2002-01-01 | BWBR0008253 | Bijdragebesluit zorg

This commit is contained in:
Coornhert 2002-01-01 12:00:00 +00:00
parent 70a200be23
commit a6dbcbd02d

View file

@ -16,152 +16,190 @@ citeertitel: Bijdragebesluit zorg
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
b. Besluit: Besluit zorgaanspraken AWBZ;
c. instelling: een instelling als bedoeld in de artikelen 9, 13 en 14 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ;
d. dag: een kalenderdag;
e. peiljaar: het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt;
f. inkomen:
a. de wet:
1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
g. belasting:
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
b. het Besluit:
1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: de over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
2°. in de overige gevallen: de in dat jaar ingehouden loonbelasting, bedoeld in artikel 20 van de Wet op de loonbelasting 1964, vermeerderd met de in dat jaar ingehouden premie voor de volksverzekeringen bedoeld in artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
h. grondslag sparen en beleggen: de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
i. zorgverzekering: een verzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet;
j. zorgtoeslag: een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de zorgtoeslag;
k. standaardpremie: het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag;
l. vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 1a.
het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering;
c. instelling:
### Artikel 1a
een ingevolge artikel 8 van de wet toegelaten instelling waarin zorg wordt verleend als omschreven in de artikelen 9, 11, 12, 14, 19, 20, 20*a*, 20*c*, 21, 22, 22a, 23, eerste lid, en 25 van het Besluit alsmede een tehuis als bedoeld in het Besluit regeling vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering;
d. verzorgingshuis:
**1.** Het vermogen van een verzekerde is het verschil tussen zijn vermogensgrondslag en de op grond van het vierde tot en met het zesde lid voor hem toegepaste verminderingen met dien verstande dat het ten minste nihil bedraagt.
een instelling als bedoeld in artikel 16 van het Besluit;
e. dag:
**2.** De vermogensgrondslag van een verzekerde is zijn grondslag sparen en beleggen, over het peiljaar, of indien over het peiljaar artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op de verzekerde van toepassing is, het aan hem toegerekende gedeelte van de toepasselijke gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in dat lid.
een kalenderdag;
f. bijdrageplichtig inkomen:
**3.** In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een verzekerde bij toepassing jegens hem van artikel 8, artikel 10, eerste lid, artikel 15, derde lid, of artikel 16e, derde lid, de te verwachten grondslag sparen en beleggen over het lopende jaar, of indien artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 vermoedelijk op de verzekerde van toepassing zal zijn, het te verwachten aan hem toe te rekenen deel van de toepasselijke te verwachten gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
het inkomen van de ongehuwde verzekerde of het inkomen van de gehuwde verzekerde en zijn echtgenoot te zamen;
g. sociaal-fiscaal nummer:
**4.** Op aanvraag wordt voor de verzekerde een vermindering toegepast voor een bedrag ter grootte van door hem in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen.
het nummer, bedoeld in artikel 47*b*, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
h. leefeenheid:
**5.** Het deel van het bedrag, bedoeld in het vierde lid, dat de vermogensgrondslag van de verzekerde overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast.
een eenheid, bestaande uit gehuwde verzekerden die al dan niet te zamen met een of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam een huishouden voeren dan wel uit een meerderjarige ongehuwde verzekerde die met een of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam een huishouden voert.
**6.**
Er wordt voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, en artikel 15, eerste lid, een vermindering van € 10.000 toegepast voor de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, en van € 10.000 voor zijn echtgenoot die:
a. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
b. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en geen bijdrage als bedoeld in artikel 4, eerste lid, of artikel 14, eerste lid, verschuldigd is.
## Hoofdstuk II. Bijdrage bij verblijf in een instelling
## Hoofdstuk II. Bijdrage bij verblijf in een instelling of verzorgingshuis
### Paragraaf 1. Bijdrageplicht
### Artikel 2
**1.** De verzekerde van 18 jaren of ouder draagt bij in de kosten van de zorg, verleend door een instelling.
**1.** De verzekerde van 18 jaren of ouder draagt bij in de kosten van de zorg, verleend door een instelling of een verzorgingshuis.
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt afwezigheid uit de instelling, anders dan in verband met beëindiging van de zorgverlening, buiten beschouwing gelaten.
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt afwezigheid uit de instelling of het verzorgingshuis, anders dan in verband met beëindiging van de zorgverlening, buiten beschouwing gelaten.
**3.** Een wijziging in de burgerlijke staat van de verzekerde en het bereiken van een voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde leeftijd door de verzekerde of zijn echtgenoot wordt in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop de bijdrage wordt vastgesteld, met dien verstande dat bij de jaarlijkse herziening, bedoeld in artikel 5 of 15, derde lid, een verzekerde als pensioengerechtigde wordt beschouwd indien hij uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarop de herziening betrekking heeft, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
**3.** Een wijziging in de burgerlijke staat van de verzekerde en het bereiken van een voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde leeftijd door de verzekerde of zijn echtgenoot wordt in aanmerking genomen met ingang van de datum waarop die wijziging plaatsvindt.
### Artikel 3
**1.** De verzekerde is de bijdrage, bedoeld in artikel 2, verschuldigd aan het CAK.
**1.** De verzekerde is de bijdrage, bedoeld in artikel 2, verschuldigd aan het uitvoeringsorgaan.
**2.** De verzekerde betaalt de eigen bijdrage binnen dertig dagen nadat de beschikking is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
### Artikel 3a
**1.** De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 2, wordt vastgesteld uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK ervan in kennis is gesteld dat ten aanzien van de verzekerde zorg als bedoeld bij of krachtens de wet wordt verleend.
**2.** Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden vastgesteld, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage wordt vastgesteld, aan de verzekerde is verzonden.
**2.** Indien aan een verzekerde zorg wordt verleend met toepassing van artikel 6, vierde lid, van de wet, is hij de bijdrage in afwijking van het eerste lid verschuldigd aan Onze Minister van Justitie.
### Paragraaf 2. Inkomensafhankelijke bijdrage
### Artikel 4
**1.** De bijdrage bedraagt per maand voor de ongehuwde verzekerde die gedurende het etmaal in een instelling verblijft en voor de gehuwde verzekerden die beiden gedurende het etmaal in een instelling verblijven tezamen, een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen.
**1.**
**2.** De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 2.248,60 per maand.
Met inachtneming van het tweede en het derde lid, bedraagt de bijdrage voor:
**3.** Over een gedeelte van een maand is de bijdrage gelijk aan het vastgestelde bedrag per maand, vermenigvuldigd met twaalf maal het aantal dagen waarover de bijdrage binnen die maand verschuldigd is en gedeeld door 365.
a. de ongehuwde verzekerde die verblijft in een instelling gedurende het etmaal: € 1561, Bij Stcrt. 2001/70 wordt dit bedrag tot 1 januari 2002 gelezen als f 3440,-. per maand;
b. de ongehuwde verzekerde die duurzaam verblijft in een verzorgingshuis: € 1708,48 Bij Stcrt. 2001/70 wordt dit bedrag tot 1 januari 2002 gelezen als f 3765,-. per maand;
c. de gehuwde verzekerden die beiden verblijven in een instelling gedurende het etmaal, te zamen, € 1561, Bij Stcrt. 2001/70 wordt dit bedrag tot 1 januari 2002 gelezen als f 3440,-.per maand;
d. de gehuwde verzekerden die beiden duurzaam verblijven in een verzorgingshuis, te zamen, € 1708,48 Bij Stcrt. 2001/70 wordt dit bedrag tot 1 januari 2002 gelezen als f 3765,-.per maand;
e. de gehuwde verzekerden, indien een van hen verblijft in een instelling gedurende het etmaal en de ander duurzaam verblijft in een verzorgingshuis, te zamen € 1708,48 Bij Stcrt. 2001/70 wordt dit bedrag tot 1 januari 2002 gelezen als f 3765,-. per maand.
**4.** Van de voor gehuwde verzekerden gezamenlijk berekende bijdrage is ieder van de echtgenoten een gedeelte verschuldigd naar rato van ieders aandeel in het inkomen.
**2.** De bijdrage bedraagt niet meer dan negentig procent van dertig maal het goedgekeurde of vastgestelde tarief per dag.
**3.** De bijdrage wordt indien het bijdrageplichtig inkomen, gedeeld door twaalf, minder bedraagt dan het ingevolge het eerste en tweede lid verschuldigde bedrag, op aanvraag verlaagd tot een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen.
**4.** De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend voor de periode van de eerste dag van de maand juli tot en met de dertigste dag van de daaropvolgende maand juni. Indien de uitkomst van deze berekening minder dan € 2,27 per maand verschilt van de bijdrage, die verschuldigd is in de periode voorafgaande aan de aanvang van de nieuwe bijdrageperiode, wordt bedoeld verschil voor de vaststelling van de nieuwe bijdrage buiten beschouwing gelaten.
**5.** Over een gedeelte van een maand is de bijdrage gelijk aan het vastgestelde bedrag per maand, vermenigvuldigd met twaalf maal het aantal dagen waarover de bijdrage binnen die maand verschuldigd is en gedeeld door 365.
**6.** Van de voor gehuwde verzekerden gezamenlijk berekende bijdrage is ieder van de echtgenoten een gedeelte verschuldigd naar rato van het aandeel van het met toepassing van de artikelen 5 en 6, eerste lid, onder *a* tot en met *e*, bepaalde inkomen van de betrokken echtgenoot in het bijdrageplichtig inkomen.
### Artikel 5
Vervallen
**1.** Voor de vaststelling van de bijdrage wordt uitgegaan van het bijdrageplichtig inkomen dat in het berekeningsjaar, zijnde het kalenderjaar voorafgaande aan de in artikel 4, vierde lid, bedoelde periode, is genoten, of redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt voor de vaststelling van de bijdrage op aanvraag uitgegaan van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten bijdrageplichtig inkomen indien toepassing van het eerste lid ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks voor persoonlijke uitgaven gemiddeld minder zou overblijven dan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 31 van de Algemene bijstandswet, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar.
**3.** In afwijking van het eerste lid wordt voor de vaststelling van de bijdrage uitgegaan van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten bijdrageplichtig inkomen indien eerst in het lopende kalenderjaar inkomsten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a of b, worden genoten.
### Artikel 6
**1.**
Het bijdrageplichtig inkomen wordt als volgt berekend:
Voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen geldt als inkomen in het desbetreffende jaar:
a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting;
b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:
a. de bruto inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 22 in verbinding met artikel 23 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
b. de bruto inkomsten uit uitkeringen ingevolge de sociale-zekerheidswetgeving en pensioenuitkeringen;
c. uit hoofde van de onder *a* en *b* genoemde inkomsten ontvangen vakantie-uitkeringen;
d. de bruto opbrengsten uit onderneming en vermogen;
e. de overige bruto inkomsten;
f. de in dat jaar terugontvangen loon-, inkomsten-, dividend- en vermogensbelasting;
g. de in dat jaar terugontvangen premies ingevolge de sociale verzekeringswetten.
1°. 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet;
2°. zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en een verzekerde die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;
3°. op aanvraag van de verzekerde, de uitkering op grond van artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 19401945 of de uitkering op grond van artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 19401945;
c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.
**2.** Indien de verwerving van inkomsten als bedoeld in het eerste lid, onder *a* of *b*, in de loop van het desbetreffende jaar aanvangt, wordt voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen uitgegaan van de werkelijke dan wel, ingeval van toepassing van artikel 5, tweede of derde lid, van de redelijkerwijs te verwachten inkomsten uit arbeid en uitkering, gedeeld door het aantal maanden in het desbetreffende jaar waarop deze inkomsten betrekking hebben en vermenigvuldigd met twaalf.
**2.** Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de verzekerde wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.
**3.** De gelden waarover de ouder de beschikking heeft krachtens artikel 251 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, worden voor de toepassing van deze regeling niet als inkomsten van de ouder, doch als inkomsten van het kind aangemerkt.
**3.** De verzekerde meldt aan het CAK wijzigingen als bedoeld in artikel 2, derde lid.
**4.**
In afwijking van het eerste lid worden voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen niet als inkomen aangemerkt:
a. bijstand krachtens artikel 31 van de Algemene bijstandswet;
b. uitkeringen ingevolge artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 19401945;
c. uitkeringen ingevolge artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 19401945;
d. een eenmalige uitkering, verleend aan personen die alleen dan wel te zamen met een of meer anderen over niet meer dan een minimuminkomen beschikken;
e. kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, dan wel ingevolge de Wet van 10 maart 1979, houdende een overgangsregeling voor het recht op kinderbijslag voor invalide kinderen van 18 tot 27 jaar, waarop de verzekerde of zijn echtgenoot recht heeft (*Stb*. 155);
f. het bedrag waarmee de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet gedurende de maanden na het overlijden van de echtgenoot de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet voor ongehuwden te boven gaat;
g. genoten onderhoud of uitkeringen tot onderhoud ingevolge de bepalingen van de eerste afdeling van de zeventiende titel van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
h. bijdragen van kerkelijke of particuliere instellingen van weldadigheid, alsmede hetgeen anderszins bij wijze van weldadigheid wordt genoten;
i. niet in geld genoten inkomsten;
j. de ingevolge artikel 17*d*, eerste lid, van de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919 uitbetaalde verplichte afkoopsom van de in artikel 17*a* van die wet bedoelde renten van € 13,61 of minder per maand;
k. de ingevolge artikel 32*c* , 32*d* en 32*p* van de Liquidatiewet invaliditeitswetten uitgekeerde verplichte afkoopsommen.
l. de rente op een spaartegoed ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964.
### Artikel 7
**1.** Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde verzekerden geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage vastgesteld op het minimumbedrag, bedoeld in artikel 14, eerste lid.
**1.**
**2.** Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging van een inkomen blijkt dat de eigen bijdrage op een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die wijziging.
Op de inkomsten, bedoeld in artikel 6, worden voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen in mindering gebracht:
a. de in het desbetreffende jaar betaalde loon-, inkomsten-, dividend- en vermogensbelasting;
b. de in het desbetreffende jaar betaalde premies ingevolge de sociale verzekeringswetten, onderscheidenlijk de premie voor een ziektekostenverzekering, voor zover deze is gebaseerd op plaatsing in de laagste klasse, uitgezonderd de premie voor een aanvullende verzekering als bedoeld in artikel 33 van de Ziekenfondswet, met dien verstande dat voor de betaalde nominale premie ingevolge de Ziekenfondswet een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering wordt gebracht, dan wel, ingeval van toepassing van artikel 5, tweede lid, de werkelijk betaalde nominale premie ingevolge die wet;
c. de betaalde premie ingevolge een pensioenregeling welke geldt voor de groep waartoe de verzekerde of zijn echtgenoot behoort;
d. de op opbrengsten uit vermogen onderscheidenlijk onderneming betrekking hebbende lasten, welke ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in het desbetreffende jaar in mindering mogen worden gebracht bij het bepalen van de zuivere inkomsten uit vermogen, onderscheidenlijk de winst uit onderneming, tot ten hoogste het bedrag van de bruto opbrengsten uit vermogen onderscheidenlijk onderneming;
e. kosten rechtstreeks voortvloeiende uit het aanwijzen van een curator dan wel een bewindvoerder;
f. 15% van de tot het bijdrageplichtig inkomen behorende netto opbrengst van in het desbetreffende jaar verrichte arbeid, waaronder begrepen een uitkering krachtens de Ziektewet;
g. een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, dat voor ongehuwde verzekerden en voor gehuwde verzekerden te zamen kan verschillen, dan wel ingeval van toepassing van artikel 5, tweede en derde lid, een bedrag ter grootte van twaalf maal het bedrag bedoeld in artikel 5, tweede lid;
h. een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag voor de studerende verzekerde, dat kan verschillen naar gelang het onderwijs dat wordt gevolgd, indien over de in artikel 4, vierde lid, bedoelde periode toelagen ter zake van studiefinanciering zijn of zullen worden toegekend krachtens de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
i. een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag voor de verzekerde die een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en die in het berekeningsjaar, bedoeld in artikel 5, eerste lid, jonger is dan 65 jaren;
j. een volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen formule te berekenen en vast te stellen bedrag, dat voor verschillende groepen van verzekerden kan verschillen.
**2.** Indien de verwerving van bruto inkomsten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder *a* of *b*, in de loop van het desbetreffende jaar aanvangt, worden voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen in mindering gebracht de met betrekking tot bedoelde bruto inkomsten in dat jaar betaalde bedragen aan belastingen en premies als bedoeld in het eerste lid, onder *a* en *b*, gedeeld door het aantal maanden in het desbetreffende jaar waarop deze bedragen betrekking hebben en vermenigvuldigd met twaalf.
**3.** Indien het betreft duurzaam verblijf in een verzorgingshuis, wordt op de inkomsten, bedoeld in artikel 6 eveneens in mindering gebracht de rente op een begrafenisvoorziening over een bedrag waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
### Artikel 8
**1.** Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het jaar waarin een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet wordt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het desbetreffende kalenderjaar naar verwachting zal genieten alsmede van het te verwachten vermogen van dat kalenderjaar, verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar verschuldigde of ingehouden belasting.
**2.** Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het jaar volgende op het jaar waarin een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet wordt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, uitgegaan van het inkomen dat de verzekerde of zijn echtgenoot over het dan lopende kalenderjaar naar verwachting zal genieten alsmede van het te verwachten vermogen van dat kalenderjaar, verminderd met de naar verwachting over dat kalenderjaar verschuldigde of ingehouden belasting.
**3.** Voor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen over het tweede jaar volgend op het jaar waarin een verzekerde of zijn echtgenoot voor het eerst inkomen geniet, wordt niet van het bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, uitgegaan, maar wordt uitgegaan van de in het tweede lid bedoelde bedragen.
Uitkeringen, gedaan om te voorzien in de kosten van onderhoud, worden, na toepassing van de artikelen 5, 6 en 7, op de inkomsten in mindering gebracht, voor zover deze naar redelijke maatstaven strekken tot dat doel en worden gedaan ten behoeve van eigen, aangehuwde en pleegkinderen, mits voor die kinderen op grond van de artikelen 7 en 26 van de Algemene Kinderbijslagwet recht op een uitkering bestaat of aan die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt, studiefinanciering is toegekend krachtens de Wet studiefinanciering 2000.
### Artikel 9
**1.** Indien artikel 8, eerste of tweede lid, of artikel 10, eerste lid, van toepassing is, worden, in afwijking van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, twaalf maal het bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand en de bedragen in verband met de in het lopende kalenderjaar te betalen premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag en, indien van toepassing, de in het lopende jaar geldende jonggehandicaptenkorting onderscheidenlijk ouderenkorting alsmede extra vrijlatingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, in mindering gebracht.
**2.** Indien artikel 8, eerste lid, van toepassing is en de werkzaamheden in de loop van het kalenderjaar aanvangen, worden de bedragen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, naar rato van het deel van het kalenderjaar waarover de inkomsten worden verworven, in mindering gebracht.
Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing voor de gewezen of duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot en voor andere personen met wie de verzekerde gedurende een periode van ten minste een jaar, direct voorafgaande aan de opneming in een instelling of verzorgingshuis, een gemeenschappelijke huishouding voerde.
### Artikel 10
**1.** In afwijking van artikel 6, eerste lid, onderdelen a en c, vindt op aanvraag van de verzekerde een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, het te verwachten vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie gecorrigeerd met de zorgtoeslag. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.
**1.**
**2.** De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
Indien het uitvoeringsorgaan het waarschijnlijk acht dat het verblijf in de instelling of het verzorgingshuis kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is, worden op de inkomsten, na toepassing van de artikelen 5 tot en met 9, de navolgende in de desbetreffende bijdrageperiode te maken dan wel redelijkerwijze te verwachten kosten in mindering gebracht:
**3.** Indien het eerste lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling plaats. Indien daaruit blijkt dat niet voldaan is aan het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats met toepassing van artikel 6.
a. kosten in verband met de woonruimte, welke de verzekerde na beëindiging van zijn verblijf zal betrekken ten einde daarin een zelfstandige huishouding te gaan voeren of voort te zetten:
1° huur tot maximaal 30% van het bruto inkomen;
2° hypotheekaflossing, -rente en erfpachtcanon, te zamen tot maximaal 35% van het bruto-inkomen;
3° servicekosten van huur- of koopappartement;
4° onroerende-zaaksbelasting, milieubelasting, waterschapsrecht, reinigingsrecht, rioolrecht;
5° premie voor een opstalverzekering, een inboedelverzekering en een glasverzekering;
6° vastrecht voor gas, water en elektriciteit;
b. kosten in verband met weekendverlof of vergelijkbaar verlof in de eigen woonruimte:
1° kosten van vervoer tussen de instelling of het verzorgingshuis en de eigen woonruimte:
bij een afstand van 020 km: € 22,69 per maand;
bij een afstand van 2150 km: € 45,38 per maand;
bij een afstand meer dan 50 km: € 68,07 per maand;
2° kosten van verblijf in de eigen woonruimte: € 45,38 per maand;
3° kosten van een telefoonabonnement;
c. opslagkosten van meubilair in verband met de mogelijkheid van het opnieuw betrekken van een eigen woonruimte.
**2.** Indien een verzekerde als bedoeld in het eerste lid, blijkens een schriftelijke verklaring van de behandelend arts of het behandelingsteam van de instelling of het verzorgingshuis, kosten moet maken in het kader van de voor hem noodzakelijk geachte behandeling, worden op de inkomsten, in verband met weekendverlof of vergelijkbaar verlof in een andere dan de eigen woonruimte, in mindering gebracht de in het eerste lid, onder *b*, 1° en 2°, genoemde bedragen.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing bij verblijf in een instelling voor verstandelijk gehandicapten als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of een gezinsvervangend tehuis als bedoeld in de artikelen 22a of 25 van het Besluit dan wel een tehuis als bedoeld in het Besluit regeling vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering, indien het verblijf primair plaats heeft op grond van een geestelijke handicap, al dan niet gepaard gaande met een lichamelijk of zintuiglijk mindere validiteit.
### Artikel 11
**1.** De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks opnieuw berekend voor de periode van de eerste dag van januari tot en met de eenendertigste dag van de daaropvolgende maand december.
**2.** In afwijking van artikel 7, eerste lid, geldt, indien het inkomen bij de jaarlijkse herziening nog moet worden vastgesteld, als eigen bijdrage, de bijdrage die over de laatste maand in het vorige kalenderjaar verschuldigd was.
### Artikel 11a
**1.** De eigen bijdrage wordt herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.
**2.** De herziene bijdrage wordt voor zover mogelijk verrekend met de eerder vastgestelde bijdrage.
**3.** Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage te herzien binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden herzien, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarvoor de herziene eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage is herzien, aan de verzekerde is verzonden.
**4.** Voor zover de bevoegdheid tot herziening van de eigen bijdrage over een periode is vervallen op grond van het eerste lid, wordt de over die periode eerder vastgestelde eigen bijdrage van rechtswege definitief.
Tenzij op de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden wegens gezamenlijk verblijf het bepaalde ingevolge artikel 14, eerste lid, van toepassing is geweest, worden op zijn inkomsten over de periode vanaf de dag waarop het verblijf in de instelling of het verzorgingshuis begint, tot en met de derde maand volgende op de maand waarin het verblijf is begonnen, na toepassing van de artikelen 6 tot en met 9, in verband met de woonruimte, waarin hij in de laatste zes maanden direct voorafgaande aan zijn opneming een zelfstandige huishouding heeft gevoerd, in mindering gebracht de kosten, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a.
### Artikel 12
Op een aanvraag als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 15, derde lid, wordt beslist door het CAK.
**1.** Op een aanvraag als bedoeld in artikel 4, derde lid, of 5, tweede lid, wordt beslist door het uitvoeringsorgaan of, ingeval artikel 6, vierde lid, van de wet van toepassing is, Onze Minister van Justitie.
**2.** Herziening van een beschikking zoals bedoeld in het eerste lid vindt plaats wanneer niet meer aan de in artikel 4, derde lid, of 5, tweede lid, omschreven voorwaarden wordt voldaan.
### Artikel 13
Indien de verzekerde verblijft in een instelling als bedoeld in artikel 11, 12, 20*c*, 22a of 25 van het Besluit of in de verpleeginrichting Amstelrade te Amstelveen, Nieuw-Unicum te Zandvoort of het Zeehospitium te Katwijk aan Zee, wordt de verschuldigde bijdrage van die verzekerde of de verzekerden te zamen, na toepassing van de artikelen 4 tot en met 11, verlaagd met € 28,36 per maand. Voor de verzekerden die slechts een gedeelte van de maand bijdrageplichtig zijn, wordt een verlaging naar rato toegepast.
### Artikel 13a
Vervallen
### Paragraaf 3. Inkomensafhankelijke bijdrage in bijzondere gevallen
@ -170,33 +208,47 @@ Vervallen
**1.**
In afwijking van artikel 4 bedraagt de bijdrage 12,5% van het bijdrageplichtig inkomen met een minimum van € 156 en een maximum van € 819,40 per maand voor:
De bijdrage bedraagt in afwijking van artikel 4 en met inachtneming van het tweede lid € 535,46 per maand:
a. de gehuwde verzekerde wiens echtgenoot niet verblijft in een instelling;
b. de ongehuwde verzekerde gedurende de eerste zes maanden van verblijf in een instelling;
c. de gehuwde verzekerden die beiden in een instelling verblijven, zolang niet ten aanzien van elk van hen een periode van zes maanden is verstreken, tezamen;
d. de ongehuwde verzekerde die moet of gehuwde verzekerden tezamen die moeten voorzien in de kosten van onderhoud van eigen, aangehuwde of pleegkinderen, mits voor die kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet recht op een uitkering bestaat of aan die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt, studiefinanciering is toegekend krachtens de Wet studiefinanciering 2000;
e. de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen indien de zorgverzekeraar het waarschijnlijk acht dat het verblijf in de instelling voor de ongehuwde verzekerde, voor beide of voor een van de beide gehuwde verzekerden binnen een half jaar kan worden beëindigd en terugkeer naar de maatschappij mogelijk is en zal worden bewerkstelligd;
f. de ongehuwde verzekerde en de gehuwde verzekerde, ten aanzien van wie artikel 14 van het Besluit toepassing vindt;
g. de gehuwde verzekerden tezamen, indien artikel 14 van het Besluit ten aanzien van beiden toepassing vindt dan wel indien artikel 14 van het Besluit toepassing vindt ten aanzien van een van hen en de ander in een instelling verblijft.
a. voor de ongehuwde verzekerde die kortdurend of minimaal vijf keren per week gedurende de dag of de nacht in een verzorgingshuis verblijft en, gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen periode, voor de ongehuwde verzekerde die gedurende het etmaal in een instelling verblijft;
b. voor de gedurende het etmaal in een instelling of duurzaam, kortdurend dan wel minimaal vijf keren per week gedurende de dag of de nacht in een verzorgingshuis verblijvende gehuwde verzekerde wiens echtgenoot niet verblijft in een instelling of verzorgingshuis;
c. voor de gehuwde verzekerden die beiden gedurende het etmaal in een instelling verblijven, te zamen, zolang niet ten aanzien van elk van hen een bij ministeriële regeling te bepalen periode onderscheidenlijk de periode, bedoeld in artikel 17, eerste lid, is verstreken;
d. voor de duurzaam in een verzorgingshuis verblijvende verzekerde en zijn gedurende het etmaal in een instelling verblijvende echtgenoot, zolang niet ten aanzien van laatstgenoemde een bij ministeriële regeling te bepalen periode onderscheidenlijk de periode, bedoeld in artikel 17, eerste lid, is verstreken;
e. voor de in een instelling of duurzaam in een verzorgingshuis verblijvende verzekerde en zijn kortdurend of minimaal vijf keren per week gedurende de dag of de nacht in een verzorgingshuis verblijvende echtgenoot, te zamen;
f. voor de kortdurend of minimaal vijf keren per week gedurende de dag of de nacht in een verzorgingshuis verblijvende gehuwde verzekerden, te zamen;
g. voor de gehuwde verzekerde die in een instelling of verzorgingshuis verblijft en zijn echtgenoot die gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 2 weken per twee maanden, of maximaal twee maal per jaar gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 3 weken in een instelling als bedoeld in artikel 23 of 25 van het Besluit verblijft, tezamen.
**2.** De onderdelen b en c van het eerste lid zijn niet van toepassing indien het verblijf aanvangt binnen zes maanden na beëindiging van een verblijf in een instelling waarvoor de ongehuwde verzekerde of de gehuwde verzekerden tezamen een bijdrage als bedoeld in artikel 4 verschuldigd was of waren.
**2.**
**3.** Voor de berekening van de periode van zes maanden worden perioden van verblijf in instellingen samengeteld, tenzij tussen twee zodanige perioden meer dan zestig dagen zijn verlopen. De eerste volzin is niet van toepassing op verzekerden die maximaal twee weken per twee maanden in een instelling verblijven.
Indien het bijdrageplichtig inkomen lager is dan € 42590,, wordt de bijdrage op aanvraag verlaagd tot:
**4.** Op aanvraag van de verzekerde is de bijdrage niet verschuldigd indien hij een uitkering als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand ontvangt.
a. € 102,10, bij een bijdrageplichtig inkomen tot € 13677,39;
b. € 170,17, bij een bijdrageplichtig inkomen van € 13677,39 tot € 20352,50;
c. € 256,39, bij een bijdrageplichtig inkomen van € 20 352,50 tot € 33920,52;
d. € 426,55, bij een bijdrageplichtig inkomen van € 33920,52 tot € 42590,.
### Artikel 15
**1.** Voor de toepassing van artikel 14 bestaat het bijdrageplichtige inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.
**1.** De artikelen 4, vierde tot en met zesde lid, 5, eerste en derde lid, 6, 7, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, 8, 9 en 12 zijn op artikel 14, van toepassing.
**2.** De artikelen 4, derde en vierde lid, 7, 11 en 11a zijn van toepassing en artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt voor de vaststelling van de bijdrage op aanvraag uitgegaan van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten bijdrageplichtige inkomen, indien dit ertoe zou leiden dat de verzekerde een lagere bijdrage verschuldigd zou zijn.
**3.** Op aanvraag van de verzekerde vindt, in afwijking van het eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.500 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand betreft.
### Paragraaf 4. Inkomensonafhankelijke bijdrage in bijzondere gevallen
**4.** De aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
### Artikel 15a
**5.** Indien het derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 2.500 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
**1.**
De bijdrage bedraagt in afwijking van artikel 4 en artikel 14 bij verblijf gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 2 weken per twee maanden, of maximaal twee maal per jaar gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 3 weken in een instelling als bedoeld in artikel 11, 12, 22a, 23 of 25 van het Besluit dan wel in de verpleeginrichting Amstelrade te Amstelveen, Nieuw-Unicum te Zandvoort of het Zeehospitium te Katwijk aan Zee voor een ongehuwde verzekerde of een gehuwde verzekerde wiens echtgenoot niet in een instelling of verzorgingshuis verblijft dan wel voor een gehuwde verzekerde wiens echtgenoot verblijft in een instelling waarop artikel 17, eerste lid, van toepassing is:
a.
b.
c.
d.
e.
f.
**2.** De bijdrage bedraagt in afwijking van artikel 4 en artikel 14 voor de gehuwde verzekerden die beiden gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 2 weken per twee maanden, of maximaal twee maal per jaar gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 3 weken gelijktijdig in een instelling als bedoeld in artikel 23 of 25 van het Besluit verblijven, ieder de helft van het op ieder van hen van toepassing zijnde bedrag, bedoeld in het eerste lid.
## Hoofdstuk III. Bijdrage in andere gevallen
@ -204,79 +256,130 @@ g. de gehuwde verzekerden tezamen, indien artikel 14 van het Besluit ten aanzien
### Artikel 16
Vervallen
In afwijking van artikel 1 wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
a. instelling:
een ingevolge artikel 8 van de wet toegelaten instelling waarin zorg wordt verleend als omschreven in de artikelen 15, 20b, 20d, of 20e van het Besluit;
b. bijdrageplichtig inkomen: het inkomen van een verzekerde die niet behoort tot een leefeenheid, het inkomen van een meerderjarige ongehuwde verzekerde die deel uitmaakt van een leefeenheid dan wel het inkomen van de gehuwde verzekerden die deel uitmaken van een leefeenheid te zamen;
c. peiljaar:
het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt.
### Artikel 16a
De verzekerde van 18 jaar of ouder draagt bij in de kosten van de zorg, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit, voor zover voor die zorg niet reeds op grond van de artikelen 4 of 14 een bijdrage is verschuldigd.
De verzekerde draagt bij in de kosten van de zorg, bedoeld in artikel 16 van het Besluit, voor zover voor die zorg niet reeds op grond van artikel 4 en 14 een bijdrage is verschuldigd, in de kosten van zorg, bedoeld in artikel 14 van het Besluit, voor zover die zorg niet gepaard gaat met verblijf, en in de kosten van de zorg, bedoeld in de artikelen 15, eerste lid, onder a en b, 20b, 20d en 20e van het Besluit.
### Artikel 16b
**1.** De verzekerde is de bijdrage, bedoeld in artikel 16a, verschuldigd aan het CAK.
Tenzij anders bepaald, is de verzekerde de bijdrage, bedoeld in artikel 16*a* verschuldigd aan het uitvoeringsorgaan.
**2.** De verzekerde betaalt de eigen bijdrage binnen dertig dagen nadat de beschikking is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
### Paragraaf 2. Bijdragen voor thuiszorg
### Artikel 16c
**1.** De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 16a, wordt vastgesteld uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK ervan in kennis is gesteld dat ten aanzien van de verzekerde zorg als bedoeld bij of krachtens de wet wordt verleend.
**2.** Indien het CAK heeft verzuimd de eigen bijdrage vast te stellen binnen de in het eerste lid bedoelde periode, kan op een later tijdstip alsnog de eigen bijdrage worden vastgesteld, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode waarover de eigen bijdrage door de verzekerde moet worden betaald niet kan worden gesteld op een datum die is gelegen meer dan 24 maanden voor de dag waarop het besluit waarin de eigen bijdrage wordt vastgesteld, aan de verzekerde is verzonden.
### Paragraaf 2. Bijdragen voor persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding, indien er geen sprake is van verblijf
Vervallen
### Artikel 16d
**1.** De bijdrage voor de zorg, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit, bedraagt € 14,20 per uur of per dagdeel van maximaal vier uur, indien de zorg, bedoeld in artikel 6, wordt verleend in groepsverband. Indien er sprake is van zorgverlening, niet zijnde zorg in groepsverband, gedurende een deel van een uur, wordt de bijdrage naar evenredigheid berekend.
**1.** De verzekerde is voor de zorg, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder *a* en *b*, van het Besluit een bijdrage verschuldigd van € 4,40 per uur. Indien er sprake is van zorgverlening gedurende een deel van een uur, wordt de bijdrage naar evenredigheid berekend.
**2.**
De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan:
Indien de van de leefeenheid deel uitmakende meerderjarige verzekerden de leeftijd van 65 jaren hebben bereikt, bedraagt de bijdrage voor de leefeenheid bij een hierna genoemd bijdrageplichtig inkomen per jaar ten hoogste het daarna vermelde bedrag per week:
a. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt € 19,40 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 22.331 het bedrag van € 19,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 22.331;
b. voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt € 19,40 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 16.634 het bedrag van € 19,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 16.634;
c. voor de gehuwde verzekerden indien een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt of beiden die leeftijd nog niet hebben bereikt € 27,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 27.917 het bedrag van € 27,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 27.917;
d. voor de gehuwde verzekerden die beiden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt € 27,60 per vier weken, met dien verstande dat indien hun gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 23.046 het bedrag van € 27,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 23.046.
a. tot € 12042,: € 2,20;
b. € 12042, tot € 15556,: € 2,80;
c. € 15556, tot € 17562,: € 10,40;
d. € 17562, tot € 20072,: € 28,40;
e. € 20072, tot € 24086,: € 56,60;
f. € 24086, tot € 39140,: € 86,20;
g. vanaf € 39140,: € 113,40.
**3.** Bij de toepassing van het tweede lid wordt per kalenderjaar uitgegaan van twaalf perioden van vier weken en een periode die, afhankelijk van resterende dagen, vier of vijf weken bedraagt.
**3.**
**4.** Op het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde bedrag worden de eigen bijdrage die voor maatschappelijke ondersteuning verschuldigd is ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning en het aandeel in de kosten van maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming ingevolge die wet voor eigen rekening komt, in mindering gebracht.
Voor de verzekerde die de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt en die niet behoort tot een leefeenheid, bedraagt de bijdrage bij een hierna genoemd bijdrageplichtig inkomen per jaar ten hoogste het daarna vermelde bedrag per week:
a. tot € 12042,: € 2,20;
b. € 12042, tot € 15556,: € 6,80;
c. € 15556, tot € 17562,: € 24,80;
d. € 17562, tot € 20072,: € 38,40;
e. € 20072, tot € 24086,: € 58,80;
f. € 24086, tot € 39140,: € 99,80;
g. vanaf € 39140,: € 124,60.
**4.**
Indien van de leefeenheid een meerderjarige verzekerde deel uitmaakt die nog niet de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt, bedraagt de bijdrage voor de leefeenheid bij een hierna genoemd bijdrageplichtig inkomen per jaar ten hoogste het daarna vermelde bedrag per week:
a. tot € 14552,: € 2,20;
b. € 14552, tot € 18568,: € 2,80;
c. € 18568, tot € 22080,: € 10,40;
d. € 22080, tot € 25592,: € 28,40;
e. € 25592, tot € 30610,: € 56,60;
f. € 30610, tot € 46668,: € 86,20;
g. vanaf € 46668,: € 113,40.
**5.**
In alle andere gevallen bedraagt de bijdrage bij een hierna genoemd bijdrageplichtig inkomen per jaar ten hoogste het daarna vermelde bedrag per week:
a. tot € 14552,:  2,20;
b. € 14552, tot € 18568,: € 6,80;
c. € 18568, tot € 22080,: € 24,80;
d. € 22080, tot € 25592,: € 38,40;
e. € 25592, tot € 30610,: € 58,80;
f. € 30610, tot € 46668,: € 99,80;
g. vanaf € 46668,: € 124,60.
**6.** Indien de verzekerde of een persoon uit de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort ingevolge artikel 16*g* voor de zorg, bedoeld in artikel 16 van het Besluit een bijdrage per uur verschuldigd is, wordt deze bijdrage in aanmerking genomen voor de berekening, bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid.
**7.**
De bijdrage is niet verschuldigd:
a. indien de verzekerde of zijn echtgenoot, een bijdrage ingevolge de artikelen 4 of 14 verschuldigd is;
b. in die gevallen dat de zorgverzekeraar, op advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat het verschuldigd zijn van de bijdrage ertoe leidt dat de zorg niet wordt verstrekt en dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van een minderjarige verzekerde tot gevolg heeft;
c. voor advies, instructie en voorlichting door een aan een instelling verbonden gespecialiseerde verpleegkundige;
d. door de verzekerde die in de periode, bedoeld in het derde lid, meer dan een nacht verblijft in een maatschappelijke opvang of vrouwenopvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c of d, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
a. indien de verzekerde of een persoon uit de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort, een bijdrage ingevolge deartikelen 4 of 14 verschuldigd is;
b. in die gevallen dat het uitvoeringsorgaan, op advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat het verschuldigd zijn van de bijdrage ertoe leidt dat de zorg niet wordt verstrekt en dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van een minderjarige verzekerde tot gevolg heeft;
c. voor advies, instructie en voorlichting.
### Artikel 16e
**1.** Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 16d, tweede lid, bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde verzekerden.
**1.** Voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 16*d*, tweede tot en met het vijfde lid, wordt uitgegaan van het inkomen in het peiljaar.
**2.** Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen.
**2.**
**3.** Op aanvraag van de verzekerde vindt, in afwijking van het eerste lid, een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.540 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.
Onder inkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan:
**4.** De aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
a. als over het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het belastbaar inkomen, bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, over het peiljaar;
b. in andere gevallen dan bedoeld onder *a*: het loon, bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met het krachtens artikel 17, eerste lid, van die wet aftrekbare percentage of bedrag.
**5.** Indien het derde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 2.540 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
**3.** Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen.
**4.** In afwijking van het eerste lid vindt op aanvraag van de verzekerde een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het inkomen in het lopende jaar ten minste € 1816 lager zal zijn dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien het inkomen in het lopende jaar algemene bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet betreft.
**5.** Indien het vierde lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar definitieve vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen over dat jaar plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen minder dan € 1816 lager is geweest dan het inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
### Paragraaf 3. Andere bijdragen
### Artikel 16f
**1.** Indien ten aanzien van de ongehuwde of gehuwde verzekerden geen inkomen beschikbaar is, wordt de bijdrage vastgesteld op het bedrag per vier weken, genoemd in artikel 16d, tweede lid.
**1.** Voor de zorg, bedoeld in de artikelen 20b, 20d en 20e van het Besluit, wordt de bijdrage bij ministeriële regeling geregeld.
**2.** Indien na de vaststelling van de eigen bijdrage uit een alsnog beschikbaar gekomen inkomen of uit een wijziging van een inkomen, blijkt dat de eigen bijdrage tot een te hoog of te laag bedrag is vastgesteld, herziet het CAK de eigen bijdrage met inachtneming van het beschikbaar gekomen inkomen dan wel van die wijziging.
**2.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald aan wie de bijdrage verschuldigd is.
### Artikel 16g
Op bijdragen ingevolge deze paragraaf is artikel 11a van overeenkomstige toepassing.
**1.** Voor de zorg, bedoeld in de artikelen 14 en 16 van het Besluit, is een bijdrage verschuldigd overeenkomstig de artikelen 14 en 16.
**2.** De artikelen 16d en 16e zijn van overeenkomstige toepassing op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid.
## Hoofdstuk IV. Slot- en overgangsbepalingen
### Artikel 17
Vervallen
**1.** Voor verblijf in een instelling als bedoeld in de artikelen 20 en 20a van het Besluit is gedurende de eerste 365 dagen geen bijdrage verschuldigd. Voor de berekening van de periode van 365 dagen worden perioden van verblijf in een instelling als bedoeld in de artikelen 9, 19, 20 of 20a van het Besluit samengeteld, tenzij tussen twee perioden meer dan 30 dagen is verstreken.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde in de zes maanden voorafgaande aan het in dat lid bedoelde verblijf een bijdrage ingevolge artikel 4 of 14 verschuldigd was wegens verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 9, 19, 20 of 20a van het Besluit.
### Artikel 18
@ -284,15 +387,11 @@ Vervallen
### Artikel 19
**1.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de artikelen 4, tweede lid, 14, eerste lid, 15, derde en vijfde lid, 16d, eerste en tweede lid, voor zover het betreft de in dat lid genoemde bedragen per vier weken, en 16e, derde en vijfde lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie.
**1.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de artikelen 4, eerste lid, 14, 15a, en 16*d* jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie.
**2.** Bij ministeriële regeling wordt het bedrag, genoemd in artikel 1a, zesde lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexcijfer waarmee het bedrag, genoemd in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, jaarlijks wordt gewijzigd.
**2.** De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 2, met uitzondering van de bedragen bedoeld in artikel 15a, eerste lid, het bedrag, bedoeld in artikel 16d, eerste lid, en de bedragen per week, bedoeld in artikel 16d, tweede tot en met het vijfde lid, die naar beneden worden afgerond op een veelvoud van € 0,2.
**3.** De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2.
**4.** Bij de jaarlijkse toepassing van het eerste lid wordt de afronding, bedoeld in het tweede lid, buiten beschouwing gelaten.
**5.** In afwijking van het eerste lid worden de overige bedragen, genoemd in artikel 16d, jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de ontwikkelingen van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing.
**3.** Bij de jaarlijkse toepassing van het eerste lid wordt de afronding, bedoeld in het tweede lid, buiten beschouwing gelaten.
### Artikel 20
@ -300,27 +399,27 @@ Voor de berekening van enige in dit besluit genoemde periode worden zodanige per
### Artikel 21
Vervallen
Het uitvoeringsorgaan of, ingeval artikel 6, vierde lid, van de wet van toepassing is, Onze Minister van Justitie verlaagt ambtshalve de voor de verzekerde vastgestelde bijdrage indien in verband met structurele wijzigingen in het niveau van uitkeringen in het kader van regelingen inzake de sociale zekerheid zonder zodanige wijziging na afdracht van de bijdrage maandelijks voor persoonlijke uitgaven gemiddeld minder zou overblijven dan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 31 van de Algemene bijstandswet, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar.
### Artikel 22
In geval van artikel 3, eerste lid, en artikel 16b, eerste lid, is het CAK bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op de verzekerde met vorderingen van of op de verzekerde krachtens deze wet of de Wet maatschappelijke ondersteuning.
Vervallen
### Artikel 23
Het CAK maakt voor de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in de artikelen 4, 14 en 16d, gebruik van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens.
### Artikel 23a
Vervallen
Voor zover zulks voor de vaststelling van een bijdrage als bedoeld in artikel 4 of 14 met toepassing van artikel 5, tweede of derde lid, noodzakelijk is in verband met de intrekking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vermogensbelasting 1964, kunnen voor de kalenderjaren 2001 en 2002 bij ministeriële regeling afwijkende regels worden gesteld.
### Artikel 24
Vervallen
Voor de vaststelling van een bijdrage als bedoeld in artikel 16d met toepassing van artikel 16e, vierde en vijfde lid, voor de jaren 2001 en 2002 wordt:
a. in artikel 16e, vierde lid, telkens voor «het inkomen in het lopende jaar» gelezen: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, over het lopende jaar, verminderd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag dat voor verschillende groepen van verzekerden kan verschillen;
b. in artikel 16e, vierde lid, als bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar aangemerkt het overeenkomstig onderdeel a verminderde verzamelinkomen;
c. in artikel 16e, vijfde lid, voor «bijdrageplichtig inkomen» telkens gelezen: het verzamelinkomen na aftrek van bij ministeriële regeling aan te wijzen aftrekposten.
### Artikel 25
Vervallen
In de periode van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 wordt voor de verzekerde die een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en die in 1999 de leeftijd van 20 jaren maar nog niet de leeftijd van 65 jaren had bereikt voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen op de inkomsten, bedoeld in artikel 6, een bedrag van € 422,02 in mindering gebracht.
### Artikel 26