2014-01-01 | BWBR0032924 | Loonheffingen, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten
This commit is contained in:
parent
7f7f6475e5
commit
9d9d7b6cc3
1 changed files with 189 additions and 0 deletions
|
|
@ -0,0 +1,189 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Loonheffingen, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten
|
||||
bwb_id: BWBR0032924
|
||||
type: beleidsregel
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2014-01-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0032924
|
||||
citeertitel: Loonheffingen, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en
|
||||
kapitaalovereenkomsten
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Loonheffingen, pensioenen; beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten
|
||||
|
||||
De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
|
||||
|
||||
Dit besluit vervangt het besluit van 13 december 2012, nr. BLKB2012/1761M, Staatscourant 2012, 26836. Daarin staan enige onjuiste jaartallen in de tekst van paragraaf 3.4. Daarbij is onderdeel 8 over ingetrokken regelingen aangevuld.
|
||||
|
||||
Dit besluit is een actualisering van het besluit over beschikbare-premieregelingen van 21 december 2009, nr. CPP2009/1487M, Staatscourant 2009, 20523. Hierbij is het fiscale kader voor premie- en kapitaalovereenkomsten nader uitgewerkt op basis van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. In deze wet wordt de pensioenrichtleeftijd met ingang van 2014 verhoogd naar 67 jaar.
|
||||
|
||||
Naar aanleiding daarvan zijn de in het besluit opgenomen tabellen voor zover nodig aangepast voor de leeftijden 15 tot en met 64 en uitgebreid met de leeftijden 65 en 66. Voorts is naast de middelloontoets op de fiscale maxima toegevoegd een toets op basis van het actueel inkomen.
|
||||
|
||||
Tot slot is ter verduidelijking in het besluit opgemerkt dat geen jaarlijkse toets op de fiscale maxima nodig is, maar alleen bij bepaalde gebeurtenissen zoals echtscheiding of waardeoverdracht.
|
||||
|
||||
## 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
|
||||
|
||||
- *IAPW:*
|
||||
Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
|
||||
- *Intredeleeftijd:* leeftijd waarop de pensioenopbouw bij de werkgever begint
|
||||
- *OP:* ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18 e.v. van de Wet LB
|
||||
- *Pensioengrondslag:* pensioengevend loon minus AOW-franchise
|
||||
- *PP (Pensioen)verzekeraar:* partnerpensioen als bedoeld in artikel 18 e.v. van de Wet LB verzekeraar als bedoeld in artikel 19a van de Wet LB
|
||||
- *PW:*
|
||||
Pensioenwet
|
||||
- *UBLB:*
|
||||
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
|
||||
- *URLB 2011:*
|
||||
Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011
|
||||
- *Werkgever:* inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB
|
||||
- *Wet LB:*
|
||||
Wet op de loonbelasting 1964
|
||||
- *Wet VPL:*
|
||||
Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling
|
||||
|
||||
## 2.1. Inleiding
|
||||
|
||||
De invoering van de PW per 1 januari 2007 heeft in de praktijk geleid tot de ontwikkeling van zowel individuele als collectieve premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten. Gebleken is dat de fiscale kwalificaties van de pensioenovereenkomsten niet duidelijk waren. Daarom verduidelijkt dit besluit de fiscale regels voor pensioenregelingen die de PW aanduidt als een premie- of kapitaalovereenkomst. Ook wijst het besluit sommige soorten premie- en kapitaalovereenkomsten aan als fiscale pensioenregelingen. Net als het vorige besluit bevat dit besluit 'netto-staffels'. Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het gebruik van de staffels kan bijdragen aan betere transparantie van kosten in pensioenregelingen.
