2013-01-01 | BWBR0002414 | Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960
This commit is contained in:
parent
f84285ebb1
commit
a1b3cbfa53
1 changed files with 9 additions and 9 deletions
|
|
@ -27,7 +27,7 @@ c. personen, aan wie krachtens de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indo
|
|||
|
||||
### Artikel 1a
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen ouderdomspensioen van een gewezen overheidsdienaar die de 65-jarige leeftijd reeds heeft bereikt mede begrepen het algemeen ouderdomspensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft.
|
||||
Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen ouderdomspensioen van een gewezen overheidsdienaar die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, reeds heeft bereikt mede begrepen het algemeen ouderdomspensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -42,7 +42,7 @@ d. voor de weduwen van gewezen overheidsdienaren, naar 40 dienstjaren.
|
|||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt ten aanzien van pensioenen, als bedoeld in artikel 35 van de regeling voor het reserve-personeel van het leger in Nederlandsch-Indië (Ind. *Stb.* 1923, 518), de voor het verkrijgen van maximum pensioen vereiste diensttijd gesteld op 20 jaren.
|
||||
|
||||
**3.** Diensttijd, waarnaar een of meer pensioenen worden geacht te zijn berekend, wordt geacht te zijn vervuld gedurende het tijdvak of de tijdvakken, welke door de gewezen overheidsdienaar of, indien het betreft een weduwenpensioen, degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, daadwerkelijk in dienstverhouding is of zijn doorgebracht en, voor zover de duur daarvan te boven gaande, geacht aan te sluiten bij het einde van de laatste dienstverhouding, waaraan recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip, waarop de gewezen overheidsdienaar of degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de leeftijd van 65 jaren heeft of zou hebben bereikt, wordt die diensttijd, teruggerekend van dat tijdstip af, geacht te zijn vervuld voor zover mogelijk gedurende de tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk in dienstverhouding doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van het eerste dienstverband waaraan recht op pensioen wordt ontleend.
|
||||
**3.** Diensttijd, waarnaar een of meer pensioenen worden geacht te zijn berekend, wordt geacht te zijn vervuld gedurende het tijdvak of de tijdvakken, welke door de gewezen overheidsdienaar of, indien het betreft een weduwenpensioen, degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, daadwerkelijk in dienstverhouding is of zijn doorgebracht en, voor zover de duur daarvan te boven gaande, geacht aan te sluiten bij het einde van de laatste dienstverhouding, waaraan recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip, waarop de gewezen overheidsdienaar of degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt, wordt die diensttijd, teruggerekend van dat tijdstip af, geacht te zijn vervuld voor zover mogelijk gedurende de tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk in dienstverhouding doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van het eerste dienstverband waaraan recht op pensioen wordt ontleend.
|
||||
|
||||
**4.** Het bepaalde in het voorgaande lid lijdt uitzondering ten aanzien van pensioenen als bedoeld in artikel 35 van de regeling voor het reserve-personeel van het leger in Nederlandsch-Indië, in dier voege, dat voor de vaststelling van het tijdvak gedurende hetwelk wordt geacht te zijn vervuld diensttijd, waarnaar een zodanig pensioen wordt geacht te zijn berekend, andere pensioenen buiten aanmerking worden gelaten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -52,7 +52,7 @@ d. voor de weduwen van gewezen overheidsdienaren, naar 40 dienstjaren.
|
|||
|
||||
**1.** Indien een tijdvak waarop het algemeen ouderdomspensioen moet worden geacht betrekking te hebben geheel of gedeeltelijk samenvalt met het tijdvak gedurende hetwelk diensttijd wordt geacht te zijn vervuld waarnaar een of meer aan betrokkene toekomende pensioenen worden geacht te zijn berekend, wordt over iedere maand, of gedeelte van een maand, gedurende welke betrokkene aanspraak heeft op algemeen ouderdomspensioen en op een of meer pensioenen de betaling van het pensioen of de pensioenen beperkt. Een weduwepensioen wordt beperkt vanaf de dag volgende op die van het overlijden van de gewezen overheidsdienaar aan wiens overlijden het recht op weduwepensioen wordt ontleend indien deze in het genot was van enige pensioenuitkering waarop een beperking werd toegepast en die niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een gehuwde vrouw die niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot aanspraak heeft op eigen pensioen, wordt met ingang van de dag waarop zij de leeftijd van 65 jaren bereikt voor de toepassing van deze wet de diensttijd waarnaar dat pensioen moet worden geacht te zijn berekend slechts in aanmerking genomen, voorzover deze niet samenvalt met diensttijd waarnaar een aan de echtgenoot toekomend pensioen of toekomende andere uit hoofde van aanspraak op algemeen ouderdomspensioen verminderde pensioenuitkering moet worden geacht te zijn berekend.
|
||||
**2.** Indien een gehuwde vrouw die niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot aanspraak heeft op eigen pensioen, wordt met ingang van de dag waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt voor de toepassing van deze wet de diensttijd waarnaar dat pensioen moet worden geacht te zijn berekend slechts in aanmerking genomen, voorzover deze niet samenvalt met diensttijd waarnaar een aan de echtgenoot toekomend pensioen of toekomende andere uit hoofde van aanspraak op algemeen ouderdomspensioen verminderde pensioenuitkering moet worden geacht te zijn berekend.
|
||||
|
||||
**3.** Het voorgaande lid vindt slechts toepassing op aanvraag van degene die aantoont dat aan de echtgenoot een pensioen of enig andere pensioenuitkering is toegekend die uit hoofde van zijn aanspraak op algemeen ouderdomspensioen wordt verminderd, waarbij de vermindering van de beperking ingaat op de dag waarop de bedoelde omstandigheid is opgetreden, doch uiterlijk een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -70,8 +70,8 @@ d. voor de weduwen van gewezen overheidsdienaren, naar 40 dienstjaren.
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van de artikelen 3 en 4 geldt het volgende.
|
||||
|
||||
a. Het volle algemeen ouderdomspensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop de gewezen overheidsdienaar dan wel, indien het betreft een weduwenpensioen, degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de leeftijd van 15 jaren en die van 65 jaren heeft of zou hebben bereikt.
|
||||
b. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de leeftijd van 15 jaren en die van 65 jaren is of zou zijn bereikt.
|
||||
a. Het volle algemeen ouderdomspensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop de gewezen overheidsdienaar dan wel, indien het betreft een weduwenpensioen, degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, beide bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt.
|
||||
b. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, beide bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is of zou zijn bereikt.
|
||||
c. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan nadere regels stellen met betrekking tot de in de artikelen 3 en 4 bedoelde beperking te hanteren bedragen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
|
@ -124,9 +124,9 @@ De wezenonderstand, waarop twee of meer volle wezen aanspraak hebben, wordt, ind
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt:
|
||||
|
||||
a. de algemene nabestaandenuitkering, de algemene halfwezenuitkering en de algemene wezenuitkering geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen, waarop degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend de leeftijd van 15 jaren had bereikt en die van 65 jaren had of zou hebben bereikt;
|
||||
a. de algemene nabestaandenuitkering, de algemene halfwezenuitkering en de algemene wezenuitkering geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen, waarop degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had of zou hebben bereikt;
|
||||
b. een weduwenpensioen of een wezenonderstand geacht betrekking te hebben op het tijdvak, gedurende hetwelk zou zijn geacht te zijn vervuld de diensttijd van degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend, indien diens pensioen was of ware berekend naar de in het eerste lid van artikel 2 onder a bedoelde diensttijd;
|
||||
c. als diensttijd uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend, de leeftijd van 15 jaren had bereikt en die van 65 jaren had of zou hebben bereikt;
|
||||
c. als diensttijd uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had of zou hebben bereikt;
|
||||
d. tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van de algemene nabestaandenuitkering, de halfwezenuitkering en de algemene wezenuitkering, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet, indien en voor zover die tijd samenvalt met het onder b bedoelde tijdvak, op dat tijdvak in mindering gebracht en voor de toepassing van artikel 10 buiten aanmerking gelaten.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
|
@ -273,7 +273,7 @@ gerekend van 1 januari 1963 af op het volle algemeen wezenpensioen respectieveli
|
|||
|
||||
### Artikel 26a
|
||||
|
||||
**1.** Indien recht is ontstaan op weduwepensioen of een wezenpensioen na 31 december 2000 heeft de weduwe die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, onderscheidenlijk de wees, in afwijking van de Wet brutering overhevelingstoeslag, recht op een toeslag ter grootte van 1,9% van dat pensioen, met een maximum van € 791,85 per jaar.
|
||||
**1.** Indien recht is ontstaan op weduwepensioen of een wezenpensioen na 31 december 2000 heeft de weduwe die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, onderscheidenlijk de wees, in afwijking van de Wet brutering overhevelingstoeslag, recht op een toeslag ter grootte van 1,9% van dat pensioen, met een maximum van € 791,85 per jaar.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de toeslag krachtens dit artikel niet onder pensioen of uitkering begrepen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -306,7 +306,7 @@ b. bij iedere nadere vaststelling van de hiervoor bedoelde nabestaandenuitkering
|
|||
|
||||
Het recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid, vervalt:
|
||||
|
||||
a. met ingang van de dag waarop de weduwe de 65-jarige leeftijd bereikt;
|
||||
a. met ingang van de dag waarop de weduwe de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
|
||||
b. met ingang van de maand volgende op die waarin de weduwe hertrouwt, als partner wordt geregistreerd of aangemerkt, of als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt.
|
||||
|
||||
**5.** De toeslag, bedoeld in het eerste lid, is geen pensioen als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue