diff --git a/amvb/bekostigingsbesluit-whw/BWBR0006338/README.md b/amvb/bekostigingsbesluit-whw/BWBR0006338/README.md index efde588f2d9..08b78deef28 100644 --- a/amvb/bekostigingsbesluit-whw/BWBR0006338/README.md +++ b/amvb/bekostigingsbesluit-whw/BWBR0006338/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Bekostigingsbesluit WHW bwb_id: BWBR0006338 type: AMvB status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2006-06-30' +datum_inwerkingtreding: '1997-01-01' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0006338 citeertitel: Bekostigingsbesluit WHW --- @@ -17,11 +17,11 @@ citeertitel: Bekostigingsbesluit WHW In dit besluit wordt verstaan onder: a. wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; -b. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; -c. universiteit: een universiteit als bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage van de wet; -d. hogeschool: een hogeschool als bedoeld in de onderdelen c, d, e, f en g van de bijlage van de wet; -e. Open Universiteit: de Open Universiteit, genoemd in onderdeel h van de bijlage van de wet; -f. academisch ziekenhuis: een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel i van de bijlage van de wet; +b. Onze minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voorzover het betreft het onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; +c. universiteit: een universiteit als bedoeld in de onderdelen *a* en *b* van de bijlage van de wet; +d. hogeschool: een hogeschool als bedoeld in de onderdelen *c*, *d*, *e*, *f* en *g* van de bijlage van de wet; +e. Open Universiteit: de Open Universiteit, genoemd in onderdeel *h* van de bijlage van de wet; +f. academisch ziekenhuis: een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel *i* van de bijlage van de wet; g. Centraal register inschrijving: het Centraal register inschrijving hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.52 van de wet; h. Centraal register opleidingen: het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de wet; i. opleiding: een opleiding, opgenomen in het Centraal register opleidingen; @@ -34,13 +34,7 @@ o. accountant: een door het instellingsbestuur aangewezen accountant als bedoeld ### Artikel 1.2 -Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 2.6c, vierde lid, 2.11, 2.14, vierde lid, 2.22, 2.23, vierde lid, 2.24, vierde lid, 2.25, vijfde lid, 2.25a, vijfde lid, artikel 3.3, eerste lid, 3.3a, eerste en derde lid, 3.7, eerste en tweede lid, 3.12, tweede lid en 5.5, eerste lid wordt vastgesteld na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet. - -### Artikel 1.3 - -**1.** Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld over de uitvoering van de controle door de accountant van de boekhouding, de jaarrekening en de administratie van de instellingen. - -**2.** De voorschriften hebben betrekking op de controle op de rechtmatigheid van de verkrijging en de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de rijksbijdrage, de controle op de bekostigingsgegevens, bedoeld in dit besluit, en de controle op de studievoortganggegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a en 7.9d van de wet. +Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen, 2.22, 2.23, vierde lid, 2.24, vierde lid, 2.25, vijfde lid, 3.3, eerste en zevende lid lid, 3.3a, eerste en derde lid, 3.4, 3.4a, tweede lid, 3.7, tweede lid, 3.12, tweede lid, 4.3, eerste lid, onder b, 5.3, vierde lid, 5.4, tweede en vierde lid, en 5.5, vierde en vijfde lid wordt vastgesteld na overleg als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet. ## Hoofdstuk 2. Universiteiten @@ -48,7 +42,7 @@ Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 2.6c, vierde lid, 2.11, 2 ### Artikel 2.1 -De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op de universiteiten, bedoeld in artikel 2.1 van de wet, waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de openbare universiteit te Wageningen. +De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op de universiteiten, bedoeld in artikel 2.1 van de wet, waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de openbare universiteit te Wageningen. ### Artikel @@ -58,38 +52,27 @@ Vervallen **1.** -In dit hoofdstuk wordt onder eerstejaars verstaan degene die: +In dit hoofdstuk wordt verstaan onder te bekostigen eerstejaars: -a. voor de eerste maal op 1 oktober als student is ingeschreven aan de universiteit in de periode, te rekenen vanaf het vijfde studiejaar voorafgaande aan die datum, -b. het collegegeld, bedoeld in de artikelen 7.43 en 7.44 van de wet, is verschuldigd en geen vrijstelling van het betalen van collegegeld op grond van artikel 7.48, vierde lid, van de wet heeft verkregen, en -c. niet reeds in het bezit is van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs of van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs. +degene die: + +a. blijkens het Centraal register inschrijving voor de eerste maal op de peildatum is ingeschreven aan de universiteit in de periode te rekenen vanaf het vijfde studiejaar voorafgaande aan de peildatum, en +b. het collegegeld, bedoeld in de artikelen 7.43 en 7.44 van de wet, is verschuldigd en geen vrijstelling op grond van artikel 7.48, vierde lid, van de wet heeft gekregen van het betalen van collegegeld. **2.** -In dit hoofdstuk wordt onder eerstejaars tevens verstaan degene die: +De peildatum, bedoeld in het eerste lid, is: -a. in het bezit is van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs of van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, en -b. voor de eerste maal op 1 oktober als student is ingeschreven voor een masteropleiding of voor een ongedeelde opleiding aan de universiteit in de periode, te rekenen vanaf het vijfde studiejaar voorafgaande aan die datum, en -c. het collegegeld, bedoeld in de artikelen 7.43 en 7.44 van de wet, is verschuldigd en geen vrijstelling van het betalen van collegegeld op grond van artikel 7.48, vierde lid, van de wet heeft verkregen. - -**3.** - -In dit hoofdstuk wordt onder getuigschrift verstaan: - -a. een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding, -b. een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een masteropleiding, -c. een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een ongedeelde opleiding, en -d. een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd kandidaatsexamen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, in welke opleiding blijkens de onderwijs- en examenregeling het instellingsbestuur op 31 december 2001 een kandidaatsfase en een kandidaatsexamen als bedoeld in artikel 7.8a van de wet, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, had onderscheiden. - -**4.** In dit hoofdstuk wordt onder ongedeelde opleiding verstaan een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de wet. +a. 1 oktober voor de studiejaren vanaf het studiejaar 1996/1997, en +b. 1 december voor het studiejaar 1995/1996. ### Artikel 2.3 De rijksbijdrage van een universiteit is samengesteld uit: -a. een onderwijsdeel, waaronder een component eerstejaars, een component getuigschriften, een component basisvoorziening onderwijs en in voorkomende gevallen bedragen ten behoeve van numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde, -b. een onderzoekdeel, waaronder een component basisvoorziening onderzoek, een component proefschriften en ontwerperscertificaten, een component afbouw dynamisering Smart Mix, een component onderzoekscholen, een component strategische overwegingen en in voorkomende gevallen een component toponderzoekscholen, -c. in voorkomende gevallen een deel leraartraject, +a. een onderwijsdeel, waaronder een component getuigschriften, een component basisvoorziening onderwijs en in voorkomende gevallen bedragen ten behoeve van numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde, +b. een onderzoekdeel, waaronder een component proefschriften en ontwerperscertificaten, een component onderzoekscholen en in voorkomende gevallen een component toponderzoekscholen, +c. in voorkomende gevallen een deel universitaire eerstegraads lerarenopleidingen, d. in voorkomende gevallen een deel academisch ziekenhuis, en e. een investeringsdeel. @@ -101,226 +84,117 @@ Vervallen In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting, wordt jaarlijks door Onze minister de omvang vastgesteld van de landelijk voor de in artikel 2.3 genoemde samenstellende delen, componenten en bedragen van de rijksbijdrage van de universiteiten beschikbare middelen. -### Artikel 2.4a - -Voor 1 januari besluit Onze minister op welk niveau de opleidingen die in de periode van 2 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar tot en met 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, voor het eerst in het Centraal register opleidingen zijn opgenomen, zullen worden bekostigd ten aanzien van de componenten eerstejaars en getuigschriften, bedoeld in de artikelen 2.6 en 2.6a, en de component basisvoorziening onderzoek, bedoeld in artikel 2.9. - ### Paragraaf 2. Onderwijsdeel ### Artikel 2.5 -Het landelijk beschikbaar onderwijsdeel bestaat uit: +**1.** -a. een component eerstejaars, +Het landelijk beschikbare onderwijsdeel bestaat uit: + +a. een component basisvoorziening onderwijs, b. een component getuigschriften, -c. een component basisvoorziening onderwijs, en -d. in voorkomende gevallen bedragen ten behoeve van de numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde. +c. een component te bekostigen eerstejaars, en +d. in voorkomende gevallen bedragen ten behoeve van numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde. + +**2.** De landelijke component getuigschriften bedraagt 50% van het landelijk beschikbare onderwijsdeel nadat dit is verminderd met de bedragen ten behoeve van numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde. ### Artikel 2.6 -**1.** De landelijke component eerstejaars, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal eerstejaars dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan een universiteit ingeschreven staat, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid. +**1.** + +De voor een begrotingsjaar op grond van de artikelen 2.4 en 2.5 vastgestelde componenten worden over de universiteiten verdeeld op basis van: + +a. wat betreft de component basisvoorziening onderwijs: de omvang van de component basisvoorziening onderwijs per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar, +b. wat betreft de component getuigschriften: het aantal door de universiteit uitgereikte getuigschriften in de studiejaren die eindigen in het tweede en derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, waarna dit aantal wordt gedeeld door twee, en +c. wat betreft de component te bekostigen eerstejaars: het aantal te bekostigen eerstejaars dat in het tweede en derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan een universiteit ingeschreven staat, waarna dit aantal wordt gedeeld door twee. **2.** -Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component eerstejaars over de universiteiten wordt het aantal eerstejaars per universiteit onderscheiden naar: +Het aantal getuigschriften wordt per universiteit onderscheiden naar: -a. het aantal eerstejaars aan opleidingen met een laag bekostigingsniveau, en -b. het aantal eerstejaars aan opleidingen met een hoog bekostigingsniveau. +a. het aantal door de universiteit uitgereikte getuigschriften van opleidingen met een laag bekostigingsniveau, +b. het aantal door de universiteit uitgereikte getuigschriften van opleidingen met een hoog bekostigingsniveau, en +c. het aantal door de universiteit uitgereikte getuigschriften van de opleidingen voor het beroep van dierenarts, apotheker, arts en tandarts. -**3.** Het aantal te bekostigen eerstejaars per universiteit bedraagt de som van de in het tweede lid berekende aantallen, nadat deze zijn vermenigvuldigd met 1 onderscheidenlijk 1,5. +**3.** Het aantal per universiteit te bekostigen getuigschriften bedraagt de som van de in het tweede lid, onderdelen a, b en c, berekende aantallen nadat deze zijn vermenigvuldigd met 1, 1,5 onderscheidenlijk 3. -**4.** Voor de bepaling van het aantal eerstejaars, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de in het Centraal register inschrijving opgenomen gegevens die de desbetreffende universiteit uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande begrotingsjaar aan Onze minister verstrekt, vergezeld van een verklaring van een accountant. +**4.** Bij de bepaling van het aantal getuigschriften, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt uitgegaan van de gegevens die de desbetreffende universiteit verstrekt aan Onze minister vergezeld van een verklaring van een accountant uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande begrotingsjaar. -**5.** De landelijke component eerstejaars wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van het in het derde lid berekende aantal eerstejaars. +**5.** -### Artikel 2.6a +Het aantal te bekostigen eerstejaars wordt per universiteit onderscheiden naar: -**1.** De landelijke component getuigschriften, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal door een universiteit uitgereikte getuigschriften in het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, met inachtneming van het tweede tot en met zevende lid. +a. het aantal te bekostigen eerstejaars aan opleidingen met een laag bekostigingsniveau, en +b. het aantal te bekostigen eerstejaars aan opleidingen met een hoog bekostigingsniveau. -**2.** +**6.** Het aantal per universiteit te bekostigen eerstejaars bedraagt de som van de in het vijfde lid, onderdelen a en b, berekende aantallen nadat deze zijn vermenigvuldigd met 1 onderscheidenlijk 1,5. -Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component getuigschriften over de universiteiten wordt het aantal getuigschriften per universiteit onderscheiden naar: +**7.** De bedragen voor numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde worden verdeeld naar rato van de omvang van de bedragen voor die werkplaatsen per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. -a. getuigschriften van bacheloropleidingen met een laag bekostigingsniveau, -b. getuigschriften van bacheloropleidingen met een hoog bekostigingsniveau, -c. getuigschriften van de bacheloropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde, -d. getuigschriften van masteropleidingen met een laag bekostigingsniveau, -e. getuigschriften van masteropleidingen met een hoog bekostigingsniveau, -f. getuigschriften van de masteropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde, -g. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een laag bekostigingsniveau, -h. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een hoog bekostigingsniveau, en -i. getuigschriften van de ongedeelde opleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde. - -Voor de toepassing van dit artikel wordt het kandidaatsgetuigschrift aangemerkt als het getuigschrift van een bacheloropleiding. - -**3.** - -Op het aantal getuigschriften, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, onderdelen a, b en c, blijven buiten beschouwing: - -a. het aantal getuigschriften van een bacheloropleiding die zijn uitgereikt aan degenen aan wie reeds een getuigschrift is uitgereikt van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs of van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, en -b. het aantal kandidaatsgetuigschriften van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die zijn uitgereikt aan degenen aan wie reeds een getuigschrift is uitgereikt van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs of van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs. - -Getuigschriften die zijn uitgereikt vóór 1 september van het achtste kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar blijven voor de toepassing van dit lid buiten beschouwing. - -**4.** Voor de toepassing van dit artikel, tweede lid, eerste volzin, onderdelen g, h en i, worden de getuigschriften van een ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die zijn uitgereikt aan degenen aan wie reeds een getuigschrift is uitgereikt van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs of van het met goed gevolg afgelegd kandidaatsexamen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, aangemerkt als getuigschriften van een masteropleiding. Getuigschriften die zijn uitgereikt vóór 1 september van het achtste kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar blijven voor de toepassing van dit lid buiten beschouwing. - -**5.** Het aantal te bekostigen getuigschriften per universiteit bedraagt de som van de in het tweede, derde en vierde lid berekende aantallen, nadat deze zijn vermenigvuldigd met onderscheidenlijk 2/3, 1, 6/5, 1/3, 1/2, 9/5, 1, 3/2 en 3. - -**6.** Artikel 2.6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. - -**7.** De landelijke component getuigschriften wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van het in het vijfde lid berekende aantal getuigschriften. - -### Artikel 2.6b - -De landelijke component basisvoorziening onderwijs voor een begrotingsjaar is gelijk aan het na toepassing van de artikelen 2.6, 2.6a, 2.6d en 2.6e voor dat begrotingsjaar resterende landelijke beschikbare onderwijsdeel. - -### Artikel 2.6c - -**1.** De landelijke component basisvoorziening onderwijs, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van de omvang van de component basisvoorziening onderwijs per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar, met inachtneming van het tweede tot en met zevende lid. - -**2.** Ten behoeve van de verdeling van de component basisvoorziening onderwijs over de universiteiten worden het bedrag basisvoorziening onderwijs plus en het bedrag compensatie onderwijs onderscheiden. - -**3.** Het bedrag basisvoorziening onderwijs plus omvat de op grond van artikel 2.4 vastgestelde component basisvoorziening onderwijs, vermeerderd met de op grond van artikel 2.4 vastgestelde component getuigschriften en verminderd met 50% van het op grond van artikel 2.4 vastgestelde onderwijsdeel, nadat dat bedrag is verminderd met de op grond van artikel 2.4 vastgestelde bedragen voor de numerus fixus, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde. - -**4.** Het bedrag compensatie onderwijs omvat de op grond van artikel 2.4 vastgestelde component getuigschriften, verminderd met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van het op grond van artikel 2.4 vastgestelde onderwijsdeel, nadat dat bedrag is verminderd met de op grond van artikel 2.4 vastgestelde bedragen voor de numerus fixus, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde. - -**5.** Het bedrag basisvoorziening onderwijs plus wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van het bedrag basisvoorziening onderwijs plus per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. - -**6.** Het bedrag compensatie onderwijs wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van het bedrag compensatie onderwijs per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. - -**7.** De component basisvoorziening onderwijs per universiteit is het bedrag per universiteit, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met het bedrag per universiteit, bedoeld in het zesde lid. - -### Artikel 2.6d - -De landelijke bedragen ten behoeve van de numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde, de werkplaats tandheelkunde en de numerus fixus klinische technologie, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, worden over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van die bedragen per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. - -### Artikel 2.6e - -**1.** Bij de berekening van de component eerstejaars en de component getuigschriften van de openbare universiteit te Maastricht worden de op grond van artikel 2.6 onderscheidenlijk artikel 2.6a berekende aantallen vermeerderd met de aantallen eerstejaars van de transnationale Universiteit Limburg met de Nederlandse nationaliteit onderscheidenlijk met de aantallen door de transnationale Universiteit Limburg uitgereikte getuigschriften. Hieronder worden tevens begrepen de aantallen eerstejaars en getuigschriften van ingeschrevenen die noch de Nederlandse noch de Belgische nationaliteit bezitten, en die voor bekostiging door de Nederlandse overheid in aanmerking worden genomen op grond van artikel 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg. - -**2.** De artikelen 2.6, tweede, derde en vierde lid, en 2.6a, tweede tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. +**8.** Voor 1 januari volgend op de bekendmaking van het Centraal register opleidingen maakt Onze minister aan de desbetreffende universiteit bekend op welke niveaus die universiteit zal worden bekostigd ten aanzien van de componenten getuigschriften en te bekostigen eerstejaars van een opleiding die in dat jaar voor het eerst in dat register is opgenomen. ### Artikel 2.7 -Het onderwijsdeel van een universiteit bestaat uit de som van de component eerstejaars per universiteit, de component getuigschriften per universiteit en de component basisvoorziening onderwijs per universiteit. In voorkomende gevallen wordt het onderwijsdeel van die universiteit vermeerderd met bedragen per universiteit ten behoeve van de numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde. +**1.** Het onderwijsdeel van een universiteit bestaat uit de som van de component basisvoorziening onderwijs, de component getuigschriften en de component te bekostigen eerstejaars. In voorkomende gevallen wordt het onderwijsdeel vermeerderd met bedragen ten behoeve van numerus fixus geneeskunde, de werkplaats diergeneeskunde en de werkplaats tandheelkunde. + +**2.** De landelijke component getuigschriften wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van het in artikel 2.6, derde lid, berekende aantal. + +**3.** De landelijke component te bekostigen eerstejaars wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van het in artikel 2.6, zesde lid, berekende aantal. ### Paragraaf 3. Onderzoekdeel -### Artikel 2.7a - -In deze paragraaf wordt onder universiteit verstaan een universiteit als bedoeld in de onderdelen a, b en h van de bijlage van de wet. - ### Artikel 2.8 Het onderzoekdeel van een universiteit bestaat uit: a. een component basisvoorziening onderzoek, b. een component proefschriften en ontwerperscertificaten, -c. een component afbouw dynamisering Smart Mix, -d. een component onderzoekscholen, -e. in voorkomende gevallen een component toponderzoekscholen, en -f. een component strategische overwegingen. +c. een component onderzoekscholen, +d. in voorkomende gevallen een component toponderzoekscholen, en +e. een component strategische overwegingen. ### Artikel 2.9 -**1.** De landelijke component basisvoorziening onderzoek, voor een begrotingsjaar op grond van artikel 2.4 vastgesteld, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal door een universiteit uitgereikte getuigschriften in het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid. +**1.** De landelijke component basisvoorziening onderzoek voor een begrotingsjaar bedraagt vijftien procent van het landelijk beschikbare onderzoekdeel voor dat begrotingsjaar, vastgesteld op grond van artikel 2.4. -**2.** - -Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component basisvoorziening onderzoek over de universiteiten wordt het aantal getuigschriften per universiteit onderscheiden naar: - -a. getuigschriften van bacheloropleidingen met een laag bekostigingsniveau, -b. getuigschriften van bacheloropleidingen met een hoog bekostigingsniveau, -c. getuigschriften van de bacheloropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde, -d. getuigschriften van masteropleidingen met een laag bekostigingsniveau, -e. getuigschriften van masteropleidingen met een hoog bekostigingsniveau, -f. getuigschriften van de masteropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde, -g. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een laag bekostigingsniveau, -h. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een hoog bekostigingsniveau, en -i. getuigschriften van de ongedeelde opleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde. - -Voor de toepassing van dit artikel wordt het kandidaatsgetuigschrift aangemerkt als het getuigschrift van een bacheloropleiding. - -**3.** Artikel 2.6a, derde en vierde lid, is van toepassing, met dien verstande dat de tweede volzin van deze leden voor de Open Universiteit niet van toepassing is. - -**4.** Het aantal te bekostigen getuigschriften per universiteit bedraagt de som van de in het tweede en derde lid berekende aantallen, nadat deze zijn vermenigvuldigd met onderscheidenlijk 1/3, 1/2, 1, 2/3, 1, 2, 1, 3/2 en 3 zijn. - -**5.** Voor de bepaling van het aantal getuigschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de in het Centraal register inschrijving opgenomen gegevens die de desbetreffende universiteit uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande begrotingsjaar aan Onze minister verstrekt, vergezeld van een verklaring van een accountant. Artikel 2.6e is van overeenkomstige toepassing. - -**6.** In afwijking van het vijfde lid wordt voor de bepaling van het aantal getuigschriften, bedoeld in het eerste lid, van de Open Universiteit, uitgegaan van de opgave die de Open Universiteit uiterlijk op 1 maart van het kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan Onze minister verstrekt, vergezeld van een verklaring van een accountant. +**2.** De landelijke component basisvoorziening onderzoek wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van de component basisvoorziening onderzoek per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. ### Artikel 2.10 -**1.** De landelijke component proefschriften en ontwerperscertificaten, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal proefschriften en ontwerperscertificaten aan een universiteit in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, met inachtneming van het tweede tot en met zesde lid. +**1.** De landelijke component proefschriften en ontwerperscertificaten, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal proefschriften en het aantal ontwerperscertificaten aan een universiteit in het tweede en derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarna deze aantallen worden gedeeld door twee. -**2.** +**2.** Voor de bepaling van de in het eerste lid genoemde aantallen wordt uitgegaan van de gegevens die door de desbetreffende universiteit vergezeld van een verklaring van een accountant aan Onze minister worden verstrekt uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande begrotingsjaar. De universiteit geeft bij het leveren van de gegevens aan op welk wetenschapsgebied een proefschrift betrekking heeft. -Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component proefschriften en ontwerperscertificaten over de universiteiten wordt het aantal proefschriften per universiteit onderscheiden naar: +**3.** Het aantal proefschriften wordt per universiteit onderscheiden naar het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een laag bekostigingsniveau en het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een hoog bekostigingsniveau. Onze minister maakt aan de instelling het bekostigingsniveau van de wetenschapsgebieden bekend. -a. het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een laag bekostigingsniveau, en -b. het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een hoog bekostigingsniveau. +**4.** Het aantal per universiteit te bekostigen proefschriften bedraagt de som van het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een laag bekostigingsniveau en het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een hoog bekostigingsniveau nadat deze zijn vermenigvuldigd met 1 onderscheidenlijk 2. -**3.** Het aantal per universiteit te bekostigen proefschriften bedraagt de som van het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een laag bekostigingsniveau en het aantal proefschriften betreffende een wetenschapsgebied met een hoog bekostigingsniveau, nadat deze zijn vermenigvuldigd met 1 onderscheidenlijk 2. +**5.** Het aantal per universiteit te bekostigen ontwerperscertificaten wordt vermenigvuldigd met 1 2/3. -**4.** Het aantal per universiteit te bekostigen ontwerperscertificaten bedraagt het aantal ontwerperscertificaten aan een universiteit, nadat dat aantal is vermenigvuldigd met 5/3. +### Artikel -**5.** Voor de bepaling van de in het eerste lid genoemde aantallen wordt uitgegaan van de gegevens die door de desbetreffende universiteit vergezeld van een verklaring van een accountant aan Onze minister worden verstrekt uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande begrotingsjaar. De universiteit geeft bij het leveren van de gegevens aan op welk wetenschapsgebied een proefschrift betrekking heeft. - -**6.** De landelijke component proefschriften en ontwerperscertificaten wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van het aantal proefschriften, berekend op grond van het derde lid, en het aantal ontwerperscertificaten, berekend op grond van het vierde lid. +Vervallen ### Artikel 2.11 -De verdeling van de landelijke component afbouw dynamisering Smart Mix over de universiteiten wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. +De landelijke component proefschriften en ontwerperscertificaten wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de som van het aantal proefschriften berekend op grond van artikel 2.10, vierde lid, en het aantal ontwerperscertificaten berekend op grond van artikel 2.10, vijfde lid. ### Artikel 2.12 -De landelijke component onderzoekscholen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit: +De component onderzoekscholen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van deze component per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. ### Artikel 2.13 -**1.** Uit de landelijke component toponderzoekscholen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, verdeelt Onze minister na advies van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek bedragen over universiteiten ten behoeve van toponderzoekscholen. Bij haar advies betrekt de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek in ieder geval de kwaliteit van het onderzoek. +**1.** Uit de component toponderzoekscholen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, verdeelt Onze minister na advies van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek bedragen over universiteiten ten behoeve van toponderzoekscholen. Bij haar advies betrekt de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek in ieder geval de kwaliteit van het onderzoek. -**2.** - -Van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, wordt een bedrag verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit: - -| a. | de openbare universiteit te Leiden: | 7,492%, | -| --- | --- | --- | -| b. | de openbare universiteit te Utrecht: | 19,408%, | -| c. | de openbare universiteit te Groningen: | 22,104%, | -| d. | de openbare universiteit te Rotterdam: | 2,908%, | -| e. | de openbare universiteit te Maastricht: | 0,000%, | -| f. | de openbare universiteit te Amsterdam: | 12,397%, | -| g. | de openbare universiteit te Delft: | 5,078%, | -| h. | de openbare universiteit te Enschede: | 0,000%, | -| i. | de openbare universiteit te Eindhoven: | 22,780%, | -| j. | de bijzondere universiteit te Amsterdam: | 6,066%, | -| k. | de bijzondere universiteit te Tilburg: | 0,000%, | -| l. | de bijzondere universiteit te Nijmegen: | 1,767%. | - -**3.** Indien in een begrotingsjaar het totaal van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan de landelijke component toponderzoekscholen, wordt het resterende bedrag over de universiteiten verdeeld volgens de in artikel 2.12 genoemde percentages. - -### Artikel 2.13a - -**1.** Het bedrag strategische overwegingen van de Open Universiteit bedraagt 4,1 miljoen euro. - -**2.** De landelijke component strategische overwegingen voor een begrotingsjaar is gelijk aan het na toepassing van de artikelen 2.9 tot en met 2.13 en het eerste lid voor dat begrotingsjaar resterende landelijk beschikbare onderzoekdeel. +**2.** Indien in een begrotingsjaar niet de gehele component toponderzoekscholen volgens het eerste lid wordt verdeeld over de universiteiten, wordt het resterende bedrag over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van de component onderzoekscholen per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. ### Artikel 2.14 -**1.** Onverminderd artikel 2.16 wordt de landelijke component strategische overwegingen, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, over de universiteiten verdeeld op basis van de omvang van de component strategische overwegingen per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar, met inachtneming van het tweede tot en met zevende lid. +**1.** De landelijke component strategische overwegingen voor een begrotingsjaar is gelijk aan het na toepassing van de artikelen 2.9 tot en met 2.13 voor dat begrotingsjaar resterende landelijk beschikbare onderzoekdeel. -**2.** Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component strategische overwegingen over de universiteiten worden het bedrag strategische overwegingen plus en het bedrag compensatie onderzoek onderscheiden. - -**3.** Het bedrag strategische overwegingen plus omvat de op grond van artikel 2.4 vastgestelde component strategische overwegingen, verhoogd met de op grond van artikel 2.4 vastgestelde component basisvoorziening onderzoek en verminderd met 15% van het op grond van artikel 2.4 vastgestelde onderzoekdeel. - -**4.** Het bedrag compensatie onderzoek omvat de op grond van artikel 2.4 vastgestelde component basisvoorziening onderzoek verminderd met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van het op grond van artikel 2.4 vastgestelde onderzoekdeel. - -**5.** Het bedrag strategische overwegingen plus wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van het bedrag strategische overwegingen plus per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. - -**6.** Het bedrag compensatie onderzoek wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van het bedrag compensatie onderzoek per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. - -**7.** De component strategische overwegingen per universiteit is het bedrag per universiteit, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met het bedrag per universiteit, bedoeld in het zesde lid. +**2.** Onverminderd artikel 2.16 wordt de landelijke component strategische overwegingen over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van de component strategische overwegingen per universiteit in het voorafgaande begrotingsjaar. ### Artikel 2.15 @@ -342,50 +216,39 @@ Vervallen ### Artikel 2.16 -**1.** Indien het overleg, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, daartoe aanleiding geeft, kan Onze minister, met inachtneming van artikel 2.6a, derde lid, van de wet besluiten tot herverdeling van middelen, behorend tot de component strategische overwegingen. +**1.** Indien het overleg, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, daartoe aanleiding geeft, kan Onze minister, met inachtneming van artikel 2.6, derde lid, van de wet besluiten tot herverdeling van middelen, behorend tot de component strategische overwegingen. **2.** Een besluit tot herverdeling als bedoeld in het eerste lid, wordt niet genomen dan nadat Onze minister daarover overleg heeft gepleegd als bedoeld in artikel 3.1 van de wet. **3.** Een besluit tot herverdeling kan ten hoogste drie procent van de component strategische overwegingen per universiteit voor een begrotingsjaar betreffen. -### Artikel 2.16a - -Onze minister besluit op welk niveau een wetenschapsgebied als bedoeld in artikel 2.10 zal worden bekostigd. - -### Artikel 2.16b - -De Open Universiteit ontvangt jaarlijks vanwege de bijdrage aan de innovatie van het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.3, derde lid, van de wet, een bedrag van 6,9 miljoen euro. - -### Paragraaf 4. Deel leraartraject +### Paragraaf 4. Deel universitaire eerstegraads lerarenopleidingen ### Artikel 2.17 **1.** -Het deel leraartraject van een universiteit bestaat uit: +Het deel universitaire eerstegraads lerarenopleidingen van een universiteit bestaat uit: -a. een component basisvoorziening leraartraject, en +a. een component basisvoorziening lerarenopleidingen, en b. een component inschrijvingen leraartraject en getuigschriften. -**2.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder universiteit verstaan een universiteit waaraan een of meer masteropleidingen als bedoeld in het derde lid, onderdelen a, b en c, dan wel een of meer universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in het derde lid, onderdeel e, zijn verbonden. +**2.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder universiteit verstaan een universiteit waaraan een of meer universitaire eerstegraads lerarenopleidingen als bedoeld in artikel 7.4, vierde lid, van de wet zijn verbonden. **3.** Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder inschrijving leraartraject verstaan de eerste maal dat een student of extraneus blijkens het Centraal register inschrijving aan een universiteit is ingeschreven voor: -a. een masteropleiding, bedoeld in artikel 7.4a, derde lid, van de wet, -b. een masteropleiding waaraan een afstudeerrichting gericht op het beroep van leraar is verbonden, voor zover een student binnen die opleiding onderwijs gericht op het beroep van leraar volgt, -c. een masteropleiding op het gebied van onderwijs voor zover die opleiding gericht is op het beroep van leraar en een student binnen die opleiding onderwijs gericht op het beroep van leraar volgt, -d. een ongedeelde opleiding waaraan een afstudeerrichting gericht op het beroep van leraar is verbonden en een student binnen die opleiding onderwijs aan die afstudeerrichting volgt, of -e. een universitaire eerstegraads lerarenopleiding, bedoeld in artikel 18.16 van de wet. +a. een opleiding waaraan een afstudeerrichting gericht op het beroep van leraar is verbonden en binnen die opleiding onderwijs volgt aan die afstudeerrichting, of +b. een universitaire eerstegraads lerarenopleiding. ### Artikel 2.18 -**1.** Uit het landelijk beschikbare deel leraartraject, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt aan de landelijke component basisvoorziening leraartraject een bedrag van 2,1 miljoen euro toebedeeld. +**1.** Uit het landelijk beschikbare deel universitaire eerstegraads lerarenopleidingen, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt aan de landelijke component basisvoorziening lerarenopleidingen een bedrag van 2,1 miljoen euro toebedeeld. **2.** -De landelijke component basisvoorziening leraartraject wordt als volgt over de universiteiten verdeeld: +De landelijke component basisvoorziening lerarenopleidingen wordt als volgt over de universiteiten verdeeld: | a. de openbare universiteit te Leiden: | €  300 000, | | --- | --- | @@ -400,7 +263,7 @@ De landelijke component basisvoorziening leraartraject wordt als volgt over de u ### Artikel 2.19 -**1.** De landelijke component inschrijvingen leraartraject en getuigschriften, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal inschrijvingen leraartraject en het aantal door de universiteit uitgereikte getuigschriften van de opleidingen, bedoeld in artikel 2.17, derde lid, voor zover dat getuigschrift leidt tot de bevoegdheid van leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad. +**1.** De landelijke component inschrijvingen leraartraject en getuigschriften, vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal inschrijvingen leraartraject en het aantal door de universiteit uitgereikte getuigschriften van de universitaire eerstegraads lerarenopleidingen. **2.** Voor de bepaling van de in het eerste lid bedoelde aantallen wordt uitgegaan van de gegevens die door de desbetreffende universiteit aan Onze minister worden verstrekt. Deze gegevens gaan vergezeld van een verklaring van een accountant. @@ -430,9 +293,8 @@ Het deel academisch ziekenhuis van een universiteit waaraan een academisch zieke a. een component rente en afschrijvingen, gevormd door de som van: 1°. een gedeelte 1988 tot en met 1992, -2°. een gedeelte 1993 tot en met 1996, -3°. een gedeelte 1997 tot en met 2003, en -4°. een gedeelte vanaf 2004. +2°. een gedeelte 1993 tot en met 1996, en +3°. een gedeelte vanaf 1997, b. een component basisvoorziening, en c. een component onderwijs en onderzoek. @@ -474,7 +336,7 @@ b. de uit bijlage 2 te berekenen rentevergoeding over het verschil tussen het in ### Artikel 2.25 -**1.** Het gedeelte 1997 tot en met 2003 van de component rente en afschrijvingen van een universiteit omvat de som van de vergoedingen die op grond van het tweede lid zijn berekend over het in de besluiten inzake bouwvolume, bedoeld in het zesde lid, vermelde OCenW-deel van de investeringsbedragen voor de projecten van het desbetreffende academisch ziekenhuis. De projecten zijn ingedeeld in de categorieën bouw, startkosten, en kleine werken. +**1.** Het gedeelte vanaf 1997 van de component rente en afschrijvingen van een universiteit omvat de som van de vergoedingen die op grond van het tweede lid zijn berekend over het in de besluiten inzake bouwvolume, bedoeld in het zesde lid, vermelde OCenW-deel van de investeringsbedragen voor de projecten van het desbetreffende academisch ziekenhuis. De projecten zijn ingedeeld in de categorieën bouw, startkosten, en kleine werken. **2.** @@ -491,26 +353,7 @@ Vergoeding van het bedrag onder *a* vindt plaats met ingang van het begrotingsja **5.** Bij ministeriële regeling wordt ten behoeve van de investeringen voor academische ziekenhuizen ten behoeve van een bepaald begrotingsjaar een rentepercentage vastgesteld voor een tijdvak van 10 jaar. Na die periode wordt het rentepercentage telkens voor een tijdvak van 10 jaar bij ministeriële regeling vastgesteld. -### Artikel 2.25a - -**1.** Het gedeelte vanaf 2004 van de component rente en afschrijvingen van een universiteit omvat de som van de vergoedingen die op grond van het tweede lid zijn berekend over het in de besluiten inzake bouwvolume, bedoeld in het zesde lid, vermelde OCenW-deel van de investeringsbedragen voor het desbetreffende academisch ziekenhuis. - -**2.** - -De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is samengesteld uit: - -a. het jaarlijks over het investeringsbedrag te berekenen afschrijvingsbedrag, totdat het investeringsbedrag volledig is vergoed, en -b. de jaarlijks te berekenen rentevergoeding over het verschil tussen het investeringsbedrag en de gecumuleerde afschrijvingen. - -Vergoeding van het bedrag onder a vindt plaats met ingang van het begrotingsjaar na het jaar waarvoor het investeringsbedrag in het besluit inzake bouwvolume is opgenomen. Vergoeding van het bedrag onder b wordt over het begrotingsjaar waarvoor het investeringsbedrag in het besluit inzake bouwvolume is opgenomen, berekend over 50% van het OCenW-deel van het investeringsbedrag. - -**3.** Onder gecumuleerde afschrijvingen, bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot enig begrotingsjaar wordt verstaan de som van de totaal vergoede afschrijvingsbedragen met betrekking tot het OCenW-deel van een investeringsbedrag sedert de vaststelling van het besluit inzake bouwvolume waarin dat investeringsbedrag is opgenomen, met inbegrip van het afschrijvingsbedrag voor dat begrotingsjaar. - -**4.** Het afschrijvingspercentage voor het investeringsbedrag bedraagt 3,36%. - -**5.** Bij ministeriële regeling wordt ten behoeve van de investeringen voor academische ziekenhuizen ten behoeve van een bepaald begrotingsjaar een rentepercentage vastgesteld voor een tijdvak van 10 jaar. Na die periode wordt het rentepercentage telkens voor een tijdvak van 10 jaar bij ministeriële regeling vastgesteld. - -**6.** Jaarlijks voor 1 november nemen Onze minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een besluit waarin het voor het daaropvolgende begrotingsjaar toegestane bouwvolume wordt vastgesteld. In dat besluit worden in elk geval opgenomen het investeringsbedrag per academisch ziekenhuis en het OCenW-deel daarvan. Indien het investeringsbedrag ten behoeve van een academisch ziekenhuis in het begrotingsjaar, bedoeld in de eerste volzin, niet of niet volledig is besteed, kan het besluit worden bijgesteld. +**6.** Jaarlijks voor 1 november nemen Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een besluit waarin het voor het daaropvolgende begrotingsjaar toegestane bouwvolume wordt vastgesteld. Daarin worden in ieder geval opgenomen het investeringsbedrag per project en het OCenW-deel daarvan. Indien een investeringsproject ten behoeve van een academisch ziekenhuis niet in uitvoering is genomen dan wel tot stand is gebracht voor een lager bedrag dan in het desbetreffende besluit, bedoeld in de eerste volzin, is opgenomen, kan dat besluit worden bijgesteld. ### Artikel 2.26 @@ -525,8 +368,8 @@ Het na toepassing van het tweede lid resterende gedeelte van de landelijke compo a. de openbare universiteit te Leiden 102.189, b. de openbare universiteit te Groningen 120.341, c. de openbare universiteit te Amsterdam 154.733, -d. de openbare universiteit te Utrecht 120.947, -e. de openbare universiteit te Rotterdam 121.102, +d. de openbare universiteit te Utrecht 117.447, +e. de openbare universiteit te Rotterdam 105.700, f. de openbare universiteit te Maastricht 72.567, g. de bijzondere universiteit te Amsterdam 91.629, en h. de bijzondere universiteit te Nijmegen 99.675. @@ -553,13 +396,15 @@ Indien ten aanzien van een universiteit artikel 2.25, zesde lid derde volzin, vo ### Artikel 2.29 -Vervallen +**1.** Het landelijk beschikbare deel uitkeringen na ontslag voor een begrotingsjaar, door Onze minister vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt verdeeld over de universiteiten. + +**2.** De verdeling van het landelijk beschikbare deel uitkeringen na ontslag geschiedt door Onze minister. Een besluit tot verdeling wordt niet genomen dan nadat Onze minister daarover overleg heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3.1 van de wet. ### Paragraaf 7. Investeringsdeel ### Artikel 2.30 -Het landelijk investeringsdeel, door Onze minister vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt verdeeld over de universiteiten naar evenredigheid van de som van het onderwijsdeel, het onderzoekdeel en in voorkomende gevallen het deel universitaire eerstegraads lerarenopleidingen per universiteit. +Het landelijk investeringsdeel, door Onze minister vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt verdeeld over de universiteiten naar evenredigheid van de som van het onderwijsdeel, het onderzoekdeel, het verwevenheidsdeel en in voorkomende gevallen het deel universitaire eerstegraads lerarenopleidingen per universiteit. ## Hoofdstuk 3. Hogescholen @@ -567,7 +412,7 @@ Het landelijk investeringsdeel, door Onze minister vastgesteld op grond van arti ### Artikel 3.1 -De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op de algemene berekeningswijze voor het exploitatiedeel, het huisvestingsdeel en het deel ontwerp en ontwikkeling hbo van de rijksbijdrage van de hogescholen. +De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op de algemene berekeningswijze voor het exploitatiedeel en het huisvestingsdeel van de rijksbijdrage van de hogescholen, bedoeld in artikel 2.1 van de wet. ### Paragraaf 2. Exploitatiedeel @@ -587,23 +432,19 @@ De onderwijsvraagfactor wordt berekend met de volgende formule: In deze formule wordt verstaan onder: -A: het aantal personen aan wie blijkens het Centraal register inschrijving een getuigschrift is uitgereikt voorzover deze personen aan die hogeschool een inschrijving hebben gehad als bedoeld in het eerste lid, op meer dan 2,25 x S peildata, waarbij S de factor studielast is die op de opleiding waarvoor het getuigschrift is uitgereikt van toepassing is; +BNF: de dempings- of ophogingsfactor ten aanzien van de onderwijsvraag; -U: het aantal studenten op 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar geen student is aan die hogeschool en aan wie in die periode blijkens het Centraal register inschrijving door die hogeschool geen getuigschrift is uitgereikt. +A: het aantal personen aan wie blijkens het Centraal register inschrijving een getuigschrift is uitgereikt voorzover deze personen aan die hogeschool een inschrijving hebben gehad als bedoeld in het eerste lid, gedurende meer dan de helft van de NBA die op de opleiding waarvoor het getuigschrift is uitgereikt van toepassing is; -Niet tot U wordt gerekend: +U: het aantal studenten op 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar geen student is aan die hogeschool en aan wie in die periode blijkens het Centraal register inschrijving door die hogeschool geen getuigschrift is uitgereikt, tenzij het een student betreft die in deze periode is overleden; -1°. de student die in deze periode is overleden; -2°. degene die: +NBA: per opleiding of groep van opleidingen de factor afgestudeerden gerelateerd aan de studielast; -a. als student was ingeschreven voor een opleiding die in deze periode is overgegaan naar een andere hogeschool en -b. die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar voor de desbetreffende opleiding bij die andere hogeschool als student is ingeschreven; - -S: de factor studielast, waarbij S gelijk is aan het quotiënt van de studielast van de opleiding en 240. +NBU: per opleiding of groep van opleidingen de factor uitschrijvingen zonder getuigschrift gerelateerd aan de studielast; Ja: -a. voor de onder A bedoelde personen die op 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar niet als student aan de betreffende hogeschool waren ingeschreven: per persoon 4,5 voor degene aan wie in de periode tussen 1 augustus 1991 en 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar door die hogeschool een getuigschrift is uitgereikt en 1,35 in de overige gevallen, +a. voor de onder A bedoelde personen die op de peildatum direct voorafgaande aan de uitreiking van het getuigschrift niet als student aan de betreffende hogeschool waren ingeschreven: per persoon 4,5 voor degene aan wie in de periode tussen 1 augustus 1991 en de peildatum van het studiejaar waarin het getuigschrift is uitgereikt door die hogeschool een getuigschrift is uitgereikt en 1,35 in de overige gevallen, b. voor de onder A bedoelde personen bij wie sprake is van herinstroom: het aantal peildata waarop zij vanaf het moment van herinstroom zonder onderbreking aan de betreffende hogeschool zijn ingeschreven geweest, per persoon vermeerderd met 4,5 voor degene aan wie in de periode tussen 1 augustus 1991 en het moment van herinstroom door die hogeschool een getuigschrift is uitgereikt en met 1,35 in de overige gevallen, en c. voor de overige onder A bedoelde personen het aantal peildata waarop de onder A bedoelde personen aan de betreffende hogeschool als student zijn ingeschreven geweest. @@ -625,6 +466,8 @@ b. 1 oktober voor de studiejaren vanaf het studiejaar 1993/1994. **6.** Indien de in het tweede lid onder A en U bedoelde gegevens ten aanzien van een groep van opleidingen die door de desbetreffende hogeschool wordt aangeboden, in een tijdvak als bedoeld in het tweede en vijfde lid, beide gelijk zijn aan nul, is ten aanzien van die groep artikel 3.5 van overeenkomstige toepassing in het tweede op bedoeld tijdvak volgende kalenderjaar. +**7.** Bij ministeriële regeling worden BNF, NBA en NBU vastgesteld. + ### Artikel 3.3a **1.** In dit artikel wordt onder opleiding verstaan: een opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst, dan wel een groep van die opleidingen. Bij ministeriële regeling wordt de indeling van de groepen van opleidingen vastgesteld. @@ -644,48 +487,66 @@ A: het aantal personen aan wie blijkens het Centraal register inschrijving een g **3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt bij ministeriële regeling bepaald welke opleidingen als dezelfde opleidingen worden aangemerkt. -### Artikel 3.3b - -Vervallen - ### Artikel 3.4 -In afwijking van artikel 3.3 wordt de onderwijsvraag voor de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder b, en artikel 18.20 van de wet, bepaald op het aantal ingeschreven studenten op 1 oktober van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar. +In afwijking van artikel 3.3 wordt de onderwijsvraag voor de opleidingen lerarenopleidingen speciaal onderwijs, de opleidingen hogere kaderopleiding pedagogiek, de voortgezette opleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken, de tweedegraads lerarenopleiding verpleegkunde, de opleiding tot verpleegkundige in de maatschappelijke gezondheidszorg en de opleiding van kader in de gezondheidszorg, bepaald op het aantal ingeschreven studenten op 1 oktober van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar. ### Artikel 3.4a -In afwijking van artikel 3.3 wordt de onderwijsvraag voor de tweedegraads lerarenopleidingen verpleegkunde, de opleidingen tot verpleegkundige in de maatschappelijke gezondheidszorg, de opleidingen management in de zorg en de opleidingen van kader in de gezondheidszorg bepaald op het aantal ingeschreven studenten op 1 oktober van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar. +**1.** In afwijking van artikel 3.3 is de onderwijsvraag voor de in artikel 7.4, vijfde lid, van de wet bedoelde voortgezette kunstopleidingen en de voortgezette opleidingen bouwkunst, per opleiding gelijk aan het aantal studenten op 1 oktober van het aan het begrotingsjaar voorafgaande kalenderjaar. + +**2.** Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks per opleiding bepaald hoeveel de volgens het eerste lid vastgestelde onderwijsvraag ten hoogste bedraagt. ### Artikel 3.5 Voor de bepaling van de onderwijsvraag van een opleiding die: a. in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het begrotingsjaar voor het eerst in het Centraal register opleidingen is opgenomen, en -b. geen voortzetting vormt van een opleiding met gelijke studielast, wordt de onderwijsvraagfactor gesteld op de landelijk gemiddelde onderwijsvraagfactor. Deze berekening wordt toegepast tot en met het tweede begrotingsjaar volgend op het begrotingsjaar waarin de eerste getuigschriften, gelet op de studielast, kunnen worden uitgereikt. +b. geen voortzetting vormt van een studierichting of opleiding, wordt de onderwijsvraagfactor gesteld op de landelijk gemiddelde onderwijsvraagfactor. Deze berekening wordt toegepast tot en met het tweede begrotingsjaar volgend op het begrotingsjaar waarin de eerste getuigschriften, gelet op de studielast, kunnen worden uitgereikt. ### Artikel 3.6 -Voor de bepaling van de onderwijsvraag van een opleiding waarvan de registratie wordt beëindigd overeenkomstig artikel 6.15 van de wet, ten aanzien waarvan artikel 3.5 niet van toepassing is en die niet wordt voortgezet in een opleiding met gelijke studielast, wordt met betrekking tot de begrotingsjaren volgend op het derde begrotingsjaar waarin geen studenten zich voor het eerst inschrijven aan die opleiding, de laatstelijk voor deze opleiding vastgestelde onderwijsvraagfactor aangehouden, totdat de registratie is beëindigd. +Voor de bepaling van de onderwijsvraag van een opleiding waarvan de registratie wordt beëindigd overeenkomstig artikel 6.15 van de wet en ten aanzien waarvan artikel 3.5 niet van toepassing is, wordt met betrekking tot de begrotingsjaren volgend op het derde begrotingsjaar waarin geen studenten zich voor het eerst inschrijven aan die opleiding, de laatstelijk voor deze opleiding vastgestelde onderwijsvraagfactor aangehouden, totdat de registratie is beëindigd. ### Artikel 3.7 -**1.** Uit het landelijk beschikbare exploitatiedeel kan aan hogescholen met opleidingen op het gebied van de kunst, lerarenopleidingen op het gebied van de kunst of opleidingen op het gebied van de gezondheidszorg een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag worden toegekend. Het resterende landelijk beschikbare exploitatiedeel wordt evenredig met de in het tweede lid bedoelde gewogen onderwijsvraag verdeeld over de hogescholen. +**1.** Het exploitatiedeel van een hogeschool is de som van de exploitatiedelen van de door de desbetreffende hogeschool aangeboden opleidingen. -**2.** De gewogen onderwijsvraag van een hogeschool is gelijk aan het totaal van de uit de artikelen 3.3 tot en met 3.6 voortvloeiende onderwijsvraag van de door de desbetreffende hogeschool aangeboden opleidingen, nadat deze voor bij ministeriële regeling aangewezen opleidingen is vermenigvuldigd met 1,28. +**2.** + +Het exploitatiedeel van een opleiding wordt berekend door de uit de artikelen 3.3 tot en met 3.6, 5.3 dan wel 5.4 voor de desbetreffende opleiding voortvloeiende onderwijsvraag te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag. Daarbij worden: + +a. voor de onder de artikelen 3.3, 3.4, 3.5 of 3.6 vallende opleidingen twee niveaus onderscheiden; +b. voor de onder de artikelen 3.3a of 5.3 vallende opleidingen ten hoogste vier niveaus onderscheiden, waarbij een van deze niveaus gelijk is aan het hoogste van de onder a bedoelde niveaus; +c. voor de onder de artikelen 3.4a of 5.4 vallende opleidingen ten hoogste vier niveaus onderscheiden. + +**3.** Indien de som van de exploitatiedelen van de hogescholen afwijkt van het resterende landelijk beschikbare exploitatiedeel, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, worden door Onze minister voor het desbetreffende begrotingsjaar de exploitatiedelen van de afzonderlijke hogescholen vermenigvuldigd met een factor, zodanig dat de som van de exploitatiedelen van de hogescholen en het resterende landelijk beschikbare exploitatiedeel aan elkaar gelijk zijn. + +**4.** Onze minister doet gelijktijdig met de in artikel 2.7, tweede lid, van de wet bedoelde bekendmaking van de vastgestelde rijksbijdrage aan de hogescholen mededeling van de in het tweede lid bedoelde bedragen en de op grond van het derde lid toe te passen factor. ### Artikel 3.8 Onze minister maakt jaarlijks voor 1 juli aan de desbetreffende hogeschool bekend op welk niveau een opleiding die in dat kalenderjaar voor het eerst in het Centraal register opleidingen wordt opgenomen, zal worden bekostigd. -### Paragraaf 3. Deel ontwerp en ontwikkeling hbo +### Paragraaf 2a + +### Artikel + +Vervallen + +### Artikel + +Vervallen + +### Artikel + +Vervallen + +### Paragraaf 3. Vervallen ### Artikel 3.9 -**1.** In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting, wordt jaarlijks door Onze minister de omvang vastgesteld van het landelijk voor de hogescholen beschikbare deel ontwerp en ontwikkeling hbo. - -**2.** De toevoeging aan de rijksbijdrage van een hogeschool vanwege het verrichten van ontwerp en ontwikkeling geschiedt naar rato van de som van het exploitatiedeel en het huisvestingsdeel per hogeschool. - -### Paragraaf 4. Huisvestingsdeel +Vervallen ### Artikel 3.10 @@ -695,11 +556,13 @@ Vervallen Vervallen +### Paragraaf 4. Huisvestingsdeel + ### Artikel 3.12 **1.** In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting, wordt jaarlijks door Onze minister de omvang vastgesteld van het landelijk voor de hogescholen beschikbare huisvestingsdeel. -**2.** Het landelijk beschikbare huisvestingsdeel wordt over de hogescholen verdeeld op basis van de in vierkante meters uitgedrukte ruimtebehoefte per hogeschool in het betreffende begrotingsjaar. De ruimtebehoefte wordt jaarlijks berekend door de onderwijsvraag van de hogeschool in het desbetreffende begrotingsjaar, bedoeld in de artikelen 3.3 tot en met 3.6 te vermenigvuldigen met de ruimtebehoeftenorm van de hogeschool. Bij ministeriële regeling wordt de ruimtebehoeftenorm per hogeschool vastgesteld. +**2.** Het landelijk beschikbare huisvestingsdeel wordt over de hogescholen verdeeld op basis van de in vierkante meters uitgedrukte ruimtebehoefte per hogeschool in het betreffende begrotingsjaar. De ruimtebehoefte wordt jaarlijks berekend door de onderwijsvraag van de hogeschool in het desbetreffende begrotingsjaar, bedoeld in de artikelen 3.3 tot en met 3.6, 5.3 en 5.4 te vermenigvuldigen met de ruimtebehoeftenorm van de hogeschool. Bij ministeriële regeling wordt de ruimtebehoeftenorm per hogeschool vastgesteld. **3.** @@ -744,8 +607,10 @@ d. een deel uitkeringen na ontslag. Onze minister stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende kalenderjaar voor de Open Universiteit de omvang vast van: -a. de beschikbare basisvoorziening, en -b. het prestatiegebonden deel. +a. de beschikbare basisvoorziening, waaronder is begrepen de voorziening voor de door de Open Universiteit in stand gehouden regionale studiecentra, +b. het prestatiegebonden deel, +c. het investeringsdeel, en +d. het deel uitkeringen na ontslag. **2.** Onze minister stelt voor ten hoogste 4 jaren de voor de Open Universiteit beoogde ontwikkeling van de rijksbijdrage vast, waarbij de in artikel 4.3 bedoelde factoren de grondslag vormen voor de vaststelling van de beoogde ontwikkeling van het prestatiegebonden deel. Onze minister stelt de beoogde ontwikkeling van de rijksbijdrage vast voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het tijdvak waarop die beoogde ontwikkeling betrekking heeft. @@ -772,7 +637,7 @@ c. de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en de organisatie en inrich ### Artikel 4.4 -Vervallen +Indien uit het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.9 van de wet, blijkt dat een regionaal studiecentrum wordt opgeheven, wordt de rijksbijdrage verminderd met ten hoogste 2% van de basisvoorziening per opgeheven studiecentrum, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onder a, tenzij Onze minister van oordeel is dat tegen die vermindering zwaarwegende bezwaren bestaan. ### Artikel 4.5 @@ -794,47 +659,97 @@ De rijksbijdrage van de Open Universiteit omvat de som van de door Onze minister ### Artikel 5.1 -Vervallen +In afwijking van artikel 2.6, eerste lid, onder *a*, wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor het bepalen van het aantal aan een universiteit op 1 december van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar ingeschreven studenten uitgegaan van gegevens die door de desbetreffende universiteit op verzoek aan Onze minister worden verstrekt. ### Artikel 5.2 -Vervallen +In afwijking van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 wordt het landelijk beschikbare deel universitaire eerstegraads lerarenopleidingen voor het begrotingsjaar 2001, vastgesteld op grond van artikel 2.4, als volgt over de universiteiten verdeeld: ### Artikel 5.3 -Vervallen +**1.** In afwijking van artikel 3.3a, tweede lid, wordt de onderwijsvraag per opleiding in het begrotingsjaar 2002 en 2003 vastgesteld op het aantal studenten dat op 1 oktober 2000, respectievelijk 2001 aan de desbetreffende opleiding is ingeschreven. Daarbij worden studenten die op een peildatum tussen 1 augustus 1991 en 1 september 2000 bij de desbetreffende hogeschool voor enige opleiding of lerarenopleiding op het gebied van de kunst als student ingeschreven zijn geweest, niet meegeteld. + +**2.** De onderwijsvraag die volgens het eerste lid is vastgesteld voor het begrotingsjaar 2003, wordt verhoogd met het aantal personen als omschreven in onderdeel A van artikel 3.3a, tweede lid, gedeeld door twee. + +**3.** In de begrotingsjaren 2002 en 2003 wordt de differentiatie film en televisie van de opleiding beeldende kunst en vormgeving van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten voor de toepassing van dit besluit beschouwd als opleiding in de zin van artikel 3.3a, eerste lid. + +**4.** In de begrotingsjaren 2002 tot en met 2005 wordt de onderwijsvraag die volgens het eerste en tweede lid, dan wel volgens artikel 3.3a is vastgesteld, verhoogd met een bij ministeriële regeling te bepalen aantal. ### Artikel 5.4 -Vervallen. +**1.** In afwijking van artikel 3.4a wordt de onderwijsvraag voor voortgezette opleidingen muziek als bedoeld in artikel 7.4, vijfde lid, eerste volzin, van de wet in het begrotingsjaar 2002 vastgesteld met inachtneming van het tweede tot en met vierde lid. + +**2.** De differentiaties sonologie en opera worden voor de toepassing van dit besluit beschouwd als opleidingen. De onderwijsvraag voor deze differentiaties wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. + +**3.** De onderwijsvraag wordt vastgesteld op het aantal studenten dat op 1 oktober 2001 voor elk van die opleidingen is ingeschreven, en wordt per opleiding verminderd met de volgens het tweede lid vastgestelde aantallen. + +**4.** Bij ministeriële regeling wordt per opleiding bepaald hoeveel de volgens het derde lid vastgestelde onderwijsvraag ten hoogste bedraagt. ### Artikel 5.5 -**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt voor de vernieuwing van de opleidingen tot leraar basisonderwijs een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag toegekend. +**1.** -**2.** Dit bedrag wordt verdeeld over de hogescholen evenredig met de onderwijsvraag voor de opleidingen tot leraar basisonderwijs. +In dit artikel wordt onder «vernieuwingsproject» verstaan: -### Paragraaf 2. Afwijkingen bekostiging hogescholen 2007 +a. een project, gericht op de vernieuwing van de opleiding tot leraar basisonderwijs met behulp van informatie- en communicatietechnologie, of +b. een project, gericht op de algemene vernieuwing van het gemeenschappelijk curriculum van de opleiding tot leraar basisonderwijs. + +Vernieuwingsprojecten kunnen betrekking hebben op leerpraktijken, centra voor leertechnologie, computernetwerken, deskundigheidsbevordering van personeel, curriculumontwikkeling, algemene professionalisering en samenwerking. + +**2.** Vernieuwingsprojecten worden vormgegeven in samenwerking tussen hogescholen waaraan een opleiding tot leraar basisonderwijs is verbonden. + +**3.** Voor het jaar 1997 wordt ten aanzien van de opleidingen tot leraar basisonderwijs het op grond van artikel 3.7, tweede lid, voor de desbetreffende opleiding vastgestelde bedrag verhoogd met een bedrag van f 1170 ten behoeve van vernieuwingsprojecten. + +**4.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt ten aanzien van de opleidingen tot leraar basisonderwijs het op grond van artikel 3.7, tweede lid, voor de desbetreffende opleiding vastgestelde bedrag verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag ten behoeve van vernieuwingsprojecten. Bij ministeriële regeling worden regels gegeven omtrent de voorwaarden waaronder de verhoging wordt toegekend. + +**5.** Toepassing van het vierde lid wat betreft de vernieuwingsprojecten, bedoeld in het eerste lid onder a, vindt uitsluitend plaats, indien een informatie- en communicatietechnologiebeleidsplan voor die opleiding is ingediend. In dit plan wordt rekening gehouden met de behoeften van scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs aan voorzieningen op het gebied van de communicatie- en informatietechnologie. Bij ministeriële regeling worden voor elke categorie vernieuwingsprojecten, bedoeld in het eerste lid, aanvullende criteria vastgesteld voor de verhoging, bedoeld in het vierde lid. ### Artikel 5.6 -Na toepassing van artikel 3.7, eerste lid, worden in het begrotingsjaar 2007 de exploitatiedelen van de onder a tot en met u genoemde hogescholen verhoogd met de onderstaande bedragen uitgedrukt in duizenden euro: +**1.** Beschikkingen die Onze minister heeft genomen op basis van de Bonus-malus-regeling hoger beroepsonderwijs 1996, zoals deze gold op 31 december 2000, blijven hun geldigheid behouden. + +**2.** Het totaal van de malus-bedragen die Onze minister int op grond van de beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, wordt verdeeld over de hogescholen naar evenredigheid van het berekende exploitatiedeel, bedoeld in artikel 3.7. ### Artikel 5.7 -Vervallen +Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip kan Onze minister in afwijking van de op grond van artikel 3.13 berekende ruimtebehoefte extra ruimtebehoefte toekennen indien strikte toepassing van artikel 3.13 met het oog op een voldoende huisvesting als gevolg van de overgang naar de nieuwe systematiek leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. ### Artikel 5.8 Vervallen +### Paragraaf 2. Afwijkingen bekostiging universiteiten 2000–2002 + ### Artikel 5.9 -Vervallen +**1.** In afwijking van artikel 2.2, eerste lid onder a, wordt tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bij de bepaling van de aantallen te bekostigen eerstejaars uitgegaan van de gegevens die de desbetreffende universiteit vergezeld van een verklaring van een accountant verstrekt aan Onze minister uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande begrotingsjaar. + +**2.** Het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk genomen op 31 december 2001. ### Artikel 5.10 -Vervallen +**1.** + +Na toepassing van artikel 2.6, zevende lid, worden in verband met de invoering van een afzonderlijk bedrag voor numerus fixus geneeskunde als een apart onderdeel van de rijksbijdrage, van de rijksbijdrage van een universiteit aan de bedragen voor numerus fixus geneeskunde in het begrotingsjaar 2002 de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd: + +| a. de openbare universiteit te Leiden | 1,3, | +| --- | --- | +| b. de openbare universiteit te Utrecht | 1,5, | +| c. de openbare universiteit te Groningen | 1,0, | +| d. de openbare universiteit te Rotterdam | 1,2, | +| e. de openbare universiteit te Maastricht | 0,9, | +| f. de openbare universiteit te Amsterdam | 0,5, | +| g. de bijzondere universiteit te Amsterdam | 0,6 en | +| h. de bijzondere universiteit te Nijmegen | 1,3. | + +**2.** + +Na toepassing van artikel 2.6, zevende lid, worden in verband met de verhoging van het op grond van artikel 2.4 vastgestelde bedrag voor de werkplaats tandheelkunde en de invoering van een afzonderlijk bedrag voor numerus fixus tandheelkunde als een apart onderdeel van de rijksbijdrage, van de rijksbijdrage van een universiteit aan de bedragen voor de werkplaats tandheelkunde in het begrotingsjaar 2002 de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd: + +| a. de openbare universiteit te Groningen | 0,5, | +| --- | --- | +| b. de openbare universiteit te Amsterdam | 0,3 en | +| c. de bijzondere universiteit te Amsterdam | 0,3. | ### Artikel 5.11 @@ -846,45 +761,77 @@ Vervallen ### Artikel 5.13 -Vervallen +**1.** Indien in het begrotingsjaar 2002 blijkt dat het aandeel van een universiteit in de geraamde rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de wet, wat betreft de som van het onderwijsdeel en het onderzoekdeel minder dan 94% zou zijn van het aandeel van die universiteit in de rijksbijdrage wat betreft de som van het onderwijsdeel, het onderzoekdeel en het verwevenheidsdeel in het begrotingsjaar 1999, wordt het aandeel van de desbetreffende universiteit in de rijksbijdrage in het begrotingsjaar 2002 verhoogd tot 94% van het aandeel van de desbetreffende universiteit in de rijksbijdrage wat betreft de som van het onderwijsdeel, het onderzoekdeel en het verwevenheidsdeel in het begrotingsjaar 1999. De verhoging wordt toegevoegd aan de component basisvoorziening onderwijs van die universiteit in het begrotingsjaar 2002. + +**2.** De component basisvoorziening onderwijs van de universiteiten waarvan het aandeel in de rijksbijdrage wat betreft de som van het onderwijsdeel en het onderzoekdeel in dat begrotingsjaar meer is dan 94% van het aandeel van die universiteit in de rijksbijdrage wat betreft de som van het onderwijsdeel, het verwevenheidsdeel en het onderzoekdeel in het begrotingsjaar 1999, wordt verminderd met het bedrag van de verhoging, bedoeld in het eerste lid. Deze vermindering wordt over die universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van de som van het onderwijsdeel, het onderzoekdeel en het verwevenheidsdeel in het begrotingsjaar 1999. + +**3.** Indien het aandeel van een universiteit in de geraamde rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de wet wat betreft de som van het onderwijsdeel en het onderzoekdeel als gevolg van de vermindering van de component basisvoorziening onderwijs in het begrotingsjaar 2002 minder dan 94% is van het aandeel van die universiteit in de rijksbijdrage wat betreft de som van het onderwijsdeel, het onderzoekdeel en het verwevenheidsdeel in het begrotingsjaar 1999, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing. + +**4.** Bij de berekening van de component basisvoorziening onderwijs in het begrotingsjaar 2003 wordt de toename of afname op grond van het eerste, tweede of derde lid buiten beschouwing gelaten. ### Artikel 5.14 -Vervallen +**1.** -### Paragraaf 3. Afwijkingen bekostiging universiteiten 2003 +In het begrotingsjaar 2002 worden in verband met de gewijzigde verdeling van de landelijke component onderwijs en onderzoek van het deel academisch ziekenhuis op het deel academisch ziekenhuis per universiteit na toepassing van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro in mindering gebracht: + +| a. de openbare universiteit te Leiden: | 0,54, | +| --- | --- | +| b. de openbare universiteit te Amsterdam: | 0,05, | +| c. de openbare universiteit te Maastricht: | 0,36 en | +| d. de bijzondere universiteit te Amsterdam: | 0,54. | + +**2.** + +De op grond van het eerste lid in mindering gebrachte bedragen worden als volgt verdeeld over de onderstaande universiteiten uitgedrukt in miljoenen euro: + +| a. de openbare universiteit te Utrecht: | 0,41, | +| --- | --- | +| b. de openbare universiteit te Groningen: | 0,41, | +| c. de openbare universiteit te Rotterdam: | 0,23 en | +| d. de bijzondere universiteit te Nijmegen: | 0,5. | + +### Artikel 5.14a + +Vervallen ### Artikel 5.15 -In afwijking van artikel 2.6c, vijfde lid, wordt in het begrotingsjaar 2003 het bedrag basisvoorziening onderwijs plus over de universiteiten verdeeld op basis van de omvang van de component basisvoorziening onderwijs in het voorafgaande begrotingsjaar. Artikel 5.13, vierde lid, zoals die bepaling op 31 december 2002 luidde, is van overeenkomstige toepassing. +Vervallen -### Artikel 5.16 +### Artikel -In afwijking van artikel 2.6c, zesde lid, wordt in het begrotingsjaar 2003 het bedrag compensatie onderwijs over de universiteiten verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit: +Vervallen -### Artikel 5.17 +### Artikel -In afwijking van artikel 2.14, vijfde lid, wordt in het begrotingsjaar 2003 het bedrag strategische overwegingen plus over de universiteiten verdeeld op basis van de volgende percentages per universiteit: +Vervallen ### Artikel 5.18 +Vervallen + ### Artikel 5.19 +Vervallen + ### Artikel 5.20 -### Artikel 5.21 +Vervallen -### Paragraaf 4. Afwijkingen bekostiging universiteiten 2004 - -### Artikel 5.22 +### Artikel Vervallen -### Artikel 5.23 +### Artikel Vervallen -### Artikel 5.24 +### Artikel + +Vervallen + +### Artikel Vervallen @@ -892,155 +839,6 @@ Vervallen Vervallen -### Artikel 5.26 - -Vervallen - -### Paragraaf 5. Afwijkingen bekostiging universiteiten vanaf 2005 - -### Artikel 5.27 - -Vervallen - -### Artikel 5.28 - -Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip worden in afwijking van de artikelen 2.6a en 2.9 de getuigschriften van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs aangemerkt als getuigschriften van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, indien uit het Centraal register inschrijving blijkt - -a. dat een student voor een ongedeelde opleiding was ingeschreven in een van de vijf studiejaren die voorafgaan aan het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, en -b. dat aan die student in het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, en in de vijf daaraan voorafgaande studiejaren geen getuigschrift van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs of van een kandidaatsexamen in het wetenschappelijk onderwijs is uitgereikt. - -### Artikel 5.29 - -**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bevat de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Utrecht, de openbare universiteit te Enschede en de openbare universiteit te Rotterdam naast de onderdelen, bedoeld in artikel 2.4, een onderdeel internationaal onderwijs. - -**2.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt door Onze minister in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgestelde rijksbegroting ten behoeve van de universiteiten de omvang vastgesteld van de landelijk voor het deel internationaal onderwijs van de rijksbijdrage van de universiteiten beschikbare middelen. - -### Artikel 5.30 - -Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip worden de bedragen voor de universiteiten, bedoeld in artikel 5.29, door Onze minister vastgesteld. - -### Artikel 5.31 - -**1.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip bevat de rijksbijdrage van de Open Universiteit naast de onderdelen, bedoeld in artikel 4.1, een onderdeel internationaal onderwijs. - -**2.** Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip stelt Onze minister ten behoeve van het eerstvolgende kalenderjaar voor de Open Universiteit de omvang vast van het deel internationaal onderwijs. - -### Artikel 5.32 - -Vervallen - -### Artikel 5.33 - -Vervallen - -### Paragraaf 6. Afwijking bekostiging universiteiten in 2006 - -### Artikel 5.33a - -**1.** - -Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2006 aan het bedrag voor de numerus fixus van de rijksbijdrage van de onder a tot en met h genoemde universiteiten de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd: - -| a. | De openbare universiteit te Leiden | 2,479 | -| --- | --- | --- | -| b. | De openbare universiteit te Utrecht | 2,102 | -| c. | De openbare universiteit te Groningen | 3,414 | -| d. | De openbare universiteit te Rotterdam | 2,906 | -| e. | De openbare universiteit te Maastricht | 2,639 | -| f. | De openbare universiteit te Amsterdam | 2,256 | -| g. | De bijzondere universiteit te Amsterdam | 2,484 | -| h. | De bijzondere universiteit te Nijmegen | 2,310 | - -**2.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2006 aan het bedrag voor de werkplaats diergeneeskunde van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Utrecht 0,802 miljoen euro toegevoegd. - -**3.** - -Na toepassing van artikel 2.6d worden in het begrotingsjaar 2006 aan het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met d genoemde universiteiten de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro toegevoegd: - -| a. | De openbare universiteit te Groningen | 0,000 | -| --- | --- | --- | -| b. | De openbare universiteit te Amsterdam | 0,186 | -| c. | De bijzondere universiteit te Amsterdam | 0,186 | -| d. | De bijzondere universiteit te Nijmegen | 0,371 | - -**4.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2006 aan het bedrag voor de numerus fixus klinische technologie van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Enschede een bedrag van 2,792 miljoen euro toegevoegd. - -### Artikel 5.33b - -Vervallen - -### Artikel 5.33c - -In het begrotingsjaar 2006 wordt, nadat artikel 2.14, vijfde lid, is toegepast, het bedrag strategische overwegingen plus van de bijzondere universiteit te Tilburg verhoogd met 0,370 miljoen euro. - -### Paragraaf 7. Afwijkingen bekostiging universiteiten 2007 - -### Artikel 5.34 - -Vervallen - -### Artikel 5.35 - -Na toepassing van artikel 2.6c, vijfde lid, worden in het begrotingsjaar 2007 de bedragen basisvoorziening onderwijs plus van de onder a tot en met h genoemde universiteiten verhoogd met de onderstaande bedragen uitgedrukt in duizenden euro: - -### Artikel 5.36 - -**1.** - -Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2007 het bedrag voor de numerus fixus geneeskunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met h genoemde universiteiten verhoogd met de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro: - -| | a. de openbare universiteit te Leiden | 2,256, | -| --- | --- | --- | -| | b. de openbare universiteit te Utrecht | 2,019, | -| | c. de openbare universiteit te Groningen | 3,793, | -| | d. de openbare universiteit te Rotterdam | 3,475, | -| | e. de openbare universiteit te Maastricht | 2,962, | -| | f. de openbare universiteit te Amsterdam | 2,806, | -| | g. de bijzondere universiteit te Amsterdam | 2,614, en | -| | h. de bijzondere universiteit te Nijmegen | 2,445. | - -**2.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2007 het bedrag voor de werkplaats diergeneeskunde van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Utrecht verhoogd met 0,092 miljoen euro. - -**3.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2007 het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Groningen verhoogd met 0,250 miljoen euro. - -**4.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2007 het bedrag voor de numerus fixus klinische technologie van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Enschede verhoogd met 1,976 miljoen euro. - -### Paragraaf 8. Afwijkingen bekostiging universiteiten 2008 - -### Artikel 5.37 - -In afwijking van artikel 2.14, vijfde lid, wordt het bedrag strategische overwegingen plus in 2008 over de universiteiten verdeeld naar rato van de omvang van het bedrag strategische overwegingen plus per universiteit in 2007, nadat de bedragen strategische overwegingen plus van de onder a tot en met c genoemde universiteiten zijn verlaagd met de onderstaande bedragen uitgedrukt in miljoenen euro: - -### Artikel 5.38 - -**1.** - -Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2008 het bedrag voor de numerus fixus geneeskunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met h genoemde universiteiten verhoogd met de onderstaande bedragen, uitgedrukt in miljoenen euro: - -| a. | de openbare universiteit te Leiden | 0,960, | -| --- | --- | --- | -| b. | de openbare universiteit te Utrecht | 1,105, | -| c. | de openbare universiteit te Groningen | 2,914, | -| d. | de openbare universiteit te Rotterdam | 2,949, | -| e. | de openbare universiteit te Maastricht | 1,812, | -| f. | de openbare universiteit te Amsterdam | 1,976, | -| g. | de bijzondere universiteit te Amsterdam | 1,353, en | -| h. | de bijzondere universiteit te Nijmegen | 1,679. | - -**2.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2008 het bedrag voor de werkplaats diergeneeskunde van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Utrecht verlaagd met 0,481 miljoen euro. - -**3.** - -Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2008 het bedrag voor de werkplaats tandheelkunde van de rijksbijdrage van de onder a tot en met d genoemde universiteiten verlaagd met de onderstaande bedragen, uitgedrukt in miljoenen euro: - -| a. | de openbare universiteit te Groningen | 0,465, | -| --- | --- | --- | -| b. | de openbare universiteit te Amsterdam | 0,096, | -| c. | de bijzondere universiteit te Amsterdam | 0,096, en | -| d. | de bijzondere universiteit te Nijmegen | 0,192. | - -**4.** Na toepassing van artikel 2.6d wordt in het begrotingsjaar 2008 het bedrag voor de numerus fixus klinische technologie van de rijksbijdrage van de openbare universiteit te Enschede verhoogd met 2,270 miljoen euro. - ## Hoofdstuk 6. Slotbepalingen ### Artikel 6.1 @@ -1062,7 +860,3 @@ AFS: afschrijvingen; gecum. AFS: gecumuleerde afschrijvingsbedrag. ## Bijlage 2. (gedeelte 1993 t/m 1996 van de component rente en afschrijvingen) - -## Bijlage 3. bij - -Vervallen