2023-10-14 | BWBR0038694 | Inkomstenbelasting, inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
This commit is contained in:
parent
dbad98d0cb
commit
a7726b1867
1 changed files with 42 additions and 26 deletions
|
|
@ -12,21 +12,21 @@ citeertitel: Inkomstenbelasting, inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
|
|||
|
||||
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
|
||||
|
||||
*In dit besluit staat het beleid over het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Dit besluit is een actualisering van het besluit van 3 september 2013, nr. BLKB2013/662M met betrekking tot de waardering van achtergestelde deposito’s en vorderingen op DSB Bank NV op peildata 1 januari 2014, 2015 en 2016.*
|
||||
*In dit besluit staat het beleid over het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Dit besluit is een actualisering van het besluit van 3 september 2013, nr. BLKB2013/662M met betrekking tot de waardering van achtergestelde deposito’s en vorderingen op DSB Bank NV op peildata 1 januari 2014, 2015 en 2016.*
|
||||
|
||||
*Tevens bevat het besluit een goedkeuring voor het toerekenen van schulden die deel uitmaken van een zogenoemde algemeenheid waarop krachtens erfrecht een vruchtgebruik rust voor de jaren 2012 tot en met 2016.*
|
||||
|
||||
## 1. Inleiding
|
||||
|
||||
In dit besluit staat het beleid over het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Dit besluit is een actualisering van het besluit van 3 september 2013, nr. BLKB2013/662M, onlangs gewijzigd bij het besluit van 8 mei 2015, nr. BLKB2015/409M, over het inkomen uit sparen en beleggen.
|
||||
In dit besluit staat het beleid over het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Dit besluit is een actualisering van het besluit van 3 september 2013, nr. BLKB2013/662M, onlangs gewijzigd bij het besluit van 8 mei 2015, nr. BLKB2015/409M, over het inkomen uit sparen en beleggen.
|
||||
|
||||
Hieronder staan de wijzigingen ten opzichte van het besluit van 3 september 2013:
|
||||
Hieronder staan de wijzigingen ten opzichte van het besluit van 3 september 2013:
|
||||
|
||||
− Onderdeel 2.1 is ingekort. De alinea over de belastingjaren tot en met 2010 heeft zijn belang verloren omdat de aangiftetermijn en de termijn voor ambtshalve verminderen of teruggeven voor het kalenderjaar 2010 zijn verlopen.
|
||||
− Onderdeel 4.1 is uitgebreid. Voor de peildata 1 januari 2014 en 2015 geldt een nihilwaardering. Met ingang van peildatum 1 januari 2016 is de waarde in het economische verkeer gelijkgesteld aan de nominale waarde van de restantvordering.
|
||||
− Onderdeel 4.1 is uitgebreid. Voor de peildata 1 januari 2014 en 2015 geldt een nihilwaardering. Met ingang van peildatum 1 januari 2016 is de waarde in het economische verkeer gelijkgesteld aan de nominale waarde van de restantvordering.
|
||||
– Onderdeel 3.3 bevat een goedkeuring voor de toerekening van schulden die deel uitmaken van een algemeenheid waarop krachtens erfrecht een vruchtgebruik rust voor de jaren 2012 tot en met 2016 (dit onderdeel is toegevoegd bij besluit van 20 december, nr. 2016-188319).
|
||||
|
||||
Het besluit van 3 september 2013, nr. BLKB2013/662M is ingetrokken.
|
||||
Het besluit van 3 september 2013, nr. BLKB2013/662M is ingetrokken.
|
||||
|
||||
### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -37,24 +37,40 @@ Het besluit van 3 september 2013, nr. BLKB2013/662M is ingetrokken.
|
|||
|
||||
## 2. De rendementsgrondslag
|
||||
|
||||
### 2.1. Tijdig verzoek om een voorlopige aanslag en box 3
|
||||
### 2.1a. Tijdig verzoek om een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en box 3
|
||||
|
||||
Met uitzondering van erfbelastingschulden zijn belastingschulden geen schulden in box 3 (artikel 5.3, derde lid, onderdelen b en c, van de Wet IB 2001). De belastingplichtige kan de eventuele nadelige gevolgen van deze regel voor inkomstenbelastingschulden voorkomen, door tijdig een verzoek voor een (nadere) voorlopige aanslag of een aangifte in te dienen en de aanslag voor de peildatum van box 3 te betalen.
|
||||
Met uitzondering van erfbelastingschulden zijn belastingschulden geen schulden in box 3 (artikel 5.3, derde lid, onderdelen c en d, van de Wet IB 2001). Een belastingplichtige kan de eventuele nadelige gevolgen van deze regel voor inkomstenbelastingschulden voorkomen door tijdig een verzoek voor een (nadere) voorlopige aanslag of een aangifte in te dienen en de aanslag voor de peildatum van box 3 te betalen.
|
||||
|
||||
Voor de belastingjaren tot en met 2012 is een verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag of een aangifte tijdig als deze vóór 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het belastingjaar schriftelijk is ingediend.
|
||||
Een verzoek of een aangifte is tijdig als:
|
||||
|
||||
Met ingang van het belastingjaar 2013 is dit gewijzigd. Een verzoek of een aangifte is tijdig als:
|
||||
a. het verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag acht weken voor het einde van het kalenderjaar schriftelijk of digitaal is ingediend, of
|
||||
b. de aangifte dertien weken voor het einde van het kalenderjaar is ingediend.
|
||||
|
||||
a. Het verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag 8 weken voor het einde van het kalenderjaar schriftelijk of digitaal is ingediend.
|
||||
b. De aangifte 13 weken voor het einde van het kalenderjaar is ingediend.
|
||||
Na het tijdig indienen van een verzoek of een aangifte kan het voorkomen dat verwerking door de inspecteur meer tijd in beslag neemt dan gebruikelijk is. De (nadere) voorlopige aanslag naar aanleiding van het verzoek of de aangifte kan dan op een zodanig tijdstip worden vastgesteld dat de belastingplichtige daardoor redelijkerwijs niet in staat is om nog voor de peildatum van box 3 te betalen.
|
||||
|
||||
Na het tijdig indienen van een verzoek of een aangifte kan het voorkomen dat verwerking door de inspecteur meer tijd in beslag neemt dan gebruikelijk is. De (nadere) voorlopige aanslag naar aanleiding van het verzoek of de aangifte kan dan op zodanig tijdstip worden vastgesteld dat de belastingplichtige daardoor redelijkerwijs niet in staat is om nog voor de peildatum van box 3 te betalen.
|
||||
Voor die situatie keur ik het volgende goed. Het bedrag dat op de niet tijdig opgelegde (nadere) voorlopige aanslag is betaald, behoort op de peildatum niet tot de waarde van de banktegoeden in box 3. Dat bedrag is gebaseerd op de volgens het verzoek of de aangifte op te leggen (nadere) voorlopige aanslag, maar bedraagt ten hoogste het bedrag dat uiteindelijk op de aanslag is verschuldigd.
|
||||
|
||||
Voor die situatie keur ik het volgende goed. Het bedrag dat op de niet tijdig opgelegde (nadere) voorlopige aanslag binnen de betalingstermijn is betaald, behoort op de peildatum niet tot de bezittingen in box 3. Dat bedrag is gebaseerd op de volgens het verzoek of de aangifte op te leggen (nadere) voorlopige aanslag, maar bedraagt ten hoogste het bedrag dat uiteindelijk op de aanslag is verschuldigd.
|
||||
Omdat belastingschulden niet in aanmerking worden genomen als schulden in box 3 en de betaling van de verschuldigde inkomstenbelasting altijd wordt voldaan vanuit banktegoeden, is voor een geslaagd beroep op de goedkeuring vereist dat op de betreffende peildatum (voldoende) banktegoeden aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
Deze goedkeuring kan de belastingplichtige uitvoeren door bij de aangifte het bedrag van één of meer van de (niet vrijgestelde) bezittingen in box 3 te verlagen. De verlaging mag er niet toe leiden dat één van de bezittingen of het totaal van de bezittingen op een negatief bedrag uitkomt.
|
||||
De belastingplichtige kan de goedkeuring toepassen door in de aangifte inkomstenbelasting de waarde van de banktegoeden in box-3 op de peildatum te verminderen met (maximaal) het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting op grond van de (nadere) voorlopige aanslag. De vermindering mag er niet toe leiden dat de waarde van de banktegoeden op een negatief bedrag uitkomt.
|
||||
|
||||
Als de aanslag inkomstenbelasting over het betrokken belastingjaar al is opgelegd, kan de inspecteur de goedkeuring op schriftelijk of digitaal verzoek van de belastingplichtige uitvoeren door een vermindering van de aanslag.
|
||||
Als de aanslag inkomstenbelasting over het betrokken kalenderjaar al is opgelegd, kan de inspecteur de goedkeuring op schriftelijk of digitaal verzoek van de belastingplichtige uitvoeren door een vermindering van de aanslag.
|
||||
|
||||
### 2.1b. Tijdige aangifte schenkbelasting en box 3
|
||||
|
||||
Met uitzondering van erfbelastingschulden zijn belastingschulden geen schulden in box 3 (artikel 5.3, derde lid, onderdelen c en d, van de Wet IB 2001). De belastingplichtige kan de eventuele nadelige gevolgen van deze regel voor schenkbelastingschulden voorkomen door gelijk na de schenking aangifte schenkbelasting te doen en de daaropvolgende (voorlopige) aanslag voor de peildatum van box 3 te betalen.
|
||||
|
||||
De Belastingdienst heeft minimaal acht weken nodig om een aangifte schenkbelasting te behandelen.
|
||||
|
||||
Het kan echter voorkomen dat een aangifte schenkbelasting ondanks dat die uiterlijk acht weken voor het eind van het kalenderjaar van schenking is ingediend, op een zodanig laat tijdstip wordt gevolgd door een (voorlopige) aanslag schenkbelasting dat de belastingplichtige daardoor redelijkerwijs niet in staat is om nog voor de peildatum van box 3 de verschuldigde schenkbelasting te betalen. Omdat de verschuldigde schenkbelasting op de peildatum nog tot de bezittingen in box 3 behoort, kan dit ertoe leiden dat belastingplichtigen inkomstenbelasting hierover moeten betalen. Ik vind het ongewenst dat vertragingen in de aanslagregeling schenkbelasting tot gevolg kunnen hebben dat belastingplichtigen meer inkomstenbelasting verschuldigd zijn.
|
||||
|
||||
Voor die situatie keur ik het volgende goed. Het bedrag van de niet tijdig opgelegde (voorlopige) aanslag schenkbelasting behoort op de peildatum niet tot de waarde van de banktegoeden in box 3.
|
||||
|
||||
Omdat belastingschulden niet in aanmerking worden genomen als schulden in box 3 en de betaling van de verschuldigde schenkbelasting altijd wordt voldaan vanuit banktegoeden, is voor een geslaagd beroep op de goedkeuring vereist dat op de betreffende peildatum (voldoende) banktegoeden aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
De belastingplichtige kan deze goedkeuring toepassen door in het verzoek om een voorlopige aanslag inkomstenbelasting dan wel de aangifte inkomstenbelasting de waarde van zijn banktegoeden in box 3 op de peildatum te verminderen met (maximaal) het bedrag van de verschuldigde schenkbelasting zoals dat uit de aangifte schenkbelasting volgt. De vermindering mag er niet toe leiden dat de waarde van de banktegoeden op een negatief bedrag uitkomt.
|
||||
|
||||
Als de aanslag inkomstenbelasting over het betrokken kalenderjaar al is opgelegd, kan de inspecteur de goedkeuring op schriftelijk of digitaal verzoek van de belastingplichtige uitvoeren door een vermindering van de aanslag.
|
||||
|
||||
### 2.2. Van de oude eigen woning via box 3 naar de nieuwe eigen woning
|
||||
|
||||
|
|
@ -62,7 +78,7 @@ Het komt voor dat een belastingplichtige de eigendom van zijn eigen woning overd
|
|||
|
||||
De heer A verkoopt in 2012 zijn eigen woning en draagt de eigendom in datzelfde jaar over aan de koper. Na aflossing van zijn hypotheekschuld houdt de heer A een bedrag over. De heer A zet dit bedrag in 2012 op een spaarrekening en betrekt een huurhuis. In 2013 zegt de heer A de huur op en koopt een nieuwe eigen woning. Voor de financiering van deze nieuwe eigen woning haalt hij het bedrag van zijn spaarrekening.
|
||||
|
||||
Het bedrag dat de heer A op zijn spaarrekening heeft gezet, behoort tot de bezittingen in box 3 op de peildatum 1 januari 2013 (artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001). Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 van de AWR) goed te keuren dat de heffing in box 3 over het spaarsaldo achterwege blijft, wijs ik af. Op 1 januari 2013 heeft de heer A namelijk een bezitting in box 3 en geen eigen woning. De wetgever heeft met de vermogensrendementsheffing (box 3) gekozen voor een robuust en eenvoudig uitvoerbaar systeem. In dat systeem maakt het niet uit wat de herkomst van een bezitting is of hoe lang de werkelijke bezitsperiode is en wordt het saldo van de bezittingen minus de schulden (de rendementsgrondslag) op de peildatum vastgesteld.
