From a3d5629411d00495447aaa2afd61e839d1e98a9f Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sat, 1 Mar 2003 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2003-03-01 | BWBR0002226 | Successiewet 1956 --- wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md | 34 ++++++++++++--------- 1 file changed, 19 insertions(+), 15 deletions(-) diff --git a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md index 4e53dbab3a9..10214dcc4e2 100644 --- a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md +++ b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md @@ -110,7 +110,7 @@ De in de voorgaande leden vervatte bepalingen zijn niet toepasselijk voor goeder 1°. welke de overledene, tengevolge van de uitoefening van een beroep of bedrijf, onder zich had voor iemand, niet behorende tot zijn bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten of hun echtgenoten; 2°. welke de overledene onder zich had als openbaar ambtenaar, als ouder uitoefenende het ouderlijk gezag, als voogd, als curator, als executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van een nalatenschap of als bewindvoerder in de gevallen waarin deze als zodanig volgens een uitdrukkelijke wetsbepaling is aangesteld of bij verdeling van een gemeenschap is benoemd; 3°. welke bij het overlijden verblijven aan deelgenoten, ingevolge een overeenkomst tussen de overledene en die deelgenoten gesloten; -4°. welke toebehoren aan de echtgenoot van de overledene. +4°. welke toebehoren aan de echtgenoot van de overledene of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid. **4.** De bepalingen van dit artikel zijn mede toepasselijk op de daarin bedoelde goederen of bewijsstukken, berustende onder of bewaard of bezeten voor de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot van de overledene. @@ -178,20 +178,20 @@ Al wat tengevolge van of na het overlijden van een erflater wordt verkregen krac ### Artikel 13a -**1.** +**1.** Indien aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld in waarde zijn gestegen door het overlijden van de erflater en deze aandelen of winstbewijzen worden gehouden door een ander dan de erflater, worden deze geacht door de houder krachtens erfrecht te zijn verkregen, waarbij deze aandelen of winstbewijzen voor het bedrag van de bedoelde waardestijging in aanmerking worden genomen. -Voor de toepassing van deze wet worden aandelen - daaronder begrepen winstbewijzen en bewijzen van deelgerechtigdheid - in een pensioen- of lijfrentelichaam welke worden gehouden door een ander dan de erflater, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen ingeval: +**2.** -a. bij het lichaam een pensioen, een uitkering ter zake van vervroegde uittreding, een lijfrente of een kapitaalsuitkering ten behoeve van de erflater is verzekerd; en -b. de aandelen behoren tot een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001. +Het eerste lid vindt slechts toepassing indien: -**2.** Dit artikel is mede van toepassing indien de aandelen worden gehouden in een lichaam dat - onmiddellijk of middellijk - houder is van aandelen in een pensioen- of lijfrentelichaam. +a. de aandelen of winstbewijzen behoren tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en +b. de houder van de aandelen of winstbewijzen de echtgenoot van de erflater is of behoort tot diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun echtgenoten, dan wel een verkrijger is als bedoeld in artikel 24, tweede lid. -**3.** Van de te dezer zake aan te geven waarde kan, voor de regeling van het recht van successie, worden afgetrokken de waarde van hetgeen door de verkrijger voor zijn verkrijging werkelijk is opgeofferd. Een eventuele negatieve waarde van de verkrijging wordt buiten beschouwing gelaten. +**3.** Bij het bepalen van de in het eerste lid bedoelde waardestijging blijven buiten aanmerking verplichtingen die in verband met het overlijden van de erflater ontstaan, voorzover deze middellijk of onmiddellijk een waardedrukkend effect hebben op de waarde van de aandelen of winstbewijzen, behoudens voorzover deze verplichtingen leiden tot verkrijgingen die ten gevolge van het overlijden van de erflater op grond van deze wet in de heffing worden betrokken of zijn vrijgesteld. -**4.** Dit artikel verstaat onder een pensioen- of lijfrentelichaam een lichaam waarvan de werkzaamheid uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit de verzorging van werknemers of gewezen werknemers, van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel degenen met wie zij duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren of hebben gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de rechte lijn bestaat en van hun kinderen of pleegkinderen door middel van uitkeringen op grond van een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding, uit het verzekeren van dergelijke uitkeringen, dan wel uit het verzekeren van lijfrenten of kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering, met uitzondering van een lichaam dat ingevolge artikel 5, onderdeel *b*, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is vrijgesteld van die belasting. +**4.** Indien een verplichting die ingevolge het derde lid buiten aanmerking blijft, aanleiding geeft tot inkomsten die bij een in het eerste lid bedoelde houder op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 in de heffing worden betrokken, wordt de door die houder daarover verschuldigde inkomstenbelasting in mindering gebracht op de bij die houder in aanmerking te nemen waardestijging. -**5.** Voor zover ter zake van de waarde welke op grond van dit artikel voor de heffing van het recht van successie in aanmerking komt, recht van schenking of van successie is geheven, strekt dit in mindering van het ten gevolge van dit artikel verschuldigde recht. +**5.** Voor de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 14 @@ -199,13 +199,15 @@ Opzegging van een beperkt recht wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgest ### Artikel 15 -**1.** Voor de regeling van het recht van overgang worden bezittingen als bedoeld zijn in artikel 5, tweede lid, welke door de overledene binnen het jaar aan zijn overlijden voorafgegaan onder bezwarende titel zijn overgedragen, geacht door na te noemen verkrijgers krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen, indien die bezittingen hetzij vóór, hetzij binnen een jaar na dat overlijden onder bezwarende titel zijn of worden verkregen door zijn echtgenoot, door één of meer van zijn erfgenamen, door één of meer van zijn bloed- of aanverwanten tot de vierde graad ingesloten, of door de echtgenoot van één van die personen. +**1.** Voor de regeling van het recht van overgang worden bezittingen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, welke door de overledene binnen het jaar voorafgaand aan zijn overlijden onder bezwarende titel zijn vervreemd, geacht krachtens erfrecht te zijn verkregen door degene die die bezittingen hetzij vóór, hetzij binnen een jaar na dat overlijden, onder bezwarende titel heeft verkregen, mits de verkrijger uit andere hoofde reeds krachtens erfrecht verkrijgt. -**2.** Schulden, als bedoeld zijn in artikel 5, tweede lid, ontstaan binnen een jaar aan het overlijden of de schenking voorafgegaan, worden, voor de regeling van het recht van overgang, niet in aftrek toegelaten. +**2.** Schulden, als bedoeld zijn in artikel 5, tweede lid, ontstaan binnen een jaar voorafgaand aan het overlijden of de schenking, worden, voor de regeling van het recht van overgang, niet in aftrek toegelaten. **3.** De in de vorige leden vervatte bepalingen zijn niet toepasselijk, indien en voor zover bij de in het eerste lid bedoelde overdracht of als gevolg van het ontstaan van de in het tweede lid bedoelde schulden door de erflater of schenker bezittingen in de zin van artikel 5, tweede lid, zijn of worden verkregen. -**4.** De overdrachtsbelasting strekt in mindering van het ten gevolge van het eerste lid verschuldigde recht van overgang. +**4.** Een verkrijging als bedoeld in het eerste lid wordt bij een in dat lid bedoelde verkrijger in aanmerking genomen tot ten hoogste de waarde van hetgeen die verkrijger krachtens erfrecht door het overlijden van de erflater heeft verkregen, waarbij voor het bepalen van de laatstbedoelde waarde bezittingen en schulden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, buiten beschouwing blijven. + +**5.** De overdrachtsbelasting strekt in mindering van het ten gevolge van het eerste lid verschuldigde recht van overgang. ### Artikel 16 @@ -283,7 +285,7 @@ b. is artikel 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepas **2.** Goederen, verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, worden in aanmerking genomen naar de waarde van die goederen als waren zij onvoorwaardelijk verkregen. -**3.** Voor de waardering van effecten die zijn genoteerd aan de Euronext effectenbeurs te Amsterdam wordt de waarde in het economische verkeer gesteld op de slotnotering die is vermeld in de Officiële prijscourant, uitgegeven door AEX- Data services, geldende voor de dag voorafgaande aan de dag van de verkrijging. +**3.** Voor de effecten die zijn opgenomen in een prijscourant, aangewezen krachtens artikel 5.21 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de waarde in het economische verkeer gesteld op de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag voorafgaande aan de dag van de verkrijging. **4.** De waarde van in de verkrijging begrepen ondernemingsvermogen wordt in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer van dat vermogen met inbegrip van de voor overdracht vatbare goodwill, maar, in zoverre in afwijking van het vijfde lid, ten minste op de liquidatiewaarde. @@ -435,7 +437,7 @@ Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke u **2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters *b* en *f*, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan €12.426 voor een kind als is bedoeld in het eerste lid, 4°, letter *b*, slot, en € 8284 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen alsmede voor een ouder. -**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 138.483 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b en € 69.247 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing. +**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 138.483 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 69.247 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing. **4.** Onder pensioenregeling wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. @@ -645,7 +647,9 @@ Navordering op de voet van hoofdstuk III van de Algemene wet inzake rijksbelasti Van een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid is sprake ingeval, volgens bij ministeriële regeling te stellen nadere regels, a. indien het een verkrijging als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, onderdeel a, betreft: de verkrijger ophoudt uit de onderneming, of een gedeelte daarvan, winst te genieten; -b. indien het een verkrijging als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, onderdeel b, betreft: de verkrijger ophoudt aandeelhouder of winstbewijshouder te zijn met betrekking tot die aandelen of winstbewijzen, de vennootschap waarin de aandelen zijn verkregen haar onderneming staakt dan wel een lichaam wordt waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid; een en ander indien de waarde van de in onderdelen a en b bedoelde verkrijgingen geheel of voor een deel is aangemerkt als te conserveren waarde. +b. indien het een verkrijging als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, onderdeel b, betreft: de verkrijger tot de verkrijging behorende aandelen of winstbewijzen vervreemdt of een gedeelte van de in deze aandelen of winstbewijzen besloten liggende rechten vervreemdt, de vennootschap waarin de aandelen of winstbewijzen zijn verkregen haar onderneming staakt of een gedeelte van die onderneming staakt dan wel een lichaam wordt waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of een daarmee overeenkomende werkzaamheid; een en ander indien de waarde van de in onderdeel a en b bedoelde verkrijgingen geheel of voor een deel is aangemerkt als te conserveren waarde. + +**4.** Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt onder vervreemden mede verstaan een handeling of gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e en i, alsmede het tweede en het vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, ook als deze handeling of gebeurtenis betrekking heeft op aandelen of winstbewijzen die bij de verkrijger niet tot een aanmerkelijk belang behoren in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. ### Artikel 53c