2013-08-20 | BWBR0001985 | Schepelingenbesluit
This commit is contained in:
parent
29c9d5dd6d
commit
a5cbeef5e9
1 changed files with 79 additions and 94 deletions
|
|
@ -204,7 +204,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
De in de artikelen 36, 37 en 37*a* genoemde verplichtingen gelden niet voor visschersvaartuigen, tenzij de zeewerkgever de zorg voor de voeding bij de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk op zich heeft genomen.
|
||||
De artikelen 36 tot en met 37b en 40 tot en met 43 zijn slechts van toepassing op vissersvaartuigen als bedoeld in de Wet zeevarenden. De in de artikelen 36 en 37 genoemde verplichtingen gelden daarbij alleen indien de werkgever de zorg voor de voeding bij de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk op zich heeft genomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
|
|
@ -230,7 +230,7 @@ Voor de aanvang van de reis is de zeewerkgever, en gedurende de reis is de kapit
|
|||
|
||||
**3.** Telkenmale wanneer een tank voor onderzoek, onderhoud of anderszins is betreden, moet zij, alvorens in gebruik te mogen worden genomen, worden gevuld met drinkwater, waarin 10 gram vrij chloor per ton moet worden gemengd. Dit water moet, nadat het ten minste 2 uur in de tank is geweest, worden uitgepompt, waarna de tank mag worden gevuld.
|
||||
|
||||
**4.** Tijdens het laden van drinkwater moet daaraan per ton water worden toegevoegd een gestabiliseerd hypochloriet in zodanige hoeveelheid, dat minstens 0,7 g. vrij chloor per ton vrijkomt, dan wel een hoeveelheid gestabiliseerd hypochloriet benevens een hoeveelheid ammoniumzout zodanig, dat minstens 2,5 g. monochlooramine (NH_2Cl) per ton ontstaat. Bedoelde toevoeging moet op zulk een wijze geschieden, dat behoorlijke menging gewaarborgd is. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan gelijkwaardig geachte stoffen toelaten, welke in bepaalde hoeveelheden 0,7 g. vrij chloor per ton water opleveren.
|
||||
**4.** Tijdens het laden van drinkwater moet daaraan per ton water worden toegevoegd een gestabiliseerd hypochloriet in zodanige hoeveelheid, dat minstens 0,7 g. vrij chloor per ton vrijkomt, dan wel een hoeveelheid gestabiliseerd hypochloriet benevens een hoeveelheid ammoniumzout zodanig, dat minstens 2,5 g. monochlooramine (NH_2Cl) per ton ontstaat. Bedoelde toevoeging moet op zulk een wijze geschieden, dat behoorlijke menging gewaarborgd is. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan gelijkwaardig geachte stoffen toelaten, welke in bepaalde hoeveelheden 0,7 g. vrij chloor per ton water opleveren.
|
||||
|
||||
**5.** Tijdens het laden van het drinkwater moet zoveel mogelijk zorggedragen worden, dat de aanvoerslang door middel van balkjes of van andere geschikte middelen vrij van de kade gehouden wordt. Alvorens het uit een aanvoerslang komende water in een drinkwatertank geleid wordt, moet het water gedurende ten minste een minuut op de volle aanvoerdruk door de slang stromen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -254,23 +254,23 @@ Voor de aanvang van de reis is de zeewerkgever, en gedurende de reis is de kapit
|
|||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
**1.** Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 36 tot en met 42 zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
|
||||
**1.** Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 36 tot en met 42 zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren.
|
||||
|
||||
**2.** Door het houden van onverwachte inspecties overtuigen de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat zich er van, dat de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften behoorlijk worden nageleefd. Indien zij het noodzakelijk achten een monster van de voedingsmiddelen of van het drinkwater te nemen, roepen zij daartoe deskundige hulp in.
|
||||
**2.** Door het houden van onverwachte inspecties overtuigen de bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren zich er van, dat de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften behoorlijk worden nageleefd. Indien zij het noodzakelijk achten een monster van de voedingsmiddelen of van het drinkwater te nemen, roepen zij daartoe deskundige hulp in.
|
||||
|
||||
**3.** De bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat zijn bevoegd aanbevelingen te doen met betrekking tot de naleving van de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften.
|
||||
**3.** De bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren zijn bevoegd aanbevelingen te doen met betrekking tot de naleving van de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften.
|
||||
|
||||
**4.** Gedurende de reis houdt de kapitein of een door hem aan te wijzen officier, vergezeld van een verantwoordelijk lid van de civiele dienst, iedere maand een inspectie, waarbij wordt nagegaan de toestand van de voorraad levensmiddelen en water en waarbij tevens alle ruimten en uitrustingen gebruikt voor de bewaring en de behandeling van levensmiddelen en water, alsmede de kombuis en elke andere inrichting, gebruikt voor het bereiden en het opdienen van maaltijden worden geïnspecteerd. Van de bevindingen wordt in het scheepsdagboek melding gemaakt.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een derde deel van de schepelingen of een organisatie die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is van zeewerkgevers of zeelieden schriftelijk een klacht indient bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot de deugdelijkheid of de hoeveelheid van de eet- en drinkwaren, is deze verplicht een onderzoek in te stellen naar de gegrondheid van de klacht. De klacht moet zo spoedig mogelijk, en tenminste 24 uur vóór het vastgestelde tijdstip van vertrek ingediend zijn.
|
||||
**5.** Indien een derde deel van de schepelingen of een organisatie die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is van zeewerkgevers of zeelieden schriftelijk een klacht indient bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot de deugdelijkheid of de hoeveelheid van de eet- en drinkwaren, is deze verplicht een onderzoek in te stellen naar de gegrondheid van de klacht. De klacht moet zo spoedig mogelijk, en tenminste 24 uur vóór het vastgestelde tijdstip van vertrek ingediend zijn.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VI. Van de aanwezigheid aan boord van sterken drank voor gebruik door de bemanning
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
**1.** Er mag voor gebruik van de bemanning geen sterke drank aan boord worden medegenomen, boven de hoeveelheid van 0,1 liter per reisdag voor elk lid van de bemanning.
|
||||
**1.** Er mag voor gebruik van de bemanning op vissersvaartuigen als bedoeld in de Wet zeevarenden geen sterke drank aan boord worden medegenomen, boven de hoeveelheid van 0,1 liter per reisdag voor elk lid van de bemanning.
|
||||
|
||||
**2.** Voor schepen in vaste lijndiensten wordt het aantal reisdagen gerekend volgens de vastgestelde afvaarttabellen. Voor alle andere schepen wordt het aantal reisdagen door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld, met dien verstande, dat dit aantal nimmer meer dan 180 dagen mag bedragen.
|
||||
**2.** Het aantal reisdagen wordt door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld, met dien verstande dat dit aantal nimmer meer dan 180 dagen mag bedragen.
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
|
|
@ -284,44 +284,45 @@ Onder sterken drank, bedoeld in artikel 44, wordt verstaan drank, die bij een te
|
|||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. "verblijven": de dag- en nachtverblijven en alle ruimten voor sanitaire doeleinden, ziekenverpleging en ontspanning, bestemd voor gebruik door de bemanning;
|
||||
a. "verblijven": de dag- en nachtverblijven en alle ruimten voor sanitaire doeleinden, ziekenverpleging en ontspanning, bestemd voor gebruik door de zeevarenden als bedoeld in de Wet zeevarenden;
|
||||
b. "passagiersschip": een schip waarvoor een "veiligheidscertificaat voor passagiersschepen" is afgegeven, nog geldig op het ogenblik van vertrek;
|
||||
c. "ton": registerton van 1/0,353 kubieke meter; waar in dit besluit de grootte van een schip in deze eenheid wordt uitgedrukt, wordt daaronder verstaan de bruto-inhoud van het schip als vastgesteld volgens de bepalingen krachtens de Meetbrievenwet 1948 (*Stb.* I 492); indien de grootte van een schip is vastgesteld volgens de bepalingen krachtens de Meetbrievenwet 1981 (*Stb.* 122) en derhalve wordt aangegeven als bruto-tonnage, heeft deze term dezelfde betekenis als de term bruto-inhoud uitgedrukt in registerton;
|
||||
d. "officieren": de schepelingen, aan wie de monsterrol de rang van officier toekent;
|
||||
e. "scheepsgezellen": alle schepelingen die niet de rang van officier hebben;
|
||||
d. "officieren": de zeevarenden, aan wie de monsterrol de rang van officier toekent;
|
||||
e. "scheepsgezellen": alle zeevarenden die niet de rang van officier hebben;
|
||||
f. "onderofficieren": die scheepsgezellen, die dienst doen in een toezichthoudende functie of in een functie met bijzondere verantwoordelijkheid en die door de zeewerkgever als zodanig worden beschouwd.