|
||||
Het bedrag dat de heer A op zijn spaarrekening heeft gezet, behoort tot de bezittingen in box 3 op de peildatum 1 januari 2013 (artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001). Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 van de AWR) goed te keuren dat de heffing in box 3 over het spaarsaldo achterwege blijft, wijs ik af. Op 1 januari 2013 heeft de heer A namelijk een bezitting in box 3 en geen eigen woning. De wetgever heeft met de vermogensrendementsheffing (box 3) gekozen voor een robuust en eenvoudig uitvoerbaar systeem. In dat systeem maakt het niet uit wat de herkomst van een bezitting is of hoe lang de werkelijke bezitsperiode is en wordt het saldo van de bezittingen minus de schulden (de rendementsgrondslag) op de peildatum vastgesteld.
|
||||
|
||||
## 3. Toedeling bij bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht
|
||||
|
||||
|
|
@ -80,7 +96,7 @@ Daarom keur ik met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 AWR) goed dat
|
|||
|
||||
### 3.3. Toerekening schulden die deel uitmaken van een algemeenheid waarop krachtens erfrecht een vruchtgebruik rust voor de jaren 2012 tot en met 2016
|
||||
|
||||
In vruchtgebruiksituaties die krachtens bepaalde erfrechtelijke verkrijgingen zijn ontstaan, wordt bij de langstlevende ouder (vruchtgebruiker) de volledige waarde van de goederen in aanmerking genomen (artikel 5.4, vijfde lid, van de Wet IB 2001). De waarde van de bloot eigendom behoort niet tot de bezittingen voor box 3 (artikel 5.4, derde lid, van de Wet IB 2001). Doel hiervan is aan te sluiten bij de maatschappelijke realiteit in erfrechtelijke situaties door de (forfaitaire) inkomsten uit het nagelaten vermogen te belasten bij degene die over de inkomsten kan beschikken. Tot een nalatenschap waarop krachtens erfrecht een vruchtgebruik rust, kunnen ook schulden behoren. Deze schulden maken evenals de goederen deel uit van een zogenoemde algemeenheid waarop een vruchtgebruik is gevestigd. Met ingang van 2017 worden daarom de goederen en de schulden voor zover die toebehoorden aan de erflater en die deel uitmaken van deze algemeenheid voor box 3 gelijk behandeld (artikel 5.4, vierde en vijfde lid, van de Wet IB 2001). Dit betekent dat ook de volledige waarde van de schulden bij de vruchtgebruiker in aanmerking wordt genomen in box 3. Voor de jaren voorafgaand aan 2017 blijft het verschil in behandeling bestaan. Dat leidt tot een onwenselijke uitkomst. Daarom wil ik belastingplichtigen de mogelijkheid bieden om ook in de jaren 2012 tot en met 2016 gebruik te maken van de regeling van artikel 5.4, vierde en vijfde lid, van de Wet IB 2001 zoals deze geldt vanaf 1 januari 2017.
|
||||
In vruchtgebruiksituaties die krachtens bepaalde erfrechtelijke verkrijgingen zijn ontstaan, wordt bij de langstlevende ouder (vruchtgebruiker) de volledige waarde van de goederen in aanmerking genomen (artikel 5.4, vijfde lid, van de Wet IB 2001). De waarde van de bloot eigendom behoort niet tot de bezittingen voor box 3 (artikel 5.4, derde lid, van de Wet IB 2001). Doel hiervan is aan te sluiten bij de maatschappelijke realiteit in erfrechtelijke situaties door de (forfaitaire) inkomsten uit het nagelaten vermogen te belasten bij degene die over de inkomsten kan beschikken. Tot een nalatenschap waarop krachtens erfrecht een vruchtgebruik rust, kunnen ook schulden behoren. Deze schulden maken evenals de goederen deel uit van een zogenoemde algemeenheid waarop een vruchtgebruik is gevestigd. Met ingang van 2017 worden daarom de goederen en de schulden voor zover die toebehoorden aan de erflater en die deel uitmaken van deze algemeenheid voor box 3 gelijk behandeld (artikel 5.4, vierde en vijfde lid, van de Wet IB 2001). Dit betekent dat ook de volledige waarde van de schulden bij de vruchtgebruiker in aanmerking wordt genomen in box 3. Voor de jaren voorafgaand aan 2017 blijft het verschil in behandeling bestaan. Dat leidt tot een onwenselijke uitkomst. Daarom wil ik belastingplichtigen de mogelijkheid bieden om ook in de jaren 2012 tot en met 2016 gebruik te maken van de regeling van artikel 5.4, vierde en vijfde lid, van de Wet IB 2001 zoals deze geldt vanaf 1 januari 2017.
