diff --git a/amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md b/amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md index 3d8dfbf2715..e7c3f75d4a5 100644 --- a/amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md +++ b/amvb/uitvoeringsbesluit-web/BWBR0010646/README.md @@ -31,32 +31,23 @@ Een ministeriële regeling als bedoeld in de artikelen 2.2.3, derde lid, 5.2.3, ### Artikel 2.1.1 -**1.** - -De paragrafen 1, 2, 4 en 5 zijn van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, voor zover het betreft: - -a. regionale opleidingencentra en regionale opleidingencentra in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, -b. vakscholen als bedoeld in artikel 12.3.5, derde lid, van de wet, -c. instellingen van een bepaalde richting als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid, van de wet, en -d. instellingen met een extra breedtegebrek als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid, van de wet, - -waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. +**1.** De paragrafen 1, 2, 4 en 5 zijn van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 1° tot en met 3°. **2.** Paragraaf 1, paragraaf 2 met uitzondering van artikel 2.2.1, eerste lid, en artikel 2.2.5, alsmede paragraaf 4 zijn van overeenkomstige toepassing en paragraaf 5 is van toepassing ten aanzien van het beroepsonderwijs binnen agrarische opleidingscentra waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. **3.** Paragraaf 3 onderscheidenlijk de paragrafen 4 en 5 heeft betrekking onderscheidenlijk hebben mede betrekking op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan agrarische opleidingscentra. -**4.** Paragraaf 5 heeft mede betrekking op innovatie- en praktijkcentra als bedoeld in artikel 1.3.4 van de wet, op de in artikel 12.3.8 van de wet genoemde instituten, alsmede op de in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogescholen. +**4.** Paragraaf 5 heeft mede betrekking op innovatie- en praktijkcentra als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b1, van de wet, op de in artikel 12.3.8 van de wet genoemde instituten, alsmede op de in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogescholen. ### Artikel 2.1.2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. opleiding: een beroepsopleiding die is opgenomen in het Centraal register en die wordt bekostigd ingevolge een besluit van Onze Minister op grond van artikel 2.1.1, eerste lid, van de wet; -b. voltijds deelnemer: een deelnemer die blijkens een overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet een opleidingstraject volgt dat blijkens een onderwijs- en examenregeling als bedoeld in artikel 7.4.8 van de wet voldoet aan de eisen van Wet studiefinanciering 2000 of van de de hoofdstukken 3 en 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; +b. voltijds deelnemer: een deelnemer die blijkens een overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet een opleidingstraject volgt dat blijkens een onderwijs- en examenregeling als bedoeld in artikel 7.4.8 van de wet voldoet aan de eisen van de Wet studiefinanciering 2000 of van de hoofdstukken 3 en 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; c. deeltijds deelnemer: een deelnemer aan een opleiding, niet zijnde een voltijds deelnemer; d. diploma beroepsonderwijs: een door een examencommissie uitgereikt bewijsstuk dat met goed gevolg is afgelegd het examen van een onder a bedoelde opleiding, alsmede van een opleiding die niet langer is opgenomen in het in artikel 2.1.1 van de wet bedoelde overzicht, -e. agrarisch opleidingscentrum: een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de wet; +e. agrarisch opleidingscentrum: een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 4° van de wet; f. voorbereidend beroepsonderwijs: voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan een agrarisch opleidingscentrum; g. leerling: een leerling die voor het volgen van voorbereidend beroepsonderwijs is ingeschreven aan een agrarisch opleidingscentrum. @@ -210,9 +201,9 @@ c. in afwijking van artikel 2.2.5 het aantal deelnemers vastgesteld op 90% van h Ten aanzien van het voorbereidend beroepsonderwijs zijn de volgende bekostigingsbepalingen van de wet niet van toepassing: -a. de artikelen 2.1.1 en 2.1.2, +a. artikel 2.1.1, b. artikel 2.2.1, wat betreft de zinsnede «die ten aanzien van de in artikel 2.2.2, tweede lid, onder a en b, bedoelde gegevens betrekking heeft op het tweede aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaar», en -c. artikel 2.2.2, tweede lid, onder b, derde en vijfde lid. +c. artikel 2.2.2, tweede lid, onder b, derde en vierde lid. **2.** @@ -267,8 +258,8 @@ In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. instelling: -1°. een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, -2°. een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum als bedoeld in artikel 1.3.4 van de wet, +1°. een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de wet, +2°. een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b1, van de wet, 3°. een in artikel 12.3.8 van de wet genoemd instituut, en 4°. een in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogeschool; b. uitkering: een werkloosheidsuitkering of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een andere uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel, anders dan op grond van de Ziektewet. @@ -353,32 +344,30 @@ Onze Minister berekent de in artikel 2.3.1, eerste lid, van de wet bedoelde rijk ### Artikel 3.3.1 -**1.** De in artikel 2.3.1, derde lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet, van een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet waarmee een gemeente een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet heeft gesloten, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 12.3.5 van de wet, wordt jaarlijks door Onze Minister vastgesteld op het niveau van de bekostiging zoals voor die instelling is vastgesteld voor het kalenderjaar 1999. +Vervallen -**2.** De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen. - -## Hoofdstuk 4. Bekostiging landelijke organen +## Hoofdstuk 4. Bekostiging kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven ### Paragraaf 1. Algemene bepalingen ### Artikel 4.1.1 -**1.** De paragrafen 1 tot en met 3 zijn van toepassing op de landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet, met uitzondering van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving voor zover niet anders is bepaald. +**1.** De paragrafen 1 tot en met 3 zijn van toepassing op de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de wet, met uitzondering van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving voor zover niet anders is bepaald. -**2.** Paragraaf 4 is van toepassing op het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving. +**2.** Paragraaf 4 is van toepassing op het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving. -**3.** Paragraaf 5 is van toepassing op alle landelijke organen. +**3.** Paragraaf 5 is van toepassing op alle kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. ### Artikel 4.1.2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: -a. landelijk orgaan: een landelijk orgaan als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet; +a. kenniscentrum: een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de wet; b. leerbedrijf: een bedrijf of organisatie als bedoeld in artikel 7.2.9, eerste lid, van de wet; c. bpv-plaats: een in artikel 4.2.5, eerste lid, bedoelde beroepspraktijkvormingsplaats; d. normatieve bpv-plaats: een in artikel 4.2.5, tweede lid, bedoelde normatieve bpv-plaats; e. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de wet in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, dan wel in beide leerwegen; -f. exploitatiekosten: de kosten van een landelijk orgaan niet zijnde de huisvestingskosten. +f. exploitatiekosten: de kosten van een kenniscentrum niet zijnde de huisvestingskosten. ### Artikel 4.1.3 @@ -389,13 +378,13 @@ b. een bedrag voor huisvestingskosten, berekend volgens paragraaf 3. ### Artikel 4.1.4 -Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van de landelijke organen. +Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van de kenniscentra. ### Paragraaf 2. Exploitatiekosten ### Artikel 4.2.1 -Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor een landelijk orgaan voor: +Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor een kenniscentrum voor: a. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, eerste, tweede en vijfde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaf opleidingen, b. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, derde lid, van de wet, aan de hand van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en @@ -403,7 +392,7 @@ c. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet, aan de hand van d ### Artikel 4.2.2 -Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van de landelijke organen wordt verdeeld als volgt: +Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van de kenniscentra wordt verdeeld als volgt: a. 20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf opleidingen, b. 60% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en @@ -413,15 +402,15 @@ c. 20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaven le **1.** -Onze Minister berekent voor een landelijk orgaan de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten door bij elkaar op te tellen: +Onze Minister berekent voor een kenniscentrum de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten door bij elkaar op te tellen: a. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf opleidingen, b. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, en c. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, -zoals deze delen voor het desbetreffende kalenderjaar voor het landelijk orgaan worden berekend op grond van respectievelijk de artikelen 4.2.4 en 4.2.5, 4.2.6, 4.2.7 en 4.2.8. +zoals deze delen voor het desbetreffende kalenderjaar voor het kenniscentrum worden berekend op grond van respectievelijk de artikelen 4.2.4 en 4.2.5, 4.2.6, 4.2.7 en 4.2.8. -**2.** Het aandeel van de op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan in het desbetreffende landelijk beschikbare budget wordt uitgedrukt in een percentage van dat budget. +**2.