|
||||
g. "volwassene": een persoon die ten minste 18 jaar oud is;
|
||||
h. "des nachts": de tijd tussen 23 uur en het tijdstip van zonsopgang de volgende dag;
|
||||
i. "bestaande schepen": schepen, geen vissersschepen zijnde, waarvan de kiel is gelegd of de bouw in een overeenkomstige fase van ontwikkeling was voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
|
||||
j. "vissersschepen": alle schepen die in de uitoefening van het visserijbedrijf worden gebruikt voor het vangen van vis of van andere levende rijkdommen van de zee;
|
||||
i. «bestaande schepen»: schepen, geen oude schepen en geen vissersschepen zijnde, waarvan de kiel is gelegd of de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor de datum van inwerkingtreding van artikel XII van de wet tot implementatie van het op 23 februari 2006 te Geneve tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93);
|
||||
j. «vissersschepen»: vissersvaartuigen als bedoeld in de Wet zeevarenden;
|
||||
k. "lengte": van een vissersschip: de lengte gemeten van de voorzijde van het bovenste uiteinde van de voorsteven tot de achterzijde van het bovenste uiteinde van de achtersteven. Indien geen achtersteven aanwezig is, behoort de lengte te worden genomen tot het snijpunt van de voorzijde van de roerkoning (of de lijn in het verlengde daarvan) met het bovenste dek;
|
||||
l. "bestaande vissersschepen": vissersschepen waarvan de kiel is gelegd voor 12 mei 1977;
|
||||
m. "sleepboot": een schip, in hoofdzaak bestemd voor het slepen of bergen van vaartuigen, en waarmee in de regel geen andere personen of goederen worden vervoerd dan die, welke tot de eigen bemanning en uitrusting, of tot die van het gesleept wordende, te slepen of te bergen object behoren, dan wel bij het bergingswerk nodig zijn;
|
||||
n. "aannemersmaterieel": een schip dat uitsluitend bestemd is voor het verrichten van aannemingswerkzaamheden, als hoedanig onder meer worden beschouwd baggerwerkzaamheden, het inheien van palen, het inspuiten van jackets en het leggen van pijpleidingen.
|
||||
n. "aannemersmaterieel": een schip dat uitsluitend bestemd is voor het verrichten van aannemingswerkzaamheden, als hoedanig onder meer worden beschouwd baggerwerkzaamheden, het inheien van palen, het inspuiten van jackets en het leggen van pijpleidingen;
|
||||
o. «oude schepen»: schepen, geen vissersschepen zijnde, waarvan de kiel is gelegd of de bouw zich in een overeenkomstige fase van ontwikkeling bevond voor 1 augustus 1983.
|
||||
|
||||
### Artikel 47
|
||||
|
||||
Zonder toestemming van alle rechtstreeks daarbij betrokken schepelingen mag, zolang het schip in dienst is, geen deel van de dag- en nachtverblijven worden onttrokken aan zijn bestemming. Slechts in gevallen van overmacht kan, ter beoordeling van de kapitein, hiervan worden afgeweken. Deze onttrekking wordt door hem met de redenen in het scheepsdagboek vermeld.
|
||||
Zonder toestemming van alle rechtstreeks daarbij betrokken zeevarenden mag, zolang het schip in dienst is, geen deel van de dag- en nachtverblijven worden onttrokken aan zijn bestemming. Slechts in gevallen van overmacht kan, ter beoordeling van de kapitein, hiervan worden afgeweken. Deze onttrekking wordt door hem met de redenen in het scheepsdagboek vermeld.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Bepalingen met betrekking tot schepen, geen vissersschepen zijnde
|
||||
### Paragraaf 2. Bepalingen met betrekking tot bestaande schepen
|
||||
|
||||
### Artikel 48
|
||||
|
||||
**1.** Alle verblijven moeten midscheeps of in het acherschip zijn gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, indien de in het eerste lid voorgeschreven ligging in verband met de grootte, het type, de vaart of de beoogde dienst van het schip, niet wenselijk of practisch onmogelijk wordt geacht, toestaan dat verblijven in het voorschip achter het aanvaringsschot zijn gelegen.
|
||||
**2.** In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien de in het eerste lid voorgeschreven ligging in verband met de grootte, het type, de vaart of de beoogde dienst van het schip, niet wenselijk of practisch onmogelijk wordt geacht, toestaan dat verblijven in het voorschip achter het aanvaringsschot zijn gelegen.
|
||||
|
||||
**3.** Behalve op schepen van minder dan 200 ton moeten afzonderlijke dagverblijven en nachtverblijven aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Er moeten afzonderlijke dagverblijven en nachtverblijven voor officieren zijn ingericht.
|
||||
|
||||
**5.** Nachtverblijven moeten zodanig zijn gelegen dat de vloer boven de zomerlastlijn ligt. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan toestaan dat aan boord van passagiersschepen, sleepboten en aannemersmaterieel en schepen van minder dan 500 ton, de vloer van nachtverblijven beneden die lastlijn is gelegen, mits maatregelen zijn getroffen voor voldoende verlichting en ventilatie; deze verblijven mogen dan niet onder dienstgangen zijn gelegen.
|
||||
**5.** Nachtverblijven moeten zodanig zijn gelegen dat de vloer boven de zomerlastlijn ligt. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan toestaan dat aan boord van passagiersschepen, sleepboten en aannemersmaterieel en schepen van minder dan 500 ton, de vloer van nachtverblijven beneden die lastlijn is gelegen, mits maatregelen zijn getroffen voor voldoende verlichting en ventilatie; deze verblijven mogen dan niet onder dienstgangen zijn gelegen.
|
||||
|
||||
**6.** Op alle schepen dient het geluidniveau in de verblijven volgens een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vast te stellen methode te worden bepaald en dienen de resultaten daarvan aan deze ter beschikking te worden gesteld.
|
||||
**6.** Op alle schepen dient het geluidniveau in de verblijven volgens een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vast te stellen methode te worden bepaald en dienen de resultaten daarvan aan deze ter beschikking te worden gesteld.
|
||||
|
||||
**7.** In de nachtverblijven en recreatieruimten dient een aansluiting op het centraal antennesysteem aanwezig te zijn.
|
||||
|
||||
**8.** Voor sleepboten en aannemersmaterieel, zomede voor andere schepen van minder dan 500 ton kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vrijstelling verlenen van de voorschriften vervat in het derde en vierde lid van dit artikel.
|
||||
**8.** Voor sleepboten en aannemersmaterieel, zomede voor andere schepen van minder dan 500 ton kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vrijstelling verlenen van de voorschriften vervat in het derde en vierde lid van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
|
|
@ -329,11 +330,11 @@ Zonder toestemming van alle rechtstreeks daarbij betrokken schepelingen mag, zol
|
|||
|
||||
**2.** De dekken, welke de dag- en nachtverblijven boven en onder afsluiten, en de schotten, welke deze verblijven van de buitenlucht afsluiten, moeten waterdicht zijn.
|
||||
|
||||
**3.** Een houten vloerdek moet behoorlijk zijn gebreeuwd en gepekt. Een stalen vloerdek moet zijn bedekt met hout of ander materiaal, dat de warmte slecht geleidt en van voldoende dikte is. Indien de vloeren van samengesteld materiaal zijn vervaardigd, moeten de verbindingen met de wanden naar boven zijn afgerond. Van de verplichting tot het aanbrengen van de in dit lid voorgeschreven bedekking van een stalen vloerdek kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vrijstelling verlenen voor schepen, die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met naar zijn oordeel vergelijkbare klimaatsomstandigheden.
|
||||
**3.** Een houten vloerdek moet behoorlijk zijn gebreeuwd en gepekt. Een stalen vloerdek moet zijn bedekt met hout of ander materiaal, dat de warmte slecht geleidt en van voldoende dikte is. Indien de vloeren van samengesteld materiaal zijn vervaardigd, moeten de verbindingen met de wanden naar boven zijn afgerond. Van de verplichting tot het aanbrengen van de in dit lid voorgeschreven bedekking van een stalen vloerdek kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vrijstelling verlenen voor schepen, die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met naar zijn oordeel vergelijkbare klimaatsomstandigheden.
|
||||
|
||||
**4.** Als het stalen bovendek van een dag- en nachtverblijf aan de buitenlucht of aan de invloed van enige warmtebron aan boord is blootgesteld, moet het aan de bovenzijde met hout ter dikte van ten minste 5 centimeter of met ander deugdelijk en gelijkwaardig isolatiemateriaal zijn bekleed dan wel moet aan de onderzijde een bekleding met even groot isolerend vermogen zijn aangebracht. Een tevens aangebracht plafond, aansluitend tegen de dekbalken, moet geheel of gedeeltelijk wegneembaar zijn.
|
||||
|
||||
**5.** De ruimten, welke voor nachtverblijf dienen, moeten van alle andere ruimten, die niet uitsluitend voor verblijf zijn aangewezen, door goed afsluitende schotten zijn gescheiden. Indien de inrichting van het schip dit noodzakelijk maakt, mogen een of meer deuren in die schotten zijn aangebracht. De nachtverblijven mogen niet rechtstreeks in verbinding staan met de overige in artikel 46, onder *a,* genoemde ruimten, noch met de kombuis of de bakkerij. Dit voorschrift is niet van toepassing op de ruimten voor de waterclosetten, wastafels, badkuipen en douches welke worden vermeld in artikel 58, vierde, vijfde en zesde lid. De in dit lid bedoelde schotten moeten van staal of ander deugdelijk materiaal doelmatig zijn vervaardigd en zo goed mogelijk waterdicht en gasdicht zijn.
|
||||
**5.** De ruimten, welke voor nachtverblijf dienen, moeten van alle andere ruimten, die niet uitsluitend voor verblijf zijn aangewezen, door goed afsluitende schotten zijn gescheiden. Indien de inrichting van het schip dit noodzakelijk maakt, mogen een of meer deuren in die schotten zijn aangebracht. De nachtverblijven mogen niet rechtstreeks in verbinding staan met de overige in artikel 46, onder a, genoemde ruimten, noch met de kombuis of de bakkerij. Dit voorschrift is niet van toepassing op de ruimten voor de waterclosetten, wastafels, badkuipen en douches welke worden vermeld in artikel 58, vierde, vijfde en zesde lid. De in dit lid bedoelde schotten moeten van staal of ander deugdelijk materiaal doelmatig zijn vervaardigd en zo goed mogelijk waterdicht en gasdicht zijn.
|
||||
|
||||
**6.** De buitenwanden van de dag- en nachtverblijven moeten van staal of ander deugdelijk materiaal zijn vervaardigd en voldoende zijn geïsoleerd. Een schot van een machinekamerschacht, van kombuizen en andere ruimten waarin warmte wordt ontwikkeld, moet zo nodig met een isolerende laag zijn bedekt, opdat geen warmte-uitstraling naar de aangrenzende verblijven of gangen naar die verblijven plaatsvindt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -345,7 +346,7 @@ Zonder toestemming van alle rechtstreeks daarbij betrokken schepelingen mag, zol
|
|||
|
||||
De hoogte tussen de dekken van alle verblijven dient zodanig te zijn dat de bemanning zich daarin vrij kan bewegen. Gemeten vanaf de onderkant van de in het verblijf doorlopende dekbalken, dan wel van de onderkant van het plafond tot de bovenkant van de vloerbedekking dient deze hoogte ten minste 2,00 meter te bedragen.
|
||||
|
||||
Indien naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat hierdoor geen vermindering van het gerief van de bemanning ontstaat, kan hij een mindere hoogte toestaan, doch slechts tot 1,90 meter.
|
||||
Indien naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu hierdoor geen vermindering van het gerief van de bemanning ontstaat, kan hij een mindere hoogte toestaan, doch slechts tot 1,90 meter.
|
||||
|
||||
**10.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -365,31 +366,31 @@ Lucht- en overvloeipijpen van tanks mogen niet in een dag- of nachtverblijf of i
|
|||
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
De bepalingen van artikel 49 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 46, onder a, bedoelde overige ruimten, met dien verstande, dat de beschieting en de isolatie van wanden slechts daar behoeft te worden aangebracht, waar dit door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat nodig wordt geoordeeld.
|
||||
De bepalingen van artikel 49 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 46, onder a, bedoelde overige ruimten, met dien verstande, dat de beschieting en de isolatie van wanden slechts daar behoeft te worden aangebracht, waar dit door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu nodig wordt geoordeeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 51
|
||||
|
||||
**1.** Alle verblijven van de bemanning op schepen van 200 ton en meer dienen te zijn aangesloten op een luchtbehandelingsinstallatie. Dit voorschrift is niet van toepassing op schepen die uitsluitend worden gebezigd op reizen in gebieden waar naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een dergelijke installatie wegens de klimaatomstandigheden niet noodzakelijk is.
|
||||
**1.** Alle verblijven van de bemanning op schepen van 200 ton en meer dienen te zijn aangesloten op een luchtbehandelingsinstallatie. Dit voorschrift is niet van toepassing op schepen die uitsluitend worden gebezigd op reizen in gebieden waar naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een dergelijke installatie wegens de klimaatomstandigheden niet noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** Een radiohut en een centrale controlekamer in de machinekamer moeten eveneens op de in het eerste lid genoemde installatie, dan wel op een afzonderlijke luchtbehandelingsinstallatie, zijn aangesloten.
|
||||
|
||||
**3.** De luchtbehandelingsinstallatie dient zodanig te zijn ontworpen dat ten opzichte van de buitenlucht te allen tijde een behaaglijke temperatuur en relatieve vochtigheid wordt gehandhaafd en een voldoende aantal luchtwisselingen wordt bereikt. De installatie dient te zijn aangepast aan de omstandigheden welke op zee kunnen voorkomen en mag geen hinderlijk lawaai of trillingen veroorzaken. Voor het overige dient de luchtbehandelingsinstallatie te voldoen aan de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen eisen.
|
||||
**3.** De luchtbehandelingsinstallatie dient zodanig te zijn ontworpen dat ten opzichte van de buitenlucht te allen tijde een behaaglijke temperatuur en relatieve vochtigheid wordt gehandhaafd en een voldoende aantal luchtwisselingen wordt bereikt. De installatie dient te zijn aangepast aan de omstandigheden welke op zee kunnen voorkomen en mag geen hinderlijk lawaai of trillingen veroorzaken. Voor het overige dient de luchtbehandelingsinstallatie te voldoen aan de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen eisen.
|
||||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
**1.** Op schepen, die ingevolge het bepaalde in artikel 51, eerste lid, niet behoeven te zijn uitgerust met een luchtbehandelingsinstallatie, dienen de in de volgende leden genoemde voorzieningen te worden getroffen teneinde te voorzien in verwarming en ventilering van de verblijven. Het bepaalde in het negende lid van dit artikel is ook van toepassing op schepen die zijn voorzien van een luchtbehandelingsinstallatie.
|
||||
|
||||
**2.** De verblijven moeten zijn aangesloten op een doeltreffende verwarmingsinrichting die buiten de verblijven moet zijn opgesteld en die is aangepast aan de klimaatsomstandigheden. De verwarming dient te geschieden door toevoer van stoom, heet water, warme lucht, of een ander geschikt middel, dan wel door middel van elektriciteit. De verwarmingsinrichting en de plaats en wijze van opstelling daarvan dienen te voldoen aan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen eisen. Radiatoren in de verblijven dienen doelmatig te zijn geplaatst en waar nodig afgeschermd.
|
||||
**2.** De verblijven moeten zijn aangesloten op een doeltreffende verwarmingsinrichting die buiten de verblijven moet zijn opgesteld en die is aangepast aan de klimaatsomstandigheden. De verwarming dient te geschieden door toevoer van stoom, heet water, warme lucht, of een ander geschikt middel, dan wel door middel van elektriciteit. De verwarmingsinrichting en de plaats en wijze van opstelling daarvan dienen te voldoen aan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen eisen. Radiatoren in de verblijven dienen doelmatig te zijn geplaatst en waar nodig afgeschermd.
|
||||
|
||||
**3.** Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op schepen die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in de tropen en in andere gebieden met naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, vergelijkbare klimaatsomstandigheden.
|
||||
**3.** Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op schepen die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in de tropen en in andere gebieden met naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, vergelijkbare klimaatsomstandigheden.
|
||||
|
||||
**4.** Het verwarmingssysteem dient steeds in gebruik te zijn zolang leden van de bemanning aan boord wonen of werken en de omstandigheden dit vereisen. De verwarmingsinstallatie dient een zodanige capaciteit te hebben dat onder normale weersomstandigheden die tijdens de reis kunnen worden ondervonden, in alle verblijven steeds een temperatuur van ten minste 20° C kan worden onderhouden.
|
||||
|
||||
**5.** Alle verblijven moeten, dit ter beoordeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, doeltreffend kunnen worden geventileerd, en wel zodanig, dat de lucht in bevredigende toestand blijft zonder dat hinderlijke tocht wordt veroorzaakt.
|
||||
**5.** Alle verblijven moeten, dit ter beoordeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, doeltreffend kunnen worden geventileerd, en wel zodanig, dat de lucht in bevredigende toestand blijft zonder dat hinderlijke tocht wordt veroorzaakt.
|
||||
|
||||
**6.** Schepen die regelmatig worden gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met, naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, vergelijkbare klimaatsomstandigheden, dienen te zijn uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen en met elektrisch aangedreven waaiers, met dien verstande dat slechts een van deze middelen behoeft te worden aangebracht in ruimten waar dit een voldoende ventilatie verzekert.
|
||||
**6.** Schepen die regelmatig worden gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met, naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, vergelijkbare klimaatsomstandigheden, dienen te zijn uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen en met elektrisch aangedreven waaiers, met dien verstande dat slechts een van deze middelen behoeft te worden aangebracht in ruimten waar dit een voldoende ventilatie verzekert.
|
||||
|
||||
**7.** Schepen die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in gebieden buiten die genoemd in het zesde lid, dienen te zijn uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen of elektrisch aangedreven waaiers. Voor schepen die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in koude streken, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vrijstelling van dit voorschrift geven.
|
||||
**7.** Schepen die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in gebieden buiten die genoemd in het zesde lid, dienen te zijn uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen of elektrisch aangedreven waaiers. Voor schepen die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in koude streken, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vrijstelling van dit voorschrift geven.
|
||||
|
||||
**8.** Het vermogen dat nodig is om de ventilatiemiddelen, als bedoeld in het zesde en zevende lid, aan te drijven, moet, wanneer dit praktisch mogelijk is, beschikbaar zijn zolang leden van de bemanning aan boord wonen of werken en de omstandigheden dit vereisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -397,9 +398,9 @@ De bepalingen van artikel 49 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artike
|
|||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
**1.** Alle verblijven dienen behoorlijk te zijn verlicht, een en ander ter beoordeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
|
||||
**1.** Alle verblijven dienen behoorlijk te zijn verlicht, een en ander ter beoordeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
|
||||
**2.** Het daglicht dient voldoende toegang te hebben tot de dag- en nachtverblijven. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan voor passagiersschepen, sleepboten en aannemersmaterieel bijzondere regelingen treffen.
|
||||
**2.** Het daglicht dient voldoende toegang te hebben tot de dag- en nachtverblijven. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan voor passagiersschepen, sleepboten en aannemersmaterieel bijzondere regelingen treffen.
|
||||
|
||||
**3.** Alle verblijven dienen te zijn voorzien van elektrisch licht. Indien geen twee onafhankelijke elektriciteitsbronnen voor verlichting aanwezig zijn, moet een ander doeltreffend verlichtingsmiddel voor noodgevallen zijn aangebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -407,22 +408,22 @@ De bepalingen van artikel 49 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artike
|
|||
|
||||
### Artikel 54
|
||||
|
||||
**1.** Aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, dient ieder volwassen lid van de bemanning de beschikking te hebben over een eigen nachtverblijf. Wanneer de grootte en indeling van het schip en de werkzaamheden waarvoor het wordt gebruikt dit niet toelaten kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat hiervan vrijstelling verlenen.
|
||||
**1.** Aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, dient ieder volwassen lid van de bemanning de beschikking te hebben over een eigen nachtverblijf. Wanneer de grootte en indeling van het schip en de werkzaamheden waarvoor het wordt gebruikt dit niet toelaten kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu hiervan vrijstelling verlenen.
|
||||
|
||||
**2.** a. Voor de eerste stuurman, de eerste scheepswerktuigkundige en de andere officieren, chefs van diensten, zomede voor stuurlieden, scheepswerktuigkundigen en radio-officieren welke als chef van de zeewacht optreden en bovendien voor de chef radio-officier op schepen met meer dan drie radio-officieren moeten voor ieder afzonderlijk een hut als nachtverblijf beschikbaar zijn.
|
||||
b. De overige officieren dienen eveneens over een afzonderlijk nachtverblijf te beschikken. Indien zich niet een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 65, tweede lid, kan niettemin Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vrijstelling van dit voorschrift verlenen met dien verstande dat ten hoogste twee officieren in één nachtverblijf mogen worden ondergebracht.
|
||||
b. De overige officieren dienen eveneens over een afzonderlijk nachtverblijf te beschikken. Indien zich niet een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 65, tweede lid, kan niettemin Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vrijstelling van dit voorschrift verlenen met dien verstande dat ten hoogste twee officieren in één nachtverblijf mogen worden ondergebracht.
|
||||
c. In een hut bestemd tot nachtverblijf van onderofficieren mogen ten hoogste twee personen worden ondergebracht.
|
||||
d. Van de overige schepelingen mogen ten hoogste twee schepelingen van hetzelfde nachtverblijf gebruik maken, behalve aan boord van passagiersschepen, waar het maximaal toegestane aantal schepelingen in één nachtverblijf vier bedraagt.
|
||||
d. Van de overige zeevarenden mogen ten hoogste twee zeevarenden van hetzelfde nachtverblijf gebruik maken, behalve aan boord van passagiersschepen, waar het maximaal toegestane aantal zeevarenden in één nachtverblijf vier bedraagt.
|
||||
|
||||
**3.** Voor nachtverblijven aan boord van zeilschepen, schepen van minder dan 400 ton, sleepboten en aannemersmaterieel en voor nachtverblijven van fabriekspersoneel op schepen, bestemd voor de walvisvangst, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afwijking van de in het vorig lid gegeven voorschriften toestaan.
|
||||
**3.** Voor nachtverblijven aan boord van zeilschepen, schepen van minder dan 400 ton, sleepboten en aannemersmaterieel en voor nachtverblijven van fabriekspersoneel op schepen, bestemd voor de walvisvangst, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afwijking van de in het vorig lid gegeven voorschriften toestaan.
|
||||
|
||||
**4.** Aan boord van schepen van 3000 ton en meer dienen de eerste stuurman en de eerste scheepswerktuigkundige de beschikking te hebben over een aan het nachtverblijf grenzend dagverblijf.
|
||||
|
||||
**5.** Aan boord van schepen van 500 ton en meer moeten de nachtverblijven voor de leden van het dekpersoneel, het machinekamerpersoneel en het personeel van de civiele dienst per categorie gescheiden zijn, een en ander ter beoordeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
|
||||
**5.** Aan boord van schepen van 500 ton en meer moeten de nachtverblijven voor de leden van het dekpersoneel, het machinekamerpersoneel en het personeel van de civiele dienst per categorie gescheiden zijn, een en ander ter beoordeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
|
||||
|
||||
**6.** Het onderbrengen van de bemanning moet zo geschieden, dat de wachten gescheiden zijn en vrije wachtsgasten (daglieden) geen nachtverblijf met wachtdoenden delen. Wanneer de grootte en indeling van het schip en de werkzaamheden waarvoor het wordt gebruikt dit niet toelaten kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat hiervan ontheffing verlenen.
|
||||
**6.** Het onderbrengen van de bemanning moet zo geschieden, dat de wachten gescheiden zijn en vrije wachtsgasten (daglieden) geen nachtverblijf met wachtdoenden delen. Wanneer de grootte en indeling van het schip en de werkzaamheden waarvoor het wordt gebruikt dit niet toelaten kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu hiervan ontheffing verlenen.
|
||||
|
||||
**7.** Op elk nachtverblijf moet duidelijk het aantal schepelingen worden vermeld waarvoor het is bestemd.
|
||||
**7.** Op elk nachtverblijf moet duidelijk het aantal zeevarenden worden vermeld waarvoor het is bestemd.
|
||||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
|
|
@ -494,7 +495,7 @@ b. aan boord van schepen van 1000 ton meer:
|
|||
|
||||
Het bepaalde onder 2° en 3° mag worden vervangen door "onderofficieren" onderscheidenlijk "overige scheepsgezellen".
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder b, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat toestaan dat voor de scheepsgezellen één gezamenlijk dagverblijf wordt ingericht indien organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden, die als representatief kunnen worden aangemerkt, daar de voorkeur aan geven.
|
||||
**3.** In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder b, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toestaan dat voor de scheepsgezellen één gezamenlijk dagverblijf wordt ingericht indien organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden, die als representatief kunnen worden aangemerkt, daar de voorkeur aan geven.
|
||||
|
||||
**4.** Voor het personeel van de civiele dienst moet hetzij een afzonderlijk dagverblijf zijn ingericht, hetzij behoorlijke gelegenheid tot gebruik van maaltijden in een van de dagverblijven worden gegeven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -502,7 +503,7 @@ Het bepaalde onder 2° en 3° mag worden vervangen door "onderofficieren" onders
|
|||
|
||||
**6.** Het vloeroppervlak van de dagverblijven voor officieren en scheepsgezellen mag niet minder bedragen dan 1 vierkante meter per zitplaats.
|
||||
|
||||
**7.** Indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor passagiersschepen afwijking van het bepaalde in het tweede, vierde, vijfde en zesde lid toestaan.
|
||||
**7.** Indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu voor passagiersschepen afwijking van het bepaalde in het tweede, vierde, vijfde en zesde lid toestaan.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -518,7 +519,7 @@ c. voorzieningen voor het verstrekken van gekoeld water.
|
|||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
**1.** Aan boord van alle schepen moeten van het open dek een of meer gedeelten toegankelijk zijn voor de schepelingen, wanneer zij geen dienst hebben.
|
||||
**1.** Aan boord van alle schepen moeten van het open dek een of meer gedeelten toegankelijk zijn voor de zeevarenden, wanneer zij geen dienst hebben.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -528,7 +529,7 @@ Wanneer buiten de dagverblijven niet is voorzien in afzonderlijke ontspanningsru
|
|||
|
||||
**3.** In de ontspanningsruimten moet ten minste een boekenkast aanwezig zijn, alsmede gelegenheid worden geboden tot lezen en schrijven en zo mogelijk tot gezelschapsspelen.
|
||||
|
||||
**4.** Op schepen van 8000 ton en meer dient een rookkamer of een bibliotheek aanwezig te zijn, waar films kunnen worden vertoond en naar televisie kan worden gekeken. Voorts dient te zijn voorzien in een ruimte waar men kan knutselen of gezelschapsspelen kan beoefenen. Er dient een zwembad aanwezig te zijn tenzij, naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, de inrichting van het schip daartoe onvoldoende mogelijkheid biedt.
|
||||
**4.** Op schepen van 8000 ton en meer dient een rookkamer of een bibliotheek aanwezig te zijn, waar films kunnen worden vertoond en naar televisie kan worden gekeken. Voorts dient te zijn voorzien in een ruimte waar men kan knutselen of gezelschapsspelen kan beoefenen. Er dient een zwembad aanwezig te zijn tenzij, naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, de inrichting van het schip daartoe onvoldoende mogelijkheid biedt.
|
||||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
|
|
@ -538,7 +539,7 @@ Aan boord van schepen dienen op een geschikte plaats voor officieren en scheepsg
|
|||
|
||||
400 tot 500 ton ten minste 2, 500 tot 800 ton ten minste 3, 800 tot 3000 ton ten minste 4, en van 3000 ton en meer ten minste 6 waterclosetten aanwezig moeten zijn.
|
||||
|
||||
Bij de berekeningen van het aantal voorzieningen wordt bij meer dan 6 schepelingen of een veelvoud van 6 schepelingen, een aantal van 2 schepelingen of minder verwaarloosd. Voor vrouwelijke schepelingen dienen afzonderlijke sanitaire voorzieningen ter beschikking te staan.
|
||||
Bij de berekeningen van het aantal voorzieningen wordt bij meer dan 6 schepelingen of een veelvoud van 6 schepelingen, een aantal van 2 schepelingen of minder verwaarloosd. Voor vrouwelijke zeevarenden dienen afzonderlijke sanitaire voorzieningen ter beschikking te staan.
|
||||
|
||||
**2.** De beschikbaarheid van de waterclosetten dient gelijkelijk over de groepen van officieren en scheepsgezellen te worden verdeeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -566,9 +567,9 @@ Aan boord van schepen van 1600 ton en meer dient te zijn voorzien in:
|
|||
a. een aparte toiletruimte, bevattende een watercloset en een wastafel met warm en koud stromend zoet water, die gemakkelijk bereikbaar is vanaf het navigatie brugdek en bedoeld voor diegenen die daar hun werk verrichten;
|
||||
b. een watercloset en een wastafel met warm en koud stromend zoet water, gemakkelijk bereikbaar vanuit de machinekamer, indien deze voorzieningen niet zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de centrale controlekamer in de machinekamer.
|
||||
|
||||
**10.** Op schepen waar het aantal schepelingen groter dan 100 is, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een vermindering van het aantal wastafels, badkuipen en douches toestaan.
|
||||
**10.** Op schepen waar het aantal zeevarenden groter dan 100 is, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een vermindering van het aantal wastafels, badkuipen en douches toestaan.
|
||||
|
||||
**11.** De in dit artikel genoemde waterclosetten aan boord van schepen van 500 ton en meer zijn uitsluitend bestemd ten gebruike van schepelingen. Deze waterclosetten worden niet meegeteld voor het aantal, dat krachtens de Stuwadoorswet voor de havenarbeiders aan boord beschikbaar moet zijn.
|
||||
**11.** De in dit artikel genoemde waterclosetten aan boord van schepen van 500 ton en meer zijn uitsluitend bestemd ten gebruike van zeevarenden. Deze waterclosetten worden niet meegeteld voor het aantal, dat krachtens de Stuwadoorswet voor de havenarbeiders aan boord beschikbaar moet zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 59
|
||||
|
||||
|
|
@ -592,13 +593,13 @@ a. wasmachines;
|
|||
b. droogtrommels of behoorlijk verwarmde en geventileerde droogkamers;
|
||||
c. strijkijzers en strijkplanken of gelijkwaardige voorzieningen.
|
||||
|
||||
**3.** Op schepen van minder dan 250 ton mag van het bepaalde in het eerste en tweede lid worden afgeweken, mits andere voorzieningen worden getroffen, die naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat genoegzaam zijn.
|
||||
**3.** Op schepen van minder dan 250 ton mag van het bepaalde in het eerste en tweede lid worden afgeweken, mits andere voorzieningen worden getroffen, die naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu genoegzaam zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Er moet buiten, doch nabij de nachtverblijven, voldoende behoorlijk geventileerde bergruimte zijn om oliegoed, natte en vuile kleding op te hangen. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan toestaan, dat deze kledingstukken op schepen van minder dan 400 ton in een goed sluitende kast in het nachtverblijf worden opgeborgen, mits deze kast op een ruimte buiten het verblijf ventileert.
|
||||
**4.** Er moet buiten, doch nabij de nachtverblijven, voldoende behoorlijk geventileerde bergruimte zijn om oliegoed, natte en vuile kleding op te hangen. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan toestaan, dat deze kledingstukken op schepen van minder dan 400 ton in een goed sluitende kast in het nachtverblijf worden opgeborgen, mits deze kast op een ruimte buiten het verblijf ventileert.
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
**1.** Aan boord van elk schip met een bemanning van 15 schepelingen of meer, dat een reis maakt gedurende welke het langer dan 3 achtereenvolgende etmalen op zee blijft, moet een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig zijn.
|
||||
**1.** Aan boord van elk schip met een bemanning van 15 zeevarenden of meer, dat een reis maakt gedurende welke het langer dan 3 achtereenvolgende etmalen op zee blijft, moet een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het ziekenverblijf moet doelmatig zijn gelegen, en gemakkelijk bereikbaar zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -606,7 +607,7 @@ c. strijkijzers en strijkplanken of gelijkwaardige voorzieningen.
|
|||
|
||||
**4.** In het ziekenverblijf moet voldoende wasgelegenheid met toebehoren en afvoer van vuil water zijn aangebracht. De wasgelegenheid dient te zijn voorzien van warm en koud stromend zoet water.
|
||||
|
||||
**5.** Indien het aantal leden van de bemanning, dat verblijf houdt in hutten voor meer dan één persoon, minder dan 30 bedraagt, moet het ziekenverblijf zijn voorzien van één slaapplaats. Bedraagt dat aantal 30 of meer, dan dient het ziekenverblijf te zijn voorzien van twee slaapplaatsen, of zoveel meer als in verband met de omstandigheden van de reis door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt vastgesteld. Indien voor passagiers geen ziekenverblijf aanwezig is, mogen de passagiers in het ziekenverblijf worden opgenomen en gelden de voorschriften van dit lid voor de schepelingen en de passagiers gezamenlijk.
|
||||
**5.** Indien het aantal leden van de bemanning, dat verblijf houdt in hutten voor meer dan één persoon, minder dan 30 bedraagt, moet het ziekenverblijf zijn voorzien van één slaapplaats. Bedraagt dat aantal 30 of meer, dan dient het ziekenverblijf te zijn voorzien van twee slaapplaatsen, of zoveel meer als in verband met de omstandigheden van de reis door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt vastgesteld. Indien voor passagiers geen ziekenverblijf aanwezig is, mogen de passagiers in het ziekenverblijf worden opgenomen en gelden de voorschriften van dit lid voor de zeevarenden en de passagiers gezamenlijk.
|
||||
|
||||
**6.** De slaapplaatsen mogen niet boven elkaar zijn geplaatst. Hun inrichting moet ten minste voldoen aan de eisen, als bedoeld in het elfde lid en als bedoeld in artikel 55, tiende tot en met vijftiende lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -616,7 +617,7 @@ c. strijkijzers en strijkplanken of gelijkwaardige voorzieningen.
|
|||
|
||||
**9.** Het ziekenverblijf mag niet voor andere doeleinden dan het verplegen of behandelen van zieken en gewonden worden gebruikt.
|
||||
|
||||
**10.** Aan boord van alle schepen welke krachtens het bepaalde in het eerste lid niet van een ziekenverblijf behoeven te zijn voorzien, moet voor een zieke of gewonde een éénpersoonsnachtverblijf beschikbaar kunnen worden gesteld, waarin de slaapplaats als ziekenkooi is ingericht. Is het aantal schepelingen minder dan 6, dan kan worden volstaan met een als ziekenkooi ingerichte slaapplaats in een nachtverblijf.
|
||||
**10.** Aan boord van alle schepen welke krachtens het bepaalde in het eerste lid niet van een ziekenverblijf behoeven te zijn voorzien, moet voor een zieke of gewonde een éénpersoonsnachtverblijf beschikbaar kunnen worden gesteld, waarin de slaapplaats als ziekenkooi is ingericht. Is het aantal zeevarenden minder dan 6, dan kan worden volstaan met een als ziekenkooi ingerichte slaapplaats in een nachtverblijf.
|
||||
|
||||
**11.** De ziekenkooi moet zodanig zijn ingericht, dat de zieke er gemakkelijk met de matras kan worden ingebracht en uitgenomen waartoe zo nodig de schotten wegneembaar moeten zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -624,7 +625,7 @@ c. strijkijzers en strijkplanken of gelijkwaardige voorzieningen.
|
|||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
**1.** Schepen, die geregeld worden gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, vergelijkbare klimaatsomstandigheden moeten zijn uitgerust met tenten over de aan de zon blootgestelde dekken boven de verblijven en over de voor ontspanning bestemde dekruimten.
|
||||
**1.** Schepen, die geregeld worden gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, vergelijkbare klimaatsomstandigheden moeten zijn uitgerust met tenten over de aan de zon blootgestelde dekken boven de verblijven en over de voor ontspanning bestemde dekruimten.
|
||||
|
||||
**2.** Aan boord van schepen, die niet zijn voorzien van een luchtbehandelingsinstallatie en welke geregeld havens aandoen, waar malaria voorkomt of kan voorkomen, moeten de dag-, nacht- en ziekenverblijven tegen binnendringen van muskieten zijn beschermd door passende horren voor patrijspoorten en luchtkokers, alsmede voor deuren, toegang gevende tot het open dek.
|
||||
|
||||
|
|
@ -636,33 +637,31 @@ c. strijkijzers en strijkplanken of gelijkwaardige voorzieningen.
|
|||
|
||||
**2.** De verblijven moeten schoon en in behoorlijk bewoonbare toestand worden gehouden.
|
||||
|
||||
**3.** Ten minste eenmaal per week wordt door de kapitein of een daarvoor door hem aangewezen officier een inspectie van alle verblijven gehouden, waarbij hij zich door een of meer leden van de bemanning doet vergezellen. Van zijn bevindingen wordt in het scheepsdagboek melding gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
Indien tijdens de reis gebreken ontstaan aan de in dit Hoofdstuk omschreven voorzieningen, dient de kapitein deze zo spoedig mogelijk te doen verhelpen.
|
||||
|
||||
### Artikel 65
|
||||
|
||||
**1.** Behoudens het bepaalde in het tweede lid kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, na overleg met de organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden die als representatief kunnen worden aangemerkt, hetzij in een incidenteel geval, hetzij algemeen, vrijstelling verlenen van het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 62, onder zo nodig door hem te stellen voorwaarden of beperkingen.
|
||||
**1.** Behoudens het bepaalde in het tweede lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, na overleg met de organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden die als representatief kunnen worden aangemerkt, hetzij in een incidenteel geval, hetzij algemeen, vrijstelling verlenen van het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 62, onder zo nodig door hem te stellen voorwaarden of beperkingen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan voor schepen, aan boord waarvan vanwege de samenstelling van de bemanning rekening moet worden gehouden met de belangen van bemanningsleden die verschillende gewoonten van godsdienstige en maatschappelijke aard hebben, na overleg met de organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden die als representatief kunnen worden aangemerkt, vrijstelling verlenen van het bepaalde in de artikelen 54, eerste lid en tweede lid, onder d, 55, tweede en derde lid, en 58, eerste en zesde lid, onder zo nodig door hem te stellen voorwaarden of beperkingen, mits de hiervoor bedoelde organisaties ter zake overeenstemming hebben bereikt.
|
||||
**2.** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan voor schepen, aan boord waarvan vanwege de samenstelling van de bemanning rekening moet worden gehouden met de belangen van bemanningsleden die verschillende gewoonten van godsdienstige en maatschappelijke aard hebben, na overleg met de organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden die als representatief kunnen worden aangemerkt, vrijstelling verlenen van het bepaalde in de artikelen 54, eerste lid en tweede lid, onder d, 55, tweede en derde lid, en 58, eerste en zesde lid, onder zo nodig door hem te stellen voorwaarden of beperkingen, mits de hiervoor bedoelde organisaties ter zake overeenstemming hebben bereikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 66
|
||||
|
||||
Behoudens het bepaalde in artikel 67, eerste lid, is het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 62 niet van toepassing op bestaande schepen. Op bestaande schepen blijft van toepassing het bepaalde in de artikelen 46 tot en met 64 van het Koninklijk besluit van 15 mei 1937, *Stb.* 242, zoals gewijzigd bij Koninklijk besluit van 5 juni 1975, *Stb.* 327.
|
||||
Behoudens het bepaalde in artikel 67, eerste lid, is het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 62 niet van toepassing op oude schepen. Op oude schepen blijft van toepassing het bepaalde in de artikelen 46 tot en met 64 van het Koninklijk besluit van 15 mei 1937, *Stb.* 242, zoals gewijzigd bij Koninklijk besluit van 5 juni 1975, *Stb.* 327.
|
||||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, na raadpleging van de organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden die als representatief kunnen worden aangemerkt, voor een bestaand schip, dat:
|
||||
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan, na raadpleging van de organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden die als representatief kunnen worden aangemerkt, voor een oud schip, dat:
|
||||
|
||||
a. hetzij de Nederlandse nationaliteit verkrijgt;
|
||||
b. hetzij ingrijpende veranderingen in de bouw of grote reparaties ondergaat volgens een tevoren ontworpen plan, echter niet ten gevolge van een ongeval of ramp;
|
||||
c. hetzij op de datum van inwerkingtreding van dit besluit in aanbouw is;
|
||||
|
||||
bepalen, dat het geheel of gedeeltelijk moet voldoen aan het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 62. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan daarbij voorschrijven dat de te treffen voorzieningen binnen een bepaalde termijn dienen te worden aangebracht.
|
||||
bepalen, dat het geheel of gedeeltelijk moet voldoen aan het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 62. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan daarbij voorschrijven dat de te treffen voorzieningen binnen een bepaalde termijn dienen te worden aangebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Voorzieningen als bedoeld in het vorige lid worden uitsluitend voorgeschreven voor zover deze redelijk en uitvoerbaar zijn; rekening wordt gehouden met de daarmee samenhangende technische, economische en andere problemen die voortvloeien uit het uitvoeren van de voorgeschreven voorzieningen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -672,7 +671,7 @@ bepalen, dat het geheel of gedeeltelijk moet voldoen aan het bepaalde in de arti
|
|||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
**1.** Alle verblijven dienen midscheeps of in het achterschip te zijn gelegen. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, in byzondere gevallen, indien de grootte, het type of de beoogde vaart van het schip deze ligging onredelijk of onuitvoerbaar maakt, toestaan dat de verblijven in het voorschip achter het aanvaringsschot zijn gelegen.
|
||||
**1.** Alle verblijven dienen midscheeps of in het achterschip te zijn gelegen. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan, in byzondere gevallen, indien de grootte, het type of de beoogde vaart van het schip deze ligging onredelijk of onuitvoerbaar maakt, toestaan dat de verblijven in het voorschip achter het aanvaringsschot zijn gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** Voldoende dagverblijven moeten aanwezig zijn, gescheiden van de nachtverblijven en zo dicht mogelijk bij de kombuis gelegen. Indien op schepen met een lengte van minder dan 24 meter een afzonderlijk dagverblijf niet mogelijk is, kan worden volstaan met een gecombineerd dag- en nachtverblijf.
|
||||
|
||||
|
|
@ -684,9 +683,9 @@ bepalen, dat het geheel of gedeeltelijk moet voldoen aan het bepaalde in de arti
|
|||
|
||||
**2.** De inrichting van de toegangen tot de dag- en nachtverblijven moet zo zijn, dat deze toegangen steeds aan beide zijden gemakkelijk en vlug kunnen worden geopend en voldoende doorgang laten.
|
||||
|
||||
**3.** Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dit noodzakelijk acht, dienen dag- en nachtverblijven op naar zijn oordeel doelmatige plaatsen te zijn voorzien van nooduitgangen.
|
||||
**3.** Indien Onze Minister van Infrastructuur en Milieu dit noodzakelijk acht, dienen dag- en nachtverblijven op naar zijn oordeel doelmatige plaatsen te zijn voorzien van nooduitgangen.
|
||||
|
||||
**4.** Het materiaal en de constructie van de dekken in alle dag- en nachtverblijven moeten zijn goedgekeurd door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Het oppervlak van deze dekken dient ondoordringbaar te zijn voor vocht en gemakkelijk schoon te houden.
|
||||
**4.** Het materiaal en de constructie van de dekken in alle dag- en nachtverblijven moeten zijn goedgekeurd door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Het oppervlak van deze dekken dient ondoordringbaar te zijn voor vocht en gemakkelijk schoon te houden.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de vloeren zijn vervaardigd uit samengesteld materiaal, dienen de verbindingen met de wanden naar boven te zijn afgerond om spleten of naden te vermijden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -720,11 +719,11 @@ Flenskoppelingen van pijpen mogen slechts bij hoge uitzondering in een dag- of n
|
|||
|
||||
### Artikel 70
|
||||
|
||||
De bepalingen van artikel 69 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 46, eerste lid, bedoelde overige ruimten, met dien verstande dat de beschieting en de isolatie van wanden slechts daar behoeft te worden aangebracht, waar dit door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat nodig wordt geoordeeld.
|
||||
De bepalingen van artikel 69 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 46, eerste lid, bedoelde overige ruimten, met dien verstande dat de beschieting en de isolatie van wanden slechts daar behoeft te worden aangebracht, waar dit door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu nodig wordt geoordeeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 71
|
||||
|
||||
**1.** Alle verblijven moeten zijn aangesloten op een doeltreffende verwarmingsinrichting die buiten de verblijven moet zijn opgesteld en die is aangepast aan de klimatologische omstandigheden. De verwarming dient te geschieden door toevoer van stoom, heet water, warme lucht of elektriciteit. De verwarmingsinrichting en de plaats en wijze van opstelling daarvan dienen te voldoen aan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen eisen.
|
||||
**1.** Alle verblijven moeten zijn aangesloten op een doeltreffende verwarmingsinrichting die buiten de verblijven moet zijn opgesteld en die is aangepast aan de klimatologische omstandigheden. De verwarming dient te geschieden door toevoer van stoom, heet water, warme lucht of elektriciteit. De verwarmingsinrichting en de plaats en wijze van opstelling daarvan dienen te voldoen aan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Het verwarmingssysteem dient steeds in gebruik te zijn zolang de bemanning aan boord woont of werkt en de omstandigheden dit vereisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -734,7 +733,7 @@ De bepalingen van artikel 69 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artike
|
|||
|
||||
### Artikel 72
|
||||
|
||||
**1.** Overdag moet een verblijf licht ontvangen door schijnlichten of doelmatige lichtglazen van voldoende grootte, patrijspoorten of ramen, zodanig dat het aan een persoon met normale gezichtsscherpte mogelijk is bij helder weer gewoon drukwerk te lezen op de daarvoor in aanmerking komende plaatsen van het verblijf. Indien naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat door de ligging van het verblijf een voldoende natuurlijke verlichting niet mogelijk is, kan met de kunstmatige verlichting als bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel worden volstaan.
|
||||
**1.** Overdag moet een verblijf licht ontvangen door schijnlichten of doelmatige lichtglazen van voldoende grootte, patrijspoorten of ramen, zodanig dat het aan een persoon met normale gezichtsscherpte mogelijk is bij helder weer gewoon drukwerk te lezen op de daarvoor in aanmerking komende plaatsen van het verblijf. Indien naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu door de ligging van het verblijf een voldoende natuurlijke verlichting niet mogelijk is, kan met de kunstmatige verlichting als bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel worden volstaan.
|
||||
|
||||
**2.** Alle verblijven moeten elektrisch kunnen worden verlicht. Wanneer geen twee onafhankelijke elektriciteitsbronnen voor de verlichting aanwezig zijn, moet tevens een elektrische noodverlichting zijn aangebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -744,11 +743,11 @@ De bepalingen van artikel 69 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artike
|
|||
|
||||
### Artikel 73
|
||||
|
||||
**1.** Alle verblijven moeten ten genoege van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat doeltreffend kunnen worden geventileerd, zodanig dat de lucht in een bevredigende toestand blijft en voldoende afvoer van bedorven en toevoer van verse lucht onder alle weersomstandigheden zijn gewaarborgd, zonder dat hinderlijke tocht wordt veroorzaakt.
|
||||
**1.** Alle verblijven moeten ten genoege van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu doeltreffend kunnen worden geventileerd, zodanig dat de lucht in een bevredigende toestand blijft en voldoende afvoer van bedorven en toevoer van verse lucht onder alle weersomstandigheden zijn gewaarborgd, zonder dat hinderlijke tocht wordt veroorzaakt.
|
||||
|
||||
**2.** Schepen die regelmatig worden gebezigd op reizen in de tropen of in andere gebieden met vergelijkbare klimatologische omstandigheden, dienen te zijn uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen en met elektrisch aangedreven waaiers, met dien verstande dat slechts één van deze middelen behoeft te worden aangebracht in ruimten waar dit een voldoende ventilatie verzekert.
|
||||
|
||||
**3.** Schepen die worden gebezigd op reizen in gebieden buiten die genoemd in het tweede lid van dit artikel, dienen te zijn uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen of met elektrisch aangedreven waaiers. Voor schepen die geregeld worden gebezigd op reizen in koude streken, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vrijstelling van dit voorschrift verlenen.
|
||||
**3.** Schepen die worden gebezigd op reizen in gebieden buiten die genoemd in het tweede lid van dit artikel, dienen te zijn uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen of met elektrisch aangedreven waaiers. Voor schepen die geregeld worden gebezigd op reizen in koude streken, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vrijstelling van dit voorschrift verlenen.
