2005-12-30 | BWBR0002399 | Wet op het voortgezet onderwijs

This commit is contained in:
Coornhert 2005-12-30 12:00:00 +00:00
parent 4099b62a88
commit 9eecd2a9b6

View file

@ -26,7 +26,7 @@ Deze wet verstaat onder:
«openbare school»:
a. een school in stand gehouden door een gemeente, dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1984, 669), waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;
a. een school in stand gehouden door een gemeente, dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;
b. een door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a in stand gehouden school;
c. een door een stichting als bedoeld in artikel 42b of artikel 53c in stand gehouden school;
@ -306,7 +306,7 @@ b. de invulling van het buitenschoolse praktijkgedeelte en waarborgt daarbij dat
**1.**
Het buitenschoolse praktijkgedeelte wordt verzorgd door een bedrijf of organisatie, op grondslag van een leer-werkovereenkomst, gesloten door het bevoegd gezag, de betrokken leerling of diens wettelijk vertegenwoordiger, dat bedrijf of die organisatie, en het bestuur van het desbetreffende landelijk orgaan, geregeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, dat daarmee verklaart:
Het buitenschoolse praktijkgedeelte wordt verzorgd door een bedrijf of organisatie, op grondslag van een leer-werkovereenkomst, gesloten door het bevoegd gezag, de betrokken leerling of diens wettelijk vertegenwoordiger, dat bedrijf of die organisatie, en het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, geregeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, dat daarmee verklaart:
a. dat het een bedrijf of organisatie betreft dat respectievelijk die voldoet aan de kwaliteitscriteria, genoemd in artikel 10b6, en
b. voor zover van toepassing, dat de gronden voor dat kwaliteitsoordeel nog steeds aanwezig zijn.
@ -325,17 +325,17 @@ c. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden o
**1.** Het bedrijf dat of de organisatie die het buitenschoolse gedeelte verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de leerlingen binnen het bedrijf respectievelijk de organisatie.
**2.** De landelijke organen voor het beroepsonderwijs dragen zorg voor een regelmatige beoordeling van bedrijven en organisaties die het buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgen, aan de hand van de eisen in artikel 10b6. De landelijke organen dragen gezamenlijk zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van de eerste volzin. Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte zijn uitsluitend bevoegd de bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van die volzin.
**2.** De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen zorg voor een regelmatige beoordeling van bedrijven en organisaties die het buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgen, aan de hand van de eisen in artikel 10b6. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen gezamenlijk zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van de eerste volzin. Tot het verzorgen van het buitenschoolse praktijkgedeelte zijn uitsluitend bevoegd de bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van die volzin.
**3.** Indien het bevoegd gezag na het sluiten van de leer-werkovereenkomst vaststelt dat de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, of sprake is van andere omstandigheden die maken dat het buitenschoolse praktijkgedeelte niet naar behoren zal kunnen worden verzorgd, bevordert het bevoegd gezag, na overleg met het bestuur van het desbetreffende landelijk orgaan voor het beroepsonderwijs, dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld.
**3.** Indien het bevoegd gezag na het sluiten van de leer-werkovereenkomst vaststelt dat de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, of sprake is van andere omstandigheden die maken dat het buitenschoolse praktijkgedeelte niet naar behoren zal kunnen worden verzorgd, bevordert het bevoegd gezag, na overleg met het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld.
### Artikel 10b5
**1.** De landelijke organen voor het beroepsonderwijs hebben ten behoeve van hun in artikel 10b4 geregelde taken aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas.
**1.** De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven hebben ten behoeve van hun in artikel 10b4 geregelde taken aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas.
**2.** De rijksbijdrage waarop de in het eerste lid bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per landelijk orgaan berekend aan de hand van maatstaven, neergelegd in een berekeningswijze die is vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. De maatstaven hebben in elk geval betrekking op het aantal leer-werkovereenkomsten waarbij het landelijk orgaan partij is.
**2.** De rijksbijdrage waarop de in het eerste lid bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven berekend aan de hand van maatstaven, neergelegd in een berekeningswijze die is vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. De maatstaven hebben in elk geval betrekking op het aantal leer-werkovereenkomsten waarbij het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven partij is.
**3.** De artikelen 2.4.1, 2.4.2, 2.5.2 tot en met 2.5.9 en 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs zijn van overeenkomstige toepassing op landelijke organen die taken uitvoeren als bedoeld in artikel 10b4.
**3.** De artikelen 2.4.1, 2.4.2, 2.5.2 tot en met 2.5.9 en 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs zijn van overeenkomstige toepassing op kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven die taken uitvoeren als bedoeld in artikel 10b4.
### Artikel 10b6
@ -462,11 +462,11 @@ Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur wo
**3.** Het bevoegd gezag beslist na overleg met de ouders van de leerling of aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt aangeboden.