|
||||
|
||||
De aanwijzingen als pensioenregeling in dit besluit berusten op artikel 19d, onderdeel a, van de Wet LB en vinden plaats met instemming van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
|
||||
|
||||
Paragraaf 2.2 van dit besluit bevat een beschrijving van de soorten premieovereenkomsten die bij de behandeling van de PW aan de orde zijn geweest. De paragrafen 3 en 5 behandelen de fiscale kwalificatie van die soorten premieovereenkomsten. Paragraaf 4 gaat over de kapitaalovereenkomsten. Voorts wijs ik in paragraaf 6 twee soorten afwijkende premieovereenkomsten aan als pensioenregeling. In paragraaf 7 is het overgangsrecht opgenomen voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden. Paragraaf 8 bevat de inwerkingtreding van dit besluit. De voorwaarden en bijzonderheden die bij de aanwijzingen gelden zijn te vinden in de bijlagen bij dit besluit.
|
||||
|
||||
Ter voorkoming van misverstanden wijs ik erop dat de aanwijzingen in dit besluit niet van toepassing zijn op regelingen als bedoeld in artikel 18h, eerste lid, van de Wet LB. Dat zijn de regelingen voor directeuren-grootaandeelhouders met een pensioen dat geheel of gedeeltelijk in eigen beheer wordt gehouden. Zie ook artikel 19d, eerste volzin, van de Wet LB.
|
||||
|
||||
## 2.2. Premieovereenkomsten
|
||||
|
||||
In artikel 10 van de PW is bepaald dat een pensioenovereenkomst kan inhouden:
|
||||
|
||||
• een uitkeringsovereenkomst,
|
||||
• een kapitaalovereenkomst of
|
||||
• een premieovereenkomst.
|
||||
|
||||
Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2005-06, 30 413, nr. 3 p. 32–33) maken partijen bij een premieovereenkomst primair een afspraak over de hoogte van de periodiek ten behoeve van pensioen beschikbaar te stellen premie.
|
||||
|
||||
Er zijn in beginsel drie soorten premieovereenkomsten te onderscheiden:
|
||||
|
||||
a. *De zuivere premieovereenkomst.* Hierbij wordt de beschikbaar gestelde premie belegd tot aan de pensioendatum. Daardoor is onzeker tot welk kapitaal deze premies aangroeien. Het beleggingsrisico komt tot aan de pensioendatum voor rekening van de werknemer. Daarnaast kan de gemiddelde levensverwachting tijdens de opbouwfase veranderen. Ook dat risico (langlevenrisico) is voor rekening van de werknemer. Zie hierover paragraaf 3.
|
||||
b. *De premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal.* Met de beschikbaar gestelde premie kopen partijen meteen na het beschikbaar stellen een kapitaalverzekering in. De verzekeraar zet op de pensioendatum het beschikbare verzekerde kapitaal tegen de dan geldende tarieven om in een aanspraak op een periodieke uitkering. Hierbij is het beleggingsrisico overgenomen door de verzekeraar, maar blijft het langlevenrisico voor rekening van de werknemer. Zie hierover ook paragraaf 3.
|
||||
c. *De premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering.* Partijen kopen met de premie meteen een verzekering voor een periodieke uitkering in. In dat geval neemt de verzekeraar zowel het langlevenrisico als het beleggingsrisico over. Zie hierover paragraaf 5.
|
||||
|
||||
Voor de fiscale beoordeling van een pensioenregeling is het voor de pensioenopbouw gebruikte pensioenstelsel van belang. De pensioenopbouw moet plaatsvinden volgens een eindloonstelsel, een middelloonstelsel of een beschikbare-premiestelsel. In een aantal gevallen bevatten premieovereenkomsten naast kenmerken van een beschikbare-premiestelsel ook elementen van een eindloon- of middelloonstelsel. In dergelijke regelingen is sprake van samenloop van verschillende pensioenstelsels. Voor de fiscale kwalificatie worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen en in onderlinge samenhang bezien. Vervolgens moet worden vastgesteld onder welke van de drie stelsels de regeling valt (artikel 4.3, eerste lid, URLB 2011). Is een dergelijke kwalificatie niet mogelijk vanwege de kenmerken van de regeling, dan kan de regeling met toepassing van artikel 19d van de Wet LB worden aangewezen als pensioenregeling.
|
||||
|
||||
## 3. De zuivere premieovereenkomst en de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal
|
||||
|
||||
### 3.1. Inleiding
|
||||
|
||||
De in paragraaf 2.2 onder a genoemde zuivere premieovereenkomst is fiscaal altijd een beschikbare-premieregeling. Deze pensioenregeling moet voldoen aan de fiscale kaders beschreven in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB. Ook de in paragraaf 2.2 onder b genoemde premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal moet fiscaal voldoen aan de fiscale kaders beschreven in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB. Een dergelijke premieovereenkomst vertoont na de omzetting van de premie in een aanspraak op kapitaal grote overeenkomsten met een kapitaalovereenkomst in de zin van artikel 10 van de PW. Een groot verschil tussen beide is echter dat bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal de overeengekomen premie is toegezegd en deze premie daarom niet kan worden verlaagd. Deze mogelijkheid moet wel aanwezig zijn bij de zuivere kapitaalovereenkomst. Zie bijlage II, voorwaarde b, onder 4. De beschikbare premie moet daarom bij de premieovereenkomst waarbij de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal voldoen aan de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB.
|
||||
|
||||
Paragraaf 3.2 geeft de grondslagen voor de vaststelling van de netto-staffels. Paragraaf 3.3 bevat de aanwijzing van regelingen die de staffels hanteren. In bijlage I zijn de staffels zelf opgenomen tezamen met de voorwaarden en aandachtspunten die bij de toepassing ervan van belang zijn. Paragraaf 3.4 ten slotte bevat het overgangsrecht dat voortvloeit uit de invoering van de Wet VPL en uit dit besluit zelf.
|
||||
|
||||
### 3.2. Grondslagen en uitgangspunten
|
||||
|
||||
Artikel 18a, derde lid, van de Wet LB bepaalt dat een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd OP tijdsevenredig moet worden opgebouwd. Het stelsel moet zijn gericht op een pensioen dat na 37 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 70 percent van het loon op dat tijdstip. Het artikel bevat verder voorschriften voor de vaststelling van de premie (vaststelling per leeftijdsklasse, de in beginsel te veronderstellen loopbaanontwikkeling en de te hanteren rekenrente en inflatie). Voor het PP op basis van een beschikbare-premiestelsel bepaalt artikel 18b, derde lid, van de Wet LB, dat de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB van overeenkomstige toepassing zijn.
|
||||
|
||||
De bepalende factoren voor een staffel zijn:
|
||||
|
||||
• de intredeleeftijd van de werknemer;
|
||||
• de AOW-franchise;
|
||||
• de toegezegde pensioensoorten;
|
||||
• de pensioeningangsleeftijd;
|
||||
• de verwachte loopbaanontwikkeling.
|
||||
|
||||
Als bij het opstellen van staffels met al deze individuele factoren rekening zou moeten worden gehouden, zouden tientallen staffels ontstaan. Dat is voor de praktijk niet werkbaar. Daarom geef ik in bijlage I van dit besluit een beperkt aantal algemeen toepasbare netto-staffels. Deze staffels zijn gericht op een opbouw volgens het middelloonstelsel. Ze bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het voordeel van staffels gericht op een opbouw volgens het middelloonstelsel is dat de staffels niet variëren met de intredeleeftijd. Voorts wordt in dat stelsel op een simpeler manier rekening gehouden met de veronderstelde loopbaanontwikkeling via het opbouwpercentage van 2,15%. De variatie in opbouw als gevolg van de AOW-franchise wordt in de staffels voorkomen door uit te gaan van een percentage van de pensioengrondslag in plaats van een percentage van het pensioengevend loon.
|
||||
|
||||
### 3.3. Aanwijzing
|
||||
|
||||
Ik wijs regelingen die gebruik maken van de staffels in bijlage I aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
|
||||
|
||||
### 3.4. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
#### . Bruto-staffels
|
||||
|
||||
Zoals aangekondigd in het besluit van 21 december 2009, nr. CPP2009/1487M, Staatscourant 2009, 20523, vervalt het besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M per 1 januari 2015. Partijen die tot 1 januari 2015 gebruik willen blijven maken van bruto-staffels zoals gepubliceerd in het besluit uit 2007, moeten in verband met de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 67 jaar per 1 januari 2014 hun staffels aanpassen. De bruto-staffels gebaseerd op een pensioenleeftijd van 67 jaar zijn opgenomen in bijlage VI C.
|
||||
|
||||
#### . Netto-staffels
|
||||
|
||||
Alle beschikbare-premieregelingen moeten uiterlijk op 1 januari 2014 zijn aangepast aan de nieuwe pensioenrichtleeftijd van 67 jaar en de maximale opbouwruimte van 2,15% (middelloon). Zie bijlage I.
|
||||
|
||||
Uiterlijk vanaf 1 januari 2015 moeten alle beschikbare-premieregelingen uitgaan van de netto-staffels van bijlage I . De verzekeraar mag bovenop deze staffels de werkelijke kosten en een premie voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid in rekening brengen. Bedragen voor het afdekken van beleggingsrisico’s zoals het kopen van een beleggingsgarantie moeten worden voldaan uit de netto-premie.
|
||||
|
||||
#### . Werknemers geboren vóór 1950
|
||||
|
||||
Werknemers voor wie het overgangsrecht geldt van artikel 38d, tweede lid, artikel 38e, tweede lid, of artikel 38f, tweede lid, van de Wet LB, mogen gebruik blijven maken van de staffels uit het inmiddels ingetrokken besluit van 28 april 2003, nr. CPP2003/308M . Voor de situaties genoemd in deze artikelleden blijft immers de wetgeving van toepassing zoals deze gold op 31 december 2004. Dat wil zeggen dat voor deze situaties nog de in dat besluit opgenomen staffels kunnen worden gebruikt. Deze staffels gaan uit van een lagere pensioenleeftijd dan 65 jaar. Daarnaast bevatte het ingetrokken besluit staffels voor de opbouw van prepensioen. De staffels uit laatstbedoelde besluit zijn overgenomen in bijlagen VI A en B van dit besluit. De staffels zijn gecorrigeerd voor de toegenomen levensverwachting door rekening te houden met de meest recente overlevingstafels GBM/GBV 2005/2010. De staffels van bijlagen VI A en B bevatten een kostenopslag van 10% (factor: 1,1) en een opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid van 8% (factor: 1/0,92).
|
||||
|
||||
## 4. De kapitaalovereenkomst
|
||||
|
||||
### 4.1. Inleiding
|
||||
|
||||
Deze paragraaf betreft de fiscale behandeling van de pensioenovereenkomsten die artikel 10 van de PW aanduidt als kapitaalovereenkomsten. Paragraaf 4.3 bevat de aanwijzing van deze kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. In bijlage II volgen de voorwaarden voor aanwijzing.
|
||||
|
||||
### 4.2. Indeling kapitaalovereenkomsten
|
||||
|
||||
In de praktijk kan onduidelijkheid bestaan over de fiscale behandeling van kapitaalovereenkomsten. Hoofdstuk IIB van de Wet LB kent geen pensioenregelingen met kapitaalovereenkomsten, maar alleen uitkeringsovereenkomsten zoals eindloonregelingen en middelloonregelingen enerzijds en beschikbare-premieregelingen anderzijds. Kapitaalovereenkomsten hebben gemeen met beschikbare-premieregelingen dat de te verkrijgen pensioenuitkeringen niet van tevoren vaststaan. Regelingen met kapitaalovereenkomsten voldoen evenwel niet aan de in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB genoemde voorwaarden voor beschikbare-premieregelingen. Daarom bestaat er aanleiding deze regelingen aan te wijzen als pensioenregeling.
|
||||
|
||||
### 4.3. Aanwijzing
|
||||
|
||||
Ik wijs regelingen met een kapitaalovereenkomst aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Het moet gaan om pensioenregelingen die in overeenstemming zijn met de in bijlage II opgenomen voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
|
||||
|
||||
## 5. De premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering
|
||||
|
||||
Een regeling met een premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering moet primair worden getoetst aan de fiscale kaders voor beschikbare-premieregelingen van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB, dan wel bijlage I . Na de omzetting van de premie in een recht op uitkering ontstaat evenwel een regeling die vergelijkbaar is met een middelloonregeling. De aan te kopen middelloonaanspraken moeten binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB blijven. Premieovereenkomsten waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering, maken gebruik van elementen van zowel het middelloon- als het beschikbare-premiestelsel. Dit in tegenstelling tot echte uitkeringsovereenkomsten, zoals eindloon- en middelloonregelingen, die direct kunnen worden getoetst aan de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Om de fiscale aanvaardbaarheid buiten twijfel te stellen wijs ik deze regelingen voor zover dat nodig is hierna aan als pensioenregeling.
|
||||
|
||||
### 5.1. Aanwijzing
|
||||
|
||||
Ik wijs, voor zover nodig, regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage III bij dit besluit. De regelingen moeten overigens verder ook voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
|
||||
|
||||
## 6. Afwijkende premieovereenkomsten
|
||||
|
||||
In de praktijk ontwikkelen verzekeraars van zowel individuele als collectieve pensioenproducten premieovereenkomsten die niet binnen de huidige kaders van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan premieovereenkomsten waarbij de beschikbare premie in afwijking van de grondslagen genoemd in artikel 18a, derde lid van de Wet LB wordt berekend tegen een rekenrente van 3%. Met deze premies in combinatie met de resultaten uit de belegging streeft men naar de opbouw van een pensioen binnen de maximale fiscale grenzen van een middelloonpensioen. Een variatie op de hierboven vermelde afwijkende premieovereenkomst is de premieovereenkomst waarbij de beschikbaar gestelde premie wordt gebaseerd op de kostprijs van een middelloonpensioen, eventueel bepaald op basis van een doorsneepremie. Ook hier streeft men naar een pensioen dat binnen de fiscaal maximale grenzen van een middelloonstelsel blijft. Hiertoe wordt jaarlijks de premie vastgesteld die overeenkomt met maximaal de kostprijs van een fiscaal aanvaardbaar middelloonpensioen. De gehanteerde rekenrente voor de berekening van de premie is echter soms lager dan 4%.
|
||||
|
||||
In beide gevallen geeft de minimale rekenrente van 4% van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB, onder de huidige marktomstandigheden meestal onvoldoende mogelijkheden om een pensioen op te bouwen dat vergelijkbaar is met een fiscaal maximaal middelloonpensioen. Dit gegeven vormt voor mij aanleiding om de twee beschreven varianten van de afwijkende premieovereenkomst hierna aan te wijzen als pensioenregeling.
|
||||
|
||||
### 6.1. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst maximaal gericht op een fiscaal aanvaardbaar middelloonpensioen
|
||||
|
||||
Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst die maximaal kunnen leiden tot een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage IV bij dit besluit. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
|
||||
|
||||
### 6.2. Aanwijzing van regelingen met een premieovereenkomst op basis van ten hoogste de kostprijs van een fiscaal maximaal middelloonpensioen
|
||||
|
||||
Ik wijs regelingen met een premieovereenkomst waarbij de premie ten hoogste gelijk is aan de kostprijs van een middelloonpensioen binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Hierbij gelden de voorwaarden en bijzonderheden van bijlage V bij dit besluit. De regelingen moeten ook overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
|
||||
|
||||
## 7. Pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden
|
||||
|
||||
### 7.1. Inleiding
|
||||
|
||||
In het bij besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M ingetrokken besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M , heb ik aangegeven dat pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Bij de fiscale beoordeling van een pensioenregeling moeten de rechten uitgedrukt in euro's het uitgangspunt zijn. De pensioenuitkeringen moeten ook na de pensioeningangsdatum worden getoetst aan de grenzen van artikel 18a tot en met artikel 18h van de Wet LB. Daarbij zijn andere overschrijdingen dan die zijn genoemd in artikel 18d van de Wet LB niet toegestaan.
|
||||
|
||||
In het besluit CPP 2003/2813M heb ik de genoemde regelingen tijdelijk aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Ik heb daarbij meegedeeld dat ik mijn beleid zou bezien bij de invoering van de PW. Artikel 11 van de PW bepaalt dat de uitkering in het kader van een pensioenovereenkomst wordt vastgesteld in een wettig Nederlands betaalmiddel. Het beleid is daarom bij besluit CPP 2007/552M herzien en de aanwijzing uit CPP 2003/2813M is daarbij ingetrokken. Deze intrekking van het beleid blijft van kracht, ook na intrekking van het besluit CPP2007/552M met ingang van 1 januari 2014. Zie paragraaf 8. De beleidsherziening geldt ook voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden die niet onder de PW vallen. Reden hiervoor is de hierboven vermelde strijdigheid van deze regelingen met de wettelijke bepalingen in de loonbelasting. Daarnaast is een gelijke fiscale behandeling gewenst van alle pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden.
|
||||
|
||||
### 7.2. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
Artikel 12, eerste lid, van de IAPW, bepaalt dat artikel 11 van de PW slechts geldt voor pensioenaanspraken die worden verworven na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel. Artikel 11 van de PW is in werking getreden op 1 januari 2008. De in het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M gegeven tijdelijke aanwijzing blijft daarom van kracht op pensioenaanspraken die tot 1 januari 2008 zijn verworven. Uitkeringen die berusten op aanspraken die zijn verworven vóór 2008 kunnen worden gedaan in beleggingseenheden. Voor zover van toepassing blijven voor deze aanspraken en uitkeringen de voorwaarden gelden van besluit CPP2003/2813M, ook na 1 januari 2008. Deze voorwaarden zijn opgenomen in bijlage VII. Alle uitkeringen die berusten op aanspraken die op of na 1 januari 2008 worden verworven, moeten worden gedaan in euro's. De aanspraken zijn anders niet vrijgesteld op basis van hoofdstuk IIB van de Wet LB.
|
||||
|
||||
Partijen kunnen er voor kiezen om op of na 1 januari 2008 de vóór die datum verworven aanspraken in beleggingseenheden geheel of gedeeltelijk om te zetten in aanspraken op uitkeringen in euro's. Deze keuze is onherroepelijk. Het omzetten van aanspraken op uitkeringen in euro's in aanspraken op uitkeringen in beleggingseenheden is naar mijn oordeel met ingang van 1 januari 2008 in strijd met artikel 11 van de PW. Voorts zal een dergelijke omzetting leiden tot toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB. De gehele pensioenaanspraak wordt belast omdat het pensioen niet meer voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Zie ook paragraaf 7.1, eerste alinea.
|
||||
|
||||
## 8. Ingetrokken regelingen
|
||||
|
||||
Het besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M wordt, mede in verband met het overgangsrecht als omschreven in 3.4, ingetrokken met ingang van 1 januari 2014.
|
||||
|
||||
De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
|
||||
|
||||
• Het besluit van 21 december 2009, nr. CPP2009/1487M; en
|
||||
• Het besluit van 13 december 2012, nr. BLKB2012/1761M
|
||||
|
||||
## 9. Inwerkingtreding en vervaldatum
|
||||
|
||||
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2014 en vervalt met ingang van 1 januari 2015.
|
||||
|
||||
## Bijlage I. Aanwijzing als bedoeld in
|
||||
|
||||
## Bijlage II. Aanwijzing als bedoeld in
|
||||
|
||||
## Bijlage III. Aanwijzing als bedoeld in
|
||||
|
||||
## Bijlage IV. Aanwijzing als bedoeld in
|
||||
|
||||
## Bijlage V. Aanwijzing als bedoeld in
|
||||
|
||||
## Bijlage VI. A, B en C
|
||||
|
||||
## Bijlage VII. Voorwaarden voor tijdelijke aanwijzing als bedoeld in
|
||||
Loading…
Add table
Reference in a new issue