|
||||
|
||||
**4.** Het vermogen dat nodig is om de ventilatiemiddelen, voorgeschreven in het tweede en derde lid van dit artikel, aan te drijven, moet beschikbaar zijn gedurende de gehele tijd dat de bemanning aan boord woont of werkt en de omstandigheden dit vereisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -914,55 +913,41 @@ De kapitein is verplicht, indien gebreken blijken aan voorgeschreven inrichtinge
|
|||
|
||||
### Artikel 84
|
||||
|
||||
**1.** Behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, zijn de artikelen 68-81 niet van toepassing op bestaande vissersschepen. Op bestaande vissersschepen blijven van toepassing de artikelen 46-65, voorkomende in het besluit van 15 mei 1937, *Stb.* 242, zoals deze luiden vóór de datum waarop dit besluit in werking treedt.
|
||||
**1.** Behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, zijn de artikelen 68-81 niet van toepassing op bestaande vissersschepen. Op bestaande vissersschepen blijven van toepassing de artikelen 46-65, voorkomende in het besluit van 15 mei 1937, *Stb.* 242, zoals deze luidden voor 12 mei 1977.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, na overleg met de rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties van zeewerkgevers en vissers afwijkingen toestaan van het bepaalde in de artikelen 68-81, indien deze afwijkingen voordelen medebrengen welke tot resultaat hebben, dat de inrichting over het geheel genomen niet minder gunstig is dan die, welke het gevolg zou zijn van volledige toepassing van de bepalingen van dit besluit.
|
||||
**2.** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan, na overleg met de rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties van werkgevers en vissers afwijkingen toestaan van het bepaalde in de artikelen 68-81, indien deze afwijkingen voordelen medebrengen welke tot resultaat hebben, dat de inrichting over het geheel genomen niet minder gunstig is dan die, welke het gevolg zou zijn van volledige toepassing van de bepalingen van dit besluit.
|
||||
|
||||
**3.** Voor een vissersschip dat op de datum waarop dit besluit in werking treedt geheel gereed is, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, na raadpleging van de rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties van zeewerkgevers en vissers, wanneer het schip onder Nederlandse vlag wordt gebracht of wanneer ingrijpende veranderingen in de bouw of grote reparaties aan het schip worden uitgevoerd volgens een tevoren ontworpen plan en niet tengevolge van een ongeval of ramp, wijzigingen voorschrijven, welke nodig zijn om het schip te laten voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 68-81, voor zover hij dit mogelijk acht, daarbij rekening houdende met alle praktische problemen welke zich bij de toepassing voordoen.
|
||||
**3.** Voor een vissersschip dat voor 12 mei 1977 geheel gereed was, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, na raadpleging van de rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties van werkgevers en vissers, wanneer het schip onder Nederlandse vlag wordt gebracht of wanneer ingrijpende veranderingen in de bouw of grote reparaties aan het schip worden uitgevoerd volgens een tevoren ontworpen plan en niet tengevolge van een ongeval of ramp, wijzigingen voorschrijven, welke nodig zijn om het schip te laten voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 68-81, voor zover hij dit mogelijk acht, daarbij rekening houdende met alle praktische problemen welke zich bij de toepassing voordoen.
|
||||
|
||||
**4.** Is een vissersschip op de datum waarop dit besluit in werking treedt in aanbouw of wordt het op die datum verbouwd, dan kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, na raadpleging van de in het derde lid genoemde belanghebbenden, wijzigingen voorschrijven, welke nodig zijn om het schip te laten voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 69-81, voorzover hij dit mogelijk acht, daarbij rekening houdende met alle praktische problemen welke zich bij de toepassing voordoen.
|
||||
**4.** Was een vissersschip voor 12 mei 1977 in aanbouw of werd het op die datum verbouwd, dan kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, na raadpleging van de in het derde lid genoemde belanghebbenden, wijzigingen voorschrijven, welke nodig zijn om het schip te laten voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 69-81, voorzover hij dit mogelijk acht, daarbij rekening houdende met alle praktische problemen welke zich bij de toepassing voordoen.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan bij de toepassing van het derde of vierde lid bepalen binnen welke tijdsduur de voor te schrijven wijzigingen ten uitvoer moeten worden gelegd.
|
||||
**5.** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bij de toepassing van het derde of vierde lid bepalen binnen welke tijdsduur de voor te schrijven wijzigingen ten uitvoer moeten worden gelegd.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Toezicht en inspectie
|
||||
|
||||
### Artikel 85
|
||||
|
||||
**1.** Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 47 tot en met 84 zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
|
||||
**1.** Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit besluit ten aanzien van vissersschepen, zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren.
|
||||
|
||||
**2.** Het certificaat bedoeld in artikel 407 van het Wetboek van Koophandel wordt in twee exemplaren uitgereikt.
|
||||
**2.** Aan vissersschepen wordt een certificaat voor de verblijven afgegeven, indien is voldaan aan het bepaalde in het derde lid.
|
||||
|
||||
**3.** Ter verkrijging van een certificaat, als bedoeld in het tweede lid, wendt de eigenaar zich, alvorens met de bouw van het schip wordt begonnen, tot Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, onder overlegging van een algemeen plan, aangevende de plaats en de algemene indeling van de verblijven van de bemanning en de kombuis. Alvorens met de bouw van de verblijven en de kombuis wordt aangevangen, moet een uitgewerkt plan met toelichting worden overgelegd, aangevende de ligging van elke ruimte, de meubilering en stoffering, de ventilatie, verlichting en verwarming en de sanitaire inrichtingen.
|
||||
**3.** Ter verkrijging van een certificaat als bedoeld in het tweede lid, wendt degene die het schip laat bouwen zich, alvorens met de bouw van het schip wordt begonnen, tot Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, onder overlegging van een algemeen plan, aangevende de plaats en de algemene indeling van de verblijven van de zeevarenden en de kombuis. Alvorens met de bouw van de verblijven en de kombuis wordt aangevangen, wordt een uitgewerkt plan met toelichting overgelegd, aangevende de ligging van elke ruimte, de meubilering en stoffering, de ventilatie, verlichting en verwarming en de sanitaire inrichtingen.
|
||||
|
||||
**4.** Afschriften van het uitgereikte certificaat voor de verblijven moeten op zodanige plaatsen aan boord worden opgehangen, dat elke schepeling van de inhoud kan kennis nemen.
|
||||
**4.** Afschriften van het uitgereikte certificaat voor de verblijven zijn op een duidelijk zichtbare en voor de bemanning toegankelijke plaats aanwezig.
|
||||
|
||||
**5.** Wanneer door een *organisatie die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is* van zeelieden, dan wel door tenminste een derde van de schepelingen bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een klacht is ingediend, inhoudende, dat de verblijven niet aan de voorschriften voldoen, wordt door een bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat een onderzoek ingesteld, indien de klacht zo tijdig binnenkomt, dat het onderzoek kan geschieden zonder het schip op te houden.
|
||||
**5.** Wanneer door een organisatie die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is van zeevarenden, dan wel door ten minste een derde van de zeevarenden bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een klacht is ingediend, inhoudende, dat de verblijven op een vissersschip niet aan de voorschriften voldoen, wordt door een bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaar een onderzoek ingesteld, indien de klacht zo tijdig binnenkomt, dat het onderzoek kan geschieden zonder het schip op te houden.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VIII. Processueele bepaling
|
||||
|
||||
### Artikel 86
|
||||
|
||||
De oproeping door den griffier, bedoeld in artikel 450*d* van het Wetboek van Koophandel, geschiedt bij aangeteekenden brief, tenzij de rechter op grond van bijzondere omstandigheden eene andere wijze van oproeping beveelt, in welk geval deze andere wijze wordt gevolgd.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 87
|
||||
|
||||
Bij het in werking treden van dit besluit zijn ingetrokken de Koninklijke besluiten van:
|
||||
|
||||
30 Augustus 1829 (*Staatsblad* no. 61);
|
||||
|
||||
5 October 1867 (*Staatsblad* no. 104), gewijzigd bij Koninklijk besluit van 27 Juni 1921 (*Staatsblad* no. 814);
|
||||
|
||||
29 Juni 1878 (*Staatsblad* no. 99), laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit van 14 Maart 1933 (*Staatsblad* no. 95);
|
||||
|
||||
17 Juni 1906 (*Staatsblad* no. 206);
|
||||
|
||||
2 April 1929 (*Staatsblad* no. 140);
|
||||
|
||||
2 April 1929 (*Staatsblad* no. 141), gewijzigd bij Koninklijk besluit van 31 Mei 1930 (*Staatsblad* no. 222);
|
||||
|
||||
10 April 1929 (*Staatsblad* no. 150).
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 88
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue