maanden dat de aanwijzing tot bedrijfshulpverlener heeft geduurd.
**4.**
De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, ontvangt vijf jaar na diens aanwijzing tot bedrijfshulpverlener en vervolgens elke vijf jaar daarna zolang de aanwijzing duurt, een jubileumtoeslag ten bedrage van:
a. € 403,16 na vijf jaar;
b. € 492,74 na tien jaar;
c. € 587,94 na vijftien jaar en na elke vijf jaar daaropvolgend.
**5.** In afwijking van artikel 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 worden taken in het kader van de bedrijfshulpverlening die in opdracht van het bevoegd gezag als overwerk worden verricht, vergoed voor alle aangewezen ambtenaren en uitsluitend met een bedrag in geld, met dien verstande dat voor elk uur overwerk een vergoeding wordt toegekend ten bedrage van 125% van het salaris per uur, behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.
**6.** Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst past de bedragen, bedoeld in het tweede en vierde lid, aan overeenkomstig de algemene salarisontwikkeling van het rijkspersoneel.
### Artikel 58b
**1.** Het bevoegd gezag breidt de formatie van de organisatorische eenheid waar de ambtenaar die lid is van de ondernemingsraad werkzaam is, uit met de tijd die met toepassing van de artikelen 17 en 18 van de Wet op de ondernemingsraden voor die ambtenaar is vastgesteld, voor zover dit noodzakelijk is om gedurende de periode van het lidmaatschap de door de organisatorische eenheid te verrichten werkzaamheden te realiseren.
**2.** De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, heeft op zijn aanvraag voor de resterende duur van zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad recht op uitbreiding van zijn arbeidsduur met het aantal uren waarmee het bevoegd gezag vanwege dat lidmaatschap op grond van het eerste lid de formatie heeft uitgebreid. Artikel 21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin wordt niet toegewezen zolang de ambtenaar geheel of gedeeltelijk ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
**4.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan het in het tweede lid genoemde bedrag aanpassen overeenkomstig de algemene salarisontwikkeling van het rijkspersoneel.
### Artikel 59
**1.** De ambtenaar kan in het belang van de rijksdienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Bij het opleggen van de verplichting tot het volgen van scholing worden studiefaciliteiten toegekend.
**1.** De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
**2.** De ambtenaar die is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, en die een studie volgt of gaat volgen die aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken dan wel het kunnen plaatsen in een andere functie worden studiefaciliteiten toegekend.
**2.** Aan de ambtenaar, die op grond van het eerste lid is verplicht om scholing te volgen, wordt een volledige vergoeding van de noodzakelijk te maken scholingskosten toegekend. Onze Minister kan in bijzondere gevallen afwijken van de vorige volzin.
**3.**
**3.** Aan de ambtenaar, die op grond van het eerste lid is verplicht om scholing te volgen, kan scholingsverlof met behoud van bezoldiging worden verleend.
De in het eerste en tweede lid bedoelde faciliteiten zijn:
**4.** Indien de ambtenaar aan wie scholingsverlof als bedoeld in het derde lid is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet financiering loopbaanonderbreking, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming. Indien de financiële tegemoetkoming hoger is dan hetgeen over de verlofuren wordt doorbetaald aan bezoldiging wordt de inhouding vastgesteld op het laatstbedoelde bedrag.
a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;
b. 100% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met:
1° het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding;
2° contacturen die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding;
3° zelfstudie van maximaal een dag per week, en
4° het afleggen van examens.
**4.**
Aan de ambtenaar, niet zijnde de ambtenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, die een studie volgt of gaat volgen die naar het oordeel van het bevoegd gezag aantoonbaar bijdraagt aan het realiseren van vastgelegde loopbaanafspraken worden de volgende studiefaciliteiten toegekend:
a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten;
b. 50% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met:
1° het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding;
2° contacturen die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding;
3° zelfstudie van maximaal een dag per week, en
4° het afleggen van examens.
**5.**
Aan de niet in het eerste tot en met vierde lid bedoelde ambtenaar die een studie volgt of gaat volgen, kan het bevoegd gezag de volgende studiefaciliteiten toekennen:
a. een vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten tot ten hoogste 50% van deze scholingskosten;
b. ten hoogste 25% verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding, en het afleggen van examens.
**5.** Indien aan de in de Wet financiering loopbaanonderbreking gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het vierde lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
**6.**
De ambtenaar kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten:
De ambtenaar, die op grond van het eerste lid is verplicht om scholing te volgen, kan worden verplicht tot terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten:
a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten;
b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een termijn van ten hoogste drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.
b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en in bijzondere gevallen bij ontslag binnen een termijn van maximaal drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de Rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.
**7.** De verplichting tot terugbetaling wordt niet opgelegd aan de ambtenaar die binnen de in artikel 49g bedoelde termijn nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e, op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend wegens de aanvaarding van een functie buiten de rijksdienst.
**8.** Het bevoegd gezag kan toestaan dat het verlof voor zelfstudie, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onder 3°, en vierde lid, onderdeel b, onder 3°, geldt voor meer dan maximaal een dag per week.
**9.**
Op reizen en verblijf en de vergoeding van de daaruit voortvloeiende kosten, die de ambtenaar in het kader van scholing als bedoeld in het eerste, tweede of vierde lid maakt, is het bepaalde bij of krachtens het Reisbesluit binnenland of het Reisbesluit buitenland van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. in afwijking van artikel 6, tweede lid, van het Reisbesluit binnenland de vergoeding van kosten, voor zover binnen Nederland met de trein wordt gereisd, gelijk is aan de gemaakte kosten op basis van het tarief van de tweede klasse, en;
b. Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst, voor zover het reizen betreft waarvan het beginpunt of het eindpunt buiten Nederland ligt, kan afwijken van het krachtens artikel 6, vierde lid, van het Reisbesluit buitenland bepaalde.
**10.** In deze bepaling wordt onder scholingskosten verstaan de kosten voor de door de onderwijsinstelling verplicht gestelde onderwijsmiddelen, les- en examengelden en verplicht gestelde excursies of studiereizen.
**7.** Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld.
### Artikel 60
Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gesteld om ambtenaren die werkzaam zijn in een substantieel bezwarende functie als bedoeld in artikel 94b, eerste lid, te stimuleren na verloop van tijd de overstap te maken naar een niet substantieel bezwarende functie.
**1.** Aan de ambtenaar die op eigen initiatief scholing gaat volgen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van de noodzakelijk te maken scholingskosten worden toegekend of scholingsverlof met behoud van bezoldiging worden verleend, indien het belang van de dienst bij het volgen van de scholing is gebaat.
**2.** Indien de ambtenaar aan wie scholingsverlof als bedoeld in het eerste lid is verleend gedurende dat verlof of gedurende een bepaalde periode van dat verlof tevens recht heeft op een financiële tegemoetkoming op basis van de Wet financiering loopbaanonderbreking, wordt gedurende de periode waarin sprake is van samenloop een inhouding op de bezoldiging toegepast welke overeenkomt met het bedrag van bedoelde financiële tegemoetkoming.
**3.** Indien aan de in de Wet financiering loopbaanonderbreking gestelde voorwaarden voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming is voldaan maar geen financiële tegemoetkoming is toegekend omdat de ambtenaar geen aanvraag heeft ingediend, past het bevoegd gezag het tweede lid op overeenkomstige wijze toe. In dat geval wordt rekening gehouden met de financiële tegemoetkoming die aan de ambtenaar zou zijn toegekend indien hij wel een aanvraag zou hebben ingediend.
**4.**
De ambtenaar, aan wie op grond van het eerste lid een vergoeding van scholingskosten is toegekend, kan worden verplicht tot terugbetaling van die vergoeding:
a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten;
b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing en bij ontslag binnen een termijn van maximaal drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de ambtenaar binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de Rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van dit artikel nadere regels worden gesteld.
### Artikel 61
@ -2175,21 +1749,7 @@ Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kun
**2.** Onze Minister voert een registratie op basis van de op grond van het eerste lid gedane opgaven.
**3.** De door de leden van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, juncto artikel 7, vierde lid, en door de directeur-generaal Algemene Bestuursdienst gemelde nevenwerkzaamheden worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel door Onze Minister aan het verrichten van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.
**4.** Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels omtrent dit verbod worden gesteld.
### Artikel 61a
**1.** Onze Minister wijst de ambtenaren aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen ambtenaar meldt financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.
**2.** Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
**3.** De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.
**4.** Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
**3.** Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels omtrent dit verbod worden gesteld.
### Artikel 62
@ -2248,66 +1808,19 @@ e. de wijze waarop het overleg met de vertegenwoordigers van het personeel wordt
**1.** De ambtenaar heeft recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten ter zake van dienstreizen.
**2.** Deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de daarvoor gestelde regels.
### Artikel 68a
**1.** De ambtenaar die een functie als bedoeld in het derde lid uitoefent of ten minste drie maanden waarneemt, ontvangt een maandelijkse tegemoetkoming in verband met representatiekosten.
**2.**
In deze bepaling wordt onder representatiekosten verstaan de door de ambtenaar gemaakte of te maken kosten in verband met de eisen die de uitoefening van de functie stelt ten aanzien van het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten, waaronder worden begrepen de kosten in verband met:
a. huur of aanschaf van kleding en schoeisel of andere persoonlijke attributen;
b. aanpassing en inrichting van de eigen woning;
c. persoonlijke verzorging;
d. contributies en lidmaatschappen;
e. ontvangsten van bescheiden omvang in de eigen woning;
f. het aanbieden van lunches, diners en overige consumpties, persoonlijke attenties en geschenken, en
g. fooien.
**3.**
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, bedraagt:
a. voor een functie die is vastgesteld op grond van de regeling, bedoeld in artikel 7, vierde lid: € 541,36 per 1 januari 2019: € 560,48..
b. voor het structurele plaatsvervangerschap van een functie als bedoeld onder a: 75% van het onder a genoemde bedrag;
c. voor de functie van directeur of daarmee door het bevoegd gezag voor de toepassing van dit artikel gelijk te stellen functie: 50% van het onder a genoemde bedrag;
d. voor een andere functie waaraan representatiekosten zijn verbonden, voor zover deze functie is vermeld op een daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde lijst: het bij die functie vermelde bedrag dat maximaal 25% van het onder a genoemde bedrag kan zijn.
**4.** Indien de ambtenaar op grond van het derde lid in aanmerking zou komen voor meer dan één tegemoetkoming ontvangt hij uitsluitend de tegemoetkoming met het hoogste bedrag.
**5.** In afwijking van het derde lid, aanhef en onder d, kan in bijzondere gevallen een hogere tegemoetkoming aan de betrokken ambtenaar worden toegekend, die maximaal gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder c.
**6.** De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar in het geheel geen dienst heeft verricht, tenzij het niet verrichten van de dienst het gevolg is van vakantieverlof of ziekte voor zover het de eerste vier weken van de ziekte betreft. De uitbetaling wordt hervat in de kalendermaand volgend op die waarin de ambtenaar zijn dienst heeft hervat.
**7.** De ambtenaar die een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, kan geen representatiekosten declareren.
**8.**
Aan de ambtenaar die geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid ontvangt, of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die kosten voor representatieve activiteiten heeft gemaakt, die niet zijn genoemd in het tweede lid, kunnen daadwerkelijk gemaakte representatiekosten geheel of gedeeltelijk worden vergoed, indien:
a. het onderhouden van externe contacten en het verrichten van representatieve activiteiten plaatsvindt met voorafgaande toestemming van of in opdracht van het bevoegd gezag;
b. de declaratie van representatiekosten is ingediend binnen zes maanden na de kalendermaand waarin de kosten zijn gemaakt, en
c. daarbij door de ambtenaar bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
**9.** Het bedrag, bedoeld in het derde lid, onder a, wordt per 1 januari van elk jaar bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst aangepast voor zover de consumentenprijsindex van het Centraal bureau voor de statistiek, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar, daartoe aanleiding geeft.
**2.** Deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de daarvoor gestelde regelen.
### Artikel 69
**1.** Onze Minister kan naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.
**2.** De ambtenaar en de gewezen ambtenaar die een beroepsincident als bedoeld in artikel 35, hebben gehad, hebben recht op volledige vergoeding van de schade die zij ten gevolge van dat beroepsincident lijden. In overeenstemming met de ambtenaar kan deze vergoeding mede strekken ter vervanging van de uitkering, bedoeld in artikel 38, zevende lid.
**3.** Onze Minister is bevoegd omtrent schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels te geven.
**4.** Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels stellen omtrent de schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren.
**2.** Onze Minister is bevoegd omtrent schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van ambtenaren in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken regels te geven.
### Artikel 70
**1.** De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief medisch advies van de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI.
**1.** De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief medisch advies van de Arbo-dienst, bedoeld in hoofdstuk VI.
**2.** De ambtenaar, die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst, bedoeld in hoofdstuk VI gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek.
**2.** De ambtenaar, die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de Arbo-dienst, bedoeld in hoofdstuk VI. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de Arbo-dienst, bedoeld in hoofdstuk VI gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek.
**3.** Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
@ -2315,20 +1828,19 @@ c. daarbij door de ambtenaar bewijsstukken worden overgelegd waaruit blijkt dat
**1.**
Met de ambtenaar wordt minimaal een keer per jaar door een leidinggevende functionaris, aangewezen door het bevoegd gezag, gesproken over:
Met de ambtenaar wordt minimaal een keer per jaar door een functionaris, aangewezen door het bevoegd gezag, gesproken over:
a. de resultaten die de ambtenaar heeft behaald en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd;
b. de opvatting van zowel de functionaris als de ambtenaar over het onder a besprokene, op basis waarvan de functionaris tot een uiteindelijke samenvattende conclusie komt;
c. welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen, de omstandigheden waaronder deze zullen worden uitgevoerd en welke resultaten daarbij behaald moeten worden;
d. de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden.
a. de wijze waarop de ambtenaar de opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd en de resultaten die daarbij zijn gehaald;
b. de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd;
c. welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen en welke resultaten daarbij behaald moeten worden;
d. de omstandigheden waaronder die op te dragen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd;
e. de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden.
**2.** Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde functie heeft vervuld, wordt in het gesprek als bedoeld in het eerste lid specifieke aandacht besteed aan de wenselijkheid en mogelijkheid van de continuering van de loopbaan in een andere functie.
**2.** Van het met de ambtenaar besprokene wordt een schriftelijk verslag gemaakt.
**3.** Over de in het eerste lid, onder c en d, genoemde onderwerpen worden met de ambtenaar afspraken gemaakt.
**3.** Over de in het eerste lid, onder c, d en e, genoemde onderwerpen worden met de ambtenaar afspraken gemaakt.
**4.** Van het met de ambtenaar besprokene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt een schriftelijk verslag gemaakt.
**5.** Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst stelt vast aan welke eisen een gesprek als bedoeld in het eerste lid alsmede het verslag, bedoeld in het vierde lid moet voldoen.
**4.** Onze Minister stelt vast aan welke eisen een gesprek als bedoeld in het eerste lid alsmede een verslag daarvan moet voldoen.
### Artikel 71a
@ -2338,21 +1850,15 @@ d. de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan w
**3.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt nadere regels omtrent het opmaken en vaststellen van beoordelingen.
### Artikel 71b
**1.** De ambtenaar die ten minste drie jaar een functie dan wel vergelijkbare of uitwisselbare functies vervult, heeft de mogelijkheid om, op kosten van het bevoegd gezag, eenmaal per vijf jaar een vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele loopbaandeskundige.
**2.** De ambtenaar kan de uitkomsten van de loopbaanscan inbrengen in het gesprek, bedoeld in artikel 71, ter ondersteuning van het maken van afspraken over de verdere loopbaan.
### Artikel 72
Verplichting tot zekerheidsstelling wordt den ambtenaar niet opgelegd.
### Artikel 73
**1.** De ambtenaar die namens een minister is belast met de in artikel 24, tweede en derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 vermelde taken, is verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
**1.** De ambtenaar, die ingevolge artikel 19, tweede lid, Comptabiliteitswet is belast met de in dat lid vermelde taken, is verplicht een tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, wanneer hem ter zake van dat tekort een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
**2.** De ambtenaar die namens een minister is belast met het in artikel 25, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 bedoelde beheer, is verplicht schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
**2.** De ambtenaar, die ingevolge artikel 19, vierde lid, Comptabiliteitswet is aangewezen om beheer te voeren, als bedoeld in het derde lid van dat artikel, is verplicht schade te vergoeden, wanneer hem ter zake van die schade een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
### Artikel 74
@ -2378,37 +1884,15 @@ Het is den ambtenaar verboden gedurende den werktijd alcoholhoudende dranken te
### Artikel 79
**1.** De ambtenaar heeft aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum volgens door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.
**1.** De ambtenaar heeft aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum volgens door Onze Minister van Binnenlandse Zaken te stellen regels.
**2.** De ambtenaar die een diensttijd heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel 98, eerste lid, onder f, wordt een diensttijdgratificatie toegekend, indien binnen een termijn van vijf jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan. De diensttijdgratificatie bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum als bedoeld in het eerste lid.
## Hoofdstuk VIIb. Melden van een misstand
### Artikel 79a
Vervallen
### Artikel 79b
Vervallen
### Artikel 79c
Vervallen
### Artikel 79d
Vervallen
### Artikel 79e
Vervallen
**2.** De ambtenaar die een diensttijd heeft van 10 jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van artikel, 96 of 98, eerste lid onder *f* wordt een diensttijdgratificatie toegekend ter grootte van een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van een gratificatie bij ambtsjubileum als bedoeld in het derde lid. Toekenning vindt niet plaats indien niet binnen een termijn van vijf jaar na de datum van ingang van het ontslag aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou hebben bestaan.
## Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen
### Artikel 80
**1.** De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestraft.
**1.** De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestrafd.
**2.** Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
@ -2481,19 +1965,19 @@ Vervallen
### Artikel 90
De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid.
De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de krankzinnigenwet, genomen in het belang van de volksgezondheid.
### Artikel 91
**1.**
Onverminderd het bepaalde in artikel 81, eerste lid onder k, kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst:
Onverminderd het bepaalde in artikel 81, eerste lid onder *k*, kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst:
a. Indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd;
c. wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst zulks vordert.
**2.** Schorsing geschiedt door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in het ambt, waarin geschorst wordt. Berust die bevoegdheid bij Ons, dan geschiedt de schorsing door Onze minister.
**2.** Schorsing geschiedt door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in het ambt, waarin geschorst wordt, met dien verstande dat de schorsing van de ambtenaar, die is aangesteld overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onder *c* geschiedt door Onze Minister. Berust die bevoegdheid bij Ons, dan geschiedt de schorsing door Onze Minister.
### Artikel 92
@ -2511,7 +1995,7 @@ Geen inhouding vindt plaats in geval van schorsing in het belang van de dienst,
### Artikel 93
Ontslag wordt gegeven door het gezag dat bevoegd is tot aanstelling in het desbetreffende ambt. De voordracht voor het ontslag van de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, geschiedt door Onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het ontslag van de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, vindt plaats in overeenstemming met Onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Ontslag wordt gegeven door het gezag dat bevoegd is tot aanstelling in het desbetreffende ambt. De voordracht voor het ontslag van de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, geschiedt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De voordracht voor het ontslag van de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
### Artikel 94
@ -2533,64 +2017,13 @@ c. ingevolge een aanvraag van de ambtenaar.
### Artikel 94a
Vervallen
**1.** Onder de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel, als bedoeld in dit artikel, wordt verstaan de overeenkomst die is aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel. Onder het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Abp, als bedoeld in dit artikel, wordt verstaan het reglement van die stichting dat is vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering Abp.
### Artikel 94b
**2.** Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds Abp wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op de in de vorige volzin bedoelde uitkering ontstaat.
**1.** Bij regeling van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst worden functies aangewezen die uit hoofde van de aard van de aan die functies verbonden werkzaamheden als substantieel bezwarend worden aangemerkt.
**3.** Op aanvraag van de ambtenaar kan het in het tweede lid bedoelde ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een gedeelte van de arbeidsduur waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het tweede lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidsduur.
**2.** Aan de ambtenaar die is belast met een functie die is aangemerkt als substantieel bezwarend wordt op zijn verzoek eervol ontslag verleend met het oog op een uitkering op grond van het achtste lid, indien onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag een aaneengesloten diensttijd van ten minste vijf jaar is doorgebracht in een of meer substantieel bezwarende functies.
**3.** Het ontslag, bedoeld in het tweede lid, kan niet eerder ingaan dan met ingang van de eerst mogelijke datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP, in kan gaan.
**4.** Op aanvraag van de ambtenaar kan het ontslag voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur worden verleend. Dit gedeelte bedraagt ten minste 10% en ten hoogste 50% van de omvang van de voor hem geldende arbeidsduur.
**5.** Het vierde lid is niet van toepassing indien de werktijd van de ambtenaar is teruggebracht op grond van artikel 21a, eerste lid.
**6.** Na het ontslag, bedoeld in het vierde lid, kan op aanvraag van de ambtenaar ontslag worden verleend voor de resterende arbeidsduur.
**7.** Ontslag uit een substantieel bezwarende functie wordt uiterlijk verleend op de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is bereikt.
**8.** De ambtenaar, aan wie op grond van het tweede, vierde of zesde lid voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering. Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst stelt regels over de uitkering.
**9.** Het tweede tot en met achtste lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de op grond van artikel 60, door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde regeling.
### Artikel 94c
**1.**
Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst stelt bij ministeriële regeling een lijst vast met:
a. functies waarvan de aanmerking als substantieel bezwarend na 31 maart 2015 vervalt;
b. functies waarvan de aanmerking als substantieel bezwarend is vervallen in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2015;
c. functies, bedoeld in artikel 3 van het Besluit overgangsrecht FLO-functies, zoals dat luidde op 31 maart 2015.
**2.** De ambtenaar die een functie als bedoeld in het eerste lid vervult, kan het bevoegd gezag verzoeken om eervol ontslag met het oog op een uitkering als bedoeld in het zevende lid. Dit ontslag kan niet eerder ingaan dan met ingang van de eerst mogelijke datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP, in kan gaan.
**3.**
Aan de ambtenaar die een functie als bedoeld in het eerste lid, onder a, vervult, wordt ontslag als bedoeld in het tweede lid verleend, indien de ambtenaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de ambtenaar heeft op de dag waarop de aanmerking als substantieel bezwarende functie vervalt een aaneengesloten diensttijd van ten minste vijf jaar doorgebracht in een substantieel bezwarende functie en blijft deze functie vervullen tot zijn ontslag, en
b. de ambtenaar is op de dag waarop de aanmerking als substantieel bezwarende functie vervalt maximaal vijf jaar verwijderd van de eerst mogelijke datum waarop zijn ouderdomspensioen op grond van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP, in kan gaan of heeft op die dag een aaneengesloten diensttijd van ten minste twintig jaar doorgebracht in een substantieel bezwarende functie.