|
||||
|
||||
Met inachtneming van de termijn voor ambtshalve vermindering keur ik met toepassing van de hardheidsclausule voor de jaren 2012 tot en met 2016 het volgende goed. Ook schulden voor zover die toebehoorden aan de erflater en die deel uitmaken van een algemeenheid waarop krachtens erfrecht een vruchtgebruik rust, kunnen volledig bij de vruchtgebruiker in aanmerking worden genomen. De bloot eigenaar(s) word(t)en dan niet belast voor de bloot eigendom. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
|
|
@ -92,23 +108,23 @@ c. Het verzoek geldt voor het gehele tijdvak van de jaren 2012 tot en met 2016.
|
|||
|
||||
### 4.1. Het faillissement van DSB Bank NV (DSB)
|
||||
|
||||
Op 19 oktober 2009 is DSB failliet verklaard. Daarna zijn voor box 3 de volgende vragen gesteld:
|
||||
Op 19 oktober 2009 is DSB failliet verklaard. Daarna zijn voor box 3 de volgende vragen gesteld:
|
||||
|
||||
a. Wat is op de peildatum de waarde in het economische verkeer van een bij DSB aangehouden achtergesteld deposito?
|
||||
b. Wat is op de peildatum de waarde in het economische verkeer van een vordering op DSB? Onder een vordering op de DSB wordt verstaan, een tegoed op een DSB-(spaar)rekening van meer dan € 100.000 verminderd met de uitkering van € 100.000 die op grond van het depositogarantiestelsel is gedaan of zal worden gedaan.
|
||||
b. Wat is op de peildatum de waarde in het economische verkeer van een vordering op DSB? Onder een vordering op de DSB wordt verstaan, een tegoed op een DSB-(spaar)rekening van meer dan € 100.000 verminderd met de uitkering van € 100.000 die op grond van het depositogarantiestelsel is gedaan of zal worden gedaan.
|
||||
|
||||
Achtergestelde deposito’s en vorderingen op DSB behoren tot de bezittingen in box 3 (artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001). Deze bezittingen worden op de peildatum in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. Voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer is van belang om te weten of de deposito- of rekeninghouder (een deel van) zijn geld zal krijgen, wanneer hij een eventuele uitkering zal krijgen en hoe groot die eventuele uitkering zal zijn.
|
||||
|
||||
Voor de waarde van de achtergestelde deposito’s en de vorderingen op DSB heb ik voor de peildata 31 december 2009, 1 januari 2010, 31 december 2010, 1 januari 2011, 1 januari 2012 en 1 januari 2013 goedgekeurd dat de waarde op nihil (€ 0) kan worden gesteld (besluit van 19 december 2010, nr. DGB2010/4308M, besluit van 16 februari 2012, nr. BLKB 2012/137M en besluit van 3 september 2013, nr. BLKB 2013/662M).
|
||||
Voor de waarde van de achtergestelde deposito’s en de vorderingen op DSB heb ik voor de peildata 31 december 2009, 1 januari 2010, 31 december 2010, 1 januari 2011, 1 januari 2012 en 1 januari 2013 goedgekeurd dat de waarde op nihil (€ 0) kan worden gesteld (besluit van 19 december 2010, nr. DGB2010/4308M, besluit van 16 februari 2012, nr. BLKB 2012/137M en besluit van 3 september 2013, nr. BLKB 2013/662M).
|
||||
|
||||
Op basis van de faillissementsverslagen van 2013 en 2014 opgesteld door de curatoren van DSB keur ik uit praktische overwegingen het volgende goed. Voor box 3 kan de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2014 en 2015 van de onder a genoemde achtergestelde deposito’s en de onder b genoemde vorderingen op DSB op nihil (€ 0) worden gesteld.
|
||||
Op basis van de faillissementsverslagen van 2013 en 2014 opgesteld door de curatoren van DSB keur ik uit praktische overwegingen het volgende goed. Voor box 3 kan de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2014 en 2015 van de onder a genoemde achtergestelde deposito’s en de onder b genoemde vorderingen op DSB op nihil (€ 0) worden gesteld.
|
||||
|
||||
In het faillissementsverslag van 4 december 2015 (nummer 29) hebben de curatoren de schuldeisers (met uitzondering van de De Nederlandsche Bank) en achtergestelde depositohouderders (hierna: de schuldeiser) aangeboden hun erkende vorderingen en achtergestelde deposito’s volledig uit te betalen. De schuldeiser die dit aanbod heeft geaccepteerd, kan 100% van zijn vorderingen en zijn achtergestelde deposito’s uitbetaald krijgen. De uitbetaling wordt daarbij verminderd met het percentage dat eerder is uitgedeeld, Dit houdt in dat vanaf het moment van het aanbod de onder a. genoemde achtergestelde deposito’s en de onder b. genoemde vorderingen op DSB weer een positieve waarde in het economische verkeer hebben.
|
||||
In het faillissementsverslag van 4 december 2015 (nummer 29) hebben de curatoren de schuldeisers (met uitzondering van de De Nederlandsche Bank) en achtergestelde depositohouderders (hierna: de schuldeiser) aangeboden hun erkende vorderingen en achtergestelde deposito’s volledig uit te betalen. De schuldeiser die dit aanbod heeft geaccepteerd, kan 100% van zijn vorderingen en zijn achtergestelde deposito’s uitbetaald krijgen. De uitbetaling wordt daarbij verminderd met het percentage dat eerder is uitgedeeld, Dit houdt in dat vanaf het moment van het aanbod de onder a. genoemde achtergestelde deposito’s en de onder b. genoemde vorderingen op DSB weer een positieve waarde in het economische verkeer hebben.
|
||||
|
||||
Voor de waardering in box 3 op peildatum 1 januari 2016 heeft dit de volgende gevolgen:
|
||||
Voor de waardering in box 3 op peildatum 1 januari 2016 heeft dit de volgende gevolgen:
|
||||
|
||||
− Als de schuldeiser het bedrag voor 1 januari 2016 heeft ontvangen, is geen sprake meer van een vordering op DSB. Het ontvangen bedrag maakt onderdeel uit van de rendementsgrondslag van box 3 als het bedrag op 1 januari 2016 op rekening van de schuldeiser staat.
|
||||
− Als de schuldeiser het bedrag niet voor 1 januari 2016 heeft ontvangen of de schuldeiser heeft het aanbod niet geaccepteerd, dan is de waarde in het economische verkeer op peildatum 1 januari 2016 gesteld op het bedrag gelijk aan de nominale waarde van het restantbedrag van de deposito en van de vordering. Het restantbedrag is gelijk aan het bedrag van de deposito en van de vordering van de schuldeiser onder aftrek van de al verrichte uitdelingen op deze deposito en vordering in het faillissement van DSB.
|
||||
− Als de schuldeiser het bedrag voor 1 januari 2016 heeft ontvangen, is geen sprake meer van een vordering op DSB. Het ontvangen bedrag maakt onderdeel uit van de rendementsgrondslag van box 3 als het bedrag op 1 januari 2016 op rekening van de schuldeiser staat.
|
||||
− Als de schuldeiser het bedrag niet voor 1 januari 2016 heeft ontvangen of de schuldeiser heeft het aanbod niet geaccepteerd, dan is de waarde in het economische verkeer op peildatum 1 januari 2016 gesteld op het bedrag gelijk aan de nominale waarde van het restantbedrag van de deposito en van de vordering. Het restantbedrag is gelijk aan het bedrag van de deposito en van de vordering van de schuldeiser onder aftrek van de al verrichte uitdelingen op deze deposito en vordering in het faillissement van DSB.
|
||||
|
||||
### 4.2. Recht van vruchtgebruik en metterwoonclausule
|
||||
|
||||
|
|
@ -121,7 +137,7 @@ b. Het recht van vruchtgebruik en de bloot eigendom van de woning behoren voor d
|
|||
|
||||
## 5. Ingetrokken regeling
|
||||
|
||||
Het besluit van 3 september 2013, nr. BLKB2013/662M is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
|
||||
Het besluit van 3 september 2013, nr. BLKB2013/662M is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
|
||||
|
||||
## 6. Inwerkingtreding
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue