2014-08-01 | BWBR0007625 | Wet educatie en beroepsonderwijs
This commit is contained in:
parent
5c417de44d
commit
9eaed4a32f
1 changed files with 134 additions and 201 deletions
|
|
@ -35,12 +35,10 @@ g. educatie: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid;
|
|||
g1. eindtermen: de eindtermen, bedoeld in artikel 7.3.3;
|
||||
h. beroepsonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid;
|
||||
i. beroepsopleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid;
|
||||
i1. voltijdse beroepsopleiding: een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid;
|
||||
i2. deeltijdse beroepsopleiding: een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, vijfde lid;
|
||||
j. beroepspraktijkvorming: het onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid;
|
||||
k. leerweg: een leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid;
|
||||
l. beroepsopleidende leerweg: de leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder a;
|
||||
m. beroepsbegeleidende leerweg: de leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder b;
|
||||
l. beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid;
|
||||
m. beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid;
|
||||
n. opleiding educatie: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid;
|
||||
n1. opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a;
|
||||
o. examinering: het nemen van beslissingen over inhoud en niveau van examens van een beroepsopleiding, procedures en voorwaarden waaronder examens worden afgenomen, alsmede het vaststellen van de uitslag van examens. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op examens van de afzonderlijke leerwegen van een opleiding indien Onze Minister ingevolge artikel 7.2.4, tweede lid, heeft besloten dat een opleiding zowel in de beroepsopleidende als in de beroepsbegeleidende leerweg kan worden verzorgd, alsmede op een opleiding educatie;
|
||||
|
|
@ -78,9 +76,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 1.1.3
|
||||
|
||||
**1.** De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.7, 1.3.8, 1.3.9, 1.7.1, 2.8.1 tot en met 2.8.3, 3.2.1, 4.1.1 tot en met 4.1.4, 4.2.1 tot en met 4.2.5, 6.4.1 tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.4.7 en met uitzondering van titel 6, de artikelen 8.1.1, 8.1.1a, 8.1.2, tweede lid, 8.1.3, eerste tot en met derde lid, 8.1.4 tot en met 8.2.1, 8.4.1, 8.4.2, 8.5.1, 8.5.2 en 9.1.2, alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen, zijn regels voor openbare instellingen voor educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
**1.** De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.7, 1.3.8, 1.3.9, 1.7.1, 2.8.1 tot en met 2.8.3, 3.2.1, 4.1.1 tot en met 4.1.4, 4.2.1 tot en met 4.2.5, 6.4.1 tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.4.7 en met uitzondering van titel 6, de artikelen 8.1.1 tot en met 8.1.1d, 8.1.2, tweede lid, 8.1.3, eerste tot en met derde lid, 8.1.4 tot en met 8.2.1, 8.4.1, 8.4.2, 8.5.1, 8.5.2 en 9.1.2, alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen, zijn regels voor openbare instellingen voor educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.8, 1.3.9, 1.7.1, 2.1.9, 2.8.1 tot en met 2.8.3, 3.2.1, 4.1.1, 4.1.2, 4.1.4, 4.1.5, eerste lid, 4.1.6 tot en met 4.2.5, 6.4.1 tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.4.7 en met uitzondering van titel 6, de artikelen 8.1.1, 8.1.1a, 8.1.2, eerste lid, 8.1.3 tot en met 8.2.1, 8.4.1, 8.4.2, 8.5.1, 8.5.2, 9.1.1, 9.1.3, eerste lid, 9.1.4, 9.1.7 en 9.1.8, alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen, zijn voorwaarden voor bekostiging voor bijzondere instellingen voor educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
**2.** De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.8, 1.3.9, 1.7.1, 2.1.9, 2.8.1 tot en met 2.8.3, 3.2.1, 4.1.1, 4.1.2, 4.1.4, 4.1.5, eerste lid, 4.1.6 tot en met 4.2.5, 6.4.1 tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.4.7 en met uitzondering van titel 6, de artikelen 8.1.1 tot en met 8.1.1d, 8.1.2, eerste lid, 8.1.3 tot en met 8.2.1, 8.4.1, 8.4.2, 8.5.1, 8.5.2, 9.1.1, 9.1.3, eerste lid, 9.1.4, 9.1.7 en 9.1.8, alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen, zijn voorwaarden voor bekostiging voor bijzondere instellingen voor educatie en beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Titel 2. Doelstellingen onderwijs
|
||||
|
||||
|
|
@ -207,7 +205,7 @@ Het bevoegd gezag draagt zorg voor het personeelsbeleid, voor zover het betreft
|
|||
Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling of van een instelling dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg of van een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, verzorgd door die instelling, een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden, indien de desbetreffende instelling voor die opleiding in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:
|
||||
|
||||
a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6,
|
||||
b. het onderwijs, met uitzondering van artikel 7.1.1 en de examens,
|
||||
b. het onderwijs, met uitzondering van de artikelen 7.1.1 en 7.2.4a, derde lid, mits het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal uren beroepspraktijkvorming op grond van de studieduur, naar evenredigheid ten minste gelijk is aan het aantal uren, bedoeld in artikel 7.2.7, tweede tot en met vierde lid, en de examens,
|
||||
c. de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5,
|
||||
d. de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, eerste tot en met derde lid,
|
||||
e. de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 8.2.1, en
|
||||
|
|
@ -242,7 +240,7 @@ f. de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.3.
|
|||
|
||||
### Artikel 1.4a.1
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een in het tweede lid bedoelde instelling, dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een opleiding educatie, verzorgd door die instelling, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I en II, een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.11, vijfde lid, is verbonden, indien die instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet voor die opleiding is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, en ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.1.1, titel 2, titel 4 voor zover het betreft de artikelen 7.4.3, 7.4.4 en 7.4.7, en titel 6, en eveneens in acht neemt hetgeen is bepaald in artikel 8.1.1, zesde lid, eerste volzin.
|
||||
**1.** Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een in het tweede lid bedoelde instelling, dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een opleiding educatie, verzorgd door die instelling, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I en II, een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.11, vijfde lid, is verbonden, indien die instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet voor die opleiding is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, en ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.1.1, titel 2, titel 4 voor zover het betreft de artikelen 7.4.3, 7.4.4 en 7.4.7, en titel 6, en eveneens in acht neemt hetgeen is bepaald in artikel 8.1.1d, eerste volzin.
|
||||
|
||||
**2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan voor een andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling of voor een instelling. Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval het ontwerp van een beschrijving van de regeling voor het onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in artikel 7.4.8, voor de opleiding educatie waarop de aanvraag betrekking heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -446,7 +444,7 @@ i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd.