**4.** De in artikel 10g bedoelde regionale verwijzingscommissie beslist op aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen. Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag na overleg met de ouders een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport. Artikel 10g, derde lid, vijfde lid, eerste volzin, en zesde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
**4.** De in artikel 10g bedoelde regionale verwijzingscommissie beslist op aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen. Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag na overleg met de ouders een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport. Artikel 10g, derde en vierde lid, zevende lid, eerste volzin, en achtste tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**5.** In afwijking van artikel 10g, vijfde lid, eerste volzin, kan de regionale verwijzingscommissie tegelijk met de beslissing dat een leerling niet is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, beslissen dat die leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. Alvorens daartoe te beslissen, hoort de regionale verwijzingscommissie de ouders van de leerling en het bevoegd gezag van de betrokken school of afdeling voor praktijkonderwijs.
**5.** In afwijking van artikel 10g, zevende lid, eerste volzin, kan de regionale verwijzingscommissie tegelijk met de beslissing dat een leerling niet is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, beslissen dat die leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. Alvorens daartoe te beslissen, hoort de regionale verwijzingscommissie de ouders van de leerling en het bevoegd gezag van de betrokken school of afdeling voor praktijkonderwijs.
**6.** Artikel 10g, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de leerling die op basis van een beschikking van de regionale verwijzingscommissie is toegelaten.
**6.** Artikel 10g, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de leerling die op basis van een beschikking van de regionale verwijzingscommissie is toegelaten.
### Artikel 10f
@ -821,7 +821,7 @@ b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 280, artikel 179 van de W
### Artikel 22
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs voorschriften vastgesteld omtrent de inrichting van het onderwijs. Deze voorschriften kunnen per schoolsoort verschillen. Voor de scholen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10a, alsmede voor het onderwijs, bedoeld in artikel 11f, kunnen afzonderlijke voorschriften worden gegeven. De bij deze algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften zijn niet van toepassing op scholen en afdelingen voor voorbereidend beroepsonderwijs waarvoor artikel 24, vijfde lid, wordt toegepast. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs voorschriften vastgesteld omtrent de inrichting van het onderwijs. Deze voorschriften kunnen per schoolsoort verschillen. Voor de scholen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10a, kunnen afzonderlijke voorschriften worden gegeven. De bij deze algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften zijn niet van toepassing op scholen en afdelingen voor voorbereidend beroepsonderwijs waarvoor artikel 24, vijfde lid, wordt toegepast. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
**2.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, houdt voor alle schoolsoorten voorschriften in omtrent de tijd die per cursusjaar ten hoogste voor vakantie mag worden besteed, met dien verstande dat begin en einde van de zomervakantie kunnen worden voorgeschreven.
@ -1018,7 +1018,7 @@ b. in de periode van de verlenging wel in staat zal zijn de opleiding met goed g
**10.** Onverminderd het vijfde tot en met achtste lid, kan de inspectie, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorschriften, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, ten aanzien van een leerling op individuele basis de verblijfsduur met een jaar verlengen, voor zover toepassing van het derde lid, eerste en tweede volzin, gelet op het belang van de leerling zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
**11.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van de artikelen 7:10 en 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1992, 315), kortere termijnen dan in de artikelen vermeld, worden bepaald voor het op een bezwaar- of beroepschrift te nemen besluit van het bevoegd gezag van een openbare school ter zake van de toelating en verwijdering van leerlingen.
**11.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in afwijking van de artikelen 7:10 en 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht, kortere termijnen dan in de artikelen vermeld, worden bepaald voor het op een bezwaar- of beroepschrift te nemen besluit van het bevoegd gezag van een openbare school ter zake van de toelating en verwijdering van leerlingen.
### Artikel 27a
@ -1783,7 +1783,7 @@ Vervallen
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt na overleg met de daarvoor in aanmerking komende organisaties en, voor zover het betreft het landbouwonderwijs, in overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, jaarlijks een plan van scholen vast, die in de drie kalenderjaren, volgende op het jaar van de vaststelling voor bekostiging uit 's Rijks kas in aanmerking zullen worden gebracht. Dit plan heeft ten doel te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen naar soort van onderwijs, mede gelet op het verlangde onderwijs in het betrokken gebied. Op het plan worden uitsluitend scholen geplaatst waarover overleg heeft plaats gevonden met de in de eerste volzin bedoelde organisaties.
**2.** Het ontwerp van het Plan van Scholen wordt jaarlijks voor 1 september bekendgemaakt in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. Het plan wordt niet vastgesteld dan nadat vier weken na de bekendmaking en overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat over dat ontwerp overleg gewenst wordt. De vaststelling van het Plan van Scholen geschiedt voor 1 oktober, volgend op de datum van de bekendmaking van het ontwerp.
**2.** Het ontwerp van het Plan van Scholen wordt jaarlijks voor 1 september bekendgemaakt in de Staatscourant en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. Het plan wordt niet vastgesteld dan nadat vier weken na de bekendmaking en overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat over dat ontwerp overleg gewenst wordt. De vaststelling van het Plan van Scholen geschiedt voor 1 oktober, volgend op de datum van de bekendmaking van het ontwerp.
**3.** Bij de samenstelling van het plan wordt uitgegaan van de verzoeken en de deelplannen, bedoeld in artikel 66.
@ -2055,7 +2055,7 @@ a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 76c,
b. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen, bedoeld in artikel 76m, eerste lid, onderdeel b,
c. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 76m, eerste lid, onderdelen c en d,
d. op andere wijze dan is gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt,
e. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 76d, niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, van dat artikel, of
e. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 76d, niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, van dat artikel, of
f. de gewenste voorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d niet noodzakelijk is.
**2.** Een voorziening in de huisvesting kan tevens worden geweigerd, indien de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.
@ -2190,7 +2190,7 @@ a. dat het tweede lid niet van toepassing is,
b. dat daarvoor het bevoegd gezag of de gemeenteraad aan de andere partij een vergoeding is verschuldigd, alsmede
c. in voorkomende gevallen, hoe hoog die vergoeding is.
**4.** Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, vindt inschrijving van dat feit plaats in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
**4.** Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, vindt inschrijving van dat feit plaats in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
### Artikel 76w
@ -2222,7 +2222,7 @@ Vervallen
**3.** Met betrekking tot een scholengemeenschap of een school en de daaraan verbonden cursussen in de zin van artikel 75b, eerste lid, alsmede met betrekking tot de scholen voor praktijkonderwijs kunnen zo nodig in afwijking van het bepaalde in deze afdeling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven voor de toepassing van deze afdeling.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de vaststelling en uitkering van een budget ten behoeve van aanvullende zorg voor leerlingen van de scholen in het samenwerkingsverband, in aanvulling op de vergoeding, berekend op grond van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde. Het budget wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever daartoe beschikbaar gestelde middelen vastgesteld en uitgekeerd. De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige drie volzinnen is niet van toepassing, indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de beide kamers is overgelegd en door of namens de kamers te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige drie volzinnen, kan worden afgeweken.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de vaststelling en uitkering van een budget ten behoeve van aanvullende zorg voor leerlingen van de scholen in het samenwerkingsverband, in aanvulling op de bekostiging, berekend op grond van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde. Het budget wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever daartoe beschikbaar gestelde middelen vastgesteld en uitgekeerd. De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige drie volzinnen is niet van toepassing, indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de beide kamers is overgelegd en door of namens de kamers te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige drie volzinnen, kan worden afgeweken.
**5.** Voor de toepassing van deze afdeling zijn de voorschriften die betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een stichting als bedoeld in artikel 42b of een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a, tenzij het tegendeel blijkt.
@ -2369,7 +2369,7 @@ b. de overige leerjaren.
**6.** Bij de vaststelling van de in het derde lid onder a tot en met c bedoelde bedragen, dan wel als tussentijdse aanpassing van die bedragen, worden volgens bij ministeriële regeling te geven regels loon- en prijsontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van 's Rijks schatkist zich daartegen verzet.
**7.** De ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, wordt bekendgemaakt in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De ministeriële regeling treedt niet eerder in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de regeling te kennen wordt gegeven, dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd. De eerste tot en met derde volzin zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van tussentijdse aanpassingen als bedoeld in het zesde lid.
**7.** De ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, wordt bekendgemaakt in de Staatscourant, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De ministeriële regeling treedt niet eerder in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de regeling te kennen wordt gegeven, dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd. De eerste tot en met derde volzin zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van tussentijdse aanpassingen als bedoeld in het zesde lid.
### Artikel 87
@ -3223,7 +3223,7 @@ Vervallen
### Artikel 122
**1.** Voortgezet onderwijs wordt niet gegeven in lokalen, die door de krachtens de Gezondheidswet (Stb. 1956, 51) bevoegde inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid zijn afgekeurd als schadelijk voor de gezondheid, gevaar opleverende voor de veiligheid of wegens onvoldoende ruimte voor het aantal in die lokalen toegelaten leerlingen.
**1.** Voortgezet onderwijs wordt niet gegeven in lokalen, die door de krachtens de Gezondheidswet bevoegde inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid zijn afgekeurd als schadelijk voor de gezondheid, gevaar opleverende voor de veiligheid of wegens onvoldoende ruimte voor het aantal in die lokalen toegelaten leerlingen.
**2.** De inspecteur, bedoeld in het eerste lid, zendt zijn besluit tot afkeuring aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het lokaal ligt. Op dezelfde dag doet hij van zijn besluit mededeling aan Onze minister; voorts, indien het een uit de openbare kas bekostigde school betreft, aan de inspectie en, indien het een bijzondere school betreft, aan het schoolbestuur.