2002-08-01 | BWBR0002399 | Wet op het voortgezet onderwijs

This commit is contained in:
Coornhert 2002-08-01 12:00:00 +00:00
parent 59638a1795
commit a5014f5c1e

View file

@ -374,6 +374,14 @@ Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur wo
**2.** Leerwegondersteunend onderwijs wordt verzorgd, indien de leerling met behulp van de voorzieningen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, tweede volzin, niet een ononderbroken ontwikkelingsproces als bedoeld in het eerste lid, kan volgen.
**3.** Het bevoegd gezag beslist na overleg met de ouders van de leerling of aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt aangeboden.
**4.** De in artikel 10g bedoelde regionale verwijzingscommissie beslist op aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen. Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag na overleg met de ouders een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport. Artikel 10g, derde lid, vijfde lid, eerste volzin, en zesde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
**5.** In afwijking van artikel 10g, vijfde lid, eerste volzin, kan de regionale verwijzingscommissie tegelijk met de beslissing dat een leerling niet is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, beslissen dat die leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. Alvorens daartoe te beslissen, hoort de regionale verwijzingscommissie de ouders van de leerling en het bevoegd gezag van de betrokken school of afdeling voor praktijkonderwijs.
**6.** Artikel 10g, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de leerling die op basis van een beschikking van de regionale verwijzingscommissie is toegelaten.
### Artikel 10f
**1.** Praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor praktijkonderwijs, alsmede aan afdelingen voor praktijkonderwijs, verbonden aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs en aan scholengemeenschappen waarvan ten minste een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt.
@ -399,19 +407,21 @@ b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen
**1.** Aan de ouders van een leerling van wie het bevoegd gezag van de school waar de leerling zich aanmeldt dan wel van de school waaraan de leerling is ingeschreven, redelijkerwijs kan aannemen dat deze niet in staat is het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d, al dan niet in combinatie met leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, met een diploma of getuigschrift voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 29, derde lid, af te sluiten, kan het bevoegd gezag voorstellen deze leerling in plaats daarvan praktijkonderwijs te doen volgen.
**2.** Het bevoegd gezag van de school of afdeling voor praktijkonderwijs beslist, in overeenstemming met de andere bevoegde gezagsorganen in het in artikel 10h bedoelde samenwerkingsverband en na overleg met de ouders van de in het eerste lid bedoelde leerling, over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs. Alvorens de beslissing tot toelating wordt genomen, legt het bevoegd gezag van de school waaraan de leerling voorafgaand aan de toelating tot het praktijkonderwijs was of is ingeschreven, een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport, alsmede de op schrift gestelde zienswijze van de ouders, over aan een door Onze Minister erkende regionale verwijzingscommissie. Geen leerling wordt toegelaten tot het praktijkonderwijs dan nadat de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat de leerling tot dat onderwijs toelaatbaar is. De desbetreffende leerling kan de toelating tot een school of afdeling voor praktijkonderwijs binnen het samenwerkingsverband niet worden geweigerd.
**2.** Het bevoegd gezag van de school of afdeling voor praktijkonderwijs beslist, in overeenstemming met de andere bevoegde gezagsorganen in het in artikel 10h bedoelde samenwerkingsverband en na overleg met de ouders van de in het eerste lid bedoelde leerling, over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs. Het bevoegd gezag kan een leerling toelaten tot het praktijkonderwijs mits voor 1 oktober van het desbetreffende schooljaar een aanvraag bij een door Onze minister erkende regionale verwijzingscommissie is ingediend om vast te stellen of de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs. De aanvraag gaat vergezeld van een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport en de op schrift gestelde zienswijze van de ouders. Indien de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, kan de desbetreffende leerling de toelating tot een school of afdeling voor praktijkonderwijs binnen het samenwerkingsverband niet worden geweigerd.
**3.** Het bevoegd gezag van de school of afdeling voor praktijkonderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het praktijkonderwijs met inachtneming van artikel 10f, derde lid, wordt verzorgd.