|
|||
|
||||
**1.** De rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs waarop de in artikel 1.3.1 bedoelde aanspraak betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze. Wat huisvestingskosten betreft wordt de rijksbijdrage berekend hetzij op grond van die berekeningswijze hetzij op grond van een andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.
|
||||
|
||||
**2.** De rijksbijdrage bestaat uit afzonderlijk berekende bijdragen ten behoeve van exploitatiekosten en huisvestingskosten.
|
||||
**2.** De rijksbijdrage bestaat uit bijdragen ten behoeve van exploitatiekosten en huisvestingskosten.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -485,22 +483,20 @@ c. eerste inrichting.
|
|||
|
||||
De maatstaven voorzien in bekostiging aan de hand van:
|
||||
|
||||
a. de instroom van deelnemers, en
|
||||
b. het aantal deelnemers en examendeelnemers dat een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 heeft behaald.
|
||||
a. het aantal ingeschreven deelnemers, en
|
||||
b. het aantal deelnemers dat een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 heeft behaald, waaronder mede begrepen het aantal examendeelnemers dat een dergelijk diploma bij een instelling heeft behaald binnen twee kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarin de inschrijving als deelnemer bij een instelling voor een beroepsopleiding waarvoor de instelling bekostiging heeft of zal ontvangen, zonder het behalen van een dergelijk diploma is geëindigd.
|
||||
|
||||
**3.** Voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, voor zover betrekking hebbend op beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a en b, wordt een afzonderlijk bedrag berekend, aan de hand van de instroom van deelnemers.
|
||||
**3.** Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder a, geldt inschrijving van een deelnemer voor twee of meer beroepsopleidingen in enig studiejaar als inschrijving voor één beroepsopleiding.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder a, geldt inschrijving van een deelnemer voor twee of meer voltijdse dan wel twee of meer deeltijdse beroepsopleidingen in enig studiejaar als inschrijving voor één voltijdse respectievelijk één deeltijdse beroepsopleiding. Inschrijving van een deelnemer voor zowel voltijdse als deeltijdse beroepsopleidingen in enig studiejaar geldt voor de toepassing van die maatstaf als inschrijving voor een voltijdse opleiding.
|
||||
**4.** Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt dat indien in enig kalenderjaar door een deelnemer of examendeelnemer een diploma wordt behaald van een beroepsopleiding die niet van een hoger niveau als bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, is dan de beroepsopleiding waarvan die deelnemer al eerder in dat kalenderjaar een diploma heeft behaald, uitsluitend het eerstbehaalde van die diploma’s wordt meegeteld.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt dat een deelnemer of examendeelnemer in enig jaar slechts eenmaal wordt meegeteld bij het bepalen van het aantal deelnemers onderscheidenlijk examendeelnemers die een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 hebben behaald.
|
||||
**5.** Bij de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder b, blijven de deelnemers aan de entreeopleiding buiten beschouwing.
|
||||
|
||||
**6.** Bij de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder a, blijven buiten beschouwing deelnemers aan een deeltijdse opleiding waarvoor het bevoegd gezag een in instellingstijd verzorgd onderwijsprogramma, met inbegrip van de beroepspraktijkvorming, heeft ingericht dat minder dan 300 uren per volledig studiejaar omvat.
|
||||
**6.** In de maatstaven, bedoeld in het tweede lid, kan onderscheid gemaakt worden naar groepen van deelnemers, naar opleidingen, naar verblijfsduur van een deelnemer in één of meer opleidingen, naar soorten van instellingen en naar behaalde diploma’s.
|
||||
|
||||
**7.** In de maatstaven, bedoeld in het tweede lid, kan onderscheid worden gemaakt naar groepen van deelnemers en naar opleidingen.
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
Deelnemers die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen tellen alleen mee, indien:
|
||||
Deelnemers die niet zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegegevens, tellen alleen mee, indien:
|
||||
|
||||
a. zij onderwijs, daaronder begrepen de beroepspraktijkvorming, in Nederland volgen, en
|
||||
b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland wonen.
|
||||
|
|
@ -515,7 +511,7 @@ b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen,
|
|||
|
||||
### Artikel 2.2.4
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor gehandicapte deelnemers.
|
||||
**1.** Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor gehandicapte deelnemers alsmede het bedrag voor de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**2.** De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
|
||||
|
||||
|
|
@ -527,63 +523,25 @@ b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen,
|
|||
|
||||
### Artikel 2.2.4a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van het onderwijs.
|
||||
|
||||
Onze Minister kan het burgerservicenummer van een persoon, behorend tot gewezen personeel als bedoeld in artikel 2.2.1, vijfde lid, uitsluitend in het kader van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.2.1, vijfde lid, gebruiken in het verkeer met:
|
||||
|
||||
a. het gewezen personeelslid,
|
||||
b. het bevoegd gezag van de instelling waar de in onderdeel a bedoelde persoon werkzaam was, of
|
||||
c. de instantie die de werkloosheidsuitkeringen, de suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet verstrekt of heeft verstrekt.
|
||||
|
||||
**2.** Het burgerservicenummer wordt op een daartoe strekkend verzoek van de minister aan de minister verstrekt door het bevoegd gezag van de instelling waar het gewezen personeelslid werkzaam was.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Leerlinggebonden financiering
|
||||
#### Paragraaf 2. Grondslag vermindering bekostiging vbo-groen in een AOC in verband met passend onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.5
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. beroepsopleiding: een beroepsopleiding die op grond van artikel 2.1.1 voor bekostiging in aanmerking komt;
|
||||
b. deelnemer: de aan een instelling ingeschreven deelnemer die een beroepsopleiding volgt waarvoor het bevoegd gezag een in instellingstijd verzorgd onderwijsprogramma heeft vastgesteld dat, met inbegrip van de beroepspraktijkvorming, een omvang van tenminste 300 uren per volledig studiejaar heeft.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van deze paragraaf zijn de artikelen 8a, eerste en tweede lid, 28b, zesde lid tot en met achtste lid, met uitzondering van het zesde lid, onder f, 28c, met uitzondering van het eerste lid, onder b, en het derde lid, 28d en 71a van de Wet op de expertisecentra van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. onder leerling wordt verstaan: deelnemer als bedoeld in het eerste lid, onder b;
|
||||
b. onder ouders van een leerling wordt verstaan: een deelnemer of de ouders, voogden of verzorgers van een deelnemer;
|
||||
c. onder een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs wordt verstaan: een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, en een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9;
|
||||
d. onder schooljaar wordt verstaan: studiejaar.
|
||||
De artikelen 85c en 89b van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het in die instelling verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.6
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag van een instelling geeft aan Onze Minister een melding van een inschrijving van een deelnemer dan wel een melding van een deelnemer die reeds staat ingeschreven voor wie op basis van een beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling als bedoeld in artikel 28c van de Wet op de expertisecentra, een leerlinggebonden budget voor een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b, c of d, van de Wet op de expertisecentra beschikbaar is.
|
||||
|
||||
**2.** Onder beoordeling, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan een beoordeling als bedoeld in artikel 2.2.5, tweede lid, juncto artikel 28c, eerste lid, onder a van de Wet op de expertisecentra alsmede een beoordeling als bedoeld in artikel 28c, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra ten behoeve van een leerling in de zin van de Wet op het primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs waarvan de duur van de indicatiestelling niet is verstreken.
|
||||
|
||||
**3.** Indien sprake is van een eerste inschrijving bij een instelling van een deelnemer voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is dan wel indien een dergelijk budget voor het eerst beschikbaar komt voor een deelnemer die al staat ingeschreven bij een instelling, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de in het eerste lid bedoelde melding aan het bevoegd gezag ten behoeve van die deelnemer een leerlinggebonden budget verleend voor de duur of de resterende duur van de indicatiestelling tot een maximum van zeven jaren in het beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een deelnemer voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is binnen de instelling verandert van leerweg, opleiding of opleidingsniveau, als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede en derde lid, meldt het bevoegd gezag deze wijziging onverwijld aan Onze Minister. Met ingang van 1 augustus volgend op deze wijziging vervalt het oorspronkelijke leerlinggebonden budget en wordt een nieuw leerlinggebonden budget verleend voor de gewijzigde leerweg, de gewijzigde opleiding of het gewijzigde opleidingsniveau voor de duur of de resterende duur van de indicatiestelling totdat in totaal zeven jaren leerlinggebonden budget in het beroepsonderwijs voor de deelnemer is verstrekt.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de deelnemer, nadat het derde lid is toegepast, beroepsonderwijs aan een andere instelling gaat volgen, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de in het eerste lid bedoelde melding aan het bevoegd gezag voor de deelnemer een leerlinggebonden budget verleend voor de duur of de resterende duur van de indicatiestelling totdat in totaal zeven jaren leerlinggebonden budget in het beroepsonderwijs voor de deelnemer is verstrekt. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op een deelnemer die zich na uitschrijving opnieuw bij een instelling inschrijft en voor wie nog niet in totaal zeven jaren leerlinggebonden budget in het beroepsonderwijs is verstrekt.
|
||||
|
||||
**6.** Indien de deelnemer de instelling verlaat of niet langer een beroepsopleiding volgt, vervalt het leerlinggebonden budget met ingang van de eerste dag van de maand na de datum van het uitschrijven van de deelnemer.
|
||||
|
||||
**7.** Het leerlinggebonden budget wordt berekend op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.7
|
||||
|
||||
Bij de melding, bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, geeft het bevoegd gezag tevens aan bij welke school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen deel van het leerlinggebonden budget wordt besteed. Op grond van deze melding kent Onze Minister onverminderd artikel 2.2.6, zesde lid, dat deel van het leerlinggebonden budget toe aan laatstbedoelde school.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.8
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag van een instelling waar een deelnemer is ingeschreven voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, stelt in overeenstemming met de deelnemer of indien de deelnemer minderjarig is met de deelnemer en de ouders, voogden of verzorgers van de deelnemer voor elk studiejaar een handelingsplan op. Indien de inschrijving van de in de eerste volzin bedoelde deelnemer plaatsvindt op of na 1 augustus wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld.
|
||||
|
||||
**2.** In het handelingsplan dat betrekking heeft op het laatste studiejaar van de periode gedurende welke voor de deelnemer een indicatie voor leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt aangegeven dat de voortzetting van de voorzieningen die voor de deelnemer zijn getroffen op basis van het leerlinggebonden budget, afhankelijk is van een nieuwe beoordeling door een commissie voor de indicatiestelling.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag evalueert jaarlijks het handelingsplan met de deelnemer of indien de deelnemer minderjarig is met de deelnemer en de ouders, voogden of verzorgers van de deelnemer.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2.9
|
||||
|
||||
|
|
@ -772,9 +730,7 @@ c. verwerking van de gegevens, bedoeld in 24f, derde en vierde lid, van de Wet o
|
|||
|
||||
**1.** De rijksbijdrage voor de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven waarop de in artikel 1.5.1 bedoelde aanspraak betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per kenniscentrum berekend aan de hand van maatstaven, neergelegd in een berekeningswijze, vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. De maatstaven hebben in elk geval betrekking op de aard en de omvang van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 1.5.2, voor zover niet verricht in het kader van dienstverlening. Wat huisvestingskosten betreft wordt de rijksbijdrage berekend hetzij op grond van die berekeningswijze hetzij op grond van een andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.
|
||||
|
||||
**2.** Op de rijksbijdrage wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een bedrag in mindering gebracht in verband met werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid anders dan op grond van de Ziektewet aan gewezen personeel van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. De artikelen 2.2.1, vijfde lid, tweede volzin, en 2.2.4a zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Een in het eerste lid en in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
|
||||
**2.** Een in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -790,6 +746,10 @@ c. verwerking van de gegevens, bedoeld in 24f, derde en vierde lid, van de Wet o
|
|||
|
||||
Indien bijzondere ontwikkelingen in het beroepsonderwijs daartoe aanleiding geven, kan volgens bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden aan de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven voor een bij die regeling te bepalen periode een aanvullende rijksbijdrage worden toegekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4.3a
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van de taken van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4.4
|
||||
|
|
@ -1415,7 +1375,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan ten aanzien van een beroepsopleiding, verzorgd door een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, ontnemen indien
|
||||
Onze Minister kan ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, verzorgd door een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, ontnemen indien
|
||||
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van de opleiding langer dan één jaar onvoldoende is geweest,
|
||||
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, of aan artikel 1.4.1, zesde lid, onderdelen a tot en met e, of
|
||||
|
|
@ -1423,6 +1383,8 @@ c. in strijd is gehandeld met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
|||
|
||||
**2.** Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden en dat de registratie in het Centraal register wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in een andere leerweg als bedoeld in artikel 1.4.1, lid 1a.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1617,7 +1579,7 @@ b. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs da
|
|||
|
||||
**1.** De instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van beroepsopleidingen of opleidingen educatie. Een beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van de kwalificatie waarop zij is gericht of voorzover het gaat om deelnemers die ingeschreven zijn of zullen worden voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier, de naam van dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier.
|
||||
|
||||
**2.** Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een deelnemer is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.
|
||||
**2.** Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een deelnemer is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, onverminderd artikel 1.4.1, lid 1a, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.
|
||||
|
||||
**3.** Een opleiding educatie is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma, gelijkwaardig aan een diploma van scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of onderdelen van een dergelijk diploma.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1660,23 +1622,15 @@ Deze titel is van toepassing op beroepsopleidingen.
|
|||
|
||||
De volgende soorten beroepsopleidingen worden onderscheiden:
|
||||
|
||||
a. de assistentopleiding,
|
||||
a. de entreeopleiding,
|
||||
b. de basisberoepsopleiding,
|
||||
c. de vakopleiding,
|
||||
d. de middenkaderopleiding, en
|
||||
e. de specialistenopleiding.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde opleidingen kunnen worden verzorgd in de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg.
|
||||
|
||||
De in het eerste lid bedoelde opleidingen bestaan uit:
|
||||
|
||||
a. een beroepsopleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van ten minste 20% en minder dan 60% van de studieduur, of
|
||||
b. een beroepsbegeleidende leerweg, omvattend een praktijkdeel van 60% of meer van de studieduur, dan wel
|
||||
c. zowel de onder *a* als de onder *b* bedoelde leerweg.
|
||||
|
||||
**3.** De assistentopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en de middenkader- en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening.
|
||||
|
||||
**4.** Aan de in het eerste lid bedoelde opleidingen kunnen ten behoeve van individuele deelnemers voorbereidende en ondersteunende activiteiten worden toegevoegd ter bevordering van het kunnen instromen in en met gunstig gevolg voltooien van de opleiding. Deze activiteiten maken geen deel uit van de opleiding. Voorbereidende en ondersteunende activiteiten zijn bestemd voor deelnemers wier vooropleiding naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende uitzicht biedt op het binnen een redelijke tijd behalen van de kwalificatie waarvoor de deelnemer en de instelling een onderwijsovereenkomst hebben gesloten.
|
||||
**3.** De entreeopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en de middenkader- en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.2.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -1703,9 +1657,8 @@ c. van elke kwalificatie:
|
|||
|
||||
1° de soort beroepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, waarop de kwalificatie is gericht,
|
||||
2°. de leerweg of leerwegen, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, waarin die beroepsopleiding kan worden verzorgd,
|
||||
3° het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, van die beroepsopleiding,
|
||||
4° de hoogte van de studielast van die beroepsopleiding, met inachtneming van het negende lid, en
|
||||
5° of toepassing is gegeven aan artikel 7.2.6, eerste lid.
|
||||
3° het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, van die beroepsopleiding, en
|
||||
4° of toepassing is gegeven aan artikel 7.2.6, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Het kenniscentrum neemt bij het voorstel voor een kwalificatiedossier het bepaalde in het tweede en vierde lid in acht. Uit het voorstel blijkt dat het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven voldoende acht heeft geslagen op de aansluiting tussen de opleidingen voorbereidend beroepsonderwijs, de opleidingen middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, de beroepsopleidingen en de opleidingen hoger beroepsonderwijs, in elk geval door raadpleging van vertegenwoordigers van die onderwijsvelden. Indien ook andere instanties nauw bij het voorstel voor het kwalificatiedossier zijn betrokken, maakt het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven in zijn voorstel melding van de wijze waarop het oordeel van die instanties is betrokken in het voorstel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1715,23 +1668,25 @@ c. van elke kwalificatie:
|
|||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de termijnen bij de totstandkoming, vaststelling en geldigheidsduur van kwalificatiedossiers. Tevens worden bij ministeriële regeling een model en een toetsingskader voor kwalificatiedossiers vastgesteld.
|
||||
|
||||
**7.** Deelnemers worden behoudens de tweede volzin opgeleid overeenkomstig het kwalificatiedossier dat voor de desbetreffende beroepsopleiding is vastgesteld voor de aanvang van het studiejaar waarin zij met het eerste jaar van die opleiding starten. Nadat de geldigheidsduur van een kwalificatiedossier is verstreken, kan een diploma op basis van dat kwalificatiedossier nog worden uitgereikt gedurende een periode die overeenkomt met de normatieve studieduur van de desbetreffende beroepsopleiding, vermeerderd met 2 jaren.
|
||||
|
||||
**8.** Het bevoegd gezag stelt de studieduur van de opleiding vast met inachtneming van de studielast. De studieduur kan verschillen voor onderscheiden deelnemers of groepen van deelnemers.
|
||||
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
De studielast van elke kwalificatie wordt uitgedrukt in normatieve studiejaren. Een normatief studiejaar telt veertig weken van elk veertig uren studie, daaronder mede begrepen het onderricht in de praktijk. De studielast bedraagt voor de onderscheiden in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a tot en met e, bedoelde opleidingen het volgende aantal normatieve studiejaren of het volgende gedeelte daarvan:
|
||||
|
||||
a. 1 jaar,
|
||||
b. ten minste 2 en ten hoogste 3 jaren,
|
||||
c. ten minste 2 en ten hoogste 4 jaren,
|
||||
d. ten minste 3 en ten hoogste 4 jaren, en
|
||||
e. ten minste 1 jaar en ten hoogste 2 jaren.
|
||||
**7.** Deelnemers worden behoudens de tweede volzin opgeleid overeenkomstig het kwalificatiedossier dat voor de desbetreffende beroepsopleiding is vastgesteld voor de aanvang van het studiejaar waarin zij met het eerste jaar van die opleiding starten. Nadat de geldigheidsduur van een kwalificatiedossier is verstreken, kan een diploma op basis van dat kwalificatiedossier nog worden uitgereikt gedurende een periode die overeenkomt met de studieduur van de desbetreffende beroepsopleiding, vermeerderd met 2 jaren.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.2.4a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt de studieduur van de opleiding vast met inachtneming van de bij of krachtens het tweede en derde lid gestelde regels.
|
||||
|
||||
**2.** De studieduur van de opleiding wordt uitgedrukt in volledige studiejaren of gedeelten daarvan. Eén volledig studiejaar heeft een studielast van ten minste 1600 klokuren.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De studieduur bedraagt:
|
||||
|
||||
a. één volledig studiejaar voor de entreeopleiding;
|
||||
b. ten minste één en ten hoogste twee volledige studiejaren voor de basisberoepsopleiding;
|
||||
c. ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren voor de vakopleiding;
|
||||
d. drie volledige studiejaren voor de middenkaderopleiding;
|
||||
e. één volledig studiejaar voor de specialistenopleiding.
|
||||
|
||||
**4.** Indien dit in verband met de aard van de opleiding noodzakelijk is, kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat voor de middenkaderopleiding een langere studieduur kan worden vastgesteld. Onze Minister geeft daarbij de betreffende opleiding aan en het aantal volledige studiejaren of gedeelten daarvan die de studieduur van die opleiding ten hoogste mag bedragen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.2.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -1755,15 +1710,30 @@ c. neemt Onze Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de standaa
|
|||
|
||||
### Artikel 7.2.7
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat deelnemers, ongeacht of zij eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier, de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken.
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat deelnemers, ongeacht of zij eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier, de kwalificatie binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat.
|
||||
|
||||
**2.** Beroepsopleidingen zijn voltijds of deeltijds dan wel zowel voltijds als deeltijds ingericht.
|
||||
**2.** Beroepsopleidingen in de beroepsopleidende leerweg en in de beroepsbegeleidende leerweg zijn voltijds ingericht en hebben per volledig studiejaar een studielast van ten minste 1600 klokuren.
|
||||
|
||||
**3.** Voltijdse beroepsopleidingen zijn opleidingen in de beroepsopleidende leerweg waarvan elk volledig studiejaar een studielast van 1600 uren of meer heeft, en waarvoor het bevoegd gezag voor de deelnemer in instellingstijd een onderwijsprogramma verzorgt dat ten minste 850 uren per volledig studiejaar omvat. Indien de door Onze Minister vastgestelde studielast ertoe leidt dat in het laatste studiejaar de duur van de opleiding gerekend vanaf 1 september en naar boven afgerond op hele maanden minder is dan 10 maanden, dan wordt de norm van 850 uren in dat jaar evenredig verlaagd.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
**4.** Het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de deelnemer wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag.
|
||||
Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsopleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de deelnemer een onderwijsprogramma verzorgt dat:
|
||||
|
||||
**5.** Beroepsopleidingen die niet zijn ingericht volgens het derde lid, zijn deeltijdse beroepsopleidingen.
|
||||
a. voor de entreeopleiding ten minste 1000 klokuren omvat waarvan ten minste 600 begeleide onderwijsuren;
|
||||
b. voor een eenjarige basisberoepsopleiding en voor de specialistenopleiding ten minste 1000 klokuren omvat, waarvan ten minste 700 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren beroepspraktijkvorming;
|
||||
c. voor een tweejarige basisberoepsopleiding en voor een tweejarige vakopleiding ten minste 2000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1250 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd;
|
||||
d. voor een driejarige vakopleiding en de middenkaderopleiding ten minste 3000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1800 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd.
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de onder a tot en met d genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de deelnemer een onderwijsprogramma verzorgt dat elk studiejaar ten minste 850 klokuren omvat, waarvan ten minste 200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren beroepspraktijkvorming. Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid.
|
||||
|
||||
**5.** Het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde en vierde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de deelnemer wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag en bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming.
|
||||
|
||||
**6.** De begeleide onderwijsuren, bedoeld in het eerste, derde, vierde en vijfde lid, zijn klokuren waarin onderwijs wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel als bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2, niet zijnde uren die deel uit maken van de beroepspraktijkvorming.
|
||||
|
||||
**7.** Indien in het laatste studiejaar van de basisberoepsopleiding of de vakopleiding de studieduur van de opleiding gerekend vanaf 1 september en naar boven afgerond op hele maanden minder is dan 10 maanden, worden het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming, genoemd in het derde lid, onder b, c en d en het vierde lid, in dat studiejaar evenredig verlaagd. De laatste twee volzinnen van het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**8.** Voor opleidingen waarvan op grond van artikel 7.2.4a, vierde lid, een studieduur is vastgesteld van meer dan drie volledige studiejaren wordt het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, naar evenredigheid verhoogd met begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming. De laatste twee volzinnen van het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.2.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -1773,7 +1743,7 @@ c. neemt Onze Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de standaa
|
|||
|
||||
De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 genoemde partijen. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde, ten minste bepalingen over:
|
||||
|
||||
a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het aantal te volgen praktijkuren per kalenderjaar,
|
||||
a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het totale aantal te volgen praktijkuren en de verdeling daarvan over de studiejaren,
|
||||
b. de begeleiding van de deelnemer,
|
||||
c. dat deel van de kwalificatie dat de deelnemer tijdens de beroepspraktijkvorming dient te behalen, en de beoordeling daarvan, en
|
||||
d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.
|
||||
|
|
@ -1881,7 +1851,7 @@ b. de procedures rond de examens en de voorwaarden waaronder examens worden afge
|
|||
|
||||
**2.** Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan artikel 6.1.5b, eerste lid, 6.2.3b, eerste lid, dan wel 6.3.2, eerste lid, is het bevoegd gezag voor die beroepsopleiding gehouden toepassing te geven aan het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan de examinering van examendeelnemers die op grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 8.4.2 een assistentopleiding volgen, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs.
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan de examinering van examendeelnemers die op grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 8.4.2 een entreeopleiding volgen, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -1926,11 +1896,11 @@ c. indien deze noodzakelijk is voor deelneming van personen met een buitenlandse
|
|||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat deelnemers volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma en de examens.
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag legt de beschrijving van het onderwijsprogramma, met vermelding van het aantal begeleide onderwijsuren als bedoeld in artikel 7.2.7 per programmaonderdeel per studiejaar en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming per studiejaar, en de regels met betrekking tot het examen tijdig voor aanvang van de opleiding vast in de onderwijs- en examenregeling van de instelling en zorgt ervoor dat deelnemers volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma, examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte deelnemers die extra ondersteuning behoeven.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat voltijdse beroepsopleidingen aantoonbaar voldoen aan de eisen van artikel 7.2.7, derde lid.
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat beroepsopleidingen aantoonbaar voldoen aan de eisen van artikel 7.2.7, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een deelnemersstatuut waarin de rechten en plichten van de deelnemers zijn opgenomen.
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een deelnemersstatuut waarin de rechten en plichten van de deelnemers zijn opgenomen. In het deelnemersstatuut zijn in elk geval de nadere regels, bedoeld in artikel 8.1.7a, vierde lid, opgenomen.
|
||||
|
||||
**5.** De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens het afnemen van de toetsen, het examen of de examenonderdelen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2098,7 +2068,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**6.** De instellingen waarbij studenten als bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie, belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen, voor de directieleden en de door deze aan te wijzen docenten van die opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden van de betrokken staatsexamencommissies, een en ander voor zover dat voor de uitoefening van het toezicht op de praktische vorming onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in de instelling aanwezige studenten noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. Inschrijving, vooropleidingseisen, voortijdig schoolverlaten
|
||||
## Hoofdstuk 8. Inschrijving, toelating, bindend studieadvies, vooropleidingseisen, voortijdig schoolverlaten, samenwerking
|
||||
|
||||
### Titel 1. Inschrijving
|
||||
|
||||
|
|
@ -2117,19 +2087,15 @@ d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b
|
|||
|
||||
**1b.** Voor de student die zich heeft ingeschreven voor een Ad-programma als bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek geldt niet de verplichting, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, om gebruik te kunnen maken van de onderwijsvoorzieningen.
|
||||
|
||||
**2.** De inschrijving geschiedt voor een opleiding of een onderdeel daarvan. In geval van een beroepsopleiding geschiedt de inschrijving voor een opleidingsdomein, een kwalificatiedossier of een kwalificatie. Bij de inschrijving worden alle gegevens vermeld die het bevoegd gezag nodig heeft om te kunnen voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, of ingeval van een beroepsopleiding, artikel 2.5.5a, tweede lid.
|
||||
**2.** De inschrijving geschiedt voor een opleiding educatie of een onderdeel daarvan of voor een beroepsopleiding. In geval van een beroepsopleiding geschiedt de inschrijving voor een opleidingsdomein, een kwalificatiedossier of een kwalificatie. Bij de inschrijving worden alle gegevens vermeld die het bevoegd gezag nodig heeft om te kunnen voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, of ingeval van een beroepsopleiding, artikel 2.5.5a, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** De inschrijving staat uitsluitend open voor degenen ten aanzien van wie het bevoegd gezag beslist dat zij tot de instelling worden toegelaten, onverminderd het eerste lid, vierde volzin, en het vijfde lid. Het bevoegd gezag kan het nemen van de beslissing over de toelating opdragen aan een door hem in te stellen toelatingscommissie. Het bevoegd gezag regelt de bevoegdheden en de werkzaamheden van de toelatingscommissie.
|
||||
**3.** De toelating tot beroepsopleidingen staat voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, uitsluitend open voor degenen voor wie de volledige leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969, is geëindigd.
|
||||
|
||||
**4.** De toelating tot beroepsopleidingen staat voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, uitsluitend open voor degenen voor wie de volledige leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969, is geëindigd.
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel beëindigd indien de betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel beëindigd indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel indien is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel beëindiging van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden beëindigd op grond van de tweede volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het derde lid en met inachtneming van artikel 8.2.1 en het krachtens artikel 8.2.2 bepaalde” doch onverminderd de vierde volzin van het eerste lid, staat de inschrijving voor een assistentopleiding of basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, open voor een ieder, met dien verstande dat het bevoegd gezag van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel ingetrokken indien de betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel ingetrokken indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel indien is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel intrekking van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden ingetrokken op grond van de tweede volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.
|
||||
**5.** De inschrijving voor een opleidingsdomein kan uitsluitend geschieden voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg op het tweede, derde of vierde niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid.
|
||||
|
||||
**6.** De toelating tot opleidingen educatie staat uitsluitend open voor volwassenen. De toelating tot de opleidingen educatie, bedoeld in artikel 7.3.1. eerste lid, onderdelen c tot en met e, staat niet open voor volwassenen die inburgeringsplichtig zijn in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet inburgering. Het bevoegd gezag neemt bij de toelating tot opleidingen educatie de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.3.4, in acht.
|
||||
|
||||
**7.** De inschrijving voor een opleidingsdomein kan uitsluitend geschieden voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg op het tweede, derde of vierde niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid.
|
||||
|
||||
**8.** Bij ministeriële regeling kan een maximum worden vastgesteld voor het percentage van de deelnemers in het beroepsonderwijs dat in een jaar kan worden ingeschreven voor een opleidingsdomein.
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling kan een maximum worden vastgesteld voor het percentage van de deelnemers in het beroepsonderwijs dat in een jaar kan worden ingeschreven voor een opleidingsdomein.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1.1a
|
||||
|
||||
|
|
@ -2147,15 +2113,17 @@ d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b
|
|||
|
||||
### Artikel 8.1.1b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De toelating tot de entreeopleiding staat uitsluitend open voor degenen die niet ten minste voldoen aan de vooropleidingseisen van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 8.2.1, vierde lid, en op wie paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is, met uitzondering van degenen ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan artikel 3b van de Leerplichtwet 1969.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan de toelating tot de entreeopleiding slechts weigeren indien diegene die om toelating verzoekt in de afgelopen twee studiejaren bij een instelling was ingeschreven voor een entreeopleiding.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1.1c
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Het bevoegd gezag beslist over de toelating tot de basisberoepsopleiding, de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding. Het bevoegd gezag kan bepalen dat de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid onder zijn verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend door een door het bevoegd gezag in te stellen toelatingscommissie. Het bevoegd gezag regelt de omvang, werkzaamheden en bevoegdheden van de toelatingscommissie.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1.1d
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De toelating tot opleidingen educatie staat uitsluitend open voor volwassenen. De toelating tot de opleidingen educatie, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdelen c tot en met e, staat niet open voor volwassenen die inburgeringsplichtig zijn in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet inburgering. Het bevoegd gezag neemt bij de toelating tot opleidingen educatie de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.3.4, in acht.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -2225,12 +2193,20 @@ b. dat de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen
|
|||
|
||||
Onder «deelnemer» als bedoeld in het vijfde en zevende lid wordt verstaan de deelnemer die
|
||||
|
||||
a. een assistentopleiding of een basisberoepsopleiding volgt als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b, of
|
||||
a. een entreeopleiding of een basisberoepsopleiding volgt als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b, of
|
||||
b. voor 1 augustus 2005 studiefinanciering in de zin van de Wet studiefinanciering 2000 ontving.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1.7a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag brengt aan iedere deelnemer die is ingeschreven in een entreeopleiding uiterlijk binnen vier kalendermaanden na aanvang van de opleiding advies uit over de voortzetting van zijn opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Aan een advies als bedoeld in het eerste lid kan het bevoegd gezag een besluit tot ontbinding van de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, verbinden. De ontbinding is slechts gerechtvaardigd indien de deelnemer naar het oordeel van het bevoegd gezag, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, onvoldoende vordering heeft gemaakt in de opleiding. Het bevoegd gezag kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken indien het gezorgd heeft voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede voortgang van de opleiding zijn gewaarborgd.
|
||||
|
||||
**3.** Van de deelnemer waarvan de onderwijsovereenkomst op grond van het tweede lid is ontbonden, wordt de inschrijving voor de desbetreffende entreeopleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De deelnemer kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de te behalen studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
**5.** Tegen het advies, bedoeld in het eerste lid, staat binnen twee weken na het uitbrengen van het advies, beroep open bij de Commissie van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 7.5.1. De artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.4 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -2276,37 +2252,49 @@ c. die bij de instelling wordt verwijderd.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Vereiste voor inschrijving voor een vakopleiding en een middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:
|
||||
Vereiste voor toelating tot een middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:
|
||||
|
||||
a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg,
|
||||
b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
|
||||
c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
|
||||
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, of
|
||||
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk.
|
||||
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,
|
||||
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk,
|
||||
f. een diploma basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, of
|
||||
g. een diploma vakopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c.
|
||||
|
||||
**2.** Vereiste voor inschrijving voor een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is het bezit van een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep of beroepencategorie.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien een assistentopleiding en een basisberoepsopleiding voorbereiden op eenzelfde beroep of beroepencategorie, bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, is, met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2, voor de inschrijving voor de basisberoepsopleiding vereist het bezit van
|
||||
Vereiste voor toelating tot een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:
|
||||
|
||||
a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg,
|
||||
b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
|
||||
c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
|
||||
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,
|
||||
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of
|
||||
f. een diploma basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Vereiste voor toelating tot een basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:
|
||||
|
||||
a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg,
|
||||
b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
|
||||
c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
|
||||
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen, of
|
||||
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk.
|
||||
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,
|
||||
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of
|
||||
f. een diploma entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
Indien een assistentopleiding en een basisberoepsopleiding niet voorbereiden op eenzelfde beroep of beroepencategorie, bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, geldt, in afwijking van artikel 8.2.2, eerste lid, voor inschrijving voor een in de eerste volzin bedoelde basisberoepsopleiding geen vooropleidingseis.
|
||||
**5.** Voor de toelating tot een opleiding educatie gelden geen vooropleidingseisen.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de inschrijving voor een assistentopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, en voor de inschrijving voor een opleiding educatie, gelden geen vooropleidingseisen.
|
||||
**6.** Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen personen die niet voldoen aan de vooropleidingseis voor een basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding, vrijstellen van die vooropleidingseis, indien zij bij een onderzoek hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs.
|
||||
|
||||
**5.** Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen afwijken van het eerste tot en met derde lid, indien de deelnemer naar verwachting het onderwijs in de desbetreffende beroepsopleiding met voldoende resultaat zal kunnen volgen.
|
||||
|
||||
**6.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op examendeelnemers als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid.
|
||||
**7.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op examendeelnemers als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.2.2
|
||||
|
||||
**1.** Op voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs, vertegenwoordigers van de instellingen, de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 9.2.1, tweede lid, onderdeel a, en de commissies onderwijs-bedrijfsleven, bedoeld in artikel 9.2.1, derde lid, worden bij ministeriële regeling aangewezen de sectoren, bedoeld in de artikelen 10, 10b en 10d van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarop het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, het diploma voorbereidend beroepsonderwijs, het diploma mavo-vbo en de diploma's voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs betrekking moeten hebben, alsmede vakken en andere programma-onderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een van deze diploma's, om te kunnen worden ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e.
|
||||
**1.** Op voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs, vertegenwoordigers van de instellingen, de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 9.2.1, tweede lid, onderdeel a, en de commissies onderwijs-bedrijfsleven, bedoeld in artikel 9.2.1, derde lid, worden bij ministeriële regeling aangewezen de sectoren, bedoeld in de artikelen 10, 10b en 10d van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarop het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, het diploma voorbereidend beroepsonderwijs, het diploma mavo-vbo en de diploma's voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs betrekking moeten hebben, alsmede vakken en andere programma-onderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een van deze diploma's, om te kunnen worden toegelaten tot een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de diploma’s van beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, ingeval van doorstroom van een lager naar een hoger niveau als bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, met dien verstande dat er geen sprake is van een voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** In de ministeriële regeling kan onderscheid worden gemaakt naar groepen van deelnemers, dan wel kan worden bepaald dat de regeling niet van toepassing is op groepen van deelnemers.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2357,7 +2345,7 @@ c. organiseren en coördineren zij de in het eerste lid bedoelde melding, regist
|
|||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het tijdstip van indiening en de inrichting van de effectrapportage en inzake de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Samenwerking in verband met leer-werktrajecten vmbo en assistentopleiding in het vmbo
|
||||
### Titel 4. Samenwerking in verband met leer-werktrajecten vmbo en entreeopleiding in het vmbo
|
||||
|
||||
### Artikel 8.4.1
|
||||
|
||||
|
|
@ -2367,7 +2355,7 @@ c. organiseren en coördineren zij de in het eerste lid bedoelde melding, regist
|
|||
|
||||
### Artikel 8.4.2
|
||||
|
||||
**1.** De assistentopleiding, bedoeld in artikel 10b8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
**1.** De entreeopleiding, bedoeld in artikel 10b8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 10b9 van de Wet op het voorgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2381,7 +2369,7 @@ c. organiseren en coördineren zij de in het eerste lid bedoelde melding, regist
|
|||
|
||||
### Artikel 8.5.2
|
||||
|
||||
**1.** De assistentopleiding, ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, dan wel ingevolge artikel 59a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd.
|
||||
**1.** De entreeopleiding, ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, dan wel ingevolge artikel 59a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd.
|
||||
|
||||
**2.** Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 10b9, eerste en tweede lid, van de Wet op de voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2484,7 +2472,8 @@ h. de model-praktijkovereenkomst;
|
|||
i. het beleid met betrekking tot toelating, schorsing en verwijdering van deelnemers;
|
||||
j. de wijze van vastleggen van studievorderingen van deelnemers en in dat verband het beleid met betrekking tot bescherming van de privacy van deelnemers;
|
||||
k. de regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn voor zover deze de deelnemers betreffen;
|
||||
l. het reglement voor de deelnemersraad, met inachtneming van artikel 8a.3.1, derde lid.
|
||||
l. het reglement voor de deelnemersraad, met inachtneming van artikel 8a.3.1, derde lid;
|
||||
m. het onderwijsprogramma indien dit minder uren als bedoeld in artikel 7.2.7, derde of vierde lid, omvat.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2692,7 +2681,7 @@ c. stelt Onze Minister de raad van toezicht vier weken in de gelegenheid zijn zi
|
|||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een alsdan in te stellen college van bestuur. Artikel 9.1.4, eerste, tweede en vijfde lid, en artikel 9.1.7, eerste en tweede lid, zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Indien dat dienstig is voor een goede uitvoering van deze wet, kan het bevoegd gezag de uitoefening van hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden opdragen aan het bestuur van een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.
|
||||
**2.** Indien dat dienstig is voor een goede uitvoering van deze wet, kan het bevoegd gezag de uitoefening van hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden opdragen aan het bestuur van een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald onder welke voorwaarden toepassing kan worden gegeven aan de eerste volzin. Indien daaraan toepassing wordt gegeven, doet het bevoegd gezag hiervan melding aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.1.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -2736,7 +2725,7 @@ b. ofwel voor de helft uit vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en voor
|
|||
|
||||
**3.** Aan een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven is een paritaire commissie beroepsonderwijs bedrijfsleven verbonden, die voor de helft bestaat uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en voor de helft uit vertegenwoordigers van de instellingen en de andere instellingen, bedoeld in artikel 1.4.1, die opleidingen verzorgen op het terrein waarop het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven werkzaam is. Onder de vertegenwoordigers van de instellingen bevinden zich in elk geval een of meer docenten als bedoeld in artikel 4.2.1. De paritaire commissie heeft tot taak om overeenstemming te bereiken tussen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van de instellingen over de inhoud van de bij Onze Minister in te dienen voorstellen voor kwalificatiedossiers.
|
||||
|
||||
**4.** Het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven kan indien dat dienstig is voor een goede uitvoering van deze wet, aan het bevoegd gezag van een instelling de uitoefening van hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden opdragen, met uitzondering van het doen van voorstellen als bedoeld in artikel 7.2.4, tweede en derde lid. Indien het bestuur gebruik maakt van deze mogelijkheid, stelt het een reglement vast waarin in elk geval worden vastgelegd de taken en bevoegdheden die het bestuur ter uitoefening opdraagt aan het bevoegd gezag, alsmede richtlijnen voor uitoefening van de aan het bevoegd gezag opgedragen taken en bevoegdheden.
|
||||
**4.** Het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven kan indien dat dienstig is voor een goede uitvoering van deze wet, aan het bevoegd gezag van een instelling de uitoefening van hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden opdragen, met uitzondering van het doen van voorstellen als bedoeld in artikel 7.2.4, tweede en derde lid. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald onder welke voorwaarden toepassing kan worden gegeven aan de eerste volzin. Indien daaraan toepassing wordt gegeven, doet het bevoegd gezag hiervan melding aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.2.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -2872,10 +2861,6 @@ Diploma’s en certificaten ingevolge de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet
|
|||
|
||||
### Artikel 12.2.3
|
||||
|
||||
De vakinstelling die op grond van artikel 12.3.5, zoals dat luidde op 30 juni 2004, de rijksbijdrage ten aanzien van huisvesting voortgezet onderwijs ontving en nadien is blijven ontvangen, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede voor de toepassing van artikel 76v.1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, aangemerkt als scholengemeenschap in de zin van artikel 2.6.
|
||||
|
||||
### Artikel 12.2.3
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.2.4
|
||||
|
|
@ -3122,75 +3107,23 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Bevat wijzigingen in deze regelgeving.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Bepalingen met betrekking tot leerlinggebonden financiering
|
||||
### Titel 4. Bepalingen met betrekking tot passend onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.1
|
||||
|
||||
Op geschillen die ingevolge de op 31 juli 2008 geldende voorschriften van de Subsidieregeling leerlinggebonden financiering MBO aanhangig zijn gemaakt, blijft de op die dag geldende regeling van toepassing.
|
||||
**1.** Onze Minister voegt voor een bij ministeriële regeling te bepalen periode aan de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs, berekend op grond van artikel 2.2.2, al dan niet onder door hem op te leggen verplichtingen, een bedrag toe in verband met de invoering van passend onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.2
|
||||
|
||||
Beoordelingen, afgegeven op grond van de artikelen 12 en 14 van de Subsidieregeling leerlinggebonden financiering MBO, die hebben geleid tot een indicatiestelling waarvan de duur nog niet is verstreken, gelden als een beoordeling die gemeld wordt door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.3
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.4
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.5
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.6
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.7
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.8
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.9
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.10
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.11
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.12
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.13
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4.14
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**2.** Het bedrag wordt voor een periode van een jaar berekend door het voor leerlinggebonden financiering voor alle instellingen gezamenlijk vastgestelde budget voor het studiejaar dat start op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel over de instellingen te verdelen naar rato van het gemiddelde bedrag dat een instelling voor de drie studiejaren daaraan voorafgaand ontving voor leerlinggebonden financiering. Voor zover het betreft de leerlinggebonden financiering voor cluster 2, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra, wordt op het budget, bedoeld in de eerste volzin, het deel van het leerlinggebonden budget als bedoeld in artikel 2.2.7 zoals luidend voor inwerkingtreding van dit artikel in mindering gebracht.
|
||||
|
||||
### Titel 4a. Beroepsopleidingen oude stijl
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4a.1
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
De deelnemer die in het studiejaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel stond ingeschreven voor een beroepsopleiding wordt door het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld deze opleiding te voltooien uiterlijk in het studiejaar volgend op het studiejaar waarin de voor hem geldende studieduur is verstreken. Hierop zijn de artikelen 7.2.2, eerste tot en met derde lid, 7.2.4, achtste en negende lid, 7.2.7 en 12.4a.2 van toepassing zoals die artikelen luidden vóór dat tijdstip.
|
||||
|
||||
### Artikel 12.4a.2
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 7.2.7, derde en vijfde lid, verzorgt het bevoegd gezag voor de deelnemer aan een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg een onderwijsprogramma dat elk studiejaar ten minste 850 klokuren omvat, waarvan ten minste 200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren voor de beroepspraktijkvorming. Begeleide onderwijsuren zijn klokuren waarin onderwijs wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel als bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2, niet zijnde uren die deel uit maken van de beroepspraktijkvorming. Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, heeft de deelnemersraad, bedoeld in artikel 8a.1.2, instemmingsbevoegdheid met betrekking tot een voorgenomen besluit daartoe en legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de deelnemer die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel stond ingeschreven aan een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg en deze opleiding na dat tijdstip voortzet.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Titel 5. Evaluatie, inwerkingtreding en citeertitel
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue