2013-07-01 | BWBR0002414 | Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960

This commit is contained in:
Coornhert 2013-07-01 12:00:00 +00:00
parent 044123803d
commit a57908e6e2

View file

@ -114,7 +114,7 @@ een ten laste van de Staat of van een door de Staat ingesteld orgaan, al dan nie
2. "algemeen weduwenpensioen" en "algemeen wezenpensioen":
een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering onderscheidenlijk een wezenpensioen, als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet zoals die wet laatstelijk luidde.
3. «algemene nabestaandenuitkering» , «algemene halfwezenuitkering» en «algemene wezenuitkering»: een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.
3. «algemene nabestaandenuitkering» en «algemene wezenuitkering»: een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet.
### Artikel 8
@ -124,16 +124,16 @@ De wezenonderstand, waarop twee of meer volle wezen aanspraak hebben, wordt, ind
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt:
a. de algemene nabestaandenuitkering, de algemene halfwezenuitkering en de algemene wezenuitkering geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen, waarop degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had of zou hebben bereikt;
a. de algemene nabestaandenuitkering en de algemene wezenuitkering geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen, waarop degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had of zou hebben bereikt;
b. een weduwenpensioen of een wezenonderstand geacht betrekking te hebben op het tijdvak, gedurende hetwelk zou zijn geacht te zijn vervuld de diensttijd van degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend, indien diens pensioen was of ware berekend naar de in het eerste lid van artikel 2 onder a bedoelde diensttijd;
c. als diensttijd uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop degene, aan wiens overlijden het recht op weduwenpensioen of wezenonderstand wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, had of zou hebben bereikt;
d. tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van de algemene nabestaandenuitkering en de algemene wezenuitkering, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtens hoofdstuk 5 van de Algemene nabestaandenwet, indien en voor zover die tijd samenvalt met het onder b bedoelde tijdvak, op dat tijdvak in mindering gebracht en voor de toepassing van artikel 10 buiten aanmerking gelaten.
### Artikel 10
**1.** Bij gelijktijdige aanspraak op een of meer weduwenpensioenen onderscheidenlijk een of meer wezenonderstanden en een algemene nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering onderscheidenlijk een algemene wezenuitkering, wordt, voor zover tijdvakken als bedoeld in het voorgaande artikel onder *a* en *b* samenvallen, gerekend van 1 januari 1963 af, de uitbetaling van het weduwenpensioen of de weduwenpensioenen onderscheidenlijk de wezenonderstand of de wezenonderstanden iedere maand beperkt naar reden van 2 ten honderd van het in artikel 26, eerste lid, onder b en c bedoelde volle algemene nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering onderscheidenlijk algemene wezenuitkering per samenvallend jaar.
**1.** Bij gelijktijdige aanspraak op een of meer weduwenpensioenen onderscheidenlijk een of meer wezenonderstanden en een algemene nabestaandenuitkering onderscheidenlijk een algemene wezenuitkering, wordt, voor zover tijdvakken als bedoeld in het voorgaande artikel onder *a* en *b* samenvallen, gerekend van 1 januari 1963 af, de uitbetaling van het weduwenpensioen of de weduwenpensioenen onderscheidenlijk de wezenonderstand of de wezenonderstanden iedere maand beperkt naar reden van 2 ten honderd van het in artikel 26, eerste lid, onder b en c bedoelde volle algemene nabestaandenuitkering onderscheidenlijk algemene wezenuitkering per samenvallend jaar.
**2.** Indien een weduwe recht heeft op een algemene nabestaandenuitkering of een algemene halfwezenuitkering op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, artikel 14, derde lid, of artikel 22 van de Algemene nabestaandenwet, doch geen van de in even genoemde bepalingen bedoelde kinderen recht heeft op wezenonderstand, wordt de beperking berekend naar de algemene nabestaandenuitkering van een weduwe zonder kinderen.
**2.** Indien een weduwe recht heeft op een algemene nabestaandenuitkering op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, doch geen van de in even genoemde bepalingen bedoelde kinderen recht heeft op wezenonderstand, wordt de beperking berekend naar de algemene nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet.
**3.** Indien het bedrag, dat aan een weduwe aan een of meer weduwenpensioenen is toegekend, per maand in totaal minder bedraagt dan 5/84 van een ouderdomspensioen als bedoeld in het tweede lid van artikel 4, wordt gerekend van 1 januari 1972 af, het met toepassing van het eerste onderscheidenlijk het tweede lid berekende bedrag van de beperking vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld bedrag en de noemer is 5/84 van dat ouderdomspensioen.
@ -164,7 +164,7 @@ Ingeval van toepassing van artikel 30, tweede lid, van de Algemene Weduwen- en W
### Artikel 15
De beperking bedraagt, gerekend van 1 januari 1963 af, ten hoogste 80 ten honderd van de algemene nabestaandenuitkering, de algemene halfwezenuitkering onderscheidenlijk de algemene wezenuitkering.
De beperking bedraagt, gerekend van 1 januari 1963 af, ten hoogste 80 ten honderd van de algemene nabestaandenuitkering onderscheidenlijk de algemene wezenuitkering.
### Artikel 16
@ -172,11 +172,11 @@ Vervallen
### Artikel 17
Ten aanzien van gevallen, waarin uit hoofde van aanspraak op algemene nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering, of algemene wezenuitkering mede beperking plaats vindt van enige andere weduwen- of wezenpensioenuitkering is het bepaalde in artikel 5a van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van gevallen, waarin uit hoofde van aanspraak op algemene nabestaandenuitkering of algemene wezenuitkering mede beperking plaats vindt van enige andere weduwen- of wezenpensioenuitkering is het bepaalde in artikel 5a van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 18
**1.** Op schriftelijk verzoek van de weduwe, die aantoont, dat een rente of uitkering, als bedoeld in artikel 19, onder 2e, der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2*e*, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919, daaronder begrepen de daarop verleende toe- en bijslagen anders dan ingevolge de Wet compensatie premie Algemene Ouderdomswet ongevallenrentetrekkers, is beperkt wegens samenloop met een algemene nabestaandenuitkering of algemene halfwezenuitkering, wordt het bedrag van die beperking op het bedrag van de in artikel 10 bedoelde beperking in mindering gebracht.
**1.** Op schriftelijk verzoek van de weduwe, die aantoont, dat een rente of uitkering, als bedoeld in artikel 19, onder 2e, der Ongevallenwet 1921, artikel 40, onder 2*e*, der Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, der Zeeongevallenwet 1919, daaronder begrepen de daarop verleende toe- en bijslagen anders dan ingevolge de Wet compensatie premie Algemene Ouderdomswet ongevallenrentetrekkers, is beperkt wegens samenloop met een algemene nabestaandenuitkering, wordt het bedrag van die beperking op het bedrag van de in artikel 10 bedoelde beperking in mindering gebracht.
**2.** De in het voorgaande lid bedoelde vermindering van de beperking gaat in op de dag, waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, doch uiterlijk een jaar voor de maand, waarin het verzoek is ingediend.
@ -192,11 +192,11 @@ Vervallen
### Artikel 21
De bepalingen van deze wet blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen, die op grond van gemoedsbezwaren hun aanspraak op algemene nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering, of algemene wezenuitkering niet geldig maken.
De bepalingen van deze wet blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen, die op grond van gemoedsbezwaren hun aanspraak op algemene nabestaandenuitkering of algemene wezenuitkering niet geldig maken.
### Artikel 22
**1.** Ten aanzien van de weduwen en wezen, die aantonen, dat zij op 30 september 1959 aan weduwenpensioen onderscheidenlijk wezenonderstand, toeslag en renten of uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetten, in totaal een hoger bedrag ontvingen of hadden moeten ontvangen dan dat, waarop zij aan bedoeld weduwenpensioen onderscheidenlijk wezenonderstand, toeslag, renten of uitkeringen en aan algemene nabestaandenuitkering, algemene halfwezenuitkering onderscheidenlijk algemene wezenuitkering in totaal aanspraak hebben, wordt de beperking krachtens deze wet zodanig verminderd, dat zij in totaal niet minder ontvangen dan dat hogere bedrag.
**1.** Ten aanzien van de weduwen en wezen, die aantonen, dat zij op 30 september 1959 aan weduwenpensioen onderscheidenlijk wezenonderstand, toeslag en renten of uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetten, in totaal een hoger bedrag ontvingen of hadden moeten ontvangen dan dat, waarop zij aan bedoeld weduwenpensioen onderscheidenlijk wezenonderstand, toeslag, renten of uitkeringen en aan algemene nabestaandenuitkering onderscheidenlijk algemene wezenuitkering in totaal aanspraak hebben, wordt de beperking krachtens deze wet zodanig verminderd, dat zij in totaal niet minder ontvangen dan dat hogere bedrag.
**2.** Renten en uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetten worden voor de toepassing van het vorige lid vermeerderd met de daarop verleende toe- en bijslagen anders dan ingevolge de Wet compensatie premie Algemene Ouderdomswet ongevallenrentetrekkers.
@ -212,7 +212,7 @@ De bepalingen van deze wet blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen, di
### Artikel 23
Indien een algemeen ouderdomspensioen, een algemene nabestaandenuitkering, een algemene halfwezenuitkering, of een algemene wezenuitkering wordt toegekend of herzien over een tijdvak waarover reeds een pensioen, een weduwenpensioen of een wezenonderstand werd uitbetaald, kan de Sociale verzekeringsbank hetgeen teveel werd genoten ten behoeve van het lichaam dat laatstgenoemde uitkeringen heeft betaald, inhouden op het desbetreffende algemeen pensioen voor zover dat betrekking heeft op evengenoemd tijdvak.
Indien een algemeen ouderdomspensioen, een algemene nabestaandenuitkering of een algemene wezenuitkering wordt toegekend of herzien over een tijdvak waarover reeds een pensioen, een weduwenpensioen of een wezenonderstand werd uitbetaald, kan de Sociale verzekeringsbank hetgeen teveel werd genoten ten behoeve van het lichaam dat laatstgenoemde uitkeringen heeft betaald, inhouden op het desbetreffende algemeen pensioen voor zover dat betrekking heeft op evengenoemd tijdvak.
### Artikel 24
@ -230,7 +230,7 @@ Naar de in artikel 32 van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 gemaakte on
**5.** In geval van toepassing van het vorige lid wordt voor volgende berekeningen van de beperking, het pensioen, het weduwenpensioen of de wezenonderstand geacht evenveel meer te bedragen als het bedrag, waarmede de beperking ingevolge het vorige lid is verminderd.
**6.** Met ingang van de dag waarop voor belanghebbende na 31 december 1962 recht op een lager bedrag aan algemeen ouderdomspensioen, algemeen weduwenpensioen of algemeen wezenpensioen onderscheidenlijk op of na 1 juli 1996 aan een algemene nabestaandenuitkering, een algemene halfwezenuitkering, of een algemene wezenuitkering ontstaat, wordt het in het vorige lid bedoelde bedrag zodanig lager gesteld, alsof de omstandigheid die tot wijziging leidde reeds op 31 december 1962 aanwezig was geweest.
**6.** Met ingang van de dag waarop voor belanghebbende na 31 december 1962 recht op een lager bedrag aan algemeen ouderdomspensioen, algemeen weduwenpensioen of algemeen wezenpensioen onderscheidenlijk op of na 1 juli 1996 aan een algemene nabestaandenuitkering of een algemene wezenuitkering ontstaat, wordt het in het vorige lid bedoelde bedrag zodanig lager gesteld, alsof de omstandigheid die tot wijziging leidde reeds op 31 december 1962 aanwezig was geweest.
### Artikel 26
@ -250,7 +250,7 @@ gerekend van 1 september 1962 af op
gerekend van 1 januari 1963 af op het volle ouderdomspensioen, met dien verstande, dat in gevallen als bedoeld in artikel 14, lid 4, van de Algemene Ouderdomswet, een weduwnaar tot het tijdstip, met ingang waarvan het hem toegekende ouderdomspensioen wordt herzien, wordt aangemerkt als te behoren tot de groep bedoeld in artikel 8, zesde lid, onder a, van die wet.
b. Vanaf 1 april 1985 voor de groepen, genoemd in artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet, het in de beperking te betrekken bedrag van het algemeen ouderdomspensioen gesteld op het volle algemeen ouderdomspensioen en vanaf de datum van 1 januari 1987 respectievelijk 1 april 1988 voor de groep, genoemd in artikel 9a, respectievelijk artikel 9, eerste lid, onderdeel *c*, van de Algemene Ouderdomswet, het in de beperking te betrekken bedrag van het algemeen ouderdomspensioen gesteld op het volle algemeen ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, met dien verstande, dat het algemeen ouderdomspensioen dat krachtens artikel 18 van de Algemene Ouderdomswet is uitbetaald buiten beschouwing wordt gelaten.
c. voor de groepen, genoemd in artikel 19 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet respectievelijk de artikelen 17 en 25 van de Algemene nabestaandenwet, zoals die artikelen luidden op de hierna genoemde tijdstippen, het in de beperking te betrekken bedrag van het algemeen weduwenpensioen respectievelijk de uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet onderscheidenlijk gesteld:
c. voor de groepen, genoemd in artikel 19 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet respectievelijk artikel 17 van de Algemene nabestaandenwet, zoals dat artikel luidde op de hierna genoemde tijdstippen op de hierna genoemde tijdstippen, het in de beperking te betrekken bedrag van het algemeen weduwenpensioen respectievelijk de uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet onderscheidenlijk gesteld:
gerekend van 1 april 1960 af op
@ -267,9 +267,9 @@ gerekend van 1 april 1960 af op
€ 220,54, € 332,17 en € 435,63;
gerekend van 1 januari 1963 af op het volle algemeen wezenpensioen respectievelijk de volle algemene halfwezenuitkering.
gerekend van 1 januari 1963 af op het volle algemeen wezenpensioen.
**2.** Voor de toepassing van deze wet worden vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, geacht op overeenkomstige wijze als het algemene ouderdomspensioen, de algemene nabestaandenuitkering, de algemene halfwezenuitkering en de algemene wezenuitkering in termijnen te worden uitbetaald.
**2.** Voor de toepassing van deze wet worden vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, geacht op overeenkomstige wijze als het algemene ouderdomspensioen, de algemene nabestaandenuitkering en de algemene wezenuitkering in termijnen te worden uitbetaald.
### Artikel 26a
@ -313,9 +313,9 @@ b. met ingang van de maand volgende op die waarin de weduwe hertrouwt, als partn
### Artikel 27b
**1.** Indien ter zake van het overlijden van een in artikel 27 bedoelde gepensioneerde recht op een weduwepensioen als bedoeld in deze regeling ontstaat, heeft de weduwe die op 1 januari 1998 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt in afwijking van het zesde lid recht op een toeslag voor de tijd die bij de berekening van het pensioen in aanmerking is genomen. Dit recht bestaat indien en voor zolang recht bestaat op een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet, die krachtens artikel 67, derde of negende lid, van de Algemene nabestaandenwet vanaf 1 januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de weduwe vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon ononderbroken ongehuwd samenwoont.
**1.** Indien ter zake van het overlijden van een in artikel 27 bedoelde gepensioneerde recht op een weduwepensioen als bedoeld in deze regeling ontstaat, heeft de weduwe die op 1 januari 1998 de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt in afwijking van het zesde lid recht op een toeslag voor de tijd die bij de berekening van het pensioen in aanmerking is genomen. Dit recht bestaat indien en voor zolang recht bestaat op een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet, die krachtens artikel 67, derde of zesde lid, van de Algemene nabestaandenwet vanaf 1 januari 1998 wordt verminderd wegens de omstandigheid dat de weduwe vanaf een tijdstip voor 1 juli 1996 met dezelfde persoon ononderbroken ongehuwd samenwoont.
**2.** De toeslag, bedoeld in onderdeel a, bedraagt per pensioentellend jaar 2,5% van het verschil tussen 75% van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering en de krachtens artikel 67, derde of negende lid van de Algemene nabestaandenwet verminderde nabestaandenuitkering. De toeslag bedraagt niet meer dan 75% van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering. De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming van de bedragen vanaf die datum en wordt vervolgens telkens nader vastgesteld aan de hand van de ontwikkelingen van de bedragen van de Algemene nabestaandenwet.
**2.** De toeslag, bedoeld in onderdeel a, bedraagt per pensioentellend jaar 2,5% van het verschil tussen 75% van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering en de krachtens artikel 67, derde of zesde lid van de Algemene nabestaandenwet verminderde nabestaandenuitkering. De toeslag bedraagt niet meer dan 75% van de krachtens de artikelen 14 en 30 van de Algemene nabestaandenwet vastgestelde nabestaandenuitkering. De toeslag wordt vanaf 1 januari 1998 vastgesteld met inachtneming van de bedragen vanaf die datum en wordt vervolgens telkens nader vastgesteld aan de hand van de ontwikkelingen van de bedragen van de Algemene nabestaandenwet.
**3.**