**3.** Een aanvraag bij een regionale verwijzingscommissie als bedoeld in het tweede lid kan alleen worden ingediend indien het een leerling betreft die rechtstreeks afkomstig is van een school of instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra of van het eerste leerjaar van een school voor voortgezet onderwijs. In afwijking van de eerste volzin kan een aanvraag als bedoeld in die volzin indien het een vreemdeling betreft als bedoeld in artikel 27, lid 1a, onderdeel b of c, die op 1 oktober van het schooljaar waarin hij voor het eerst wordt meegeteld als leerling in het voortgezet onderwijs korter dan één jaar in Nederland is, slechts worden ingediend na dat schooljaar.
**4.** Indien de regionale verwijzingscommissie bepaalt dat de leerling niet tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is, brengt zij advies uit aan de ouders van de leerling en het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag, over de wijze waarop de leerling op de school waar hij is ingeschreven, naar het oordeel van de verwijzingscommissie zou moeten worden begeleid.
**4.** Het bevoegd gezag van de school of afdeling voor praktijkonderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het praktijkonderwijs met inachtneming van artikel 10f, derde lid, wordt verzorgd.
**5.** Een beschikking van een regionale verwijzingscommissie omtrent de toelaatbaarheid van een leerling is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht. De ouders van de desbetreffende leerling kunnen een beschikking van de regionale verwijzingscommissie voorleggen aan een andere regionale verwijzingscommissie met het verzoek daarover een deskundigheidsadvies uit te brengen. Indien toepassing wordt gegeven aan de tweede volzin, worden de termijnen van bezwaar en beroep opgeschort.
**5.** Indien de regionale verwijzingscommissie bepaalt dat de leerling niet tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is, brengt zij advies uit aan het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag, over de wijze waarop de leerling op de school waar hij is ingeschreven, naar het oordeel van de verwijzingscommissie zou moeten worden begeleid. In afwijking van de eerste volzin kan de regionale verwijzingscommissie tegelijk met de beslissing dat een leerling niet toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs, beslissen dat die leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.
**6.** De regionale verwijzingscommissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
**6.** Een beschikking van een regionale verwijzingscommissie omtrent de toelaatbaarheid van een leerling is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht. De ouders van de desbetreffende leerling kunnen een beschikking van de regionale verwijzingscommissie voorleggen aan een andere regionale verwijzingscommissie met het verzoek daarover een deskundigheidsadvies uit te brengen. Indien toepassing wordt gegeven aan de tweede volzin, worden de termijnen van bezwaar en beroep opgeschort.
**7.** Een regionale verwijzingscommissie die door Onze Minister is erkend, wordt verbonden aan een regionaal werkzame schoolbegeleidingsdienst in de desbetreffende regio. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de taak, samenstelling, werkwijze, beoordelingscriteria en subsidie van de regionale verwijzingscommissies en de aan de regionale verwijzingscommissies te leveren gegevens.
**7.** De regionale verwijzingscommissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
**8.** De in het zevende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
**8.** Een regionale verwijzingscommissie die door Onze Minister is erkend, wordt verbonden aan een regionaal werkzame schoolbegeleidingsdienst in de desbetreffende regio. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de taak, samenstelling, werkwijze, beoordelingscriteria en subsidie van de regionale verwijzingscommissies, de aan de regionale verwijzingscommissies te leveren gegevens en de wijze waarop de ouders worden geïnformeerd over de aanvragen bij en de beschikkingen en adviezen van de regionale verwijzingscommissies.
**9.** De in het achtste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
### Artikel 10h
@ -421,21 +431,22 @@ b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen
**3.** De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband dragen gezamenlijk zorg voor een toereikende organisatie en deskundige ondersteuning van het onderwijs voor leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, alsmede voor overdracht van de deskundigheid op dit gebied tussen de scholen in het samenwerkingsverband. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband kunnen gezamenlijk een of meer voorzieningen in het samenwerkingsverband, met het oog op de uitoefening van de in de eerste volzin genoemde taken, aanduiden als «orthopedagogisch-didactisch centrum». De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband zijn aangesloten bij dezelfde rechtspersoon, bedoeld in artikel 53b.
**4.** De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen gezamenlijk een permanente commissie leerlingenzorg in. De permanente commissie leerlingenzorg beslist over de toelaatbaarheid tot het leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e. De ouders van de desbetreffende leerling kunnen een beslissing van de permanente commissie leerlingenzorg voorleggen aan een permanente commissie leerlingenzorg van een ander samenwerkingsverband met het verzoek daarover een deskundigheidsadvies uit te brengen. Indien toepassing wordt gegeven aan de derde volzin, worden de termijnen van bezwaar en beroep opgeschort.
**4.** De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen gezamenlijk een permanente commissie leerlingenzorg in. Zij vragen advies aan deze commissie over het aanbod en de invulling van leerwegondersteunend onderwijs en over het aanbieden van dat onderwijs aan leerlingen voor wie de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat zij toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
**5.**
De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen jaarlijks gezamenlijk een zorgplan vast. Het zorgplan bevat in ieder geval:
De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen jaarlijks gezamenlijk een zorgplan vast en zenden dit vóór 1 juni voorafgaand aan het desbetreffende schooljaar aan de inspectie en de minister. Het zorgplan bevat in ieder geval:
a. de maatregelen die zijn getroffen om zo veel mogelijk leerlingen als bedoeld in het eerste lid deel te laten nemen aan het onderwijs in een van de leerwegen, verzorgd door een of meer van de aan het samenwerkingsverband deelnemende scholen,
b. een omschrijving van de in het derde lid bedoelde organisatie, ondersteuning en overdracht, alsmede, indien van toepassing, van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het tweede lid, tweede volzin,
c. een reglement voor de permanente commissie leerlingenzorg,
d. een omschrijving van de wijze waarop de ouders van leerlingen als bedoeld in het derde lid, informatie wordt verstrekt over de uitvoering van het derde en vierde lid, en
e. de te verwachten resultaten.
c. de wijze waarop de middelen, bedoeld in artikel 77, vierde lid, worden ingezet.
d. een reglement voor de permanente commissie leerlingenzorg,
e. een omschrijving van de wijze waarop de ouders van leerlingen als bedoeld in het derde lid, informatie wordt verstrekt over de uitvoering van het derde en vierde lid, en
f. de te verwachten resultaten.
**6.** De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband kunnen hun in het derde, vierde en vijfde lid opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een door hen gezamenlijk in te stellen orgaan.
**6.** De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen jaarlijks gezamenlijk een evaluatieve voortgangsrapportage vast en zenden deze voor 15 november volgend op het desbetreffende schooljaar aan de inspectie en de minister.
**7.** Het bevoegd gezag van de school waar de leerling ten aanzien van wie de permanente commissie leerlingenzorg de toelaatbaarheid tot het leerwegondersteunend onderwijs heeft vastgesteld, leerwegondersteunend onderwijs gaat volgen, stelt voor die leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het leerwegondersteunend onderwijs wordt verzorgd.
**7.** De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband kunnen hun in het derde tot en met zesde lid opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een door hen gezamenlijk in te stellen orgaan.
### Artikel 11
@ -908,7 +919,7 @@ b. in de periode van de verlenging wel in staat zal zijn de opleiding met goed g
**8.** Het vijfde en zesde lid kunnen niet tegelijkertijd worden toegepast ten aanzien van dezelfde leerling.
**9.** Indien het verzoek, bedoeld in het vijfde of zesde lid, een leerling betreft die leerwegondersteunend onderwijs volgt, willigt de inspectie dat verzoek niet in dan nadat zij kennis heeft genomen van een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend advies van de permanente commissie leerlingenzorg, bedoeld in artikel 10h, vierde lid.
**9.** Indien het verzoek, bedoeld in het vijfde of zesde lid, een leerling betreft die leerwegondersteunend onderwijs volgt op basis van een beschikking van de regionale verwijzingscommissie, willigt de inspectie dat verzoek niet in dan nadat zij kennis heeft genomen van een recent op de desbetreffende leerling betrekking hebbend handelingsplan, bedoeld in artikel 10e, zesde lid, juncto artikel 10g, vierde lid.
**10.** Onverminderd het vijfde tot en met achtste lid, kan de inspectie, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorschriften, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, ten aanzien van een leerling op individuele basis de verblijfsduur met een jaar verlengen, voor zover toepassing van het derde lid, eerste en tweede volzin, gelet op het belang van de leerling zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
@ -1242,9 +1253,9 @@ Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personee
Over de regelingen, bedoeld in artikel 38a, eerste en vierde lid, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de desbetreffende school, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze. In geval van een geschil over de deelneming aan het overleg, bedoeld in de eerste volzin, alsmede in geval van een geschil over de aard, de inhoud en de organisatie van het overleg leggen de betrokken partijen het geschil voor aan een geschillencommissie. Deze geschillencommissie bestaat uit drie personen, die door de partijen gezamenlijk worden aangewezen. De uitspraak van de geschillencommissie heeft bindende kracht.
### Artikel
### Artikel 40b
Vervallen
Ten behoeve van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen scholen voor praktijkonderwijs kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 38a, 40 en 40a.
### Artikel 41
@ -1836,7 +1847,7 @@ Het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 75c
Vervallen
Leerwegondersteunend onderwijs komt voor bekostiging in aanmerking voor zover de school of een daaraan uiterlijk op 1 augustus 2002 verbonden school of afdeling voor bekostiging van dat onderwijs in aanmerking kwam op grond van artikel II, eerste of tweede lid, artikel IV, eerste lid, of artikel IVa, eerste of tweede lid, van de Wet van 25 mei 1998 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van leerwegen in de hogere leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs) (Stb. 1998, 337).
### Artikel 75d
@ -2109,7 +2120,7 @@ Tegen een besluit van Onze minister ingevolge deze afdeling kan een belanghebben
**3.** Met betrekking tot een scholengemeenschap of een school en de daaraan verbonden cursussen in de zin van artikel 75b, eerste lid, alsmede met betrekking tot de scholen voor praktijkonderwijs kunnen zo nodig in afwijking van het bepaalde in deze afdeling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven voor de toepassing van deze afdeling.
**4.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de vaststelling en uitkering van een budget ten behoeve van aanvullende zorg voor leerlingen van de scholen in het samenwerkingsverband, in aanvulling op de vergoeding, berekend op grond van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde. Het budget wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever daartoe beschikbaar gestelde middelen vastgesteld en uitgekeerd. De algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige drie volzinnen is niet van toepassing, indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de beide kamers is overgelegd en door of namens de kamers te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige drie volzinnen, kan worden afgeweken.
**5.** Voor de toepassing van deze afdeling zijn de voorschriften die betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een stichting als bedoeld in artikel 42b of een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 42a, tenzij het tegendeel blijkt.
@ -2202,13 +2213,13 @@ b. leer- en hulpmiddelen.
**4.** Onze minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
###### Paragraaf 2. Grondslag bekostiging personeelskosten van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.
###### Paragraaf 2. Grondslag bekostiging personeelskosten
### Artikel 84
**1.**
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs de grondslagen vastgesteld voor de omvang van de formatie van:
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de scholen de grondslagen vastgesteld voor de omvang van de formatie van:
a. de rectoren, directeuren, conrectoren en adjunct-directeuren,
b. de leraren, en
@ -2225,7 +2236,9 @@ b. een opslag in verband met formatieve fricties en vanwege herbezetting in verb
**3.** De grondslagen worden wat het in het eerste lid onder b genoemde personeel betreft bovendien gevormd door een vast aantal formatieplaatsen.
**4.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken.
**4.** Voor het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde personeel wordt voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs dat op grond van artikel 75c in aanmerking komt voor bekostiging een afzonderlijke grondslag vastgesteld op basis van het aantal leerlingen in dat onderwijs voor wie de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat zij op dat onderwijs zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
**5.** De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Een maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken.
### Artikel 84a
@ -2251,7 +2264,7 @@ Vervallen
### Artikel 85a
**1.** Indien bijzondere ontwikkelingen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs of het voorbereidend beroepsonderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor personeelskosten.
**1.** Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor personeelskosten.
**2.** In verband met bijzondere omstandigheden kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een in het eerste lid bedoelde school en onder door hem te stellen voorwaarden aanvullende bekostiging voor personeelskosten verstrekken
@ -2261,13 +2274,13 @@ Vervallen
**5.** Onze minister kan in verband met de in het tweede lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
###### Paragraaf 2a. Grondslag bekostiging nascholingskosten van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.
###### Paragraaf 2a. Grondslag bekostiging nascholingskosten
### Artikel 85b
De grondslag van de omvang van de bekostiging voor nascholing aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs is de op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder b, vastgestelde formatie van leraren en, voor zover bij ministeriële regeling aangewezen, de ingevolge artikel 85a verstrekte aanvullende bekostiging. Bij ministeriële regeling wordt een bekostigingsbedrag per formatieplaats vastgesteld dat per schoolsoort kan verschillen.
De grondslag van de omvang van de bekostiging voor nascholing aan scholen is de op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder b, vastgestelde formatie van leraren en, voor zover bij ministeriële regeling aangewezen, de ingevolge artikel 85a verstrekte aanvullende bekostiging. Bij ministeriële regeling wordt een bekostigingsbedrag per formatieplaats vastgesteld dat per schoolsoort kan verschillen.
###### Paragraaf 3. Grondslag bekostiging exploitatiekosten van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.
###### Paragraaf 3. Grondslag bekostiging exploitatiekosten
### Artikel 86
@ -2291,8 +2304,9 @@ h. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van belastingen ter zake van o
De bekostiging omvat:
a. een vast bedrag per school,
b. een bedrag dat afhankelijk is van de normatieve ruimtebehoefte per leerling,en
c. een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen van de school.
b. een bedrag dat afhankelijk is van de normatieve ruimtebehoefte per leerling,
c. een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen van de school, en
d. voor scholen met leerwegondersteunend onderwijs dat op grond van artikel 75c in aanmerking is gebracht voor bekostiging een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen in dat onderwijs voor wie de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat zij op dat onderwijs zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs.
**4.**
@ -2301,7 +2315,7 @@ De in het derde lid onder a tot en met c bedoelde bedragen kunnen per schoolsoor
a. de eerste twee leerjaren van de school, en
b. de overige leerjaren.
**5.** Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 februari de in het derde lid onder a tot en met c bedoelde bedragen vastgesteld. Bij deze regeling worden tevens nadere voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop de bekostiging wordt berekend, alsmede voorschriften omtrent de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld. De vastgestelde bedragen gelden voor het schooljaar dat aanvangt na het tijdstip van vaststelling.
**5.** Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 februari de in het derde lid onder a tot en met d bedoelde bedragen vastgesteld. Bij deze regeling worden tevens nadere voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop de bekostiging wordt berekend, alsmede voorschriften omtrent de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld. De vastgestelde bedragen gelden voor het schooljaar dat aanvangt na het tijdstip van vaststelling.
**6.** Bij de vaststelling van de in het derde lid onder a tot en met c bedoelde bedragen, dan wel als tussentijdse aanpassing van die bedragen, worden volgens bij ministeriële regeling te geven regels loon- en prijsontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van 's Rijks schatkist zich daartegen verzet.
@ -2317,9 +2331,9 @@ Dit artikel is nog niet in werking getreden.
### Artikel 89
**1.** Indien bijzondere ontwikkelingen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs of het voorbereidend beroepsonderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten.
**1.** Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld omtrent het verstrekken van aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten.
**2.** Indien bijzondere ontwikkelingen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs of het voorbereidend beroepsonderwijs aan een school daartoe aanleiding geven, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag onder door hem te stellen voorwaarden en voor een door hem te bepalen periode aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten verstrekken. Het verzoek wordt ingediend in het kalenderjaar waarin deze ontwikkelingen zijn aangevangen. Onze minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van het verzoek. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
**2.** Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs aan een school daartoe aanleiding geven, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag onder door hem te stellen voorwaarden en voor een door hem te bepalen periode aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten verstrekken. Het verzoek wordt ingediend in het kalenderjaar waarin deze ontwikkelingen zijn aangevangen. Onze minister besluit binnen vier maanden na ontvangst van het verzoek. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
**3.** Onze minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
@ -2434,19 +2448,19 @@ b. de kosten van het gebruik van gemeentelijke voorzieningen in de huisvesting t
De gemeente bekostigt aan het bevoegd gezag van een andere dan een gemeentelijke school dat is onderworpen aan een of meer van de in artikel 220 van de Gemeentewet bedoelde belastingen ter zake van onroerende zaken, het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen met betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen.
###### Paragraaf 2. Bekostiging personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.
###### Paragraaf 2. Bekostiging personeels- en exploitatiekosten
### Artikel 96d
**1.** Met inachtneming van de artikelen 84 tot en met 85 en 86, eerste lid, verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van openbare en bijzondere scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs een bekostigingsbedrag ten behoeve van de personeels- en exploitatiekosten gezamenlijk.
**1.** Met inachtneming van de artikelen 84 tot en met 85 en 86, eerste lid, verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van openbare en bijzondere scholen een bekostigingsbedrag ten behoeve van de personeels- en exploitatiekosten gezamenlijk.
**2.** In geval van het verstrekken van aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 85a of artikel 89 verstrekt het Rijk aan het desbetreffende bevoegd gezag het bedrag van deze bekostiging.
###### Paragraaf 2a. Bekostiging nascholingskosten van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.
###### Paragraaf 2a. Bekostiging nascholingskosten van de scholen
### Artikel 96d.2
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 85b verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van openbare en bijzondere scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs een bedrag ten behoeve van nascholing van het personeel.
Met inachtneming van het bepaalde in artikel 85b verstrekt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van openbare en bijzondere scholen een bedrag ten behoeve van nascholing van het personeel.
###### Paragraaf 3
@ -2598,7 +2612,7 @@ Vervallen
### Artikel 96o
**1.** Op het bedrag, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, worden voor zover het betreft scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs in mindering gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan van personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent of heeft uitgeoefend aan een school van het bevoegd gezag, voor zover laatstbedoeld personeel in het genot is van wachtgeld of een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt, indien het betreft openbaar onderwijs, onder «school van het bevoegd gezag» verstaan elke binnen de desbetreffende gemeente gelegen school, met uitzondering van de binnen die gemeente gelegen nevenvestigingen waarvan de hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen.
**1.** Op het bedrag, bedoeld in artikel 96m, eerste lid, worden in mindering gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan van personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent of heeft uitgeoefend aan een school van het bevoegd gezag, voor zover laatstbedoeld personeel in het genot is van wachtgeld of een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt, indien het betreft openbaar onderwijs, onder «school van het bevoegd gezag» verstaan elke binnen de desbetreffende gemeente gelegen school, met uitzondering van de binnen die gemeente gelegen nevenvestigingen waarvan de hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen.
**2.**
@ -2613,7 +2627,7 @@ De in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar kan in geval van een of meer zi
**4.** Het eerste lid is eveneens van toepassing, indien de benoeming heeft plaatsgevonden in aansluiting op een benoeming in tijdelijke dienst in dezelfde functie.
**5.** Met gewezen personeel dat in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering als bedoeld in het eerste lid onderdeel b, wordt gelijkgesteld personeel aan wie op grond van het leerlingenverloop op of na 1 februari ontslag is of zal worden aangezegd, op grond van welk ontslag recht op wachtgeld of een andere ontslaguitkering zou kunnen ontstaan. In afwijking van de eerste volzin kan voor een periode tot uiterlijk de datum van ingang van het recht op wachtgeld of op een andere ontslaguitkering in een vacature worden voorzien zonder dat de vermindering, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.
**5.** Met gewezen personeel dat in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering als bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld personeel aan wie op grond van het leerlingenverloop op of na 1 februari ontslag is of zal worden aangezegd, op grond van welk ontslag recht op wachtgeld of een andere ontslaguitkering zou kunnen ontstaan. In afwijking van de eerste volzin kan voor een periode tot uiterlijk de datum van ingang van het recht op wachtgeld of op een andere ontslaguitkering in een vacature worden voorzien zonder dat de vermindering, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.
**6.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen geen vermindering als bedoeld in het eerste en tweede lid plaatsvindt.
@ -2725,7 +2739,7 @@ d. de instantie, bedoeld in artikel 98b, vijfde lid.
### Artikel 99
**1.** Het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs besteedt de verstrekte bekostiging en de betaalde bedragen ten behoeve van die school op de wijze zoals aangegeven in het tweede tot en met vijfde lid.
**1.** Het bevoegd gezag besteedt de verstrekte bekostiging en de betaalde bedragen ten behoeve van die school op de wijze zoals aangegeven in het tweede tot en met vijfde lid.
**2.** De voor voorzieningen in de huisvesting betaalde bedragen worden zodanig aangewend dat een behoorlijke en deugdelijke totstandkoming van deze voorzieningen is verzekerd. Indien na realisatie van de in de eerste volzin bedoelde voorzieningen de bedragen niet volledig zijn aangewend, kan het resterende deel daarvan worden aangewend voor de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie.
@ -2739,8 +2753,8 @@ d. de instantie, bedoeld in artikel 98b, vijfde lid.
Het bevoegd gezag kan het in het derde lid bedoelde voor personeels- en exploitatiekosten betaalde bedrag mede aanwenden ten behoeve van de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie van:
a. een andere in het eerste lid bedoelde school;
b. een scholengemeenschap waarvan een of meer in het eerste lid bedoelde scholen deel uitmaken;
a. een andere school voor voortgezet onderwijs;
b. een scholengemeenschap waarvan een of meer scholen voor voortgezet onderwijs deel uitmaken;
c. een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van deze wet.
**7.** De op grond van artikel 96g of artikel 96h verstrekte bekostiging wordt besteed aan het doel waarvoor zij zijn verleend.
@ -3283,10 +3297,6 @@ c. een bijdrage ten behoeve van de uitoefening van landelijke taken in het kader
**2.** Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de werkzaamheden van die rechtspersoon.
### Artikel 124
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het voortgezet onderwijs.
## Deel II. Voortgezet speciaal onderwijs
### Titel I. Algemene bepalingen
@ -5277,7 +5287,7 @@ Bij het overleg kunnen door het gemeentebestuur rechtspersonen als bedoeld in he
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan een gemeente voor telkens een periode van 4 jaar in aanmerking komt voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten voor onderwijs in allochtone levende talen, alsmede de criteria voor de hoogte daarvan. De uitkering wordt per jaar verstrekt.
**2.** De gemeenteraad kan nadat de allochtone ouders op een door de gemeenteraad te bepalen wijze in staat zijn gesteld hun mening daarover kenbaar te maken, de middelen die het als specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, uit 's Rijks kas ontvangt voor onderwijs in allochtone levende talen geheel of gedeeltelijk bestemmen voor taalondersteuning van allochtone leerlingen in de eerste vier schooljaren dan wel deze middelen geheel of gedeeltelijk overdragen aan een andere gemeente ten behoeve van onderwijs in een of meer allochtone levende talen in die gemeente. Indien de gemeenteraad besluit de uitkering, bedoeld in het eerste lid, geheel te bestemmen voor taalondersteuning van allochtone leerlingen in de eerste vier schooljaren, is artikel 272 niet van toepassing.
**2.** De gemeenteraad kan, nadat de allochtone ouders op een door de gemeenteraad te bepalen wijze in staat zijn gesteld hun mening daarover kenbaar te maken, de middelen die de gemeente als specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, uit 's Rijks kas ontvangt voor onderwijs in allochtone levende talen geheel of gedeeltelijk overdragen aan een andere gemeente ten behoeve van onderwijs in een of meer allochtone levende talen in die gemeente.
**3.** De gemeente verstrekt de middelen, bedoeld in artikel 272, derde lid, aan de rechtspersonen die daarvoor in aanmerking komen.