2006-03-10 | BWBR0019551 | Nadere Regeling financiële dienstverlening
This commit is contained in:
parent
06b678e24e
commit
9fa33c9496
1 changed files with 92 additions and 21 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Nadere Regeling financiële dienstverlening
|
|||
bwb_id: BWBR0019551
|
||||
type: zbo
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2006-02-22'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2006-03-10'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0019551
|
||||
citeertitel: Nadere Regeling financiële dienstverlening
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -16,22 +16,32 @@ citeertitel: Nadere Regeling financiële dienstverlening
|
|||
|
||||
In deze regeling wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. contractuele looptijd: de duur van de overeenkomst inzake het complex product;
|
||||
b. guise: gemiddelde uitkering in de slechtste 10 procent van de gevallen, te berekenen als toegelicht in bijlage 4;
|
||||
c. kapitaaltoereikendheidstoezicht: wettelijk bedrijfseconomisch toezicht uit hoofde van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, van Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering, van Richtlijn 2002/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 maart 2002 tot wijziging van Richtlijn 73/239/EEG van de Raad op het gebied van de solvabiliteitsmargevereisten voor schadeverzekeringsondernemingen, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad of van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad of ander vergelijkbaar adequaat bedrijfseconomisch toezicht;
|
||||
d. netto-rendementspercentage: het percentage dat bij de bepaalde looptijd, gegeven de omvang en frequentie van de inleg, leidt tot de uitkering van het complex product;
|
||||
e. onderliggende waarden: effecten waarin de consument direct of indirect met het complex product belegt of doet beleggen;
|
||||
f. opbouwproduct: een complex product, dat wordt aangewend om kapitaal te doen groeien, niet zijnde een recht van deelneming als bedoeld in artikel 1, onder d, ten tweede van het Besluit financiële dienstverlening;
|
||||
g. opbrengstscenario: voorspelling van de uitkering aan de consument op basis van een bepaald rendement;
|
||||
h. overwaardeconstructie: een schuldproduct waarbij een deel van het krediet wordt aangewend ter belegging, niet zijnde aflossing van het krediet;
|
||||
i. rentedervingskosten: dat deel van de kosten dat de aanbieder van het complex product in rekening brengt bij of ten laste laat komen van de consument in geval van vervroegde beëindiging en dat verband houdt met gederfde rente-inkomsten;
|
||||
j. restschuld: de overblijvende financiële verplichting van de consument jegens de aanbieder van het complex product uit hoofde van een opbouwproduct;
|
||||
k. retourprovisie: het gedeelte van de door of ten laste van een beleggingsinstelling voor een dienst van een derde te betalen of betaalde vergoeding dat direct of indirect de ontvanger terugbetaalt;
|
||||
l. schuldproduct: een complex product, bestaande uit een combinatie van krediet, met uitzondering van krediet dat wordt aangewend voor het verschaffen van het genot van een complex product dat overwegend tot doel heeft kapitaal te doen groeien, en een bestanddeel, dat wordt aangewend om te voorzien in de gehele of gedeeltelijke aflossing van het krediet;
|
||||
m. spaarhypotheek: een complex product dat bestaat uit een combinatie van een hypothecair krediet en een levensverzekering met een garantiekapitaal dat in hoogte overeenkomt met de omvang van het krediet;
|
||||
n. uitkering: uitbetaling door de aanbieder van het complex product aan de consument van de waarde van het complex product onder aftrek van kosten bij beëindiging door de consument aangevuld met voor zover van toepassing de onttrekkingen gedaan door de consument vóór beëindiging;
|
||||
o. voorbeeldwaarde: de waarde van de opbrengst bij verkoop van het recht van deelneming in de beleggingsinstelling, waarbij verkoopkosten al zijn afgetrokken;
|
||||
p. waarde: de som van alle door de consument verrichte betalingen voor het complex product aan de aanbieder plus een bepaald jaarlijks rendement over het deel van die betalingen dat wordt aangewend ten einde rendement te genereren ten behoeve van de consument.
