2018-08-01 | BWBR0002399 | Wet op het voortgezet onderwijs
This commit is contained in:
parent
b64c7ab834
commit
a3215bb9f8
1 changed files with 277 additions and 143 deletions
|
|
@ -32,6 +32,13 @@ c. een door een stichting als bedoeld in artikel 42b of artikel 53c in stand geh
|
|||
|
||||
«bijzondere school»: een door een natuurlijke persoon of door een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een stichting als bedoeld in artikel 42b, in stand gehouden school;
|
||||
|
||||
«scholengemeenschap»: een gemeenschap van twee of meer scholen voor voortgezet onderwijs;
|
||||
|
||||
«verticale scholengemeenschap»: een gemeenschap van:
|
||||
|
||||
a. een regionaal opleidingencentrum en een school voor voortgezet onderwijs, of
|
||||
b. een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor praktijkonderwijs;
|
||||
|
||||
«openbare rechtspersoon»: een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld als bedoeld in artikel 42a;
|
||||
|
||||
«het bevoegd gezag» : voor wat betreft:
|
||||
|
|
@ -225,6 +232,8 @@ b. aan afdelingen als bedoeld in artikel 8, onderdeel b, omvat ten minste 1.700
|
|||
|
||||
**6.** Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over die invulling en over de spreiding van de uren over de verschillende leerjaren.
|
||||
|
||||
**7.** De inspectie kan op verzoek van het bevoegd gezag ermee instemmen dat om lichamelijke of psychische redenen voor individuele leerlingen wordt afgeweken van het eerste, tweede, derde of vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6g1
|
||||
|
||||
**1.** In elk schooljaar wordt op ten minste 189 dagen onderwijs verzorgd.
|
||||
|
|
@ -530,7 +539,7 @@ Naast het onderwijs in de leerwegen, genoemd in de artikelen 10 en 10b, kan onde
|
|||
a. een scholengemeenschap met in elk geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, of
|
||||
b. een vestiging van een agrarisch opleidingscentrum wat het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs betreft, indien:
|
||||
|
||||
1°. het agrarisch opleidingscentrum onderdeel uitmaakt van een scholengemeenschap waarvan tevens een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs onderdeel uitmaakt, en
|
||||
1°. het agrarisch opleidingscentrum onderdeel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap waarvan tevens een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs onderdeel uitmaakt, en
|
||||
2°. het voorbereidend beroepsonderwijs op de desbetreffende vestiging deels leerlingen betrekt uit hetzelfde gebied als de desbetreffende school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
|
@ -915,22 +924,7 @@ d. voorschriften over de mogelijkheid van vrijstelling en de bevoegdheid van het
|
|||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.** Een scholengemeenschap omvat een school of inrichting in de zin van deze wet, en een of meer andere al dan niet in deze wet bedoelde scholen, inrichtingen of instellingen, die niet zijn instellingen voor hoger onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Aan een school of scholengemeenschap kan, naast een hoofdvestiging als bedoeld in artikel 65, derde lid, een nevenvestiging of een tijdelijke nevenvestiging zijn verbonden.
|
||||
|
||||
**3.** Een tijdelijke nevenvestiging voorziet in de tijdelijke huisvestingsbehoefte van een hoofdvestiging of nevenvestiging en is gelegen op een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van de desbetreffende hoofdvestiging of nevenvestiging.
|
||||
|
||||
**4.** Een nevenvestiging komt tot stand door een samenvoeging als bedoeld in artikel 71, tweede lid, of door vorming van een nieuwe nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel b. Een tijdelijke nevenvestiging komt tot stand op grond van artikel 71, vijfde lid.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Op een nevenvestiging kan in elk geval onderwijs worden verzorgd
|
||||
|
||||
a. in de eerste drie leerjaren aan een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7, of aan een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 8, en
|
||||
b. in de eerste twee leerjaren aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 10, of aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 10a.
|
||||
|
||||
**6.** Op een tijdelijke nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 10b en 10d, en in dezelfde leerjaren als op de hoofdvestiging of nevenvestiging, bedoeld in het derde lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
|
|
@ -1017,7 +1011,7 @@ b. de duur van,
|
|||
|
||||
het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs zelf vast te stellen.
|
||||
|
||||
**2.** Het samenwerkingsverband kan er voor kiezen om in afwijking van artikel 69, tweede lid, een school die is aangesloten bij dit samenwerkingsverband, voor te dragen aan Onze Minister, om die school voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs in aanmerking te brengen.
|
||||
**2.** Het samenwerkingsverband kan er voor kiezen om in afwijking van artikel 70, een school die is aangesloten bij dit samenwerkingsverband, voor te dragen aan Onze Minister, om die school voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs in aanmerking te brengen.
|
||||
|
||||
**3.** Het gebruik maken van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, behoeft de instemming van de bevoegde gezagsorganen met vestigingen in het gebied van het desbetreffende samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1490,7 +1484,7 @@ c. die van de school wordt verwijderd.
|
|||
|
||||
### Artikel 28b
|
||||
|
||||
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan de leerlingen van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, hoger algemeen voortgezet onderwijs, middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs gelegenheid wordt gegeven diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen af te leggen. Indien toepassing wordt gegeven aan de vorige volzin, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent deze toetsen vastgesteld. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op het moment of de momenten waarop de toetsen kunnen worden afgelegd.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
|
|
@ -1809,7 +1803,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 37f
|
||||
|
||||
Ten behoeve van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 16, worden bij algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de artikelen 32 tot en met 37.
|
||||
Ten behoeve van een scholengemeenschap of een verticale scholengemeenschap worden bij algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de artikelen 32 tot en met 37.
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
|
|
@ -1975,7 +1969,13 @@ Nadat een leraar de gegevens, bedoeld in artikel 41g, tweede en derde lid, heeft
|
|||
|
||||
### Artikel 41j
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Indien een of meer van de basisgegevens van een leraar in het lerarenregister afwijken van de betreffende basisgegevens behorende bij de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming van deze leraar, kan de betrokkene Onze Minister elektronisch verzoeken deze gegevens te verbeteren. Onze Minister verzoekt het bevoegd gezag om hem overeenkomstig artikel 41g, eerste lid, de juiste gegevens te verstrekken.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het bevoegd gezag na het verzoek van Onze Minister constateert dat de basisgegevens van de leraar in het lerarenregister overeenkomen met de betreffende basisgegevens behorende bij de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming van deze leraar, deelt hij dit elektronisch mee aan Onze Minister en deelt Onze Minister dit elektronisch mee aan de betrokkene.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de gegevens die op grond van artikel 41h zijn overgenomen uit de basisregistratie personen.
|
||||
|
||||
**4.** Een beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
### Artikel 41k
|
||||
|
||||
|
|
@ -2074,7 +2074,7 @@ b. aan de inspectie voor zover de verwerking van die gegevens noodzakelijk is vo
|
|||
Het bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister de basisgegevens van leraren:
|
||||
|
||||
a. die zijn benoemd of zijn tewerkgesteld zonder benoeming op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, onder 3, en 118k, negende en twaalfde lid, of
|
||||
b. die onderwijs verzorgen op grond van artikel 33, derde of vierde lid,
|
||||
b. die onderwijs verzorgen op grond van de artikelen 33, derde of vierde lid, of 35a,
|
||||
|
||||
en draagt zorg voor het correct bijhouden van die gegevens ten behoeve van het registervoorportaal.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2488,7 +2488,7 @@ h. voor scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs binnen een scholengemeenscha
|
|||
In deze afdeling wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. *fusie:* een bestuurlijke of institutionele fusie,
|
||||
b. *institutionele fusie:* een fusie als bedoeld in artikel 71, tweede en derde lid, waarbij een school ontstaat door samenvoeging van twee of meer scholen dan wel instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs,
|
||||
b. *institutionele fusie:* een fusie als bedoeld in de artikelen 72, eerste lid, en 72a, eerste lid, onderdelen a en b, waarbij een school ontstaat door samenvoeging van twee of meer scholen dan wel instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs,
|
||||
c. *bestuurlijke fusie:* een fusie waarbij een of meer rechtspersonen de instandhouding van een school, een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs dan wel de Wet op de expertisecentra, een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek overdragen.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op het instellen van een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, eerste volzin of de instandhouding van een of meer openbare scholen door een stichting als bedoeld in artikel 42b, eerste lid.
|
||||
|
|
@ -2511,7 +2511,7 @@ a. een door de rechtspersoon dan wel rechtspersonen opgestelde fusie-effectrappo
|
|||
b. een schriftelijke verklaring van instemming met de fusie door de medezeggenschapsraden dan wel de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden, dan wel
|
||||
c. de bindende uitspraak van de geschillencommissie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen, dan wel de bindende uitspraak van de ondernemingskamer, bedoeld in artikel 36, derde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen.
|
||||
|
||||
**2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid geldt eveneens als een aanvraag om voor bekostiging in aanmerking te komen als bedoeld in artikel 71.
|
||||
**2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid geldt eveneens als een aanvraag om voor bekostiging in aanmerking te komen als bedoeld in de artikelen 72 en 72a.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2538,7 +2538,7 @@ Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de institutionele
|
|||
a. de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, zowel in het opzicht van richting als van pedagogisch-didactische aanpak en schoolsoort binnen de gemeenten waarin de huidige leerlingen van die scholen of rechtspersonen woonachtig zijn, op significante wijze wordt belemmerd, of
|
||||
b. het aandeel per schoolsoort van de bij de fusie betrokken scholen in het aantal leerlingen in de gemeenten waarin de huidige leerlingen van die scholen woonachtig zijn een nader bij ministeriële regeling vast te stellen percentage overschrijdt.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan bovendien goedkeuring onthouden aan een institutionele fusie indien de percentages leerlingen betrokken bij de fusie minder zijn dan de percentages bedoeld in artikel 71, tweede lid, onder a of b.
|
||||
**2.** Onze Minister kan bovendien goedkeuring onthouden aan een institutionele fusie indien de percentages leerlingen betrokken bij de fusie minder zijn dan de percentages bedoeld in artikel 72 of artikel 72a, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in het eerste en tweede lid, adviseren door een onafhankelijke adviescommissie, tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer er geen sprake is van de noodzaak bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2639,7 +2639,7 @@ Onze minister kan de aanwijzing intrekken, indien niet langer wordt voldaan aan
|
|||
|
||||
### Artikel 59a
|
||||
|
||||
**1.** De artikelen 56 tot en met 59, met uitzondering van artikel 57, onderdeel c, en artikel 58, zevende en achtste lid, en artikel 58a, zijn van overeenkomstige toepassing op scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra waar voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd. Ten aanzien van scholen waar toepassing is gegegeven aan de eerste volzin, zijn de voorschriften gegeven bij of krachtens de artikelen 6f, 22 en 28b van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** De artikelen 56 tot en met 59, met uitzondering van artikel 57, onderdeel c, en artikel 58, zevende en achtste lid, en artikel 58a, zijn van overeenkomstige toepassing op scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra waar voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd. Ten aanzien van scholen waar toepassing is gegegeven aan de eerste volzin, zijn de voorschriften gegeven bij of krachtens de artikelen 6f en 22 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van scholen waar toepassing is gegeven aan het eerste lid, zijn de artikelen 10b1 tot en met 10b8 en 10b9, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg van het voorbereidend beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2689,150 +2689,275 @@ c. de rechtspositie van het personeel,
|
|||
d. de benoembaarheidsvereisten van het personeel, en
|
||||
e. de aanvang, wijze en beëindiging van de bekostiging.
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 63
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Titel III. Aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der bekostiging
|
||||
|
||||
### Afdeling I. Aanvang van de bekostiging
|
||||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
#### Paragraaf 1. Algemeen
|
||||
|
||||
**1.** Bekostiging uit de openbare kas van een school neemt geen aanvang dan krachtens de bepalingen van deze afdeling.
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
In deze afdeling worden de onder a tot en met d aangegeven schoolsoorten aangeduid met de daarbij vermelde afkortingen:
|
||||
|
||||
a. vwo: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs,
|
||||
b. havo: hoger algemeen voortgezet onderwijs,
|
||||
c. mavo: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs,
|
||||
d. vbo: voorbereidend beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 63
|
||||
|
||||
**1.** Bekostiging uit ’s Rijks kas van een school of scholengemeenschap neemt geen aanvang dan krachtens de bepalingen van deze afdeling.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van scholen.
|
||||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister brengt een openbare of bijzondere school voor bekostiging in aanmerking indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze school zal worden bezocht door ten minste:
|
||||
|
||||
a. 390 leerlingen voor een school voor vwo,
|
||||
b. 325 leerlingen voor een school voor havo en 130 leerlingen voor een afdeling voor havo,
|
||||
c. 260 leerlingen voor een school voor mavo,
|
||||
d. 260 leerlingen voor een school voor vbo met 1 profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid,
|
||||
e. 160 leerlingen voor elk profiel van een school voor vbo indien meer dan 1 profiel binnen de school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, of
|
||||
f. 120 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister brengt een openbare of bijzondere scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid genoemde aantal.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan een school of scholengemeenschap die ontstaat na splitsing van een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking brengen indien wordt voldaan aan voorwaarden die bij ministeriële regeling zijn vastgesteld. Deze voorwaarden zullen in elk geval betrekking hebben op:
|
||||
|
||||
a. het aantal leerlingen op de teldatum in het jaar voorafgaand aan de aanvraag van de te splitsen school of van een of meer van de samenstellende scholen van de te splitsen scholengemeenschap, en
|
||||
b. het aantal leerlingen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze na de splitsing de scholen of de samenstellende scholen van de scholengemeenschap zal bezoeken.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan een openbare school of scholengemeenschap waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 66, eerste lid, is ingediend, voor bekostiging in aanmerking brengen. Onze Minister brengt een openbare school of scholengemeenschap waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 66, tweede lid, is ingediend voor bekostiging in aanmerking.
|
||||
|
||||
### Artikel 65
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort, de verlangde richting en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal worden bezocht door ten minste:
|
||||
Onze Minister brengt een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid, aan een al bekostigde school voor vbo voor bekostiging in aanmerking indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit profiel zal worden bezocht door ten minste:
|
||||
|
||||
a. 390 leerlingen, wat een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs betreft;
|
||||
b. 325 leerlingen, wat een school en 130 leerlingen wat een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs betreft;
|
||||
c. 260 leerlingen, wat een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs betreft;
|
||||
d. 260 leerlingen, wat een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met één profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid, betreft, met dien verstande dat meer dan één profiel binnen de desbetreffende nieuw te vormen school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, indien voor elk profiel aannemelijk wordt gemaakt dat dit door ten minste 160 leerlingen zal worden gevolgd, of
|
||||
e. 120 leerlingen, wat een school voor praktijkonderwijs betreft.
|
||||
a. 160 leerlingen indien de school geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap, of
|
||||
b. 120 leerlingen indien de school deel uitmaakt van een scholengemeenschap.
|
||||
|
||||
**2.** Een scholengemeenschap die twee of meer van de in het eerste lid genoemde scholen omvat, wordt in ieder geval voor bekostiging in aanmerking gebracht indien op dezelfde manier als volgens het eerste lid kan worden aangetoond, dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid genoemde aantal.
|
||||
|
||||
**3.** Een op grond van het eerste of tweede lid voor bekostiging in aanmerking gebrachte school of scholengemeenschap wordt aangeduid als hoofdvestiging.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een school waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, eerste lid, is ingediend. Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 67, tweede lid, is ingediend.
|
||||
|
||||
**5.** Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden de besluiten, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, gepubliceerd in de Staatscourant.
|
||||
**2.** Onze Minister brengt een nieuw te vormen school die wordt toegevoegd aan een al bekostigde school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze nieuwe school zal worden bezocht door ten minste drie kwart van het daarvoor in artikel 64, eerste lid, genoemde aantal leerlingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 66
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag kan bij Onze Minister een aanvraag indienen om een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen. De aanvraag wordt ingediend voor 1 november.
|
||||
**1.** Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in de provincie. Zij kunnen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente opdragen, een aanvraag bij Onze Minister in te dienen om een openbare school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen indien de ouders, voogden of verzorgers van een naar hun oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij dat wensen en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente deze wens niet heeft ingewilligd.
|
||||
|
||||
**2.** Elke aanvraag vermeldt de schoolsoorten, de verlangde richting en de plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap en gaat vergezeld van een prognose over de te verwachten omvang. Een aanvraag voor een school voor praktijkonderwijs wordt ingediend in overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan de school deel gaat uitmaken en na overleg met de gemeente.
|
||||
**2.** Onze Minister kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente opdragen een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen, indien gedeputeerde staten het eerste lid niet toepassen en de ouders, voogden of verzorgers van een naar zijn oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij indiening van een dergelijke aanvraag wensen.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister besluit met inachtneming van artikel 65 voor 1 mei volgend op de aanvraag of de school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.
|
||||
|
||||
**4.** De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar, ten vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister. Behoudens in het laatste geval vangt de bekostiging aan in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het bevoegd gezag, voor 1 augustus, heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente uiterlijk met ingang van 1 augustus van het eerstgenoemde kalenderjaar de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen.
|
||||
**3.** Indien een besluit van Onze Minister op een aanvraag als bedoeld in dit artikel onherroepelijk is geworden, gaat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente over tot stichting van de bij het besluit voor bekostiging in aanmerking gebrachte school of scholengemeenschap.
|
||||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
**1.** Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in de provincie. Daartoe kunnen gedeputeerde staten burgemeester en wethouders van de gemeente opdragen, een aanvraag bij Onze Minister in te dienen om een openbare school voor bekostiging in aanmerking te brengen indien de ouders, voogden en verzorgers van een naar hun oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij dat wensen en burgemeester en wethouders van de gemeente daaraan niet hebben voldaan.
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag dient een aanvraag om een school voor bekostiging in aanmerking te brengen voor 1 november in bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan burgemeester en wethouders van de gemeente opdragen een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school voor bekostiging in aanmerking te brengen, indien gedeputeerde staten het eerste lid niet toepassen en ouders, voogden of verzorgers van een naar zijn oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij indiening van een dergelijke aanvraag wensen.
|
||||
**2.** De aanvraag vermeldt de schoolsoort en het vestigingsadres van de school. Indien de aanvraag betrekking heeft op een school voor bijzonder onderwijs, wordt in de aanvraag ook vermeld van welke verlangde richting het onderwijs zal uitgaan.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een besluit van Onze Minister op een aanvraag als bedoeld in dit artikel onherroepelijk is geworden, gaan burgemeester en wethouders van de gemeente over tot stichting van de daarbij voor bekostiging in aanmerking gebrachte school.
|
||||
**3.** De aanvraag gaat vergezeld van een prognose over de te verwachten omvang. Het aantal leerlingen dat naar verwachting op het vestigingsadres een openbare school of een bijzondere school van de verlangde richting zal bezoeken, wordt voor elke schoolsoort berekend op basis van statistische gegevens die onder meer door het Centraal Bureau voor de Statistiek worden verstrekt.
|
||||
|
||||
**4.** De bekostiging vangt aan op 1 augustus van enig kalenderjaar, ten vroegste in het eerste en ten laatste in het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister, afhankelijk van het moment dat burgemeester en wethouders van de gemeente huisvesting ter beschikking hebben.
|
||||
**4.** Een aanvraag voor een school voor praktijkonderwijs wordt ingediend in overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan de school deel gaat uitmaken en na overleg met de gemeente.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister besluit voor 1 mei volgend op de aanvraag of de school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.
|
||||
|
||||
**6.** Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een besluit tot bekostiging van een nieuwe school gepubliceerd in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**7.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een scholengemeenschap of een profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid, dan wel een school of scholengemeenschap die ontstaat na splitsing van een school of scholengemeenschap dan wel een afdeling voor havo voor bekostiging in aanmerking te brengen.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid, aan een reeds bekostigde school voor voorbereidend beroepsonderwijs indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit profiel, gelet op de belangstelling voor het desbetreffende profiel, de verlangde richting en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal worden gevolgd door ten minste 260 leerlingen, met dien verstande dat meer dan één profiel voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht indien voor elk nieuw te vormen profiel aannemelijk wordt gemaakt dat het desbetreffende profiel door ten minste 160 leerlingen zal worden gevolgd.
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag daartoe op grond van artikel 76e een aanvraag indient, stelt het college van burgemeester en wethouders uiterlijk op 1 augustus van het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister om een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen, huisvesting ter beschikking. Het besluit hiertoe maakt het college van burgemeester en wethouders meer dan 1 jaar voor het beschikbaar stellen van de huisvesting bekend.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 65, vijfde lid, en artikel 66 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Indien huisvesting is vereist, vangt de bekostiging aan op 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het bevoegd gezag, voor 1 augustus, heeft aangetoond dat het college van burgemeester en wethouders de huisvesting ter beschikking zal stellen.
|
||||
|
||||
**3.** Indien geen huisvesting is vereist, vangt de bekostiging aan op 1 augustus volgend op het besluit van Onze Minister om een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdstip 1 of 2 jaar worden uitgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 69
|
||||
|
||||
**1.** Leerwegondersteunend onderwijs komt voor bekostiging in aanmerking voor zover de school of een daaraan uiterlijk op 1 augustus 2002 verbonden school of afdeling voor bekostiging van dat onderwijs in aanmerking kwam op grond van artikel II, eerste of tweede lid, artikel IV, eerste lid, of artikel IVa, eerste of tweede lid, van de Wet van 25 mei 1998 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van leerwegen in de hogere leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs) (Stb. 1998, 337).
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap dat is aangesloten bij een samenwerkingsverband leerwegondersteunend onderwijs voor bekostiging in aanmerking brengen indien dat doelmatig is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van leerwegondersteunend onderwijs en de meerderheid van de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen en scholengemeenschappen in het desbetreffende samenwerkingsverband instemt met de aanvraag.
|
||||
De aanspraak op bekostiging op grond van artikel 64 van een nieuwe school of scholengemeenschap vervalt, indien:
|
||||
|
||||
a. vanaf het moment waarop de bekostiging overeenkomstig artikel 68, tweede lid, aanvangt, geen onderwijs aan de nieuwe school of scholengemeenschap wordt gegeven, of
|
||||
b. het vestigingsadres niet binnen hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer van het bij de aanvraag om bekostiging opgegeven beoogde vestigingsadres komt te liggen.
|
||||
|
||||
**2.** De aanspraak op bekostiging vervalt, indien binnen 1 jaar na het besluit van Onze Minister om een school op grond van artikel 65, tweede lid, voor bekostiging in aanmerking te brengen, geen onderwijs aan de nieuwe school wordt gegeven.
|
||||
|
||||
**3.** Op aanvraag van het bevoegd gezag kan Onze Minister besluiten in bijzondere gevallen de aanspraak op bekostiging voor een bepaalde tijd te handhaven.
|
||||
|
||||
### Artikel 70
|
||||
|
||||
Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 10e voor bekostiging in aanmerking brengen indien:
|
||||
|
||||
1. dat doelmatig is gelet op het geheel en de spreiding van het aanbod van leerwegondersteunend onderwijs, en
|
||||
2. de meerderheid van de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen en scholengemeenschappen in het betrokken samenwerkingsverband instemt met de aanvraag.
|
||||
|
||||
### Artikel 71
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde openbare school in een gelijksoortige bijzondere school.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school of door omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige bijzondere school van een andere richting.
|
||||
|
||||
**3.** Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.
|
||||
**3.** Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met onderwijs van een andere richting.
|
||||
|
||||
### Artikel 71
|
||||
**4.** Een omzetting of uitbreiding kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**1.** De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag een vestiging van een school of scholengemeenschap verplaatst over een hemelsbreed gemeten afstand van minder dan drie kilometer van de vorige vestigingsplaats.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen:
|
||||
|
||||
a. een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen, indien voor elke bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap geldt dat ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van die school of scholengemeenschap en van de leerlingen van een vestiging van een andere bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden, of
|
||||
b. een scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan een regionaal opleidingencentrum deel uitmaakt, met een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, indien ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van laatstgenoemde scholengemeenschap en van de leerlingen van een vestiging van een bij de samenvoeging betrokken school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs, afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs waarvan een agrarisch opleidingscentrum deel uitmaakt, die wordt samengevoegd met een school voor middelbaar algemeen voorgezet onderwijs, een school voor voorbereidend beroepsonderwijs waarin slechts onderwijs wordt verzorgd als bedoeld in artikel 10b, derde lid, onderdeel i, of een school voor praktijkonderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Na een samenvoeging wordt op een vestiging onderwijs verzorgd in dezelfde schoolsoorten als bedoeld in artikel 5, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 10b en 10d, en in dezelfde leerjaren als op de desbetreffende vestiging voor de samenvoeging, behoudens wijzigingen in het onderwijsaanbod op grond van artikel 68 of artikel 72.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, indien het bevoegd gezag heeft aangetoond dat burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de benodigde huisvesting ter beschikking zullen stellen. De voorwaarde in de eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van scholengemeenschappen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en scholen waarvoor jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald op grond van artikel 76v.
|
||||
|
||||
**6.** Artikel 65, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing bij toepassing van het tweede, derde en vijfde lid.
|
||||
**5.** Dit artikel is ook van toepassing op een scholengemeenschap.
|
||||
|
||||
### Artikel 72
|
||||
|
||||
**1.** Met inachtneming van de artikelen 53e tot en met 53i kan Onze Minister een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen voor bekostiging in aanmerking brengen, indien voor alle bij de samenvoeging betrokken scholen of scholengemeenschappen geldt dat ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van die school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden als de leerlingen van een vestiging van een andere bij de samenvoeging betrokken school of scholengemeenschap.
|
||||
|
||||
**2.** Na een samenvoeging kan op een vestiging in elk geval onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 10b en 10d en in dezelfde leerjaren als op de desbetreffende vestiging voor de samenvoeging werd verzorgd.
|
||||
|
||||
**3.** Een samenvoeging kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 72a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap kan samenwerken met ten minste één ander bevoegd gezag met als doel het onderwijsaanbod af te stemmen op de vraag van de leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in hun regio. Een regio omvat een aaneengesloten gebied bestaande uit het grondgebied van een of meer gemeenten, met dien verstande dat:
|
||||
Met inachtneming van de artikelen 53e tot en met 53i van deze wet en van de artikelen 2.1.8 tot en met 2.1.12 van de Wet educatie en beroepsonderwijs kan Onze Minister voor bekostiging in aanmerking brengen een school voor:
|
||||
|
||||
a. op de deelnemende vestigingen van scholen of scholengemeenschappen van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen per gemeente ten minste zestig procent staat ingeschreven van alle leerlingen die op het grondgebied van die gemeente voortgezet onderwijs volgen, en
|
||||
b. ten minste vijfenzestig procent van de bevoegde gezagsorganen die binnen een gemeente een of meer vestigingen van scholen of scholengemeenschappen hebben, bij de samenwerking betrokken is.
|
||||
a. mavo, vbo of praktijkonderwijs die wordt samengevoegd met een verticale scholengemeenschap waar een regionaal opleidingencentrum onderdeel van uitmaakt, indien ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van de bij de samenvoeging betrokken school voor mavo, vbo of praktijkonderwijs afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden als de leerlingen van een vestiging van de verticale scholengemeenschap, of
|
||||
b. mavo of praktijkonderwijs die wordt samengevoegd met een verticale scholengemeenschap waar een agrarisch opleidingscentrum onderdeel van uitmaakt, indien ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van een vestiging van de bij de samenvoeging betrokken school voor mavo of praktijkonderwijs afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden als de leerlingen van een vestiging van de verticale scholengemeenschap.
|
||||
|
||||
**2.** Na een samenvoeging kan op een vestiging in elk geval onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 10b en 10d en in dezelfde leerjaren als op de desbetreffende vestiging voor de samenvoeging werd verzorgd.
|
||||
|
||||
**3.** Een samenvoeging kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Vestigingen
|
||||
|
||||
### Artikel 73
|
||||
|
||||
Aan een school of scholengemeenschap kan naast een hoofdvestiging zijn verbonden een:
|
||||
|
||||
a. nevenvestiging, of
|
||||
b. tijdelijke nevenvestiging.
|
||||
|
||||
### Artikel 73a
|
||||
|
||||
**1.** De eerste vestiging van een school of scholengemeenschap die op grond van artikel 64 voor bekostiging in aanmerking is gebracht, wordt aangeduid als hoofdvestiging.
|
||||
|
||||
**2.** Naast het onderwijsaanbod dat mag worden verzorgd door het voor bekostiging in aanmerking brengen van een scholengemeenschap, kan op een hoofdvestiging van een scholengemeenschap in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in artikel 73b, tweede en derde lid, genoemde leerjaren van de schoolsoorten die de scholengemeenschap omvat.
|
||||
|
||||
### Artikel 73b
|
||||
|
||||
**1.** Een nevenvestiging komt tot stand door een samenvoeging als bedoeld in artikel 72 of door vorming van een nieuwe nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 74b, eerste lid, onderdeel b of c.
|
||||
|
||||
**2.** Op een nevenvestiging van een school voor vwo of havo kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de eerste 3 leerjaren van de desbetreffende schoolsoort.
|
||||
|
||||
**3.** Op een nevenvestiging van een school voor mavo of vbo kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de eerste 2 leerjaren van de desbetreffende schoolsoort.
|
||||
|
||||
**4.** Op een nevenvestiging van een scholengemeenschap kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in het tweede of derde lid genoemde leerjaren van de schoolsoorten die de scholengemeenschap omvat.
|
||||
|
||||
### Artikel 73c
|
||||
|
||||
Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor vwo of havo, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor mavo of vbo indien:
|
||||
|
||||
a. op de desbetreffende vestiging onderwijs in de eerste 3 respectievelijk 2 leerjaren van de desbetreffende schoolsoort wordt verzorgd, en
|
||||
b. de desbetreffende vestiging ligt binnen een hemelsbreed gemeten afstand van 3 kilometer van een andere vestiging van de school waar onderwijs vanaf het vierde respectievelijk derde leerjaar van de desbetreffende schoolsoort wordt verzorgd.
|
||||
|
||||
### Artikel 73d
|
||||
|
||||
**1.** Een tijdelijke nevenvestiging voorziet in de tijdelijke huisvestingsbehoefte van een hoofdvestiging of nevenvestiging en is gelegen op hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van de hoofdvestiging of nevenvestiging.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister brengt een tijdelijke nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag heeft aangetoond dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente de benodigde huisvesting ter beschikking zal stellen. De verplichting in de eerste volzin is niet van toepassing op verticale scholengemeenschappen en op scholen waarvoor jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald op grond van artikel 76v.
|
||||
|
||||
**3.** Op een tijdelijke nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 10b en 10d, en in dezelfde leerjaren als op de hoofdvestiging of nevenvestiging.
|
||||
|
||||
### Artikel 73e
|
||||
|
||||
De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag over hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van het huidige vestigingsadres:
|
||||
|
||||
a. een vestiging verplaatst, of
|
||||
b. een deel van het onderwijsaanbod op een vestiging verplaatst naar een andere vestiging van dezelfde school of scholengemeenschap.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Regionale samenwerking voorzieningenplanning
|
||||
|
||||
### Artikel 74
|
||||
|
||||
**1.** Een bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap kan samenwerken met ten minste 1 ander bevoegd gezag met als doel het onderwijsaanbod af te stemmen op de vraag van de leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in hun regio.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor hun regio een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vast. Een dergelijk plan:
|
||||
Een regio omvat een aaneengesloten gebied bestaande uit het grondgebied van een of meer gemeenten, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan overleg plaats heeft gevonden met de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen of scholengemeenschappen in de regio en vertegenwoordigers van de desbetreffende provincie of provincies alsmede voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de regio en met de bevoegde gezagsorganen van de regionale opleidingencentra en de agrarische opleidingscentra in de regio,
|
||||
aa. wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente of gemeenten, overeenkomstig een procedure die daartoe is vastgesteld door de samenwerkende bevoegde gezagsorganen en burgemeester en wethouders van die gemeente of gemeenten, welke procedure een voorziening voor het beslechten van geschillen bevat,
|
||||
b. geldt voor een periode van vijf jaar, die aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar, en
|
||||
c. bevat een gezamenlijk gedragen visie op het onderwijs in de regio, waarin in elk geval tot uitdrukking worden gebracht:
|
||||
a. op de deelnemende vestigingen van scholen of scholengemeenschappen per gemeente ten minste 60 procent staat ingeschreven van alle leerlingen die op het grondgebied van die gemeente voortgezet onderwijs volgen, en
|
||||
b. ten minste 65 procent van de bevoegde gezagsorganen met een of meer vestigingen van scholen of scholengemeenschappen binnen die gemeente, bij de samenwerking betrokken is.
|
||||
|
||||
1°. de omvang en begrenzing van de regio,
|
||||
2°. gegevens over het aanbod en gebruik van onderwijsvoorzieningen,
|
||||
3°. een overzicht van de onderwijsvoorzieningen, bedoeld in het derde lid, die de bevoegde gezagsorganen binnen de periode, bedoeld in onderdeel b, voor bekostiging in aanmerking willen laten brengen en een prognose van het aantal leerlingen per vestiging,
|
||||
4°. de relatie van het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod met het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt, en
|
||||
5°. de visie van de deelnemers aan het overleg, bedoeld in onderdelen a en aa, op het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en de onderwijshuisvesting.
|
||||
### Artikel 74a
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
**1.** De samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor hun regio een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vast, dat een gezamenlijk gedragen visie bevat op het onderwijs in de regio.
|
||||
|
||||
Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met g, indien de voorziening is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in het tweede lid en indien nodig tevens wordt voldaan aan de in genoemde onderdelen opgenomen voorwaarden. Een bevoegd gezag kan bij Onze Minister een aanvraag indienen voor bekostiging van:
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
a. een vestiging van een school of scholengemeenschap die door het bevoegd gezag wordt verplaatst over een hemelsbreed gemeten afstand van drie kilometer of meer van de huidige vestigingsplaats,
|
||||
b. een nieuwe nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 van een school of scholengemeenschap, indien ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen voor de nieuwe nevenvestiging en van de leerlingen van één van de al bestaande vestigingen van de school of scholengemeenschap afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden,
|
||||
c. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een scholengemeenschap,
|
||||
d. onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 aan een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7, of aan een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 8, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een nevenvestiging als bedoeld in artikel 16 aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 10, of aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 10a,
|
||||
e. onderwijs in de gemengde leerweg aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs of aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden,
|
||||
f. een profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid, met uitzondering van de profielen bedoeld in artikel 10b, derde lid, onderdelen d en e, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, of
|
||||
g. het profiel dienstverlening en producten, bedoeld in artikel 10b, derde lid, onderdeel j, aan een agrarisch opleidingscentrum, voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs, indien voldaan wordt aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden.
|
||||
In het plan worden in elk geval tot uitdrukking gebracht:
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid kan Onze Minister voor bekostiging in aanmerking brengen een onderwijsvoorziening als bedoeld in het derde lid, onderdelen c tot en met g, die niet is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in het tweede lid, indien de overige bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan de samenwerking instemmen met de aanvraag en indien nodig tevens wordt voldaan aan de in genoemde onderdelen opgenomen voorwaarden.
|
||||
a. de omvang en begrenzing van de regio,
|
||||
b. gegevens over het aanbod en gebruik van onderwijsvoorzieningen,
|
||||
c. een overzicht van de onderwijsvoorzieningen die de bevoegde gezagsorganen binnen de looptijd van het plan voor bekostiging in aanmerking willen laten brengen en een prognose van het aantal leerlingen per vestiging,
|
||||
d. de relatie van het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod met het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt, en
|
||||
e. de opvattingen van de deelnemers aan het overleg, bedoeld in het vierde en vijfde lid, over het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en de onderwijshuisvesting.
|
||||
|
||||
**5.** Op de voorbereiding van de besluiten, bedoeld in het derde en vierde lid, is afdeling 3.4, met uitzondering van artikel 3:18, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
|
||||
**3.** Een regionaal plan onderwijsvoorzieningen geldt voor een periode van 5 jaar, die aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**6.** Een aanvraag als bedoeld in het derde of vierde lid wordt afgewezen indien de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan tien procent leerlingverlies bij een vestiging van een school of scholengemeenschap van een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de samenwerking, tenzij dat bevoegd gezag heeft verklaard, daarmee in te stemmen.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
**7.** Artikelen 65, vijfde lid, en 66, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in het derde en vierde lid.
|
||||
Voordat een regionaal plan onderwijsvoorzieningen wordt vastgesteld, overleggen de samenwerkende bevoegde gezagsorganen over een concept van het plan met:
|
||||
|
||||
**8.** Bij besluiten over een onderwijsvoorziening als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, is artikel 66, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Bij besluiten over overige in het derde lid bedoelde onderwijsvoorzieningen vangt de bekostiging aan op 1 augustus van enig kalenderjaar.
|
||||
a. de bevoegde gezagsorganen van de overige scholen of scholengemeenschappen in de regio,
|
||||
b. vertegenwoordigers van de desbetreffende provincie of provincies, en
|
||||
c. voor zover het gaat om het vbo, met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de regio en met de bevoegde gezagsorganen van de regionale opleidingencentra en de agrarische opleidingscentra in de regio.
|
||||
|
||||
### Artikel 73
|
||||
**5.** Voordat de samenwerkende bevoegde gezagsorganen een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vaststellen, wordt over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg gevoerd met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten. Daartoe wordt een procedure vastgesteld door de samenwerkende bevoegde gezagsorganen en het college van burgemeester en wethouders van die gemeente of gemeenten, welke procedure een voorziening voor het beslechten van geschillen bevat.
|
||||
|
||||
### Artikel 74b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 74c brengt Onze Minister voor bekostiging in aanmerking een onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met h, indien de voorziening is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen en indien nodig ook wordt voldaan aan de in die onderdelen genoemde voorwaarden. Een bevoegd gezag kan voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag indienen voor bekostiging van:
|
||||
|
||||
a. een vestiging die wordt verplaatst of een deel van het onderwijsaanbod van een vestiging dat wordt verplaatst naar een andere vestiging van dezelfde school, beide over hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer of meer van het huidige vestigingsadres,
|
||||
b. een nieuwe nevenvestiging, onder de verplichting dat ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van 1 van de al bestaande vestigingen woont binnen hemelsbreed gemeten een afstand van 10 kilometer van de nieuwe nevenvestiging,
|
||||
c. een nieuwe nevenvestiging buiten de regio van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
1°. ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de leerlingen van 1 van de al bestaande vestigingen woont binnen een hemelsbreed gemeten afstand van 10 kilometer van de nieuwe nevenvestiging,
|
||||
2°. geen van de bevoegde gezagsorganen in de desbetreffende regio of, bij afwezigheid van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen aldaar, in de gemeente bedenkingen kenbaar maakt tegen bekostiging van de nieuwe nevenvestiging, en
|
||||
3°. het desbetreffende bevoegd gezag over de aanvraag op overeenstemming gericht overleg voert met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de nieuwe nevenvestiging wordt gevestigd,
|
||||
d. een of meer scholen die door het bevoegd gezag worden afgesplitst van een scholengemeenschap,
|
||||
e. onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor vwo of havo, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een hoofd- of nevenvestiging aan een school voor mavo of vbo indien niet binnen hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer een andere vestiging van de school is gelegen waaraan dit onderwijs wordt verzorgd,
|
||||
f. onderwijs in de gemengde leerweg op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor mavo of vbo of aan een agrarisch opleidingscentrum voor zover het gaat om het vbo, indien wordt voldaan aan voorwaarden die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld,
|
||||
g. op een hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor vbo: een profiel als bedoeld in artikel 10b, derde lid, onderdelen a tot en met c en f tot en met j, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, of
|
||||
h. het profiel dienstverlening en producten, bedoeld in artikel 10b, derde lid, onderdeel j, aan een agrarisch opleidingscentrum, voor zover het betreft het voorbereidend beroepsonderwijs, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan een onderwijsvoorziening als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d tot en met h, die niet is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen, voor bekostiging in aanmerking brengen indien de overige bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan de regionale samenwerking instemmen met de aanvraag en wordt voldaan aan de in die onderdelen opgenomen voorwaarden.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister besluit voor 1 mei volgend op de aanvraag of de onderwijsvoorziening voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.
|
||||
|
||||
**4.** Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een besluit tot bekostiging van een onderwijsvoorziening op grond van dit artikel gepubliceerd in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
### Artikel 74c
|
||||
|
||||
Onze Minister wijst een aanvraag als bedoeld in artikel 74b af indien een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de samenwerking aantoont dat de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan 10 procent leerlingverlies bij een vestiging van een school of scholengemeenschap van dat bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
### Artikel 74d
|
||||
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag daarvoor op grond van artikel 76e een aanvraag indient, stelt het college van burgemeester en wethouders uiterlijk op 1 augustus van het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister om een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 74b, eerste lid, onderdelen a tot en met c, voor bekostiging in aanmerking te brengen, huisvesting ter beschikking. Het college van burgemeester en wethouders maakt het besluit daartoe uiterlijk 1 jaar voor het beschikbaar stellen van de huisvesting bekend.
|
||||
|
||||
**2.** Na een besluit van Onze Minister om een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 74b voor bekostiging in aanmerking te brengen vangt de bekostiging van de betrokken onderwijsvoorziening aan op 1 augustus van enig kalenderjaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 74e
|
||||
|
||||
Op de voorbereiding van de besluiten bedoeld in artikel 74b, eerste en tweede lid, is afdeling 3.4, met uitzondering van artikel 3:18, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Overige bepalingen voorzieningenplanning
|
||||
|
||||
### Artikel 75
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan in bijzondere gevallen cursussen voortgezet onderwijs, niet zijnde voorbereidend beroepsonderwijs, geheel of gedeeltelijk en voor een door hem te bepalen periode voor bekostiging in aanmerking brengen, indien naar zijn oordeel daaraan behoefte bestaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2842,17 +2967,13 @@ g. het profiel dienstverlening en producten, bedoeld in artikel 10b, derde lid,
|
|||
|
||||
**4.** Indien een cursus voortgezet onderwijs als bedoeld in het eerste lid voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, is artikel 6e van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 74
|
||||
### Artikel 75a
|
||||
|
||||
Onze Minister kan onder door hem nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding als bedoeld in de artikelen 179 van de Wet op het primair onderwijs en 165 van de Wet op de expertisecentra ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 75
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding als bedoeld in de artikelen 179 van de Wet op het primair onderwijs en 165 van de Wet op de expertisecentra ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Onze Minister stelt deze middelen ter beschikking onder nader te stellen voorwaarden. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 76
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften vastgesteld voor de uitvoering van deze afdeling.
|
||||
Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld voor de uitvoering van deze afdeling.
|
||||
|
||||
### Afdeling IA. Voorziening in de huisvesting en inventaris
|
||||
|
||||
|
|
@ -3086,14 +3207,9 @@ In afwijking van dit hoofdstuk kan de gemeenteraad besluiten dat jaarlijks een b
|
|||
|
||||
### Artikel 76v.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** In afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk en onverminderd het tweede lid zijn de bepalingen inzake de huisvesting bij of krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing op scholen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van een verticale scholengemeenschap.
|
||||
|
||||
In afwijking van het bepaalde in dit hoofdstuk en onverminderd het tweede lid zijn de bepalingen inzake de huisvesting bij of krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing op scholen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van een scholengemeenschap die omvat:
|
||||
|
||||
a. een regionaal opleidingencentrum en een school voor voortgezet onderwijs, dan wel
|
||||
b. een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor praktijkonderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 76u is van overeenkomstige toepassing op de gebouwen en terreinen waarvan het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school eigenaar is op het moment dat op of na 1 januari 1997 een scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid tot stand komt dan wel wordt uitgebreid met een school voor voortgezet onderwijs.
|
||||
**2.** Artikel 76u is van overeenkomstige toepassing op de gebouwen en terreinen waarvan het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school eigenaar is op het moment dat op of na 1 januari 1997 een verticale scholengemeenschap tot stand komt dan wel wordt uitgebreid met een school voor voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3133,7 +3249,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**2.** Aan niet door de gemeente in stand gehouden scholen als bedoeld in afdeling I van titel II wordt uit de openbare kas geen bekostiging verstrekt dan krachtens de bepalingen van deze wet.
|
||||
|
||||
**3.** Met betrekking tot een scholengemeenschap of een school en de daaraan verbonden cursussen in de zin van artikel 75b, eerste lid, kunnen zo nodig in afwijking van het bepaalde in deze afdeling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven voor de toepassing van deze afdeling.
|
||||
**3.** Met betrekking tot een scholengemeenschap dan wel een verticale scholengemeenschap of een school en de daaraan verbonden cursussen in de zin van artikel 75b, eerste lid, kunnen zo nodig in afwijking van het bepaalde in deze afdeling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven voor de toepassing van deze afdeling.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de toepassing van deze afdeling zijn de voorschriften die betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een stichting als bedoeld in artikel 42b of een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a, tenzij het tegendeel blijkt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3196,7 +3312,7 @@ De formatie is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school
|
|||
|
||||
**3.** De grondslagen worden wat het in het eerste lid onder b genoemde personeel betreft bovendien gevormd door een vast aantal formatieplaatsen.
|
||||
|
||||
**4.** Voor het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde personeel wordt voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs dat op grond van artikel 69 dan wel artikel 17a1, tweede lid, in aanmerking komt voor bekostiging, een afzonderlijke grondslag vastgesteld op basis van het aantal leerlingen in dat onderwijs voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat zij op dat onderwijs zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
|
||||
**4.** Voor het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde personeel wordt voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs dat op grond van artikel 70 dan wel artikel 17a1, tweede lid, in aanmerking komt voor bekostiging, een afzonderlijke grondslag vastgesteld op basis van het aantal leerlingen in dat onderwijs voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat zij op dat onderwijs zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 84a
|
||||
|
||||
|
|
@ -3240,7 +3356,10 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen opgenomen in residentiële instellingen aan wie op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt onderwijs werd gegeven op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71c, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, met dien verstande dat het normbedrag, bedoeld in artikel 117, zevende lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van:
|
||||
|
||||
a. het samenwerkingsverband waartoe de school of school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, waar de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling was ingeschreven, behoort, of
|
||||
a. het samenwerkingsverband:
|
||||
|
||||
1°. dat verantwoordelijk is voor de bekostiging tijdens de inschrijving op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of
|
||||
2°. waartoe de vestiging van de school behoort waar de leerling was ingeschreven en bekostigd voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling, of
|
||||
b. het samenwerkingsverband in het gebied waarvan de leerling woonachtig is, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling niet was ingeschreven op een school of school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
|
||||
|
||||
**5.** De bedragen per leerling, bedoeld in het tweede lid, zijn de uitkomst van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag. Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het tweede lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslast van de scholen voor speciaal onderwijs, de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en de scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.
|
||||
|
|
@ -3267,9 +3386,9 @@ b. het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen inges
|
|||
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde bekostiging voor regionale ondersteuning bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling die is ingeschreven op een school of vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de vaststelling en uitkering van de in de eerste volzin bedoelde bekostiging voor regionale ondersteuning.
|
||||
|
||||
**5.** De bedragen per leerling bedoeld in het tweede en het derde lid, zijn de uitkomst van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag.
|
||||
**5.** De bedragen per leerling bedoeld in het tweede en het derde lid, zijn de uitkomst van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid formatie per leerling, vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
|
||||
|
||||
**6.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 69 dan wel artikel 17a1, tweede lid, wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.
|
||||
**6.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 70 dan wel artikel 17a1, tweede lid, wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
**7.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een vestiging voor praktijkonderwijs in het gebied van het samenwerkingsverband, wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3283,7 +3402,12 @@ Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 85b1, zesde en zevende lid
|
|||
|
||||
### Artikel 85d
|
||||
|
||||
**1.** Indien op 1 februari het aantal leerlingen dat door het samenwerkingsverband toelaatbaar is verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs en is ingeschreven op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, meer bedraagt dan op 1 oktober daaraan voorafgaand, draagt het samenwerkingsverband voor het verschil per leerling een bedrag over aan de school waar de leerling is ingeschreven. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en komt overeen met één van de normbedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien op 1 februari het aantal leerlingen dat door het samenwerkingsverband toelaatbaar is verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs en is ingeschreven op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, meer bedraagt dan op 1 oktober daaraan voorafgaand, draagt het samenwerkingsverband voor het verschil per leerling een bedrag over aan de school waar de leerling is ingeschreven. Het in de eerste volzin bedoelde bedrag is de som van:
|
||||
|
||||
a. een bedrag dat afhankelijk is van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en dat overeenkomt met één van de normbedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld, en
|
||||
b. een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een bedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** De overdracht op grond van het eerste lid heeft betrekking op het schooljaar dat volgt op de in het eerste lid bedoelde peildatum.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3314,7 +3438,7 @@ De bekostiging omvat:
|
|||
a. een vast bedrag per school,
|
||||
b. een bedrag dat afhankelijk is van de normatieve ruimtebehoefte per leerling,
|
||||
c. een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen van de school, en
|
||||
d. voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs dat op grond van artikel 69 dan wel artikel 17a1, tweede lid, in aanmerking is gebracht voor bekostiging, een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen in dat onderwijs voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat zij op dat onderwijs zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
|
||||
d. voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs dat op grond van artikel 70 dan wel artikel 17a1, tweede lid, in aanmerking is gebracht voor bekostiging, een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen in dat onderwijs voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat zij op dat onderwijs zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3357,7 +3481,10 @@ Dit artikel is nog niet in werking getreden.
|
|||
|
||||
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen opgenomen in residentiële instellingen aan wie op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt onderwijs werd gegeven op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71c, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, met dien verstande dat het normbedrag, bedoeld in artikel 117, zevende lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van:
|
||||
|
||||
a. het samenwerkingsverband waartoe de school of school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, waar de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling was ingeschreven, behoort, of
|
||||
a. het samenwerkingsverband:
|
||||
|
||||
1°. dat verantwoordelijk is voor de bekostiging tijdens de inschrijving op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of
|
||||
2°. waartoe de vestiging van de school behoort waar de leerling was ingeschreven en bekostigd onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling, of
|
||||
b. het samenwerkingsverband in het gebied waarvan de leerling woonachtig is, indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de opname in de residentiële instelling niet was ingeschreven op een school of school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 89 is van overeenkomstige toepassing op het samenwerkingsverband.
|
||||
|
|
@ -3382,9 +3509,9 @@ b. het percentage, bedoeld onder a, toe te passen op het aantal leerlingen op ve
|
|||
|
||||
**4.** De in het eerste lid bedoelde bekostiging voor regionale ondersteuning bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling van de scholen en vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de vaststelling en uitkering van bekostiging voor regionale ondersteuning.
|
||||
|
||||
**5.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 69 dan wel artikel 17a1, tweede lid, wordt een bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.
|
||||
**5.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 70 dan wel artikel 17a1, tweede lid, wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
**6.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een vestiging voor praktijkonderwijs in het gebied van het samenwerkingsverband wordt een bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.
|
||||
**6.** Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een vestiging voor praktijkonderwijs in het gebied van het samenwerkingsverband wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
### Artikel 89b
|
||||
|
||||
|
|
@ -3756,7 +3883,7 @@ Vervallen
|
|||
Het bevoegd gezag kan de bedragen, bedoeld in het derde lid, mede aanwenden voor de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie van:
|
||||
|
||||
a. een andere school voor voortgezet onderwijs of een samenwerkingsverband;
|
||||
b. een scholengemeenschap waarvan een of meer scholen voor voortgezet onderwijs deel uitmaken;
|
||||
b. een verticale scholengemeenschap;
|
||||
c. een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
|
||||
|
||||
**7.** De op grond van artikel 77a, artikel 96g of artikel 96h verstrekte bekostiging wordt besteed aan het doel waarvoor zij zijn verleend.
|
||||
|
|
@ -3889,7 +4016,7 @@ e. het leerjaar;
|
|||
f. het behaalde diploma;
|
||||
g. de vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het schoolexamen en het centraal examen, de eindcijfers, de uitslag van het eindexamen of deeleindexamen en de datum waarop deze uitslag is bepaald;
|
||||
h. indien van toepassing de aanduiding van de minderheidsgroep en de verblijfsduur in Nederland, voorzover de desbetreffende minderheidsgroep of verblijfsduur als categorie is opgenomen in een ministeriële regeling waarin voorschriften zijn vastgesteld omtrent toekenning van een aanvullende vergoeding voor personeelskosten als bedoeld in artikel 85a, eerste lid;
|
||||
i. het registratienummer van de school dan wel scholengemeenschap of, indien sprake is van een nevenvestiging dan wel tijdelijke nevenvestiging, het registratienummer daarvan;
|
||||
i. het registratienummer van de school of scholengemeenschap dan wel verticale scholengemeenschap of, indien sprake is van een nevenvestiging dan wel tijdelijke nevenvestiging, het registratienummer daarvan;
|
||||
j. tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en indien van toepassing de begin- en de einddatum van de periode waarvoor er voor de leerling, niet zijnde een leerling van een school voor praktijkonderwijs, een ontwikkelingsperspectief als bedoeld in artikel 26, is vastgesteld; en
|
||||
k. tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en indien van toepassing de begin- en de einddatum van de periode waarvoor een leerling geplaatst is op een orthopedagogisch-didactisch centrum als bedoeld in artikel 17a, lid 10a, en het registratienummer van het orthopedagogisch-didactisch centrum.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4048,21 +4175,28 @@ a. voor een school voor praktijkonderwijs: 70 leerlingen,
|
|||
b. voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met één of twee profielen als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 195 leerlingen,
|
||||
c. voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met drie of vier profielen als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 240 leerlingen,
|
||||
d. voor een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met vijf of meer profielen als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 360 leerlingen, en
|
||||
e. voor de overige scholen: drie kwart van het aantal leerlingen dat voor de desbetreffende schoolsoort is genoemd in artikel 65, eerste lid.
|
||||
e. voor de overige scholen: drie kwart van het aantal leerlingen dat voor de desbetreffende schoolsoort is genoemd in artikel 64, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een openbare scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere scholengemeenschap wordt beëindigd indien de scholengemeenschap gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan de helft van het aantal leerlingen dat op grond van artikel 65, eerste lid, vereist is voor stichting van de scholen die deel uitmaken van de scholengemeenschap, met dien verstande dat het voor scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs binnen een scholengemeenschap gaat om:
|
||||
Een openbare scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere scholengemeenschap wordt beëindigd indien de scholengemeenschap gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan de helft van het aantal leerlingen dat op grond van artikel 64, eerste lid, vereist is voor stichting van de scholen die deel uitmaken van de scholengemeenschap, met dien verstande dat het voor scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs binnen een scholengemeenschap gaat om:
|
||||
|
||||
a. voor een school met één of twee profielen als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 130 leerlingen,
|
||||
b. voor een school met drie of vier profielen als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 160 leerlingen,
|
||||
c. voor een school met vijf of zes profielen als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 240 leerlingen, en
|
||||
d. voor een school met zeven of meer profielen als bedoeld in artikel 10b, derde lid: 360 leerlingen.
|
||||
|
||||
**3.** De opheffing van een openbare school of scholengemeenschap of de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of scholengemeenschap geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste of tweede lid.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een openbare school binnen een scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school binnen een scholengemeenschap wordt beëindigd indien de school gedurende drie achtereenvolgende jaren:
|
||||
|
||||
a. door nul leerlingen is bezocht indien het gaat om een school voor praktijkonderwijs, of
|
||||
b. door nul leerlingen is bezocht voor zover het de hoogste twee leerjaren betreft indien het gaat om een school voor vwo, havo, mavo of vbo.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een profiel als bedoeld in artikel 10b of 10d aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs gedurende drie achtereenvolgende schooljaren telkens door nul leerlingen gevolgd is, wordt dat profiel aan een openbare school opgeheven, of gaat de aanspraak op bekostiging voor dat profiel aan een bijzondere school verloren met ingang van 1 augustus volgend op die drie achtereenvolgende schooljaren.
|
||||
|
||||
**5.** De opheffing van een openbare school of scholengemeenschap of de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of scholengemeenschap geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste of tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 108
|
||||
|
||||
**1.** Grondslag der berekening is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van elk van de jaren bij de school was ingeschreven.
|
||||
|
|
@ -4077,9 +4211,9 @@ d. voor een school met zeven of meer profielen als bedoeld in artikel 10b, derde
|
|||
|
||||
### Artikel 109
|
||||
|
||||
**1.** Bij het verstrijken van de looptijd van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 72 gaat de aanspraak op bekostiging verloren voor zover het betreft een profiel als bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel f of g, met dien verstande dat de bekostiging nog een jaar wordt gehandhaafd voor zover het betreft het onderwijs aan leerlingen in het derde leerjaar en nog twee jaar voor zover het betreft het onderwijs aan leerlingen in het vierde leerjaar.
|
||||
**1.** Bij het verstrijken van de looptijd van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 74a gaat de aanspraak op bekostiging verloren voor zover het betreft een profiel als bedoeld in artikel 74b, eerste lid, onderdeel g, al dan niet met gebruikmaking van artikel 74b, tweede lid, of g, met dien verstande dat de bekostiging nog een jaar wordt gehandhaafd voor zover het betreft het onderwijs aan leerlingen in het derde leerjaar en nog twee jaar voor zover het betreft het onderwijs aan leerlingen in het vierde leerjaar.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het desbetreffende profiel op grond van een aansluitend regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 72 of op grond van artikel 68 voor bekostiging in aanmerking is gebracht.
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het desbetreffende profiel op grond van een aansluitend regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 74a of op grond van artikel 65 voor bekostiging in aanmerking is gebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 109a
|
||||
|
||||
|
|
@ -4449,11 +4583,11 @@ b. met ingang van 1 augustus 2017 op het vierde leerjaar.
|
|||
|
||||
### Afdeling V. Overgangsrecht wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met modernisering van de bepalingen over voorzieningenplanning (Stb. 2018, 156)
|
||||
|
||||
### Afdeling VII. Overgangsrecht in verband met de
|
||||
### Artikel 118ee
|
||||
|
||||
### Artikel 118ii
|
||||
**1.** Toepassing van artikel 69, eerste en tweede lid, zoals luidend ingevolge de Wet van 25 mei 2018 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met modernisering van de bepalingen over voorzieningenplanning (Stb. 2018, 156) leidt niet eerder dan 1 jaar na inwerkingtreding van het betrokken artikellid tot het vervallen van de aanspraak op bekostiging.
|
||||
|
||||
Artikel 76v.1 is van overeenkomstige toepassing op de school of scholengemeenschap die samen met een vakinstelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs als scholengemeenschap in de zin van de artikelen 2.6 en 12.2.3 WEB is aangemerkt.
|
||||
**2.** Toepassing van artikel 107, derde lid, zoals luidend ingevolge de Wet van 25 mei 2018 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met modernisering van de bepalingen over voorzieningenplanning (Stb. 2018, 156) leidt niet eerder dan 2 jaar na inwerkingtreding van genoemd artikellid tot het opheffen van een openbare school of het beëindigen van de bekostiging van een bijzondere school.
|
||||
|
||||
## Titel V. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -4474,7 +4608,7 @@ Bij twijfel of deze wet op een of meer inrichtingen van onderwijs van toepassing
|
|||
|
||||
### Artikel 121
|
||||
|
||||
**1.** De voordracht voor een krachtens artikel 23a1, vierde lid, of 118t, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
**1.** De voordracht voor een krachtens artikel 23a1, vierde lid, 41b, eerste of tweede lid, of 118t, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
|
||||
**2.** Een krachtens artikel 6g1, derde lid, 10, tiende lid, 10b, tiende of elfde lid, 10d, tiende of elfde lid, 10f, vijfde lid, 11b, 11c, tweede lid, 15, 22, eerste lid, 24a, tweede lid, 29, vierde lid, 36, eerste, tweede of derde lid, 38, tweede lid, 84, eerste lid, 96n, eerste lid, 103b, zevende lid, 118l, derde lid, onderdeel b, of 118r, eerste lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue