From a162456a005696f82e5be4caef7e9ecf5e28b4ea Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sat, 1 Jan 2005 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2005-01-01 | BWBR0010646 | Uitvoeringsbesluit WEB --- .../BWBR0010646/README.md | 128 +++++++++++------- 1 file changed, 77 insertions(+), 51 deletions(-) diff --git a/amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md b/amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md index e7c3f75d4a5..9b89eb68bc3 100644 --- a/amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md +++ b/amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md @@ -33,7 +33,7 @@ Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 2.2.3, derde lid, 5.2.3, **1.** De paragrafen 1, 2, 4 en 5 zijn van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 1° tot en met 3°. -**2.** Paragraaf 1, paragraaf 2 met uitzondering van artikel 2.2.1, eerste lid, en artikel 2.2.5, alsmede paragraaf 4 zijn van overeenkomstige toepassing en paragraaf 5 is van toepassing ten aanzien van het beroepsonderwijs binnen agrarische opleidingscentra waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. +**2.** Paragraaf 1, paragraaf 2 en paragraaf 4 zijn van overeenkomstige toepassing en paragraaf 5 is van toepassing ten aanzien van het beroepsonderwijs binnen agrarische opleidingscentra waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. **3.** Paragraaf 3 onderscheidenlijk de paragrafen 4 en 5 heeft betrekking onderscheidenlijk hebben mede betrekking op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan agrarische opleidingscentra. @@ -363,11 +363,16 @@ Vervallen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. kenniscentrum: een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de wet; -b. leerbedrijf: een bedrijf of organisatie als bedoeld in artikel 7.2.9, eerste lid, van de wet; -c. bpv-plaats: een in artikel 4.2.5, eerste lid, bedoelde beroepspraktijkvormingsplaats; -d. normatieve bpv-plaats: een in artikel 4.2.5, tweede lid, bedoelde normatieve bpv-plaats; -e. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de wet in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, dan wel in beide leerwegen; -f. exploitatiekosten: de kosten van een kenniscentrum niet zijnde de huisvestingskosten. +b. leerbedrijf: een bedrijf dat of organisatie die bevoegd is de beroepspraktijkvorming te verzorgen, op basis van een gunstige beoordeling op grond van door het kenniscentrum vastgestelde criteria als bedoeld in artikel 7.2.10 van de wet; +c. normatieve bpv-plaats: een in artikel 4.2.5 bedoelde normatieve bpv-plaats; +d. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de wet in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, dan wel in beide leerwegen; +e. exploitatiekosten: de kosten van een kenniscentrum niet zijnde de huisvestingskosten; +f. deelnemer aan de beroepsbegeleidende leerweg: degene die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, aan een instelling als bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdeel b, onder 1º, 2º en 3º, 12.3.8 en 12.3.9 van de wet stond ingeschreven voor een opleiding aan de beroepsbegeleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt, voor zover deze deelnemer: + +1°. uiterlijk op 31 december van eerstbedoeld jaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft afgesloten, en +2°. een opleiding volgt als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, onder b, uiterlijk op 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar, dan wel in geval de deelnemer een andere opleiding volgt uiterlijk op dezelfde datum als genoemd onder 1°, daadwerkelijk de opleiding in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de wet, volgt op de grondslag van een overeenkomst als bedoeld onder 1°; +g. voltijds deelnemer aan de beroepsopleidende leerweg: degene die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, als voltijds deelnemer als bedoeld in artikel 2.1.2, onder b, aan een instelling als bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdeel b, onder 1º, 2º en 3º, 12.3.8 en 12.3.9 van de wet stond ingeschreven voor een opleiding aan de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt; +h. deeltijds deelnemer aan de beroepsopleidende leerweg: degene die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage wordt vastgesteld, als deeltijds deelnemer als bedoeld in artikel 2.1.2, onder c, aan een instelling als bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdeel b, onder 1º, 2º en 3º, 12.3.8 en 12.3.9 van de wet stond ingeschreven voor een opleiding aan de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt. ### Artikel 4.1.3 @@ -387,16 +392,17 @@ Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalend Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor een kenniscentrum voor: a. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaf opleidingen, -b. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, derde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en -c. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg. +b. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, derde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaf normatieve bpv-plaatsen, en +c. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaf leerbedrijven. ### Artikel 4.2.2 Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van de kenniscentra wordt verdeeld als volgt: -a. 20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf opleidingen, -b. 60% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en -c. 20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg. +a. 50% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de stabilisatiecomponent, +b. 10% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf opleidingen, +c. 30% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf normatieve bpv-plaatsen, en +d. 10% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf leerbedrijven. ### Artikel 4.2.3 @@ -404,16 +410,23 @@ c. 20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaven le Onze Minister berekent voor een kenniscentrum de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten door bij elkaar op te tellen: -a. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf opleidingen, -b. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en -c. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, - -zoals deze delen voor het desbetreffende kalenderjaar voor het kenniscentrum worden berekend op grond van respectievelijk de artikelen 4.2.4 en 4.2.5, 4.2.6, 4.2.7 en 4.2.8. +a. het rijksbijdragedeel op grond van de stabilisatiecomponent, zoals berekend overeenkomstig artikel 4.2.3a, +b. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf opleidingen, zoals berekend overeenkomstig artikel 4.2.4, +c. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf normatieve bpv-plaatsen, zoals berekend overeenkomstig artikel 4.2.5, en +d. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf leerbedrijven, zoals berekend overeenkomstig artikel 4.2.7. **2.** Het aandeel van de op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het kenniscentrum in het desbetreffende landelijk beschikbare budget wordt uitgedrukt in een percentage van dat budget. **3.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen. +### Artikel 4.2.3a + +**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de stabilisatiecomponent, op de wijze als bepaald in het tweede en derde lid. + +**2.** Voor elk kenniscentrum wordt het aandeel in het landelijk beschikbare budget van respectievelijk het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld en het daaraan voorafgaande jaar, uitgedrukt in een percentage van het landelijk beschikbare budget van genoemde jaren. Vervolgens worden voor elk kenniscentrum de percentages van de jaren, bedoeld in de eerste volzin, bij elkaar opgeteld en de uitkomst gedeeld door twee. + +**3.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag voor het kenniscentrum vastgesteld overeenkomstig het in het tweede lid bedoelde percentage. + ### Artikel 4.2.4 **1.** @@ -443,61 +456,74 @@ De berekening volgens het eerste lid leidt tot een aantal punten voor het kennis ### Artikel 4.2.5 -**1.** Voor de toepassing van artikel 4.2.6 wordt onder een bpv-plaats verstaan, een beroepspraktijkvormingsplaats waarvoor een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet, is gesloten op grond waarvan een leerbedrijf verplicht is in het tweede studiejaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, beroepspraktijkvorming te verzorgen. +**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf normatieve bpv-plaatsen, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vijfde lid. **2.** -Voor de toepassing van artikel 4.2.6 wordt uitgegaan van een aantal normatieve bpv-plaatsen per kenniscentrum per leerweg. Dat aantal wordt berekend door: +Het aantal normatieve bpv-plaatsen voor elk kenniscentrum wordt bepaald door het aantal deelnemers bij opleidingen die behoren bij het desbetreffende kenniscentrum voorzover die opleidingen zijn vermeld in het Centraal register, bij elkaar op te tellen zoals hierna vermeld: -a. bij elkaar op te tellen de aantallen uren beroepspraktijkvorming van alle bpv-plaatsen in die leerweg in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, voor zover het betreft opleidingen waarvoor dat kenniscentrum de eindtermen heeft voorgesteld, en -b. dat totale aantal te delen door 960 uren. +a. 100% van het aantal deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, +b. 35% van het aantal voltijds deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, en +c. 10% van het aantal deeltijds deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld. + +**3.** + +De optelling volgens het tweede lid leidt tot een aantal normatieve bpv-plaatsen voor een kenniscentrum, dat rekenkundig wordt afgerond op een geheel getal. Op het aantal normatieve bpv-plaatsen, bedoeld in het tweede lid, wordt een correctie voor schaalvoordelen toegepast door dat aantal te vermenigvuldigen met een factor, zoals aangegeven in de navolgende tabel: + +| Aantal normatieve bpv-plaatsen | Factor | +| --- | --- | +| 1 t/m 10.000 | 1 | +| 10.001 t/m 15.000 | 0,985 | +| 15.001 t/m 20.000 | 0,970 | +| 20.001 t/m 25.000 | 0,955 | +| 25.001 t/m 30.000 | 0,940 | +| 30.001 t/m 35.000 | 0,925 | +| 35.001 t/m 40.000 | 0,910 | +| 40.001 t/m 45.000 | 0,895 | +| 45.001 t/m 50.000 | 0,880 | +| 50.001 en hoger | 0,865 | + +**4.** De berekening volgens het derde lid leidt tot een aantal normatieve bpv-plaatsen voor het kenniscentrum, rekenkundig af te ronden op een geheel getal. + +**5.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag voor het kenniscentrum vastgesteld naar rato van het aantal normatieve bpv-plaatsen van elk kenniscentrum nadat daarop de correctie en de afronding, bedoeld in het derde respectievelijk vierde lid, heeft plaatsgevonden. ### Artikel 4.2.6 -**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vierde lid. +**1.** Elk kenniscentrum verstrekt jaarlijks voor 15 november aan Onze Minister een opgave van het aantal door dat kenniscentrum erkende leerbedrijven op peildatum 1 oktober van dat jaar. -**2.** - -Met betrekking tot het voorlaatste studiejaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft, worden vastgesteld: - -a. het landelijk aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg, -b. het landelijk aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg, -c. voor elk kenniscentrum, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg, en -d. voor elk kenniscentrum, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg. - -**3.** De op grond van het tweede lid, aanhef en onder a en b, vastgestelde landelijke aantallen worden vermenigvuldigd met respectievelijk 0,00433 en 0,00414, de uitkomsten worden bij elkaar opgeteld en het procentuele aandeel van elk landelijk aantal in dat totale aantal wordt vastgesteld. - -**4.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijk aantal, overeenkomstig het in het derde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de kenniscentra verdeeld naar rato van de voor elk kenniscentrum op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen. +**2.** De verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel 2.5.3, vierde lid, juncto artikel 2.5.10, eerste lid, van de wet heeft mede betrekking op de opgave, bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 4.2.7 -**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met het vijfde lid. +**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf leerbedrijven, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vijfde lid. -**2.** +**2.** Voor elk kenniscentrum wordt het aantal leerbedrijven vastgesteld op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld. -Ten aanzien van de drie studiejaren die voorafgaan aan het jaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, wordt een derde gedeelte bepaald van: +**3.** -a. het landelijk aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsbegeleidende leerweg in die studiejaren verzorgt; -b. het landelijk aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg in die studiejaren verzorgt; -c. voor elk kenniscentrum, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsbegeleidende leerweg in die studiejaren verzorgt; -d. voor elk kenniscentrum, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg in die studiejaren verzorgt. +Op het aantal leerbedrijven voor elk kenniscentrum, bedoeld in het tweede lid, wordt een correctie voor schaalvoordelen toegepast door dat aantal te vermenigvuldigen met een factor, zoals aangegeven in de navolgende tabel: -**3.** Een leerbedrijf telt slechts eenmaal mee in de aantallen, bedoeld in het tweede lid, onder c en d. +| Aantal leerbedrijven | Factor | +| --- | --- | +| 1 t/m 7.500 | 1 | +| 7.501 t/m 10.000 | 0,965 | +| 10.001 t/m 12.500 | 0,930 | +| 12.501 t/m 15.000 | 0,895 | +| 15.001 t/m 17.500 | 0,860 | +| 17.501 t/m 20.000 | 0,825 | +| 20.001 t/m 22.500 | 0,790 | +| 22.501 t/m 25.000 | 0,755 | +| 25.001 t/m 27.500 | 0,720 | +| 27.501 t/m 30.000 | 0,685 | +| 30.001 en hoger | 0,650 | -**4.** De op grond van het tweede lid, onder a en b, vastgestelde landelijke aantallen worden vermenigvuldigd met respectievelijk 0,00314 en 0,0018, de beide uitkomsten worden bij elkaar opgeteld en het procentuele aandeel van elk landelijk aantal in dat totale aantal wordt vastgesteld. +**4.** De berekening volgens het tweede en derde lid leidt tot een aantal leerbedrijven voor het kenniscentrum, rekenkundig af te ronden op een geheel getal. -**5.** Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijke aantal, overeenkomstig het in het vierde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de landelijke organen verdeeld naar rato van de voor elk kenniscentrum op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen. +**5.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag voor het kenniscentrum vastgesteld naar rato van het aantal leerbedrijven van elk kenniscentrum nadat daarop de correctie en de afronding, bedoeld in het derde respectievelijk vierde lid, heeft plaatsgevonden. ### Artikel 4.2.8 -**1.** - -Bij de vaststellingen, bedoeld in artikel 4.2.7, tweede lid, betrekt Onze Minister uitsluitend de leerbedrijven: - -a. die zijn aangeduid met de code leerbedrijf, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit, en -b. waar op enig moment in het studiejaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, ten minste één deelnemer daadwerkelijk de opleiding in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de wet, volgt op de grondslag van een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. - -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, stelt het kenniscentrum de betrokken instellingen in kennis van de in het eerste lid onder a bedoelde codes van de leerbedrijven, en stelt het de instellingen tijdig in kennis van wijzigingen daarin. De in de eerste volzin bedoelde instellingen zijn instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, of 1.4.1 van de wet, een in artikel 12.3.8 van de wet genoemd instituut of een in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogeschool. +Bij de berekening, bedoeld in artikel 4.2.7, betrekt Onze Minister uitsluitend de leerbedrijven die zijn aangeduid met de code leerbedrijf, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit. ### Paragraaf 3. Huisvesting