**4.**
Aan de ambtenaar die een functie als bedoeld in het eerste lid, onder b, vervult, wordt ontslag als bedoeld in het tweede lid verleend, indien de ambtenaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de ambtenaar heeft op de dag waarop de aanmerking als substantieel bezwarende functie is vervallen een aaneengesloten diensttijd van ten minste vijf jaar doorgebracht in een substantieel bezwarende functie en blijft deze functie vervullen tot zijn ontslag, en
b. de ambtenaar is op 1 april 2015 maximaal vijf jaar verwijderd van de eerst mogelijke datum waarop zijn ouderdomspensioen op grond van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP, in kan gaan of heeft op de dag waarop de aanmerking als substantieel bezwarende functie is vervallen een aaneengesloten diensttijd van ten minste twintig jaar doorgebracht in een substantieel bezwarende functie.
**5.**
Aan de ambtenaar die een functie als bedoeld in het eerste lid, onder c, vervult, wordt ontslag als bedoeld in het tweede lid verleend, indien de ambtenaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de ambtenaar heeft op 1 januari 2000 een aaneengesloten diensttijd van ten minste vijf jaar doorgebracht in een functie als bedoeld in het eerste lid, onder c, en blijft deze functie vervullen tot zijn ontslag, en
b. de ambtenaar is met ingang van 1 april 2015 maximaal vijf jaar verwijderd van de eerst mogelijke datum waarop zijn ouderdomspensioen op grond van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP, in kan gaan of heeft op 1 januari 2000 een aaneengesloten diensttijd van ten minste twintig jaar doorgebracht in een FLO-functie.
**6.** Bij ontslag op grond van het tweede lid zijn artikel 94b, vierde, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
**7.** De ambtenaar aan wie op grond van dit artikel voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering. Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst stelt regels over de uitkering.
**4.** Artikel 94 , tweede tot en met vijfde lid, is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 95
@ -2614,23 +2047,31 @@ c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk korte
**7.** Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar is geplaatst op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, noch wegens het lidmaatschap of het korter dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de ambtenaar van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad.
**8.** Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op de aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.
**8.** Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op de aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
### Paragraaf . Reorganisatie-ontslag
### Artikel 96
Vervallen
**1.** De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie eervol ontslag worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken om hem te herplaatsen in een passende functie.
**2.** Aan de ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is herplaatst kan alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid worden verleend indien binnen een periode van uiterlijk één jaar te rekenen vanaf de datum waarop de functie is opgedragen, blijkt dat de betreffende functie niet passend is voor die ambtenaar en het niet mogelijk is om de ambtenaar binnen een redelijke termijn op een passende functie te plaatsen.
**3.** Bij een ontslagverlening op grond van het eerste lid van dit artikel wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen. Bij een ontslagverlening op grond van het tweede lid van dit artikel geldt geen opzeggingstermijn.
### Artikel 96a
Vervallen
**1.** Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend indien van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd, dat hij zich zal voegen in zijn verplaatsing over een aanmerkelijke afstand tengevolge van een verplaatsing van zijn functie.
**2.** Aan de ambtenaar kan binnen een periode van uiterlijk één jaar nadat hij is verplaatst over een aanmerkelijke afstand, alsnog het ontslag, bedoeld in het eerste lid worden verleend indien van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich zal blijven voegen in zijn verplaatsing over een aanmerkelijke afstand tengevolge van een verplaatsing van zijn functie.
**3.** De artikelen 49*h* tot en met 49*l*, 49*o* en 49*p* zijn op de ambtenaar van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 96b
**1.** Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.
**2.** Tenzij artikel 34e, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar, die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van artikel 34, uitgezonderd het vierde en vijfde lid en in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld.
**2.** Tenzij artikel 34*e*, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar, die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van artikel 34, uitgezonderd het derde en vijfde lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld.
**3.** Het eerste lid vindt eveneens toepassing voor de ambtenaar die ophoudt de functie te bekleden, bedoeld in artikel 16, derde lid.
@ -2640,7 +2081,21 @@ Aan de ambtenaar die een benoeming tot minister of staatssecretaris aanvaardt wo
### Artikel 97
Vervallen
**1.** Bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt een in categorie A en B onderverdeelde lijst met functies vastgesteld, die uit hoofde van de aard van de aan die functies verbonden werkzaamheden als substantieel bezwarend worden aangemerkt.
**2.** De ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie A van de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt eervol ontslag verleend op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
**3.** De ambtenaar, belast met een functie die is ingedeeld in categorie B van de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt eervol ontslag verleend op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.
**4.** Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het tweede en het derde lid, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien, indien het dienstbelang zich daartegen niet verzet, de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de Arbo-dienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onder g, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn functie te blijven vervullen.
**5.** Indien niet meer wordt voldaan aan een of meer van de in het vierde lid genoemde voorwaarden, vindt eervol ontslag plaats.
**6.** Het ontslag, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of niet later dan drie maanden na de dag, waarop niet langer aan een of meer van de in het vierde lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.
**7.** De ambtenaar, aan wie op grond van het tweede, derde of vijfde lid ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te stellen regels.
**8.** Het ontslag op grond van het tweede, derde of vijfde lid wordt geacht een ontslag te zijn als bedoeld in artikel 94a, tweede lid, indien ten aanzien van dat ontslag wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden.
### Artikel 97a
@ -2648,15 +2103,15 @@ Vervallen
### Artikel 97b
**1.** Voor de ontslagverlening als bedoeld in artikel 125*e*, tweede lid, van de Ambtenarenwet, is overeenstemming vereist met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze is gehouden het advies in te winnen van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren.
**1.** Voor de ontslagverlening als bedoeld in artikel 125*e*, tweede lid, van de Ambtenarenwet, is overeenstemming vereist met Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Deze is gehouden het advies in te winnen van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren.
**2.** Indien het voornemen tot ontslagverlening afkomstig is van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is overeenstemming vereist met Onze Minister-President.
**2.** Indien het voornemen tot ontslagverlening afkomstig is van Onze Minister van Binnenlandse Zaken is overeenstemming vereist met Onze Minister-President.
### Artikel 98
**1.**
Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge het bepaalde bij artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, de artikelen 94b, 94c, 95, 96, 96a, 96b en 96 van dit besluit en bij artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:
Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge het bepaalde bij artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, de artikelen 95, 96, 96*a*, 96*b*, 96*c* en 97 van dit besluit en bij artikel 125*e*, tweede lid, van de Ambtenarenwet, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door het bevoegde gezag gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;
b. het aangaan van een graad van zwagerschap, die de benoembaarheid tot het ambt zou uitsluiten;
@ -2665,7 +2120,7 @@ d. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworde
e. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
f. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
h. het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar;
h. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
i. het bij of in verband met indiensttreding en/of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
**2.** Een ontslag op grond van het bepaalde in het eerste lid onder *a*, *b*, *f*, *g* en *h* wordt steeds eervol verleend.
@ -2676,46 +2131,39 @@ Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel *f*, kan slechts plaatsvind
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel *a* genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. het bevoegd gezag van oordeel is dat duurzame reïntegratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn te verwachten is.
c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.
**4.**
**4.** Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onder *c*, wordt gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte passende, en gedurende de periode daarna gangbare arbeid verstaan, als bedoeld in artikel 34*g*.
De termijn van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt verlengd:
**5.** Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar als bedoeld in het derde lid, onder a, wordt niet in aanmerking genomen afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens door de zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het bevallingsverlof.
a. met de duur van de vertraging indien het bevoegd gezag de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet later doet dan op grond van dat artikel van de Ziektewet is voorgeschreven;
b. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WIA, indien de wachttijd op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIA wordt verlengd;
c. met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.
**6.**
**5.** Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking genomen.
Voor het bepalen van het in het derde lid, onder a, bedoelde tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld:
**6.** Perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, anders dan bedoeld in het vijfde lid, worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
a. indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
b. indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het bevallingsverlof,
c. indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in totaal minder dan vier weken bedraagt.
**7.** Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, betrekt het bevoegd gezag de uitslag van de beoordeling door het UWV van de claim in het kader van de WIA. Indien deze beoordeling niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, vraagt het bevoegd gezag aan het UWV een oordeel als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Wet SUWI en betrekt dit bij zijn beoordeling.
**7.** Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen *a* en *b*, vraagt het bevoegd gezag het oordeel van een daartoe door de uitvoeringsinstelling, die de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitvoert ten aanzien van de ambtenaar, aangewezen arts.
**8.** Indien herplaatsing als bedoeld in artikel 37a plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.
**8.** De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een door het bevoegd gezag aangewezen arts en, indien de ambtenaar dit wenst, een door de ambtenaar aangewezen arts.
**9.** Van ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, wordt op verzoek van de ambtenaar afgezien voor de duur van telkens ten hoogste één jaar, indien de ambtenaar volgens de uitslag van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 36a, eerste lid, onderdeel k, in staat is zijn functie te blijven vervullen.
**9.**
**10.** Een verzoek als bedoeld in het negende lid wordt door de ambtenaar ten minste drie maanden voor het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar of ouder, ingediend.
Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het zevende lid, wordt ingesteld.
**11.** Een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in het negende lid wordt niet eerder dan vier maanden voor het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar of ouder, bij de ambtenaar uitgevoerd.
Daarbij wijst het bevoegd gezag de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.
**10.** De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ambtenaar gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het zesde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
**11.** De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan het bevoegd gezag. Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de ambtenaar.
**12.** Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onder c, plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.
### Artikel 98a
Indien aan de ambtenaar gedurende de tijd, dat hij recht heeft op wachtgeld een voor hem passend geachte betrekking is aangeboden en die betrekking binnen een periode van uiterlijk één jaar, nadat hij haar is gaan vervullen, niet passend voor hem blijkt te zijn, kan hem binnen die periode op zijn aanvraag eervol ontslag uit die betrekking worden verleend, welk ontslag ten aanzien van zijn aanspraken op een wachtgeld wordt geacht niet door eigen toedoen te zijn verleend.
### Artikel 98b
**1.**
Aan de ambtenaar die ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert:
a. gevolg te geven aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende andere arbeid te verrichten, of
b. passende arbeid te verrichten waartoe het bevoegd gezag hem in de gelegenheid stelt, of
c. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren of bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA, of
d. een WIA-uitkering aan te vragen.
**2.** Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd gezag de uitslag van beoordeling door het UWV van de claim in het kader van de WIA betrekken indien deze minder dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden.
Indien aan de ambtenaar gedurende de tijd, dat hij recht heeft op wachtgeld, daaronder mede begrepen herplaatsingswachtgeld of een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling 1966, een voor hem passend geachte betrekking is aangeboden en die betrekking binnen een periode van uiterlijk één jaar, nadat hij haar is gaan vervullen, niet passend voor hem blijkt te zijn, kan hem binnen die periode op zijn aanvraag eervol ontslag uit die betrekking worden verleend, welk ontslag ten aanzien van zijn aanspraken op een wachtgeld of uitkering als evenbedoeld, wordt geacht niet door eigen toedoen te zijn verleend.
### Artikel 99
@ -2731,7 +2179,11 @@ Vervallen
### Artikel 100a
Vervallen
**1.** De ambtenaar aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid, heeft op grond van zijn ontslag als ambtenaar aanspraak op een uitkering overeenkomstig het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.
**2.** Het bepaalde in het eerste lid geldt slechts indien de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in de artikelen 49d en 49e en hij binnen twee jaar na zijn indiensttreding buiten de overheid buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen.
**3.** Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het tweede lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt de in het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
### Artikel 101
@ -2739,23 +2191,27 @@ Vervallen
### Artikel 102
**1.** De bezoldiging van de ambtenaar wordt uitbetaald tot en met de dag van overlijden.
**1.** De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden. Artikel 24, lid 1 wordt voorts overeenkomstig toegepast.
**2.** Indien de ambtenaar bij zijn overlijden een positief of negatief vakantiesaldo heeft, vinden artikel 24, eerste en tweede lid, overeenkomstige toepassing. Het aldus openstaande bedrag en de reeds voor zijn overlijden aan de ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak worden verrekend met het eventueel aan de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de ambtenaar verschuldigde bedrag wegens nog niet vergolden aanspraken van de ambtenaar, en bij gebreke hiervan of indien dit bedrag daarvoor niet toereikend is, op de uitkering, bedoeld in het derde lid.
**2.**
**3.** Aan de nabestaande, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over drie maanden, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering over die maanden. Indien de ambtenaar op de dag direct voorafgaand aan zijn overlijden aanspraak maakte op een uitkering op grond van de Ziektewet, Werkloosheidswet of de WIA, wordt als maatstaf voor de bezoldiging uitgegaan van de bezoldiging die hij zou hebben genoten als hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest.
Met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid wordt zo spoedig mogelijk na het overlijden aan de weduwe of weduwnaar, van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag geldt, behoudens het hierna bepaalde, de bezoldiging, welke de ambtenaar op de dag van het overlijden genoot of, indien hij op die dag aanspraak maakt op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan wel een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk VI, zou hebben genoten indien hij op die dag arbeidsgeschikt zou zijn geweest.
**4.** Indien de ambtenaar in het genot was van een toelage als bedoeld in de artikelen 17, 17a, 18 en 18a en 18b, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, wordt de in het derde lid bedoelde bezoldiging in zoverre gesteld op het gemiddelde van het bedrag dat de overleden ambtenaar is toegekend of zou zijn toegekend in de drie kalendermaanden voorafgaande aan de dag van overlijden, of het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal dat van de vakantie-uitkering over een maand berekend op de voet van het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, naar de bezoldiging die de ambtenaar in de maand van het overlijden zou hebben genoten. Indien de ambtenaar in het genot was van een toelage als bedoeld in artikel 17, dan wel artikel 18*a* van eerdervermeld besluit, wordt het gedeelte van de in de eerste volzin bedoelde uitkering dat betrekking heeft op bovenbedoelde toelagen gesteld op het bedrag dat de overleden ambtenaar in de drie kalendermaanden voorafgaand aan de dag van het overlijden aan zodanige toelagen is toegekend.
**5.** Op het bedrag, bedoeld in het derde lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de ZW, artikel 74 van de WIA, of een overlijdensuitkering die is verleend door de Stichting Pensioenfonds ABP indien recht bestaat op arbeidsongeschiktheidspensioen of andere naar aard en strekking hiermee overeenkomende uitkeringen die voortvloeien uit dezelfde dienstbetrekking.
Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar.
**6.** Bij ontstentenis van een nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering, bedoeld in het derde lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de ambtenaar.
**3.** Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegde gezag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
**7.** Indien de ambtenaar geen betrekkingen als bedoeld in het derde en zesde lid nalaat, kan de daar bedoelde uitkering door het bevoegd gezag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging indien de nalatenschap van de overledene hiertoe ontoereikend is.
**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien de ambtenaar op de dag van het overlijden wegens ziekte of ongeval verhinderd was zijn dienst te verrichten, onder bezoldiging verstaan hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk VI wordt verstaan.
**5.** Indien de ambtenaar voor zijn overlijden te veel vakantie heeft genoten, vindt artikel 24, tweede lid, overeenkomstige toepassing. Het aldus verschuldigde bedrag en de reeds voor zijn overlijden aan de ambtenaar uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak worden in mindering gebracht op het eventueel aan de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de ambtenaar verschuldigde bedrag wegens nog niet vergolden aanspraken van de ambtenaar, en bij gebreke hiervan of indien en voorzover dit bedrag daarvoor niet toereikend is, op de uitkering bedoeld in het tweede lid.
**6.** Op het bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de Ziektewet of artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.
### Artikel 102a
Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van de artikelen 38 en 46 in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 102 bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van de artikelen 35 en 36 van de ZW, artikel 74 van de WIA, de artikelen 6 en 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk of naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen die voortvloeien uit dezelfde dienstbetrekking. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.
Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van de artikelen 38 en 46 in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 102 bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van artikel 35 Ziektewet, artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 6 en 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.
### Artikel 102b
@ -2763,13 +2219,13 @@ Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op
Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een nabestaandenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van 18 procent van het resultaat van de vermenigvuldiging van:
a. indien het gaat om de partner, vijf zevende deel van 1,75 procent van het pensioengevend inkomen en de pensioengeldige diensttijd, zoals deze begrippen door de Stichting Pensioenfonds ABP worden gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP;
b. indien het gaat om de wees waarvan de verzorger geen recht heeft op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, een zevende deel van 1,75 procent van het pensioengevend inkomen en de pensioengeldige diensttijd, zoals deze begrippen door de Stichting Pensioenfonds ABP worden gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP;
c. indien het gaat om de wees zonder verzorger als bedoeld in onderdeel b, twee zevende deel van 1,75 procent van het pensioengevend inkomen en de pensioengeldige diensttijd, zoals deze begrippen door de Stichting Pensioenfonds ABP worden gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.
a) indien het gaat om de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, vijf zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
b) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, een zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
c) indien het gaat om de wees, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, twee zevende deel van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, en de pensioengeldige diensttijd, bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
Indien de weduwe of weduwnaar een samenlevingscontract sluit dan wel een geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de uitkering met ingang van de maand volgend op de datum van het sluiten van het samenlevingscontract dan wel het aangaan van het geregistreerd partnerschap.
**2.** De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zou hebben bereikt, dan wel, indien de partner, zoals dit begrip door de Stichting Pensioenfonds ABP wordt gehanteerd ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet privatisering ABP aan wie een pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgende op de datum van het hertrouwen. Indien de weduwe of weduwnaar een samenlevingscontract sluit dan wel een geregistreerd partnerschap aangaat, eindigt de uitkering met ingang van de maand volgende op de datum van het sluiten van het samenlevingscontract dan wel van het aangaan van het geregistreerd partnerschap.
**2.** De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, dan wel, indien de partner, bedoeld in artikel 7.1 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan wie een pensioen werd toegekend, hertrouwt, met ingang van de maand volgende op de datum van het hertrouwen.
**3.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar ten aanzien van wie artikel 38, derde lid, toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in dat artikel.
@ -2801,7 +2257,7 @@ Indien door de ambtenaar voor het gebruik der ambts- of dienstwoning een vergoed
### Artikel 105
**1.** Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren in de zin van dit besluit met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, wordt niet beslist dan nadat daarover door of namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overleg is gepleegd met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
**1.** Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren in de zin van dit besluit met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, wordt niet beslist dan nadat daarover door of namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken overleg is gepleegd met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.
**2.**
@ -2813,13 +2269,13 @@ c. het Ambtenarencentrum;
d. de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen;
e. andere door Ons tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren, welke onder meer gelet op het aantal ambtenaren, dat zij vertegenwoordigen, eveneens als representatief kunnen worden aangemerkt en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet.
**3.** Indien een voorstel, waarover overleg dient plaats te vinden, strekt tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren wordt dit voorstel slechts ten uitvoer gebracht, indien daarover overeenstemming bestaat met de Sectorcommissie. Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit. Indien de stemmen binnen de Sectorcommissie staken, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of het voorstel ten uitvoer wordt gebracht.
**3.** Indien een voorstel, waarover overleg dient plaats te vinden, strekt tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren wordt dit voorstel slechts ten uitvoer gebracht, indien daarover overeenstemming bestaat met de Sectorcommissie. Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit. Indien de stemmen binnen de Sectorcommissie staken, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken of het voorstel ten uitvoer wordt gebracht.
**4.** In de Sectorcommissie wordt geen overleg gevoerd over voorstellen die betrekking hebben op het gehele overheidspersoneel.
**5.** Indien een voorstel als bedoeld in het vierde lid, ziet op het van toepassing verklaren op overheidspersoneel van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers, die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn, vindt in de Sectorcommissie overleg plaats over de gevolgen van een desbetreffend voorstel voor ambtenaren en de eventueel daarmee samenhangende wijzigingen in de voor hen geldende regelingen. Het overeenstemmingsvereiste, bedoeld in het derde lid, is daarbij niet van toepassing, mits het totaal van rechten en verplichtingen van ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt.
**5.** Indien een voorstel als bedoeld in het vierde lid, ziet op het van toepassing verklaren op overheidspersoneel van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers, die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637*a* van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn, vindt in de Sectorcommissie overleg plaats over de gevolgen van een desbetreffend voorstel voor ambtenaren en de eventueel daarmee samenhangende wijzigingen in de voor hen geldende regelingen. Het overeenstemmingsvereiste, bedoeld in het derde lid, is daarbij niet van toepassing, mits het totaal van rechten en verplichtingen van ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt.
**6.** Indien bij het overleg, bedoeld in het vijfde lid, een geschil ontstaat over de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen van de ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan arbitrage door de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g.
**6.** Indien bij het overleg, bedoeld in het vijfde lid, een geschil ontstaat over de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen van de ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan arbitrage door de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110*g*.
### Artikel 106
@ -2829,7 +2285,7 @@ e. andere door Ons tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van amb
**3.**
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is bevoegd een lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie van deelneming aan het overleg uit te sluiten indien naar het oordeel van Onze genoemde Minister het dienstbelang dit in verband met zijn werkzaamheden als Rijksambtenaar vordert. De uitsluiting geschiedt niet dan nadat het bestuur van de daarbij betrokken zijnde centrale van verenigingen van ambtenaren over het voornemen daartoe is gehoord, en het advies van de overige leden van de Sectorcommissie daarover is ingewonnen.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is bevoegd een lid of plaatsvervangend lid van de Sectorcommissie van deelneming aan het overleg uit te sluiten indien naar het oordeel van Onze genoemde Minister het dienstbelang dit in verband met zijn werkzaamheden als Rijksambtenaar vordert. De uitsluiting geschiedt niet dan nadat het bestuur van de daarbij betrokken zijnde centrale van verenigingen van ambtenaren over het voornemen daartoe is gehoord, en het advies van de overige leden van de Sectorcommissie daarover is ingewonnen.
In afwachting van de beslissing van Onze Minister neemt het betrokken lid of plaatsvervangend lid niet of niet meer deel aan het overleg.
@ -2837,11 +2293,11 @@ Na de uitsluiting wijst de desbetreffende centrale een andere vertegenwoordiger
### Artikel 107
**1.** Het overleg staat onder leiding van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij is bevoegd de leiding van het overleg op te dragen aan een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep, indien de aard van de te bespreken aangelegenheden dit toelaat.
**1.** Het overleg staat onder leiding van Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Hij is bevoegd de leiding van het overleg op te dragen aan de directeur-generaal Management en Personeelsbeleid van het ministerie van Binnenlandse Zaken, indien de aard van de te bespreken aangelegenheden dit toelaat.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst functionarissen aan die hem, dan wel de functionaris die namens hem het overleg voert, bij het overleg terzijde staan.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken wijst functionarissen aan die hem, dan wel de functionaris die namens hem het overleg voert, bij het overleg terzijde staan.
**3.** Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemde of aangewezen secretaris, die ten dienste staat van zowel de voorzitter en de in het tweede lid bedoeld ambtenaren als van de Sectorcommissie. De benoeming of aanwijzing van de secretaris geschiedt in overeenstemming met de Sectorcommissie.
**3.** Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken benoemde of aangewezen secretaris, die ten dienste staat van zowel de voorzitter en de in het tweede lid bedoeld ambtenaren als van de Sectorcommissie. De benoeming of aanwijzing van de secretaris geschiedt in overeenstemming met de Sectorcommissie.
**4.** Bij de behandeling van bepaalde aangelegenheden kan op uitnodiging of met toestemming van de voorzitter ook door anderen dan degenen, die daartoe ingevolge de vorige bepalingen van dit hoofdstuk bevoegd zijn, aan het overleg worden deelgenomen.
@ -2849,35 +2305,35 @@ Na de uitsluiting wijst de desbetreffende centrale een andere vertegenwoordiger
### Artikel 107a
De centrales van verenigingen van ambtenaren, die van de in artikel 106, eerste lid, vermelde bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, doen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mededeling van haar statuten en huishoudelijke reglementen en van de daarin aangebrachte wijzigingen, zomede van de statuten en van de daarin aangebrachte wijzigingen van de bij haar aangesloten verenigingen van ambtenaren.
De centrales van verenigingen van ambtenaren, die van de in artikel 106, eerste lid, vermelde bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, doen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken mededeling van haar statuten en huishoudelijke reglementen en van de daarin aangebrachte wijzigingen, zomede van de statuten en van de daarin aangebrachte wijzigingen van de bij haar aangesloten verenigingen van ambtenaren.
Zij stellen Onze genoemde Minister voorts jaarlijks in kennis van het totale ledental van de bij elk der centrales aangesloten verenigingen.
### Artikel 108
**1.** De in artikel 105 bedoelde aangelegenheden worden door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Sectorcommissie voorgelegd.
**1.** De in artikel 105 bedoelde aangelegenheden worden door Onze Minister van Binnenlandse Zaken aan de Sectorcommissie voorgelegd.
**2.** Ieder der tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren is bevoegd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepaalde onderwerpen, behorende tot de in artikel 105 bedoelde, ter plaatsing op de agenda op te geven.
**2.** Ieder der tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren is bevoegd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken bepaalde onderwerpen, behorende tot de in artikel 105 bedoelde, ter plaatsing op de agenda op te geven.
### Artikel 108a
Vervallen
Een wijziging van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, betrekking hebbende op een ambt dat is vermeld in bijlage A van dat besluit, behoort niet tot de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden.
### Artikel 108b
### Artikel 108a*
**1.** Het overleg wordt gevoerd op plaats, dag en uur door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te bepalen.
**1.** Het overleg wordt gevoerd op plaats, dag en uur door Onze Minister van Binnenlandse Zaken te bepalen.
**2.** De vergaderingen worden in de regel te 's-Gravenhage gehouden.
**3.** Indien de vertegenwoordigers van tenminste twee tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder vermelding van hetgeen zij behandeld wensen te zien, verzoeken daartoe een vergadering uit te schrijven, vindt deze binnen 14 dagen plaats.
**3.** Indien de vertegenwoordigers van tenminste twee tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren Onze Minister van Binnenlandse Zaken, onder vermelding van hetgeen zij behandeld wensen te zien, verzoeken daartoe een vergadering uit te schrijven, vindt deze binnen 14 dagen plaats.
### Artikel 109
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verleent zijn bemiddeling om aan de Sectorcommissie een lokaliteit in een Rijksgebouw ter beschikking te stellen, indien deze Sectorcommissie daartoe een verzoek doet ten behoeve van een door haar te houden vergadering.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken verleent zijn bemiddeling om aan de Sectorcommissie een lokaliteit in een Rijksgebouw ter beschikking te stellen, indien deze Sectorcommissie daartoe een verzoek doet ten behoeve van een door haar te houden vergadering.
### Artikel 110
**1.** Indien het wenselijk blijkt over de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden voorbereidende besprekingen te voeren of in het overleg genomen besluiten uit te werken, geschiedt deze voorbereiding of uitwerking door werkgroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de Sectorcommissie en door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daartoe aangewezen functionarissen.
**1.** Indien het wenselijk blijkt over de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden voorbereidende besprekingen te voeren of in het overleg genomen besluiten uit te werken, geschiedt deze voorbereiding of uitwerking door werkgroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de Sectorcommissie en door Onze Minister van Binnenlandse Zaken daartoe aangewezen functionarissen.
**2.** Het bepaalde in het vierde en vijfde lid van artikel 107 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
@ -2889,6 +2345,8 @@ Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verleent zijn bemidd
### Artikel 110b
**1.**
Voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 110*d* en volgende wordt verstaan onder:
a. "deelnemers aan het overleg": de voorzitter en de tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren;
@ -2927,13 +2385,13 @@ b. de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhou
**1.** Er is een Advies- en Arbitragecommissie, die tot taak heeft te adviseren dan wel een bindende uitspraak te doen in de geschillen die haar ingevolge de voorgaande artikelen worden voorgelegd.
**2.** De Advies- en Arbitragecommissie is gevestigd te s-Gravenhage. Zij bestaat uit vijf leden, onder wie de voorzitter, en vijf plaatsvervangende leden. Zij worden door Ons benoemd voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
**2.** De Advies- en Arbitragecommissie is gevestigd te 's-Gravenhage. Zij bestaat uit vijf leden, onder wie de voorzitter, en vijf plaatsvervangende leden. Zij worden door Ons benoemd voor een tijdvak van zes jaar.
**3.**
Wij benoemen de voorzitter en diens plaatsvervanger op gezamenlijke voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Sectorcommissie. Van de andere vier leden en hun plaatsvervangers benoemen wij:
Wij benoemen de voorzitter en diens plaatsvervanger op gezamenlijke voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en de Sectorcommissie. Van de andere vier leden en hun plaatsvervangers benoemen wij:
a. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; alsmede
a. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken; alsmede
b. twee leden en hun plaatsvervangers op voordracht van de Sectorcommissie.
**4.**
@ -2946,9 +2404,9 @@ c. personen die werkzaam zijn bij de departementen van algemeen bestuur en de da
Deze personen zijn eveneens uitgesloten van het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap gedurende de periode van twee jaar na beëindiging van het lidmaatschap, plaatsvervangend lidmaatschap of bestuurslidmaatschap onder *a* en *b* bedoeld, alsmede na beëindiging van de werkzaamheden bedoeld onder *b* en *c*.
**5.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst in overeenstemming met de Sectorcommissie en met de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie een secretaris aan, die de Advies- en Arbitragecommissie bijstaat.
**5.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken wijst in overeenstemming met de Sectorcommissie en met de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie een secretaris aan, die de Advies- en Arbitragecommissie bijstaat.
**6.** Aan de leden en plaatsvervangende leden worden uit s Rijks kas vergoedingen voor reis- en verblijfkosten verleend volgens de regels welke voor de vergoeding voor reis- en verblijfkosten wegens reizen voor s Rijks dienst gelden.
**6.** Aan de leden en plaatsvervangende leden worden uit s Rijks kas vergoedingen voor reis- en verblijfkosten verleend volgens de regelen welke voor de vergoeding voor reis- en verblijfkosten wegens reizen voor s Rijks dienst gelden.
### Artikel 110h
@ -2984,13 +2442,13 @@ De uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft bindende kracht.
### Artikel 110l
**1.** Het standpunt van de Sectorcommissie over de haar voorgelegde dan wel op verzoek van haar zijde in het overleg besproken aangelegenheden wordt schriftelijk aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevestigd, waarbij desverlangd een samenvatting van de aan dit standpunt ten grondslag liggende argumenten wordt gegeven.
**1.** Het standpunt van de Sectorcommissie over de haar voorgelegde dan wel op verzoek van haar zijde in het overleg besproken aangelegenheden wordt schriftelijk aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken bevestigd, waarbij desverlangd een samenvatting van de aan dit standpunt ten grondslag liggende argumenten wordt gegeven.
**2.** Indien in de Sectorcommissie een minderheidsstandpunt blijkt te bestaan, wordt daarvan desverlangd in het geschrift bedoeld in het vorige lid, melding gemaakt.
### Artikel 111
Indien over een aangelegenheid in afwijking van het standpunt van de Sectorcommissie wordt beslist, brengt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de redenen dier afwijking zo spoedig mogelijk ter kennis van de Sectorcommissie.
Indien over een aangelegenheid in afwijking van het standpunt van de Sectorcommissie wordt beslist, brengt Onze Minister van Binnenlandse Zaken de redenen dier afwijking zo spoedig mogelijk ter kennis van de Sectorcommissie.
### Artikel 112
@ -3039,7 +2497,7 @@ Onze Minister draagt er zorg voor dat de ambtenaar, die in het overleg optreedt
### Artikel 118
De artikelen 113 tot en met 117 zijn van overeenkomstige toepassing op de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden, met dien verstande dat voor Onze Minister telkens wordt gelezen respectievelijk de vice-president van de Raad van State, het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de voorzitter van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
De artikelen 113 tot en met 117 zijn van overeenkomstige toepassing op de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman, met dien verstande dat voor Onze Minister telkens wordt gelezen respectievelijk de vice-president van de Raad van State, het College van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman.
### Artikel 118a
@ -3185,59 +2643,41 @@ Vervallen
Vervallen
## Hoofdstuk XII. Slot- en overgangsbepalingen
### Artikel 129
Met uitzondering van de ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, wordt de ambtenaar die voorafgaand aan 1 maart 2007 op grond van dit besluit bij Koninklijk Besluit is aangesteld, aangemerkt als te zijn aangesteld op grond van artikel 7, eerste lid.
Vervallen
### Artikel 129a
**1.** In afwijking van artikel 22, tweede lid, wordt ten aanzien van aanspraak op vakantie-uren die vóór 1 januari 2016 is ontstaan geen onderscheid gemaakt tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantie-uren; deze aanspraak vervalt op 1 januari 2021.
Vervallen
**2.** Onverminderd artikel 23b, eerste lid, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de ambtenaar eenmaal per kalenderjaar zijn aanspraak op vakantie-uren die vóór 1 januari 2016 is ontstaan, met ten hoogste 22 vakantie-uren per kalenderjaar verlagen indien de ambtenaar een volledige werktijd heeft. Heeft de ambtenaar een andere werktijd, dan wordt dit aantal met de voor hem geldende arbeidsduurfactor vermenigvuldigd. Bij toepassing van de eerste volzin is artikel 23b, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 129b
Vervallen
## Hoofdstuk XII. Slot- en overgangsbepalingen
### Artikel 130
**1.** Ten aanzien van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor 1 januari 2004, blijven de artikelen 21a, 57a, 57b, 98, 98b, 102, 102a en hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van toepassing zoals deze luidden op 30 november 2005, met dien verstande dat voor artikel 40b in genoemd hoofdstuk VI in de plaats treedt artikel 40b zoals dat thans luidt.
Met ingang van den dag van inwerkingtreding van dit besluit vervallen:
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op grond van artikel 3:8, of 3:10, eerste lid, van die wet, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
a. het Koninklijk besluit van 5 November 1851 (*Staatsblad* n°. 141);
b. het Koninklijk besluit van 24 Juli 1869 (*Staatsblad* n°. 142), zooals dit besluit sedert is gewijzigd;
c. Ons besluit van 20 December 1919 (*Staatsblad* n°. 819), zooals dit besluit sedert is gewijzigd;
d. Ons besluit van 14 Februari 1920 (*Staatsblad* n°. 76);
e. Ons besluit van 2 Mei 1921 (*Staatsblad* n°. 703), zooals dit besluit sedert is gewijzigd;
f. Ons besluit van 6 Mei 1922 (*Staatsblad* n°. 260), zooals dit besluit sedert is gewijzigd;
g. Ons besluit van 26 October 1923 (*Staatsblad* n°. 494), zooals dit besluit sedert is gewijzigd;
h. Ons besluit van 1 December 1923 (*Staatsblad* n°. 535), zooals dit besluit sedert is gewijzigd;
i. Ons besluit van 13 Maart 1924 (*Staatsblad* n°. 122);
j. Ons besluit van 8 December 1926, n°. 4, behoudens het bepaalde onder ten 3°. daarin;
k. Ons besluit van 14 Maart 1927 (*Staatsblad* n°. 53), zooals dit besluit sedert is gewijzigd.
### Artikel 130a
De ambtenaar en de gewezen ambtenaar worden geacht een aanvraag te hebben ingediend als bedoeld in artikel 38a indien de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens een dienstongeval of een beroepsziekte is gelegen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 november 2005.
### Artikel 130b
Artikel 69, tweede lid, is niet van toepassing op beroepsincidenten die zich hebben voorgedaan vóór 1 december 2005.
### Artikel 130c
**1.** Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst stelt bij ministeriële regeling een lijst vast met functies die op 31 maart 2015 zijn ingedeeld in categorie B van de lijst, bedoeld in artikel 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van dit besluit.
**2.** Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld voor ambtenaren die op 31 maart 2015 werkzaam zijn in een functie als bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 130d
De ambtenaar die op 1 januari 2017 reeds werkzaam is in een functie genoemd in artikel 1, onder b, van de regeling, bedoeld in artikel 7, vierde lid, wordt met ingang van die datum geacht te zijn aangesteld overeenkomstig artikel 7, derde lid, en in die functie te zijn benoemd voor een periode van zeven jaar verminderd met de tijd dat hij de functie voor 1 januari 2017 heeft vervuld, doch voor een periode van ten minste drie jaar na die datum.
### Artikel 131
**1.** Artikel 33g, achtste lid, zoals dat luidde op 31 augustus 2018, blijft gelden voor ambtenaren die voor 1 september 2018 de sector Rijk wegens ontslag hebben verlaten.
**2.** Artikel 33g, zoals dat luidde op 30 juni 2019, blijft gelden voor ambtenaren waarvan het ouderschapsverlof op grond van artikel 33g is ingegaan voor 1 juli 2019.
### Artikel 131a
**1.** De ambtenaar, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, die voor de datum van inwerkingtreding van het Besluit van 26 november 2013 tot wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in verband met de harmonisatie van enkele secundaire arbeidsvoorwaarden Rijk en het herstel van enkele technische omissies (Stb. 2013, nr. 489) is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener, ontvangt eenmalig een compensatievergoeding.
**2.** De compensatievergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt tweemaal het positieve verschil tussen de vergoeding, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, op jaarbasis van het jaar voor inwerkingtreding en de vergoeding op jaarbasis van het jaar na inwerkingtreding van genoemd besluit.
**3.** Indien de ambtenaar op het moment van inwerkingtreding van genoemd besluit, korter dan één jaar als bedrijfshulpverlener is aangewezen, wordt het verschil, bedoeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de breuk van het aantal maanden dat hij is aangewezen als bedrijfshulpverlener in de teller en twaalf in de noemer.
### Artikel 131b
Ten aanzien van stimuleringspremies, als bedoeld in artikel 49tt, die voor 1 januari 2018 zijn vastgesteld vindt geen herziening als bedoeld in de tweede volzin van het zevende lid van dat artikel plaats indien de datum van ontslag van de betrokken ambtenaar ligt na 31 december 2017.
Op personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in het genot zijn van een wachtgeld, toegekend krachtens het Koninklijk besluit van 24 Juli 1869 (*Staatsblad* n°. 142), zooals dat besluit laatstelijk is gewijzigd, blijven de bepalingen van dat besluit van toepassing.
### Artikel 132
@ -3245,7 +2685,7 @@ Voor zover voor ambtenaren bij een dienstvak nadere regels ter uitwerking of aan
### Artikel 132a
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld met uitzondering van die, genoemd in de artikelen 10, tweede en derde lid, artikel 36b, derde en vierde lid, alsmede in hoofdstuk XI.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld met uitzondering van die, genoemd in de artikelen 10, tweede en derde lid, 36b, tweede en derde lid, alsmede in hoofdstuk XI.
### Artikel 132b