** Het aandeel van de op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het kenniscentrum in het desbetreffende landelijk beschikbare budget wordt uitgedrukt in een percentage van dat budget. **3.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen. @@ -429,15 +418,15 @@ zoals deze delen voor het desbetreffende kalenderjaar voor het landelijk orgaan **1.** -Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het landelijk orgaan voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf opleidingen, door: +Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaf opleidingen, door: -a. voor elke opleiding waarvoor het landelijk orgaan de eindtermen heeft voorgesteld, en voor zover deze eindtermen op 1 augustus 2001 zijn vermeld in het Centraal register, het aantal studiebelastingsuren dat is vastgesteld als onderdeel van de eindtermen voor die opleiding te delen door 1600, dit aantal af te ronden op een half naar boven, en het totaal te vermenigvuldigen met +a. voor elke opleiding waarvoor het kenniscentrum de eindtermen heeft voorgesteld, en voor zover deze eindtermen op 1 augustus 2001 zijn vermeld in het Centraal register, het aantal studiebelastingsuren dat is vastgesteld als onderdeel van de eindtermen voor die opleiding te delen door 1600, dit aantal af te ronden op een half naar boven, en het totaal te vermenigvuldigen met b. het aantal in het Centraal register opgenomen deelkwalificaties van de onder a bedoelde opleidingen, met dien verstande dat een deelkwalificatie slechts eenmaal meetelt, en de uitkomst te delen door c. het totaal van de in het Centraal register opgenomen deelkwalificaties van de onder a bedoelde opleidingen, zonder de beperking in onderdeel b. **2.** -De berekening volgens het eerste lid leidt tot een aantal punten voor het landelijk orgaan, rekenkundig afgerond op een half. Op het aantal punten, bedoeld in de eerste volzin, wordt vervolgens een correctie voor schaalvoordelen toegepast door dat aantal te vermenigvuldigen met een factor, zoals aangegeven in de navolgende tabel: +De berekening volgens het eerste lid leidt tot een aantal punten voor het kenniscentrum, rekenkundig afgerond op een half. Op het aantal punten, bedoeld in de eerste volzin, wordt vervolgens een correctie voor schaalvoordelen toegepast door dat aantal te vermenigvuldigen met een factor, zoals aangegeven in de navolgende tabel: | aantal punten | factor | | --- | --- | @@ -450,7 +439,7 @@ De berekening volgens het eerste lid leidt tot een aantal punten voor het landel | 101 t/m 110 | 0,70 | | 111 en hoger | 0,65 | -**3.** Elk landelijk orgaan heeft aanspraak op het gedeelte van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in het eerste lid, naar rato van het aantal punten van elk landelijk orgaan nadat daarop de correctie, bedoeld in het tweede lid, is toegepast. +**3.** Elk kenniscentrum heeft aanspraak op het gedeelte van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in het eerste lid, naar rato van het aantal punten van elk kenniscentrum nadat daarop de correctie, bedoeld in het tweede lid, is toegepast. ### Artikel 4.2.5 @@ -458,14 +447,14 @@ De berekening volgens het eerste lid leidt tot een aantal punten voor het landel **2.** -Voor de toepassing van artikel 4.2.6 wordt uitgegaan van een aantal normatieve bpv-plaatsen per landelijk orgaan per leerweg. Dat aantal wordt berekend door: +Voor de toepassing van artikel 4.2.6 wordt uitgegaan van een aantal normatieve bpv-plaatsen per kenniscentrum per leerweg. Dat aantal wordt berekend door: -a. bij elkaar op te tellen de aantallen uren beroepspraktijkvorming van alle bpv-plaatsen in die leerweg in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, voor zover het betreft opleidingen waarvoor dat landelijk orgaan de eindtermen heeft voorgesteld, en +a. bij elkaar op te tellen de aantallen uren beroepspraktijkvorming van alle bpv-plaatsen in die leerweg in het studiejaar, bedoeld in het eerste lid, voor zover het betreft opleidingen waarvoor dat kenniscentrum de eindtermen heeft voorgesteld, en b. dat totale aantal te delen door 960 uren. ### Artikel 4.2.6 -**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het landelijk orgaan voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vierde lid. +**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met vierde lid. **2.** @@ -473,16 +462,16 @@ Met betrekking tot het voorlaatste studiejaar dat voorafgaat aan het kalenderjaa a. het landelijk aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg, b. het landelijk aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg, -c. voor elk landelijk orgaan, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg, en -d. voor elk landelijk orgaan, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg. +c. voor elk kenniscentrum, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsbegeleidende leerweg, en +d. voor elk kenniscentrum, het aantal normatieve bpv-plaatsen in de beroepsopleidende leerweg. **3.** De op grond van het tweede lid, aanhef en onder a en b, vastgestelde landelijke aantallen worden vermenigvuldigd met respectievelijk 0,00433 en 0,00414, de uitkomsten worden bij elkaar opgeteld en het procentuele aandeel van elk landelijk aantal in dat totale aantal wordt vastgesteld. -**4.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijk aantal, overeenkomstig het in het derde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de landelijke organen verdeeld naar rato van de voor elk landelijk orgaan op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen. +**4.** Van het in het eerste lid bedoelde gedeelte van het landelijk beschikbare budget wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijk aantal, overeenkomstig het in het derde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de kenniscentra verdeeld naar rato van de voor elk kenniscentrum op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen. ### Artikel 4.2.7 -**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het landelijk orgaan voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met het vijfde lid. +**1.** Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten voor het kenniscentrum voor zover het betreft het gedeelte van het landelijk beschikbare budget dat is toegerekend aan de maatstaven leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg en in de beroepsopleidende leerweg, op de wijze als bepaald in het tweede tot en met het vijfde lid. **2.** @@ -490,14 +479,14 @@ Ten aanzien van de drie studiejaren die voorafgaan aan het jaar waarin de rijksb a. het landelijk aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsbegeleidende leerweg in die studiejaren verzorgt; b. het landelijk aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg in die studiejaren verzorgt; -c. voor elk landelijk orgaan, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsbegeleidende leerweg in die studiejaren verzorgt; -d. voor elk landelijk orgaan, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg in die studiejaren verzorgt. +c. voor elk kenniscentrum, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsbegeleidende leerweg in die studiejaren verzorgt; +d. voor elk kenniscentrum, het aantal leerbedrijven dat de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg in die studiejaren verzorgt. **3.** Een leerbedrijf telt slechts eenmaal mee in de aantallen, bedoeld in het tweede lid, onder c en d. **4.** De op grond van het tweede lid, onder a en b, vastgestelde landelijke aantallen worden vermenigvuldigd met respectievelijk 0,00314 en 0,0018, de beide uitkomsten worden bij elkaar opgeteld en het procentuele aandeel van elk landelijk aantal in dat totale aantal wordt vastgesteld. -**5.** Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijke aantal, overeenkomstig het in het vierde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de landelijke organen verdeeld naar rato van de voor elk landelijk orgaan op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen. +**5.** Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten wordt het bedrag vastgesteld voor elk landelijke aantal, overeenkomstig het in het vierde lid bedoelde percentage. Dat bedrag wordt over de landelijke organen verdeeld naar rato van de voor elk kenniscentrum op grond van het tweede lid, aanhef en onder c en d, vastgestelde aantallen. ### Artikel 4.2.8 @@ -508,17 +497,17 @@ Bij de vaststellingen, bedoeld in artikel 4.2.7, tweede lid, betrekt Onze Minist a. die zijn aangeduid met de code leerbedrijf, bedoeld in bijlage 3 bij dit besluit, en b. waar op enig moment in het studiejaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de rijksbijdrage wordt vastgesteld, ten minste één deelnemer daadwerkelijk de opleiding in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid, van de wet, volgt op de grondslag van een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, stelt het landelijk orgaan de betrokken instellingen in kennis van de in het eerste lid onder a bedoelde codes van de leerbedrijven, en stelt het de instellingen tijdig in kennis van wijzigingen daarin. De in de eerste volzin bedoelde instellingen zijn instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1 of 1.4.1 van de wet, een in artikel 12.3.8 van de wet genoemd instituut of een in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogeschool. +**2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, stelt het kenniscentrum de betrokken instellingen in kennis van de in het eerste lid onder a bedoelde codes van de leerbedrijven, en stelt het de instellingen tijdig in kennis van wijzigingen daarin. De in de eerste volzin bedoelde instellingen zijn instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, of 1.4.1 van de wet, een in artikel 12.3.8 van de wet genoemd instituut of een in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogeschool. ### Paragraaf 3. Huisvesting ### Artikel 4.3.1 -**1.** Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor elk landelijk orgaan vast overeenkomstig het percentage dat op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, voor dat landelijk orgaan is vastgesteld, met dien verstande dat aanpassingen als bedoeld in het derde lid van dat artikel daarbij buiten beschouwing blijven. +**1.** Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor elk kenniscentrum vast overeenkomstig het percentage dat op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, voor dat kenniscentrum is vastgesteld, met dien verstande dat aanpassingen als bedoeld in het derde lid van dat artikel daarbij buiten beschouwing blijven. **2.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen. -### Paragraaf 4. Exploitatie en huisvesting landelijk orgaan op gebied van landbouw en natuurlijke omgeving +### Paragraaf 4. Exploitatie en huisvesting kenniscentrum op gebied van landbouw en natuurlijke omgeving ### Artikel 4.4.1 @@ -529,7 +518,7 @@ b. een bedrag voor huisvestingskosten, berekend volgens deze paragraaf. ### Artikel 4.4.2 -Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende begrotingsjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving. +Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende begrotingsjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks het landelijk beschikbare budget vast voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten van het kenniscentrum op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving. ### Artikel 4.4.3 @@ -541,7 +530,7 @@ c. de taken, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde lid, van de wet. ### Artikel 4.4.4 -Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan wordt: +Van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten van het kenniscentrum wordt: a. 20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder a, met dien verstande dat 10% van het desbetreffende deel van het landelijk beschikbare budget betrekking heeft op strategische expertise-ontwikkeling, b. 60% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder b, en @@ -549,13 +538,13 @@ c. 20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder c. ### Artikel 4.4.5 -**1.** Onze Minister berekent de totale rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het landelijk orgaan door de middelen bij elkaar op te tellen die voor het landelijk orgaan zijn berekend op grond van de artikelen 4.4.3 en 4.4.4. +**1.** Onze Minister berekent de totale rijksbijdrage voor de exploitatiekosten van het kenniscentrum door de middelen bij elkaar op te tellen die voor het kenniscentrum zijn berekend op grond van de artikelen 4.4.3 en 4.4.4. **2.** De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen. ### Artikel 4.4.6 -**1.** Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor het landelijk orgaan vast. +**1.** Onze Minister stelt het bedrag voor huisvestingskosten voor het kenniscentrum vast. **2.** De op grond van het eerste lid vastgestelde rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen. @@ -563,13 +552,13 @@ c. 20% toegerekend aan de taken, bedoeld in artikel 4.4.3, onder c. ### Artikel 4.5.1 -In deze paragraaf wordt onder uitkering verstaan, een werkloosheidsuitkering of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een andere uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel, anders dan op grond van de Ziektewet, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een landelijk orgaan. +In deze paragraaf wordt onder uitkering verstaan, een werkloosheidsuitkering of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid alsmede een andere uitkering wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel, anders dan op grond van de Ziektewet, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een kenniscentrum. ### Artikel 4.5.2 **1.** Het in artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet bedoelde bedrag dat Onze Minister in verband met uitkeringen in mindering brengt op de rijksbijdrage voor een kalenderjaar, wordt berekend volgens het tweede tot en met vijfde lid. -**2.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen berekent voor elk landelijk orgaan, daaronder mede begrepen het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, ten behoeve van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar het relatieve aandeel van de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten in het totaal van deze rijksbijdragen zoals berekend volgens paragraaf 2 en paragraaf 4 voor zover het betreft de exploitatiekosten. +**2.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen berekent voor elk kenniscentrum, daaronder mede begrepen het kenniscentrum op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, ten behoeve van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar het relatieve aandeel van de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten in het totaal van deze rijksbijdragen zoals berekend volgens paragraaf 2 en paragraaf 4 voor zover het betreft de exploitatiekosten. **3.** @@ -581,20 +570,20 @@ In deze formule wordt verstaan onder: RALO: het in het tweede lid bedoelde relatieve aandeel; -A: de kosten van de uitkeringen in het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995; +A: de kosten van de uitkeringen in het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde kenniscentra, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1 augustus 1995; -B: de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen; +B: de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde kenniscentra, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen; -C: 65% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde landelijke organen, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998; +C: 65% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van de in het tweede lid bedoelde kenniscentra, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998; -D: 100% van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een landelijk orgaan dat de taken beëindigt, anders dan op grond van een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 9.2.2 van de wet, indien het bestuur van dit landelijk orgaan niet tevens bestuur is van een ander landelijk orgaan. +D: 100% van de kosten van de uitkeringen in het desbetreffende kalenderjaar voor gewezen personeel van een kenniscentrum dat de taken beëindigt, anders dan op grond van een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 9.2.2 van de wet, indien het bestuur van dit kenniscentrum niet tevens bestuur is van een ander kenniscentrum. **4.** -Onze Minister brengt vervolgens op de rijksbijdrage voor het landelijk orgaan voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten gezamenlijk, voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering: +Onze Minister brengt vervolgens op de rijksbijdrage voor het kenniscentrum voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten gezamenlijk, voor het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar in mindering: -a. de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van dat landelijk orgaan, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, niet heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en -b. 35% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van dat landelijk orgaan, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998. +a. de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van dat kenniscentrum, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd in de periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus 1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2 van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, niet heeft ingestemd op grond van artikel 2.5.8, derde lid, van de wet zoals luidend op 31 juli 1998, met het ten laste van bedoelde rechtspersoon brengen van de kosten van deze uitkeringen, en +b. 35% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen personeel van dat kenniscentrum, voor zover deze kosten voortvloeien uit een ontslag dat is geëffectueerd op of na 1 augustus 1998. **5.** De uitkomsten van de in het derde en vierde lid bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op twee decimalen. @@ -614,18 +603,16 @@ b. 35% van de kosten van de uitkeringen in dat kalenderjaar voor gewezen persone De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op: -a. instellingen, voor zover het betreft: - -1°. regionale opleidingencentra en regionale opleidingencentra in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, -2°. vakscholen als bedoeld in artikel 12.3.5, derde lid, van de wet, -3°. instellingen van een bepaalde richting als bedoeld in artikel 12.3.6, tweede lid, van de wet, en -4°. instellingen met een extra breedtegebrek als bedoeld in artikel 12.3.7, derde lid, van de wet, -b. landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet met uitzondering van het landelijk orgaan op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, alsmede +a. instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, van de wet, +b. kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de wet, met uitzondering van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, en c. gemeentebesturen en instellingen als bedoeld in artikel 2.3.4 van de wet. ### Artikel 5.1.2 -In dit hoofdstuk wordt onder gegevenswoordenboek verstaan, de opsomming van een door het bevoegd gezag van een instelling, een gemeentebestuur of het bestuur van een landelijk orgaan te verzamelen gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1. +In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: + +a. kenniscentrum: een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de wet, +b. gegevenswoordenboek: de opsomming van een door het bevoegd gezag van een instelling, een gemeentebestuur of het bestuur van een landelijk orgaan te verzamelen gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1. ### Paragraaf 2. Ordening en wijze van beschikbaarstelling gegevens @@ -635,13 +622,13 @@ In dit hoofdstuk wordt onder gegevenswoordenboek verstaan, de opsomming van een **2.** De informatieverzameling, bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet, waarover het gemeentebestuur dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit. -**3.** De informatieverzameling, bedoeld in artikel 2.5.10 juncto artikel 2.5.5 van de wet, waarover het bestuur van een landelijk orgaan dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit. +**3.** De informatieverzameling, bedoeld in artikel 2.5.10 juncto artikel 2.5.5 van de wet, waarover het bestuur van een kenniscentrum dient te beschikken, bevat de gegevens volgens de beschrijving in het gegevenswoordenboek dat is opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit. **4.** De gegevens, bedoeld in het eerste en derde lid, die betrekking hebben op de bekostiging, zijn in het desbetreffende gegevenswoordenboek als zodanig aangeduid. ### Artikel 5.2.2 -Op verzoek van Onze Minister stelt het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur dan wel het bestuur van een landelijk orgaan gegevens aan hem ter beschikking, die door de instelling, de gemeente of het landelijk orgaan op grond van artikel 5.2.1 zijn verzameld. De beschikbaarstelling geschiedt overeenkomstig de formulieren die op het beroepsonderwijs, de educatie respectievelijk de werkzaamheden van het landelijk orgaan van toepassing zijn, zoals die zijn opgenomen in bijlage 4, bijlage 5, respectievelijk bijlage 6 bij dit besluit. In voorkomende gevallen kan Onze Minister bij het verzoek om beschikbaarstelling reeds bij hem bekende gegevens opnemen. +Op verzoek van Onze Minister stelt het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur dan wel het bestuur van een kenniscentrum gegevens aan hem ter beschikking, die door de instelling, de gemeente of het kenniscentrum op grond van artikel 5.2.1 zijn verzameld. De beschikbaarstelling geschiedt overeenkomstig de formulieren die op het beroepsonderwijs, de educatie respectievelijk de werkzaamheden van het kenniscentrum van toepassing zijn, zoals die zijn opgenomen in bijlage 4, bijlage 5, respectievelijk bijlage 6 bij dit besluit. In voorkomende gevallen kan Onze Minister bij het verzoek om beschikbaarstelling reeds bij hem bekende gegevens opnemen. ### Artikel 5.2.3 @@ -649,9 +636,9 @@ Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijs ### Artikel 5.2.4 -**1.** Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een landelijk orgaan bewaren de boeken, bescheiden en informatie op andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk voor zover het betreft gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs, van de educatie en van de landelijke organen, gedurende ten minste zeven jaren. +**1.** Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een kenniscentrum bewaren de boeken, bescheiden en informatie op andere informatiedragers die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk voor zover het betreft gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid ten aanzien van het beroepsonderwijs, van de educatie en van de kenniscentra, gedurende ten minste zeven jaren. -**2.** Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een landelijk orgaan bewaren de gegevens die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk op zodanige wijze dat daaruit de voor de vaststelling van de geaggregeerde gegevens van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan. +**2.** Het bevoegd gezag van een instelling, het gemeentebestuur en het bestuur van een kenniscentrum bewaren de gegevens die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk op zodanige wijze dat daaruit de voor de vaststelling van de geaggregeerde gegevens van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan. ## Hoofdstuk 5A. Personeel @@ -659,26 +646,26 @@ Bij ministeriële regeling kan in bijzondere gevallen een aanvullende vragenlijs De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op: -- instellingen als bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.3.2, 1.3.3, 1.3.4, 12.3.5, 12.3.8, 12.3.9, 12.3.12, 12.3.13 of 12.3.14 van de wet, en -- landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet. +1. instellingen als bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdelen b en b1, 12.3.8 en 12.3.9 van de wet, en +2. kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de wet. ### Artikel 5a.1a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +In dit hoofdstuk wordt verstaan onder kenniscentrum: een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de wet. ### Artikel 5a.2 -Het personeel en het gewezen personeel van instellingen en landelijke organen zijn in elk geval belanghebbende in de zin van dit hoofdstuk. +Het personeel en het gewezen personeel van instellingen en kenniscentra zijn in elk geval belanghebbende in de zin van dit hoofdstuk. ### Artikel 5a.3 -Indien een instelling of een landelijk orgaan de taken beëindigt en een rechtsopvolger ontbreekt, waaronder tevens is begrepen het geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van de desbetreffende instelling of het desbetreffende landelijk orgaan, voorzien de bevoegde gezagsorganen van de overige instellingen onderscheidenlijk de besturen van de overige landelijke organen er gezamenlijk in dat aan de verplichtingen jegens het personeel en het gewezen personeel die uit de wet- en regelgeving voortvloeien, wordt voldaan. De toepassing van de eerste volzin geschiedt met inachtneming van het bepaalde over vermindering van de rijksbijdrage in verband met de kosten van uitkeringen voor gewezen personeel van een instelling die of een landelijk orgaan dat de taken beëindigt in de ministeriële regeling op grond van artikel 12.3.48 van de wet onderscheidenlijk artikel 4.5.2. +Indien een instelling of een kenniscentrum de taken beëindigt en een rechtsopvolger ontbreekt, waaronder tevens is begrepen het geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van de desbetreffende instelling of het desbetreffende kenniscentrum, voorzien de bevoegde gezagsorganen van de overige instellingen onderscheidenlijk de besturen van de overige kenniscentra er gezamenlijk in dat aan de verplichtingen jegens het personeel en het gewezen personeel die uit de wet- en regelgeving voortvloeien, wordt voldaan. De toepassing van de eerste volzin geschiedt met inachtneming van het bepaalde over vermindering van de rijksbijdrage in verband met de kosten van uitkeringen voor gewezen personeel van een instelling die of een kenniscentrum dat de taken beëindigt in de ministeriële regeling op grond van artikel 12.3.48 van de wet onderscheidenlijk artikel 4.5.2. ### Artikel 5a.4 -**1.** Voor de uitkomsten van het functiewaarderingssysteem van een instelling als bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.3.2, 1.3.3, 1.3.4, 12.3.5, 12.3.8 en 12.3.12 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of van een landelijk orgaan geldt voor de functie van voorzitter van het college van bestuur en de centrale directie dat daaraan ten hoogste een salarisschaal is verbonden waarvan het hoogste bedrag overeenkomt met het maximum salarisbedrag van schaal 18 van bijlage 1A van het Kaderbesluit rechtspositie BVE, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit. +**1.** Voor de uitkomsten van het functiewaarderingssysteem van een instelling als bedoeld in de artikelen 1.1.1, onderdelen b en b1, en 12.3.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of van een kenniscentrum geldt voor de functie van voorzitter van het college van bestuur en de centrale directie dat daaraan ten hoogste een salarisschaal is verbonden waarvan het hoogste bedrag overeenkomt met het maximum salarisbedrag van schaal 18 van bijlage 1A van het Kaderbesluit rechtspositie BVE, zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit. -**2.** Het in het eerste lid bedoelde maximum kan worden bijgesteld aan de hand van de algemene salarisontwikkeling die voor het personeel van instellingen onderscheidenlijk landelijke organen wordt overeengekomen. +**2.** Het in het eerste lid bedoelde maximum kan worden bijgesteld aan de hand van de algemene salarisontwikkeling die voor het personeel van instellingen onderscheidenlijk kenniscentra wordt overeengekomen. ## Hoofdstuk 6. Overgangs- en invoeringsbepalingen @@ -721,9 +708,7 @@ d. welk niveau wordt toegekend aan een opleiding als bedoeld onder b of c met he ### Artikel 6.1.2 -**1.** Voor de toepassing van artikel 2.2.3, eerste lid, DDi, voor het kalenderjaar 2000 worden onder deelnemers in de beroepsbegeleidende leerweg van opleidingen als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a en b, van de wet, ook verstaan, deelnemers als bedoeld in artikel 5, derde, vierde en vijfde lid, van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 zoals luidend op 1 augustus 1998. - -**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de kalenderjaren 2001 en 2002, met dien verstande dat in genoemd artikel 5, derde, vierde en vijfde lid, voor «1998» telkens wordt gelezen «1999» respectievelijk «2000» en voor «1999» telkens «2000» respectievelijk «2001». +Vervallen ### Artikel 6.1.3 @@ -807,7 +792,7 @@ b. het totaal van de rijksbijdragen educatie voor de gemeenten in dat gebied bij De in deze paragraaf voor de jaren 2002 en 2003 berekende bedragen worden vastgesteld in euro's door de uitkomst van de berekeningen te delen door 2.20371. -### Paragraaf 3. Landelijke organen +### Paragraaf 3. Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven ### Artikel 6.3.1 @@ -833,11 +818,7 @@ Vervallen ### Artikel 6.3.6 -**1.** Indien de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een landelijk orgaan zoals voor het kalenderjaar 2002 berekend ingevolge paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 lager is dan de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van dat landelijk orgaan voor het kalenderjaar 2001, wordt in afwijking van paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2002 verhoogd met 50% van het verschil. - -**2.** Indien de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van een landelijk orgaan zoals voor het kalenderjaar 2002 berekend ingevolge paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 hoger is dan de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten van dat landelijk orgaan voor het kalenderjaar 2001, wordt in afwijking van paragraaf 3 van hoofdstuk 4 juncto artikel 6.3.3 de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2002 verlaagd met 50% van het verschil. - -**3.** Voor de bepaling van het verschil, bedoeld in in het eerste en tweede lid, wordt de rijksbijdrage voor de huisvestingskosten voor het jaar 2001 omgerekend in euro's door het vastgestelde bedrag te delen door 2,20 371. +Vervallen ### Artikel 6.3.7 @@ -951,7 +932,7 @@ B. Deelnemers Inhoudsopgave -## Bijlage 3. Informatieverzameling landelijke organen bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB +## Bijlage 3. Informatieverzameling kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB INHOUDSOPGAVE @@ -959,4 +940,4 @@ INHOUDSOPGAVE ## Bijlage 5. Modellen van formulieren gemeenten bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB -## Bijlage 6. Modellen van formulieren landelijke organen bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB +## Bijlage 6. Modellen van formulieren kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven bij hoofdstuk 5, informatie, van het Uitvoeringsbesluit WEB