|
||||
a. administratieve kosten: de kosten die zijn gemaakt in het kader van het administreren van het beleggingsobject;
|
||||
b. andere voordelen: andere posten dan opbrengsten die aan de definitie van baten voldoen;
|
||||
c. baten: vermeerderingen van het economisch potentieel gedurende de verslagperiode in de vorm van instroom van nieuwe of verhoging van bestaande activa, dan wel vermindering van vreemd vermogen, een en ander uitmondend in een toename van het eigen vermogen;
|
||||
d. beheerskosten: de kosten die zijn gemaakt om het beleggingsobject in stand te houden (onderhoud);
|
||||
e. beleggingsobjectkosten: geprognosticeerde en/of eventuele reeds gemaakte administratieve kosten, beheers-, productie- en verkoopkosten, alsmede de geprognosticeerde en/of reeds voldane rentelasten;
|
||||
f. besluit: Besluit financiële dienstverlening;
|
||||
g. contractuele looptijd: de duur van de overeenkomst inzake het complex product;
|
||||
h. guise: gemiddelde uitkering in de slechtste 10 procent van de gevallen, te berekenen als toegelicht in bijlage 4;
|
||||
i. ingelegde gelden: het totaal van gelden belegd door consumenten voor het verkrijgen van beleggingsobjecten;
|
||||
j. kapitaaltoereikendheidstoezicht: wettelijk bedrijfseconomisch toezicht uit hoofde van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, van Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering, van Richtlijn 2002/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 maart 2002 tot wijziging van Richtlijn 73/239/EEG van de Raad op het gebied van de solvabiliteitsmargevereisten voor schadeverzekeringsondernemingen, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad of van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad of ander vergelijkbaar adequaat bedrijfseconomisch toezicht;
|
||||
k. netto-rendementspercentage: het percentage dat bij de bepaalde looptijd, gegeven de omvang en frequentie van de inleg, leidt tot de uitkering van het complex product;
|
||||
l. onderliggende waarden: effecten waarin de consument direct of indirect met het complex product belegt of doet beleggen;
|
||||
m. opbouwproduct: een complex product, dat wordt aangewend om kapitaal te doen groeien, niet zijnde een recht van deelneming als bedoeld in artikel 1, onder d, ten tweede van het Besluit financiële dienstverlening;
|
||||
n. opbrengsten: baten die ontstaan bij uitvoering van de normale activiteiten van een onderneming;
|
||||
o. opbrengstscenario: voorspelling van de uitkering aan de consument op basis van een bepaald rendement;
|
||||
p. overwaardeconstructie: een schuldproduct waarbij een deel van het krediet wordt aangewend ter belegging, niet zijnde aflossing van het krediet;
|
||||
q. productiekosten: de kosten die zijn gemaakt in het kader van het verhogen van het economisch potentieel dan wel de waarde van het beleggingsobject;
|
||||
r. rentedervingskosten: dat deel van de kosten dat de aanbieder van het complex product in rekening brengt bij of ten laste laat komen van de consument in geval van vervroegde beëindiging en dat verband houdt met gederfde rente-inkomsten;
|
||||
s. restschuld: de overblijvende financiële verplichting van de consument jegens de aanbieder van het complex product uit hoofde van een opbouwproduct;
|
||||
t. retourprovisie: het gedeelte van de door of ten laste van een beleggingsinstelling voor een dienst van een derde te betalen of betaalde vergoeding dat direct of indirect de ontvanger terugbetaalt;
|
||||
u. schuldproduct: een complex product, bestaande uit een combinatie van krediet, met uitzondering van krediet dat wordt aangewend voor het verschaffen van het genot van een complex product dat overwegend tot doel heeft kapitaal te doen groeien, en een bestanddeel, dat wordt aangewend om te voorzien in de gehele of gedeeltelijke aflossing van het krediet;
|
||||
v. spaarhypotheek: een complex product dat bestaat uit een combinatie van een hypothecair krediet en een levensverzekering met een garantiekapitaal dat in hoogte overeenkomt met de omvang van het krediet;
|
||||
w. uitkering: uitbetaling door de aanbieder van het complex product aan de consument van de waarde van het complex product onder aftrek van kosten bij beëindiging door de consument aangevuld met voor zover van toepassing de onttrekkingen gedaan door de consument vóór beëindiging;
|
||||
x. verkoopkosten: de kosten die direct kunnen worden gerelateerd aan de verkoop van het beleggingsobject aan de consument;
|
||||
y. voorbeeldwaarde: de waarde van de opbrengst bij verkoop van het recht van deelneming in de beleggingsinstelling, waarbij verkoopkosten al zijn afgetrokken;
|
||||
z. waarde: de som van alle door de consument verrichte betalingen voor het complex product aan de aanbieder plus een bepaald jaarlijks rendement over het deel van die betalingen dat wordt aangewend ten einde rendement te genereren ten behoeve van de consument.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Onverplichte precontractuele informatie bij complexe producten
|
||||
|
||||
|
|
@ -265,6 +275,8 @@ b. ‘bij tussentijdse beëindiging kunt u […]% van uw inleg kwijtraken’ ond
|
|||
c. ‘bij tussentijdse beëindiging kunt u uw volledige inleg kwijtraken’ indien de consument zijn volledige inleg kan verliezen en de onderdelen a en b niet van toepassing zijn of
|
||||
d. ‘bij tussentijdse beëindiging kunt u uw inleg kwijtraken en kunt u een schuld overhouden’ indien de consument zijn inleg kan verliezen en de consument een restschuld kan overhouden.
|
||||
|
||||
**5.** Een financiële bijsluiter voor een opbouwproduct zijnde een beleggingsobject bevat direct onder de risico-indicator een verwijzing naar het hoofdstuk van het betreffende beleggingsobjectprospectus waarin alle belangrijke risico’s van het beleggingsobject zijn opgenomen, als bedoeld in artikel 35 van het besluit. De tekst die dient te worden ingevoegd luidt: ‘voor alle risico’s van het beleggingsobject wordt verwezen naar hoofdstuk [x] van het beleggingsobjectprospectus’.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
**1.** Een financiële bijsluiter bevat onder de subtitel ‘Wat zijn de kosten?’ informatie over inleg, rendement, kosten en uitkering van het complex product alsmede de volgende tekst: ‘De kosten bij een voorspelling op basis van een waardevermeerdering van de belegging van 4%’.
|
||||
|
|
@ -546,20 +558,71 @@ d. de datum waarop de financiële bijsluiter is geactualiseerd.
|
|||
|
||||
**2.** De financiële bijsluiter bevat de volgende tekst: ‘Voor vragen kunt u de Toezichtslijn van de Autoriteit Financiële Markten bellen: 0900-5400 540 of kijken op de website www.afm.nl’.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Wijzigingen overige regelgeving
|
||||
### Paragraaf 5. Verplichte precontractuele informatie bij beleggingsobjecten
|
||||
|
||||
### Artikel 30
|
||||
|
||||
Wijzigt de Nadere Regeling gedragstoezicht beleggingsinstellingen 2005.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6. Slotbepalingen
|
||||
Het beleggingsobjectprospectus bevat een samenvatting van de kerngegevens bestaande uit maximaal 1000 woorden. Deze samenvatting bevat tenminste de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. gegevens over de aanbieder van een beleggingsobject:
|
||||
|
||||
i. naam, rechtsvorm, datum oprichting, plaats van vestiging hoofdkantoor,
|
||||
ii. overzicht van de bedrijfsactiviteiten,
|
||||
iii. beschrijving van de groep waar de aanbieder van een beleggingsobject deel van uitmaakt;
|
||||
b. gegevens over de serie van beleggingsobjecten:
|
||||
|
||||
i. aard,
|
||||
ii. bestaansduur,
|
||||
iii. een overzicht van de voornaamste risico’s en
|
||||
iv. een overzicht van de voornaamste algemene respectievelijke bijzondere voorwaarden;
|
||||
c. financiële informatie: informatie over de beleggingsobjectkosten, alsmede over de te verwachten waardeontwikkeling van het beleggingsobject en de overige gegevens als bedoeld in artikel 35, derde lid onder j, van het besluit;
|
||||
d. indien van toepassing: een overzicht van de belangrijke transacties met gelieerde partijen;
|
||||
e. ingeval van een aanpassing van het beleggingsobjectprospectus: een korte toelichting op de in de desbetreffende versie van het beleggingsobjectprospectus doorgevoerde wijziging ten opzichte van de voorgaande versie;
|
||||
|
||||
**2.** Indien het beleggingsobjectprospectus uit maximaal 7.500 woorden bestaat, is een samenvatting als bedoeld in het eerste lid facultatief.
|
||||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
|
||||
**1.** Een beleggingsobjectprospectus is opgesteld overeenkomstig bijlage 6.
|
||||
|
||||
**2.** De informatie betreffende de beleggingsobjectkosten per serie van beleggingsobjecten zoals bedoeld in artikel 35, derde lid onder i, van het besluit wordt overeenkomstig tabel 1 van bijlage 7 in het beleggingsobjectprospectus opgenomen, waarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde inleg gebruikelijk voor het desbetreffende beleggingsobject. De beleggingsobjectkosten dienen voor de gehele bestaansduur van de serie van beleggingsobjecten te worden weergegeven. Indien de beleggingsobjectkosten voor een reeks jaren gelijk zijn, kunnen deze jaren en de bijhorende beleggingsobjectkosten op basis van een gemiddelde inleg gebruikelijk voor het desbetreffende beleggingsobject samengevoegd worden in een kolom zoals weergegeven in tabel 1 van bijlage 7.
|
||||
|
||||
**3.** De informatie betreffende de gegevens per serie van beleggingsobjecten, zoals bedoeld in artikel 35, derde lid onder j, van het besluit, wordt overeenkomstig tabel 2 van bijlage 7 in het beleggingsobjectprospectus opgenomen.
|
||||
|
||||
**4.** De beleggingsobjectkosten en de gegevens als bedoeld in artikel 35, derde lid onder i en j, van het besluit, worden onderbouwd in het beleggingsobjectprospectus door vermelding van de aannames die daaraan ten grondslag liggen. De tekst waarin de aannames worden vermeld en toegelicht, wordt direct onder de tabellen van bijlage 7 ingevoegd.
|
||||
|
||||
**5.** Het beleggingsobjectprospectus vermeldt een datum en een versienummer. Ingeval van een wijziging in een beleggingsobjectprospectus wordt deze toegelicht in het aangepaste beleggingsobjectprospectus met inbegrip van de consequentie(s) van de desbetreffende wijziging. De toelichting bevat een verwijzing naar het voorgaande beleggingsobjectprospectus dat is gewijzigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
Het is niet geoorloofd bij berekening van de beleggingsobjectkosten, als bedoeld in artikel 31, opbrengsten en andere voordelen op deze kosten in mindering te brengen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 6. Informatieverstrekking gedurende de looptijd van een overeenkomst bij beleggingsobjecten
|
||||
|
||||
### Artikel 33
|
||||
|
||||
**1.** De administratieve kosten, beheers-, productie- en verkoopkosten worden per serie van beleggingsobjecten per boekjaar in de toelichting op de jaarrekening verantwoord overeenkomstig de kruistabel van bijlage 8. Eventuele valutakoersverschillen dienen in de bedoelde kosten te worden verantwoord. De ingelegde gelden per serie van beleggingsobjecten per boekjaar, als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onder a, van het besluit, worden separaat in de toelichting op de jaarrekening vermeld.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het totaal van de in een boekjaar verantwoorde kosten niet gelijk is aan het totaal van de in het eerste lid bedoelde kosten, wordt dit verschil toegelicht in de jaarrekening.
|
||||
|
||||
**3.** Het is niet geoorloofd bij berekening van de kosten bedoeld in het eerste lid opbrengsten en andere voordelen in mindering te brengen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 7. Wijzigingen overige regelgeving
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
Wijzigt de Nadere Regeling gedragstoezicht beleggingsinstellingen 2005.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 8. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere Regeling financiële dienstverlening.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1. Model voor risico-indicator in reclame
|
||||
|
|
@ -593,3 +656,11 @@ In sommige gevallen kan dit nog aanzienlijk verder vereenvoudigd worden. Dit wor
|
|||
## Bijlage 5. Bepaling van de beleggingsklasse en parameters
|
||||
|
||||
Voor de berekening van de ‘guise’ wordt gebruik gemaakt van parameters μ (gemiddelde) en σ (standaarddeviatie, ook wel volatiliteit) van de rendementen van de onderliggende waarden. Bij berekening van de GUISE op basis van de tabellen zijn de parameterwaarden van de verschillende beleggingscategorieën uiteraard al verwerkt. In die gevallen is het van belang om de juiste beleggingsklasse te bepalen (op basis van de onderliggende waarden waarin belegd wordt). Voor beleggingsinstellingen is het toegestaan om gebruik te maken van fondsspecifieke parameters μ en σ indien de instelling over genoeg fondsspecifieke historie beschikt.
|
||||
|
||||
## Bijlage 6. Model voor beleggingsobjectprospectus
|
||||
|
||||
De informatie die een beleggingsobjectprospectus ingevolge artikel 35 van het besluit dient te bevatten,wordt in onderstaande volgorde opgenomen. De onderstaande titels van de hoofdstukken dienen te worden gehanteerd. Hieronder wordt per hoofdstuk aangegeven welke informatie ten minste in het betreffende hoofdstuk dient te worden opgenomen.
|
||||
|
||||
## Bijlage 7. Tabellen overzicht beleggingsobjectkosten, bruto waarde en onttrekkingen betreffende het beleggingsobject
|
||||
|
||||
## Bijlage 8. Kruistabel overzicht kosten per serie van beleggingsobject
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue