diff --git a/beleidsregel/voorkoming-van-dubbele-belasting-voorkoming-onder-de-toepassing-van-de-belasting/BWBR0024336/README.md b/beleidsregel/voorkoming-van-dubbele-belasting-voorkoming-onder-de-toepassing-van-de-belasting/BWBR0024336/README.md index 9a564079d54..f723c5faa01 100644 --- a/beleidsregel/voorkoming-van-dubbele-belasting-voorkoming-onder-de-toepassing-van-de-belasting/BWBR0024336/README.md +++ b/beleidsregel/voorkoming-van-dubbele-belasting-voorkoming-onder-de-toepassing-van-de-belasting/BWBR0024336/README.md @@ -15,8 +15,6 @@ De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten: Dit besluit is een samenvoeging en actualisering van de besluiten over de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting onder de toepassing van de belastingverdragen en de BRK. In dit besluit zijn ten opzichte van de in te trekken besluiten verschillende beleidswijzigingen aangebracht (zie met name onder 3.2.3) en nieuwe beleidsbeslissingen opgenomen (zie met name onder 3.2.4 en 3.3). In een enkel geval is een verduidelijking opgenomen die ook betrekking heeft op de werking van de voorkoming onder het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (onder 2.5, eerste alinea). -Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 8 juli 2022, nr. 2022-178650. De wijziging betreft het intrekken van de goedkeuring uit onderdeel 3.4, met betrekking tot het toepassen van de vrijstellingsmethode voor directeuren- en commissarissenbeloningen. - ## . Inhoudsopgave 1. Inleiding @@ -53,7 +51,7 @@ Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 8 juli 2022, nr. 2022-178650. De wijzig 3.3 Timingverschillen bij de voorkoming van dubbele belasting -3.4 *vervallen* +3.4 Directeuren- en commissarissenbeloningen; goedkeuring toepassing vrijstellingsmethode 3.5 Werkzaamheden buitengaats in de verdragen met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen; goedkeuring toepassing vrijstellingsmethode @@ -63,11 +61,7 @@ Dit besluit is gewijzigd bij besluit van 8 juli 2022, nr. 2022-178650. De wijzig ## 1. Inleiding -Nederland belast inwoners over hun wereldinkomen. Voor de in het wereldinkomen begrepen buitenlandse inkomensbestanddelen waarvan het heffingsrecht op basis van een belastingverdrag of een eenzijdige regeling ter voorkoming van dubbele belasting primair aan een ander land is toegewezen, verleent Nederland een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. Over de (technische) wijze van bepaling van de vermindering zijn in de loop der tijd verschillende beleidsbeslissingen verschenen. In dit besluit is het beleid zoveel mogelijk samengevoegd en geactualiseerd opgenomen om de toegankelijkheid ervan te vergroten. Hierbij is de wenselijkheid van bepaald beleid opnieuw bezien en waar nodig is het beleid aangepast. In dit kader is ook ingegaan op de werking van de voorkomingsbepalingen uit de belastingverdragen in relatie tot de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Met de Wet IB 2001 is de systematiek en de terminologie van de Nederlandse belastingwetgeving ingrijpend gewijzigd. Het systeem van inkomensboxen, waarbij elk van de drie boxen zijn eigen grondslag en tarief kent, was aanleiding om het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 (hierna: BVDB 1989) te vervangen door het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: BVDB 2001). In een enkel geval is in dit besluit ook een goedkeuring opgenomen over de werking van de voorkoming onder het BVDB 2001. - -Hoewel in dit besluit de nadruk ligt op de inkomstenbelasting, is ook aangegeven wat de gevolgen zijn voor de vennootschapsbelasting (zie ook de syllabus Vrijstelling, Verrekening, Verliescompensatie Internationaal Belastingrecht waarnaar wordt verwezen in het besluit van 13 april 2004, nr. IFZ2004/236M, BNB 2004/281). Niet opgenomen is het besluit van 21 januari 2004, nr. IFZ2003/558M, BNB 2004/134, waarin vragen zijn beantwoord over de verrekening van buitenlandse bronbelasting door Nederlandse vaste inrichtingen naar aanleiding van het arrest Saint Gobain, HvJ EG van 21 september 1999, zaak C-307/97, BNB 2000/75. Ook het besluit van 16 april 2002, nr. IFZ2002/357, V-N 2002/25.8 over de samenloop van artikel 20a Wet VPB 1969 en de stallingsregeling ex artikel 35 BVDB 2001 blijft als afzonderlijk besluit gehandhaafd. Hetzelfde geldt voor het besluit over de toekenning van een Britse ‘tax credit’ (besluit van 22 december 2006, nr. IFZ2006/1016, BNB 2007/52) . De ‘tax sparing credit’ bepalingen worden in dit besluit, behoudens de relatie met de gezamenlijke methode, niet behandeld. Onder de huidige regelgeving worden zogenoemde China lease-constructies (het uit elkaar trekken in verschillende vennootschappen van de buitenlandse opbrengsten en de daarmee samenhangende kosten (rente), waarvan sprake was in de casus van HR 26 januari 2000, nr. 33 943, BNB 2000/160) bestreden, indien de zakelijkheid van de transacties in het geding zijn. Het opnemen in het BVDB 2001 van een bepaling tegen dergelijke constructies wordt overwogen. - -Waar in dit besluit wordt gesproken over de belastingverdragen wordt daaronder mede verstaan het Besluit voorkoming dubbele belasting Nederland en Taiwan. +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ## 2. Vrijstelling @@ -77,41 +71,15 @@ De door Nederland afgesloten belastingverdragen bevatten steeds een afzonderlijk ### 2.2. Vrijstellingsmethode; verdragen met autonome regeling (m.u.v. Zwitserland en -Andere (oudere) verdragen1Per 1 januari 2008 gaat het om de verdragen met Australië, Duitsland, Filippijnen, Frankrijk, Ierland, Israël, Japan, Korea, Luxemburg, Malawi, Malta, Marokko, Oostenrijk, Singapore, Spanje, Suriname, Slowakije, Tsjechië, Zambia, Zuid Afrika (1971). Ook de Belastingregeling voor het Koninkrijk (Aruba en de Nederlandse Antillen) en het verdrag met Zwitserland kennen een autonome regeling. kennen een autonome regeling voor de door Nederland te verlenen belastingvermindering voor vrijgestelde buitenlandse inkomsten. De zogenoemde voorkomingsbreuk wordt hierbij zelfstandig omschreven. Daarbij wordt voor de noemer een formulering gebruikt als ‘het bedrag van het gehele inkomen … dat de grondslag vormt waarnaar de belasting wordt geheven’. In een protocol wordt vervolgens meestal aangegeven dat hieronder wordt verstaan het onzuiver inkomen in de zin van de Nederlandse wet op de inkomstenbelasting of de winst in de zin van de Nederlandse wet op de vennootschapsbelasting. Wel kennen deze verdragen een voorbehoud voor de toepassing van de bepalingen betreffende de verliescompensatie in de nationale Nederlandse wetgeving of de eenzijdige voorschriften tot het vermijden van dubbele belasting. Deze verwijzing ziet op de doorschuif- en inhaalregeling uit het Besluit voorkoming dubbele belasting (HR 27 november 1985, nr. 22 717, BNB 1986/47). De vermindering van de noemer met compensabele verliezen uit andere jaren volgt echter niet uit de tekst van deze verdragen. - -Gemeenschappelijk aan de verdragen met autonome regeling is dat de diverse voorkomingsbepalingen uitgaan van één inkomensbegrip en dus niet aansluiten bij de opzet en terminologie van de drie inkomensboxen in de Wet IB 2001. Voor de genoemde verdragen moet een vertaalslag plaatsvinden om voor belastingplichtigen in de inkomstenbelasting de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting te bepalen. - -Een redelijke toepassing die recht doet aan doel en strekking van de verdragen brengt in dit licht naar mijn mening mee dat bij de verdragen met een autonome voorkomingsregeling voor de bepaling van de tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting aansluiting wordt gezocht bij de voorkomingstechniek uit het BVDB 2001. Dit houdt in dat ook voor die verdragen de voorkoming volgens de vrijstellingsmethode per inkomensbox afzonderlijk plaatsvindt, waarbij elke box zijn eigen grondslag en tarief kent. In HR 1 december 2006, nr. 42 211, V-N 2006/65.11 is de voorkoming per box bevestigd. Op deze wijze wordt een juiste aansluiting bereikt tussen – de hoogte van – de belastingheffing over de buitenlandse inkomsten en de bepaling van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. Anders gezegd: voor de (buitenlandse) inkomsten van box 3 die tegen een tarief van 30% zijn belast, wordt tegen dit tarief van 30% voorkoming van dubbele belasting verleend (en niet tegen een gemiddeld tarief van de drie boxen samen). Tot meer is Nederland op grond van de verdragsbepalingen niet verplicht. Het uitgangspunt voorkomt dat Nederland in bepaalde situaties een vermindering van belasting moet verlenen, die groter (of kleiner) is dan het bedrag van de Nederlandse belasting, welke zonder de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van het buitenlandse bestanddeel verschuldigd zou zijn. - -Bedacht moet verder worden dat de autonome regeling uit de oudere verdragen in grote lijnen overeenkomt met de systematiek die destijds in het Besluit voorkoming dubbele belasting (1965 en 1989) werd gehanteerd. Waar in de belastingverdragen in voor de belastingplichtige ongunstige zin werd afgeweken van het BVDB 1989, is dit in het verleden in een aantal gevallen gelijk getrokken door goedkeurend beleid (zie hierna). Verder is in het BVDB 2001 een regeling voor de voorkoming van dubbele belasting getroffen die direct aansluit bij de Wet IB 2001. - -Het begrip ‘onzuiver inkomen’ komt in de Wet IB 2001 als zodanig niet meer voor. Opdat wereldwijd zoveel mogelijk kan worden uitgegaan van hetzelfde noemerinkomen bij de vrijstelling van buitenlandse inkomensbestanddelen, keur ik voor zover nodig goed dat het noemerinkomen, zoals dat is bepaald in het BVDB 2001, wordt gehanteerd. Het te hanteren noemerinkomen in box 1 is omschreven in artikel 10, vijfde lid, BVDB 2001. Door de aansluiting met het BVDB 2001 worden automatisch de negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren (verliesverrekening) in aanmerking genomen bij de voorkoming in box 1. De toepassing van de vrijstellingsmethode bij box 3 inkomen is neergelegd in artikel 24, tweede lid, BVDB 2001. De aansluiting bij het BVDB 2001 heeft ook tot gevolg dat de aanpassingen van het noemerinkomen met ingang van 1 januari 2005 bij het Besluit van 8 april 2005 tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 20012 Besluit van 8 april 2005 tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 in verband met het arrest De Groot van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (C-385/00) en in verband met enkele overige technische aanpassingen, *Stb*. 2005, 197. en met ingang van 1 januari 2008 bij het Besluit van 20 december 2007 tot wijziging van enige fiscale Uitvoeringsbesluiten, Stb. 2007, 573, doorwerken naar de verdragen die een autonome regeling voor de vrijstellingsmethode kennen. De bepaling van de buitenlandse inkomsten in box 3 waarvoor vrijstelling wordt gegeven (de teller) vindt uiteraard eveneens plaats met inachtneming van het in artikel 24, tweede lid, BVDB 2001 genoemde forfaitaire rendement. - -Onder het begrip ‘winst’ wordt in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VPB 1969) verstaan de belastbare winst ex artikel 7, derde lid, Wet VPB 1969 vóór vermindering met de aftrekbare giften. Het verticaal verrekenbare verlies maakt ook geen deel uit van de noemer. Ik keur echter voor zover nodig goed dat voor de bepaling van de noemerwinst wordt aangesloten bij de noemerwinst van artikel 33, vierde lid, BVDB 2001. Met ingang van 1 januari 2005 geldt in artikel 33, vierde lid, BVDB 2001 als noemerwinst het belastbare bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, Wet VPB 1969. De aanpassing van de noemerwinst is met ingang van 1 januari 2005 dus ook van toepassing op de verdragen met een autonome voorkomingsregeling. - -Vanwege de afwijkende voorkomingsbepalingen in de Belastingregeling voor het Koninkrijk en het verdrag met Zwitserland, zal hierop in het navolgende nog afzonderlijk worden ingegaan. +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### 2.3 -In de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) wordt in artikel 24, eerste lid, de noemer van de voorkomingsbreuk omschreven als het totale belastbare inkomen. In het tweede lid wordt bepaald dat bij de te verlenen vermindering rekening wordt gehouden met de verrekening van negatieve en positieve bestanddelen. Deze laatste verwijzing heeft betrekking op de doorschuif- en inhaalregeling uit het Besluit voorkoming dubbele belasting (Hof Amsterdam 13 januari 1988, nr. 3271/86, BNB 1989/154). - -Doortrekking van het begrip ‘totale belastbare inkomen’ van artikel 24 BRK naar de Wet IB 2001 betekent dat, in afwijking van artikel 10, vijfde lid, BVDB 2001, bij de voorkoming van buitenlands inkomen in box 1 onder de BRK als noemer moet worden gehanteerd het belastbare inkomen uit werk en woning. Bij de toepassing van de vrijstellingsmethode in box 3 kon onder de BRK tot dusverre in de noemer worden uitgegaan van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De bepaling van de buitenlandse inkomsten waarvoor vrijstelling wordt gegeven (de teller) vindt dan uiteraard eveneens plaats met inachtneming van het forfaitaire rendement. - -De wijziging van het noemerinkomen in artikel 10, vijfde lid, BVDB 2001 bij het Besluit van 8 april 2005, Stb. 2005, 197, brengt met zich mee dat de afwijking tussen BRK en BVDB 2001 met ingang van 1 januari 2005 nog maar zeer beperkt is. Het nieuwe zesde en zevende lid van artikel 10 BVDB 2001 gelden niet voor het noemerinkomen onder de BRK. - -Voor de vennootschapsbelasting betekent het begrip ‘totale belastbare inkomen’ dat de noemer bestaat uit het belastbare bedrag in de zin van artikel 7, eerste lid, Wet VPB 1969. Met ingang van 1 januari 2005 is er dus geen onderscheid tussen de noemerwinst van de BRK en de noemerwinst van artikel 33, vierde lid, BVDB 2001. +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### 2.4. Zwitserland -Het verdrag met Zwitserland bevat een zelfstandige voorkomingsbepaling die substantieel afwijkt van die van andere verdragen. In het slotprotocol Ad artikelen 2 tot 8 is voor het onder die artikelen vallende inkomen een verrekeningsmethode opgenomen. In de resolutie van 10 mei 1955, nr. 8, BNB 1955/195, is goedgekeurd dat voor de uitvoering van dit verdrag het voorschrift van het derde lid, letter a, van het slotprotocol Ad Artikelen 2 tot 8 buiten toepassing kan blijven, zodat de vermindering wordt berekend op de wijze bedoeld in letter b van dat lid (vrijstellingsmethode). In het besluit van 14 december 2000, nr. IFZ2000/1326M, V-N 2001/15.1, is de resolutie van 10 mei 1955 aangepast in verband met het toepassen van de verrekeningsmethode voor winst als bedoeld in artikel 32, vijfde lid, BVDB 2001 (zogenoemde passieve winst uit buitenlandse onderneming) met ingang van 1 januari 1999. - -Aldus wordt voor de meeste onder het slotprotocol Ad Artikelen 2 tot 8 vallende inkomsten, per saldo, een evenredige vrijstelling gegeven. Het derde lid van het slotprotocol Ad Artikelen 2 tot 8 definieert de noemer als: ‘het gehele inkomen’. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 november 2002, nr. 37 076, BNB 2003/48, beslist dat onder het begrip ‘gehele inkomen’ moet worden verstaan het belastbare inkomen. Dat betekent dat kan worden uitgegaan van dezelfde noemer als de noemer die wordt gehanteerd in relatie tot het BRK (zie echter ook hierna). - -Door het ontbreken in het slotprotocol Ad Artikelen 2 tot 8 van het voorbehoud voor de toepassing van de bepalingen betreffende de verliescompensatie in de nationale Nederlandse wetgeving of de eenzijdige voorschriften tot het vermijden van dubbele belasting, is de doorschuif- en inhaalregeling niet van toepassing onder het verdrag met Zwitserland. Bij het besluit van 21 juni 1996, nr. IFZ96/619M, BNB 1996/292, is de toepassing van de doorschuif- en inhaalregeling onder het verdrag met Zwitserland onder bepaalde voorwaarden goedgekeurd. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 september 2005, nr. 40 490, V-N 2005/47.12 beslist dat deze goedkeuring beperkt moet worden opgevat. De goedkeuring omvat volgens de Hoge Raad niet tevens de toepassing van artikel 10, tweede lid, BVDB 1989 waar een regeling is opgenomen tegen de handel in vennootschappen met gestalde buitenlandse winsten. - -De bedoeling van de hierboven verleende goedkeuringen was om belastingplichtigen die op grond van het belastingverdrag met Zwitserland recht hebben op een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting zoveel mogelijk in een vergelijkbare positie te brengen met belastingplichtigen die recht hebben op verminderingen op grond van de overige belastingverdragen en het BVDB. - -Met in het vooruitzicht de totstandkoming van een nieuw verdrag met Zwitserland heb ik besloten de goedkeuringen uit de resolutie van 10 mei 1955, nr. 8 in combinatie met het besluit van 14 december 2000, nr. IFZ2000/1326M en het besluit van 21 juni 1996, nr. IFZ96/619M te handhaven. Onder de toepassing van het belastingverdrag met Zwitserland kunnen de doorschuifregeling en de inhaalregeling overeenkomstig de bepalingen van het BVDB 2001 worden toegepast. Verder kan het voorschrift van het derde lid, letter a, van het slotprotocol Ad Artikelen 2 tot 8 buiten toepassing blijven, zodat de vermindering wordt berekend op de wijze bedoeld in letter b van dat lid (vrijstellingsmethode). De goedkeuring tot het toepassen van de vrijstellingsmethode geldt niet voor winst uit buitenlandse onderneming behaald met een onderneming waarvan de werkzaamheden grotendeels bestaan uit het beleggen of uit niet-actieve financieringswerkzaamheden als bedoeld in artikel 13, negende tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De hoogte van het te verrekenen bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 39 BVDB 2001. Op verzoek van belastingplichtige kan het bedrag zoals bedoeld in het derde lid, letter a, van het slotprotocol Ad artikelen 2 tot 8 overeenkomstig artikel 39, tweede lid, letter a, BVDB 2001 forfaitair worden vastgesteld. Momenteel bedraagt die forfaitaire vaststelling 50% van het in artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 genoemde hoogste percentage maal het positieve gezamenlijke bedrag aan passieve winst uit buitenlandse onderneming; hierbij dient dan tevens rekening te worden gehouden met de overbrenging van een negatief bedrag aan passieve winst uit buitenlandse onderneming uit voorgaande jaren. +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### 2.5. Overige opmerkingen met betrekking tot de vrijstellingsbreuk @@ -135,21 +103,7 @@ Veel van de door Nederland met andere landen gesloten verdragen ter voorkoming v ### 3.1. Verrekeningsmethode -De door Nederland afgesloten belastingverdragen3De verdragen met de Bondsrepubliek Duitsland (1959) (vóór 1 januari 2005) en met de Sovjet Unie voorzien niet in een verrekening. kennen een (grotendeels) autonome regeling van de door Nederland te verlenen belastingvermindering volgens de verrekeningsmethode. Voor de verrekeningstechniek wordt in beginsel dus niet verwezen naar de nationale wetgeving (het Besluit voorkoming dubbele belasting). Alleen in de omschrijving van de zogenoemde tweede limiet komt in veel (recentere) verdragen een formulering voor als ‘het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving zijn vrijgesteld’. - -Net als bij de vrijstellingsmethode met autonome regeling geldt ook voor de in de verdragen opgenomen verrekeningsmethode met (grotendeels) autonome regeling dat deze niet direct aansluit bij de opzet en terminologie van de drie inkomensboxen in de Wet IB 2001. Voor de verdragen moet een vertaalslag plaatsvinden om voor belastingplichtigen in de inkomstenbelasting de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting volgens de verrekeningsmethode te bepalen. - -Een redelijke wetstoepassing die recht doet aan doel en strekking van de verdragen brengt naar mijn mening mee dat voor de bepaling van de tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting onder de verdragen volgens de verrekeningsmethode, aansluiting wordt gezocht bij de verrekeningstechniek uit het BVDB 2001. Hierbij is van belang dat de grotendeels autonome regeling onder de verdragen in grote lijnen overeenkomt met de systematiek die Nederland hanteert in de eenzijdige regeling van 1 januari 1990 tot en met 31 december 2000: het BVDB 1989. Waar in voor de belastingplichtige ongunstige zin werd afgeweken van het BVDB 1989, werd dit, net als bij de vrijstellingsmethode, in een aantal gevallen gelijk getrokken door middel van goedkeurend beleid (zie hierna). Ten slotte is in het BVDB 2001 een regeling voor verrekening getroffen die direct aansluit bij de Wet IB 2001. - -Het bij de verrekening onder de belastingverdragen toepassen van de bepalingen van het BVDB 2001 betekent dat de verrekening per box afzonderlijk wordt bepaald. Het heeft ook, in afwijking van de formulering in de meeste belastingverdragen, tot gevolg dat als noemerinkomen kan worden uitgegaan van het noemerinkomen zoals deze is geformuleerd in de verrekeningsbepalingen van het BVDB 2001. Hiermee wordt voorkomen dat bij de toepassing van de gezamenlijke methode onder omstandigheden verschillende noemerinkomens van toepassing kunnen zijn. - -Voor de duidelijkheid wil ik nog eens benadrukken dat de vraag of de verrekeningsmethode van toepassing is en welk bedrag aan buitenlandse bronbelasting voor verrekening in aanmerking komt, niet wordt beheerst door het BVDB 2001, maar door de bepalingen in de belastingverdragen. - -Zo is voor inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) behoudens de verrekening van buitenlandse bronbelasting op tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden, geen andere voorkomingsregeling in het BVDB 2001 opgenomen. Veel verdragen bevatten een specifieke bepaling (artikel 13 of 14, vijfde lid) volgens welke onder bepaalde omstandigheden en gedurende een bepaalde termijn (vijf- of tienjaarstermijn, nationaliteit etc.) het heffingsrecht over de vervreemdingswinst van aandelen of winstbewijzen in een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal dat inwoner is van het andere land, ter heffing is toegewezen aan het andere land. In het voorkomingsartikel van het verdrag kan vervolgens zijn geregeld dat Nederland – bij een persoon die inwoner is van Nederland met een aanmerkelijk belang in een buitenlandse vennootschap – voor deze voordelen voorkoming verleent op basis van de verrekeningsmethode. Voor de bepaling van de omvang van de te verlenen verrekening kan dan de regeling van artikel 19, tweede lid, BVDB 2001 in samenhang met het vijfde en zesde lid, worden gebruikt. - -Voor bijvoorbeeld box 3-inkomsten betekent de aansluiting op het BVDB 2001 dat met betrekking tot de verrekening van buitenlandse bronbelasting, in afwijking van de formulering in de verdragen, geen tweede limiet wordt toegepast. In plaats daarvan is de te verrekenen buitenlandse bronbelasting voor vermogensbestanddelen die in box 3 vallen, beperkt tot de belasting in box 3. - -Voor de vennootschapsbelasting bestaat de noemer van de verrekeningsbreuk op grond van artikel 36, vijfde lid, BVDB 2001 in samenhang met artikel 33, vierde lid, BVDB 2001 met ingang van 1 januari 2005 uit het belastbare bedrag in de zin van artikel 7, eerste lid, Wet VPB 1969. Om zoveel mogelijk uniformiteit in de voorkomingssystematiek te verkrijgen keur ik voor zover nodig goed dat met ingang van 1 januari 2005 ook onder alle belastingverdragen wordt uitgegaan van het noemerinkomen van artikel 33, vierde lid, BVDB 2001. +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### 3.2. Tegemoetkomingen @@ -157,11 +111,7 @@ Voor zover nodig keur ik goed dat ook voor de andere aspecten van de verrekening #### 3.2.1. Voortwenteling niet verrekende (bron)belasting -De door Nederland afgesloten belastingverdragen voorzien niet in een voortwenteling van in een jaar niet te verrekenen buitenlandse (bron)belasting op dividenden, interest en royalty’s. In het besluit van 21 juni 1996, nr. IFZ96/619 was goedgekeurd dat, met inachtneming van de daarbij te hanteren limieten, ook onder de verdragen (onbeperkt) voortwenteling kan plaatsvinden van de in een jaar onverrekende belasting overeenkomstig de regeling van artikel 5 van het BVDB 1989. Deze voortwenteling vindt, net als de verrekening zelf, in beginsel plaats volgens de afzonderlijke methode, dus per land waaruit inkomsten worden genoten waarvan de ingehouden bronbelasting niet (volledig) verrekenbaar is. In de situatie dat uit meerdere landen inkomsten worden genoten waarvan de ingehouden bronbelasting niet (volledig) verrekenbaar is, wordt van ieder land een evenredig deel van de in een jaar niet te verrekenen buitenlandse bronbelasting naar het volgende jaar overgebracht. Bij toepassing van de gezamenlijke methode (zie hierna onder 3.2.3) wordt het gezamenlijke deel van de niet verrekenbare buitenlandse bronbelasting naar het volgende jaar overgebracht. - -Het voor de toepassing van de verrekening onder de belastingverdragen gaan aansluiten bij de verrekeningstechniek van het BVDB 2001 betekent dat onder de verdragen de niet-verrekende bronbelasting voortaan op dezelfde wijze kan worden voortgewenteld als de niet-verrekende bronbelasting uit ontwikkelingslanden onder het BVDB 2001. Het gaat hierbij om de artikelen 14 (box 1; sporters en artiesten), 17 (box 1; dividenden, rente en royalty’s), 20 (box 2) en 25a (box 3; vanaf 1 januari 2002), alsmede voor de vennootschapsbelasting artikelen 37 en 40. - -Voortwenteling kan ook plaatsvinden indien de niet verrekende buitenlandse (bron)belasting is ingehouden op inkomsten uit een land dat ten tijde van de inhouding als ontwikkelingsland (artikel 6 BVDB 2001) kwalificeerde en dit land niet meer als ontwikkelingsland kwalificeert in het jaar waarnaar de bronbelasting kan worden overgebracht. De voortgewentelde bronbelasting blijft verrekenbaar op grond van het BVDB 2001. De voortgewentelde bronbelasting is niet langer verrekenbaar op grond van het BVDB 2001 vanaf het moment dat er met het voormalige ontwikkelingsland een belastingverdrag is gesloten. Wanneer hierdoor de bronbelasting uit het voormalige ontwikkelingsland niet verrekend kan worden, geeft toepassing van de gezamenlijke methode (zie hierna) mogelijkheden om toch tot een verrekening van deze bronbelasting te kunnen komen. +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden #### 3.2.2. Verzoek om kostenaftrek @@ -204,9 +154,9 @@ Teneinde te voorkomen dat verrekening van bronbelasting op obligaties verloren g Bij de berekening van de tweede limiet mag de in de teller van de verrekeningsbreuk opgenomen obligatierente worden vermeerderd met de meeverkochte rente tot maximaal het bedrag dat als meegekochte rente op die obligatierente is afgeboekt. De berekening dient per land afzonderlijk te geschieden. Wanneer de meegekochte en meeverkochte rente niet in hetzelfde jaar vallen (bijvoorbeeld de obligatie wordt pas in het volgende jaar verkocht) vindt de goedkeuring geen toepassing. -Een BV koopt op 1 januari van jaar 1 een obligatie voor € 1.000. De obligatie geeft op 1 juli recht op 10% rente. De BV betaalt voor deze obligatie € 1.000 plus € 50 (zijnde de tegenwaarde van de sinds de laatste vervaldag aangegroeide rente). De koopsom bedraagt derhalve € 1.050. Op 1 juli ontvangt de BV aan rente € 100. Op dit bedrag wordt (stel) 15% bronbelasting ingehouden. +Een BV koopt op 1 januari van jaar 1 een obligatie voor € 1.000. De obligatie geeft op 1 juli recht op 10% rente. De BV betaalt voor deze obligatie € 1.000 plus € 50 (zijnde de tegenwaarde van de sinds de laatste vervaldag aangegroeide rente). De koopsom bedraagt derhalve € 1.050. Op 1 juli ontvangt de BV aan rente € 100. Op dit bedrag wordt (stel) 15% bronbelasting ingehouden. -De BV verkoopt de obligatie op 31 december van jaar 1. De prijs die wordt verkregen is € 1.000 plus € 50 voor de inmiddels weer aangegroeide rente. +De BV verkoopt de obligatie op 31 december van jaar 1. De prijs die wordt verkregen is € 1.000 plus € 50 voor de inmiddels weer aangegroeide rente. Limiet 1 (de buitenlandse bronbelasting) bedraagt 15.