2021-10-01 | BWBR0011453 | Wet studiefinanciering 2000
This commit is contained in:
parent
7ad011e712
commit
a7a2b422e0
1 changed files with 21 additions and 19 deletions
|
|
@ -35,7 +35,7 @@ b. voor wat betreft hoofdstuk 5 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet
|
|||
|
||||
**collegegeldkrediet**: lening voor betaling van het collegegeld in het hoger onderwijs,
|
||||
|
||||
**debiteur**: degene die zich krachtens artikel 6.2 heeft verplicht tot terugbetaling,
|
||||
**debiteur**: degene die zich krachtens artikel 6.1a heeft verplicht tot terugbetaling,
|
||||
|
||||
**diplomatermijn beroepsonderwijs**: termijn als bedoeld in artikel 4.9,
|
||||
|
||||
|
|
@ -99,18 +99,18 @@ b. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a waarvan Onze Minister
|
|||
|
||||
**studiejaar**:
|
||||
|
||||
1°. in het hoger onderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 september van enig kalenderjaar en eindigt op 31 augustus daaropvolgend,
|
||||
2°. in het beroepsonderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend,
|
||||
a. in het hoger onderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 september van enig kalenderjaar en eindigt op 31 augustus daaropvolgend,
|
||||
b. in het beroepsonderwijs: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend,
|
||||
|
||||
**studiepunt**: eenheid waarin de studielast, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, wordt uitgedrukt,
|
||||
|
||||
**termijnbetaling**: bedrag als bedoeld in artikel 6.9, of als het een debiteur betreft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is: bedrag als bedoeld in artikel 10a.6,
|
||||
|
||||
**thuiswonende deelnemer**: mbo-student die niet een uitwonende mbo-student is,
|
||||
**thuiswonende mbo-student**: mbo-student die niet een uitwonende mbo-student is,
|
||||
|
||||
**toetsingsinkomen**: inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat, behoudens bij de toepassing van artikel 3.17, voor berekeningsjaar wordt gelezen: peiljaar,
|
||||
|
||||
**uitwonende deelnemer**: mbo-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5,
|
||||
**uitwonende mbo-student**: mbo-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5,
|
||||
|
||||
**veronderstelde ouderlijke bijdrage**: bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te worden waarmee de aanvullende beurs van de student wordt verminderd,
|
||||
|
||||
|
|
@ -924,7 +924,7 @@ Onze Minister verlengt op aanvraag van de mbo-student de duur van de prestatiebe
|
|||
|
||||
### Artikel 4.13
|
||||
|
||||
Indien een mbo-student op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
|
||||
Indien een mbo-student op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of op enig moment niet langer in staat is om met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van die wet en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.14
|
||||
|
||||
|
|
@ -1133,7 +1133,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5.15
|
||||
|
||||
Indien een ho-student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, of duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van die wet, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
|
||||
Indien een ho-student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of op enig moment niet langer in staat is om met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van die wet en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs omgezet in een gift.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.16
|
||||
|
||||
|
|
@ -1178,25 +1178,27 @@ In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
|||
|
||||
Het belastbaar minimumloon in de zin van deze wet is een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, afgeleid van het totaal van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1b
|
||||
|
||||
Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in artikel 6.17, verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2
|
||||
|
||||
**1.** Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in artikel 6.17, verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
|
||||
**1.** De ingevolge hoofdstukken 4 en 5 toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
|
||||
|
||||
**2.** De vanaf de zesde maand waarvoor na het studiejaar 2000–2001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge hoofdstukken 4 en 5 toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
|
||||
|
||||
a. tot welk toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner geheel of gedeeltelijk kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, mogelijk is,
|
||||
a. tot welk toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner geheel of gedeeltelijk kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, mogelijk is,
|
||||
b. of daarbij onderscheid gemaakt wordt voor een debiteur met partner en een debiteur zonder partner die al dan niet student is in de zin van deze wet, en
|
||||
c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
|
||||
|
||||
**4.** De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, teniet.
|
||||
**3.** De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, teniet.
|
||||
|
||||
**5.** Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 6.10, eerste en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, en is artikel 6.12 niet van toepassing.
|
||||
**4.** Bij kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 6.10, eerste en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, en is artikel 6.12 niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
|
||||
**5.** Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1444,7 +1446,7 @@ c. de termijnbetaling wordt vastgesteld of gewijzigd,
|
|||
d. de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld,
|
||||
e. de hoogte van de lening wordt vastgesteld of gewijzigd,
|
||||
f. de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of gewijzigd,
|
||||
g. de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, wordt vastgesteld of gewijzigd,
|
||||
g. de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, wordt vastgesteld of gewijzigd,
|
||||
h. de hoogte van het collegegeldkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd,
|
||||
i. de hoogte van het levenlanglerenkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd,
|
||||
j. een herziening van de keuze in een soort reisvoorziening is geweigerd,
|
||||
|
|
@ -1458,7 +1460,7 @@ Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:
|
|||
|
||||
a. een beschikking genomen is waarvan de student of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,
|
||||
b. de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, zich niet heeft voorgedaan,
|
||||
c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de termijnbetaling te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot de reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
|
||||
c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de termijnbetaling te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot de reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
|
||||
d. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet,
|
||||
e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de student op grond van artikel 3.10 of aan de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, omdat op dat moment niet werd voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, maar blijkt dat wel aan die voorwaarde is voldaan,
|
||||
f. gevolg is gegeven aan de aanvraag tot peiljaarverlegging van de ouders, één van de ouders, of de student op grond van artikel 3.10 of aan de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, en blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid,
|
||||
|
|
@ -1493,7 +1495,7 @@ De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
|
|||
|
||||
### Artikel 8.1
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot de uitbetaling van de studiefinanciering en de verrekening van het toegekende bedrag aan studiefinanciering met de aan Onze Minister verschuldigde onderwijsbijdrage, worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld.
|
||||
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze van uitbetaling van de studiefinanciering en verrekening van het toegekende bedrag aan studiefinanciering met de aan Onze Minister verschuldigde onderwijsbijdrage.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een toegekend bedrag aan studiefinanciering 12 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die beschikking is gericht, verrekent Onze Minister het toegekende bedrag aan studiefinanciering met het niet uitbetaalde bedrag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1812,7 +1814,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 11.5
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
|
||||
**1.** Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue