2017-12-19 | BWBR0022762 | Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
This commit is contained in:
parent
9ecb550ba6
commit
a8169d8fa1
1 changed files with 263 additions and 99 deletions
|
|
@ -214,7 +214,7 @@ c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsnivea
|
|||
|
||||
*gasmotor:* verbrandingsmotor die werkt volgens de ottocyclus en gebruikmaakt van vonkontsteking of, in het geval van dual-fuelmotoren, compressieontsteking om brandstof te verbranden;
|
||||
|
||||
*gasturbine:* roterende machine die thermische energie in arbeid omzet, in hoofdzaak bestaande uit een compressor, een thermisch toestel waarin brandstof wordt geoxideerd om het werkmedium te verhitten, en een turbine;
|
||||
*gasturbine:* roterende machine die thermische energie in arbeid omzet, in hoofdzaak bestaande uit een compressor, een thermisch toestel waarin brandstof wordt geoxideerd om het werkmedium te verhitten en een turbine en waaronder tevens wordt begrepen een open- of gecombineerde-cyclus gasturbine en een gasturbine in warmtekrachtkoppeling, met of zonder aanvullende verbranding;
|
||||
|
||||
*gaszak:* flexibele opslagvoorziening voor gassen;
|
||||
|
||||
|
|
@ -411,6 +411,8 @@ h. als conserveermiddel;
|
|||
|
||||
*pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:* pyrotechnische artikelen voor theatergebruik als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
|
||||
|
||||
*raffinaderijbrandstof:* vaste, vloeibare of gasvormige brandbare stof, afkomstig uit de destillatie en de omzettingsstappen bij de raffinaderij van ruwe olie, met inbegrip van raffinaderijgas, syngas, geraffineerde oliën en petroleumcokes;
|
||||
|
||||
*recirculatie:* hergebruik van opgevangen drain- of drainagewater;
|
||||
|
||||
*recirculatiesysteem:* voorziening voor het opvangen en transporteren van drain- of drainagewater, ten behoeve van hergebruik;
|
||||
|
|
@ -586,7 +588,7 @@ h. waar geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen
|
|||
i. waarbinnen geen van de bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 genoemde activiteiten of slechts één of meer van de volgende activiteiten dan wel deelactiviteiten worden verricht:
|
||||
|
||||
1°. het vervaardigen van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken in de inrichting;
|
||||
2°. het in werking hebben van stookinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de verwarming van tapwater;
|
||||
2°. het in werking hebben van stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen tot 1 MWth voor de verwarming van gebouwen of de verwarming van tapwater;
|
||||
3°. het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voor maximaal 30 personenauto’s;
|
||||
4°. het aanwezig hebben van een noodstroomaggregaat dat niet meer dan 50 uren per jaar in werking is;
|
||||
5°. het lozen van huishoudelijk afvalwater in een vuilwaterriool;
|
||||
|
|
@ -962,7 +964,14 @@ d. veranderen van de bouwkundige staat van een voorziening waarin gevaarlijke st
|
|||
|
||||
### Artikel 1.21c
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien sprake van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en minder dan 50 MW, tevens de volgende gegevens verstrekt:
|
||||
|
||||
a. het nominaal thermisch ingangsvermogen (MWth) van de stookinstallatie;
|
||||
b. het type stookinstallatie, onderverdeeld in gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter of andere stookinstallatie;
|
||||
c. het type gebruikte brandstoffen en het aandeel ervan, onderverdeeld naar vaste biomassa, andere vaste brandstof, gasolie, andere vloeibare brandstoffen dan gasolie, aardgas, vergistingsgas en andere gasvormige brandstoffen;
|
||||
d. de sector waarin de stookinstallatie werkt of de inrichting waarin zij wordt gebruikt (4-cijferige NACE-code);
|
||||
e. het verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens gebruik;
|
||||
f. indien het betreft een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, onder b, een door de exploitant ondertekende verklaring dat hij de stookinstallatie niet meer dan het in dat lid genoemde aantal uren zal exploiteren.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Algemene regels ten aanzien van alle activiteiten
|
||||
|
||||
|
|
@ -2325,49 +2334,52 @@ Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van andere werkzaamheden da
|
|||
|
||||
### Afdeling 3.2. Installaties
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.2.1. Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie
|
||||
#### Paragraaf 3.2.1. Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof
|
||||
|
||||
### Artikel 3.7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De artikelen 3.10 tot en met 3.10j en 3.10q tot en met 3.10t inzake emissies naar de lucht zijn van toepassing op het in werking hebben van een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor, tenzij het betreft:
|
||||
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning worden gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO_2), stikstofoxiden (NO_x) of totaal stof;
|
||||
b. een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor die ten hoogste 500 uren per jaar in gebruik is, met uitzondering van dieselmotoren die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit in gevallen anders dan noodgevallen;
|
||||
c. een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van minder dan 400 kilowatt waarin andere brandstoffen dan biomassa worden toegepast;
|
||||
d. een grote stookinstallatie;
|
||||
e. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is, of
|
||||
f. een mobiele stookinstallatie.
|
||||
a. het stoken van brandstoffen in stookinstallaties die ingevolge bijlage I, onderdeel C, categorie 1.4, onder a, van het Besluit omgevingsrecht er toe leiden, dat een inrichting vergunningplichtig is;
|
||||
b. stookinstallaties waarop paragraaf 5.1.1 van toepassing is;
|
||||
c. stookinstallaties waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is;
|
||||
d. stookinstallaties waarop Richtlijn 97/68/EG betrekking heeft en andere mobiele stookinstallaties;
|
||||
e. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
|
||||
f. in de chemische industrie gebruikte reactoren;
|
||||
g. windverhitters van hoogovens;
|
||||
h. terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De artikelen 3.10k, 3.10n en 3.10o inzake het doelmatig beheer van afvalwater, het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het doelmatig beheer van afval, zijn van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, tenzij het betreft:
|
||||
|
||||
a. een grote stookinstallatie;
|
||||
b. een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is, of
|
||||
c. een mobiele stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De artikelen 3.10l en 3.10m inzake een doelmatig gebruik van energie, zijn van toepassing op inrichtingen waarin zich geen broeikasgasinstallaties als bedoeld in artikel 16.1 van de wet bevinden en waarbij sprake is van het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie door middel van een warmtekrachtinstallatie, tenzij:
|
||||
|
||||
a. het een warmtekrachtinstallatie betreft waarin vergistinggas wordt gebruikt;
|
||||
b. de warmtekrachtinstallatie een grote stookinstallatie betreft;
|
||||
c. de warmtekrachtinstallatie een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie betreft waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is, of
|
||||
d. de warmtekrachtinstallatie een mobiele stookinstallatie betreft.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Artikel 3.10p inzake keuring en onderhoud van een stookinstallatie is van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, tenzij het betreft:
|
||||
De artikelen 3.10 tot en met 3.10j en 3.10q tot en met 3.10t inzake emissies naar de lucht zijn van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, tenzij het betreft:
|
||||
|
||||
a. een stookinstallatie die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO_2), stikstofoxiden (NO_x) of totaal stof;
|
||||
b. een grote stookinstallatie;
|
||||
c. een afvalverbrandingsinstallatie;
|
||||
d. een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is, of
|
||||
e. een mobiele stookinstallatie.
|
||||
b. een stookinstallatie die ten hoogste 500 uren per jaar in gebruik is, met uitzondering van dieselmotoren die, behoudens de vanuit bedrijfszekerheid noodzakelijke testen, worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit terwijl het openbare net beschikbaar is. Voor zover het een installatie betreft met een nominaal thermisch ingangsvermogen vanaf 1MW waarin een vaste brandstof wordt gestookt, voldoet deze aan een emissiegrenswaarde voor stof van 200 mg/Nm^3 indien deze voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en voldoet deze aan een emissiegrenswaarde voor stof van 100 mg/Nm^3 indien deze op of na 20 december 2018 in gebruik is genomen;
|
||||
c. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
|
||||
d. stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen;
|
||||
e. stookinstallaties waarin de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten ter verbetering van de omstandigheden op de arbeidsplaats;
|
||||
f. crematoria.
|
||||
|
||||
**5.** Deze paragraaf is niet van toepassing op het stoken van stookinstallaties die ingevolge bijlage I, onderdeel C, categorie 1.4, onder a, van het Besluit omgevingsrecht er toe leiden, dat een inrichting vergunningplichtig is.
|
||||
**3.** De artikelen 3.10k, 3.10n en 3.10o inzake het doelmatig beheer van afvalwater, het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het doelmatig beheer van afval, zijn van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie.
|
||||
|
||||
**4.** De artikelen 3.10l en 3.10m inzake een doelmatig gebruik van energie, zijn van toepassing op inrichtingen waarin zich geen broeikasgasinstallaties als bedoeld in artikel 16.1 van de wet bevinden en waarbij het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie door middel van een warmtekrachtinstallatie plaatsvindt, tenzij het een warmtekrachtinstallatie betreft waarin vergistingsgas wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 3.10p inzake keuring en onderhoud van een stookinstallatie is van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, tenzij het betreft een stookinstallatie die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO_2), stikstofoxiden (NO_x) of totaal stof.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer als één stookinstallatie aangemerkt en worden de vermogens opgeteld indien:
|
||||
|
||||
a. de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd, of
|
||||
b. de afgassen van die stookinstallaties, met inachtneming van technische en economische factoren, volgens het oordeel van het bevoegd gezag via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden uitgestoten.
|
||||
|
||||
Indien toepassing wordt gegeven aan onderdeel b, stelt het bevoegd gezag in een maatwerkvoorschrift vast welke stookinstallaties deel uitmaken van het samenstel van stookinstallaties.
|
||||
|
||||
**7.** Voor zover stookinstallaties onder de werkingssfeer van deze paragraaf vallen, zijn de artikelen 2.5, 2.6, 2.7 en 2.8, derde tot en met achtste lid, niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**8.** Onverminderd de emissie-eisen in deze paragraaf kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de emissies van een stookinstallatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -2375,54 +2387,138 @@ Een stookinstallatie kan gelegen zijn binnen de Nederlandse exclusieve economisc
|
|||
|
||||
### Artikel 3.9
|
||||
|
||||
**1.** Voor zover stookinstallaties onder de werkingssfeer van deze paragraaf vallen, zijn de artikelen 2.5, 2.7 en 2.8, derde tot en met negende lid, niet van toepassing.
|
||||
**1.** Het rookgas van een installatie voor de regeneratie van glycol voldoet aan een emissiegrenswaarde van stikstofoxiden naar de lucht van ten hoogste 80 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd de emissie-eisen in deze paragraaf kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de emissies van een stookinstallatie.
|
||||
**2.** Indien de kwaliteit van het aardgas en de technische kenmerken van de in het eerste lid genoemde installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden dan genoemd in dat lid vaststellen. De emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden naar de lucht is in dat geval ten hoogste 150 mg/Nm^3 indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
**3.** Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het tweede lid, wordt onder meer rekening gehouden met de kosteneffectiviteit, bedoeld in artikel 2.7, vierde tot en met zesde lid, en met de integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.
|
||||
|
||||
**4.** De emissiegrenswaarden genoemd in het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2019 niet van toepassing op het rookgas van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol die voor 1 januari 2016 in gebruik is genomen.
|
||||
|
||||
**5.** Voor installaties als bedoeld in het vierde lid blijven, in afwijking van artikel 6.1, tot 1 januari 2019 de emissiegrenswaarden van de vergunning van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 Megawatt of meer voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10.
|
||||
**1.** Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen vanaf 1 MWth voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid voldoet een ketelinstallatie gestookt op vergistingsgas die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 200 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste en tweede lid voldoet een ketelinstallatie die groter is dan 5 MWth, wordt gestookt op vergistingsgas en die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen, vanaf 1 januari 2025 aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 170 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
| Ketelinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| *Brandstof/vermogen* | *Stikstofoxiden (NOx)* (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa | 120 | 200 | 5 |
|
||||
| Biomassa, voor zover de ketelinstallatie een vermogen van 5 MWth of minder heeft | 275 | 200 | 20 |
|
||||
| Biomassa, voor zover de ketelinstallatie een vermogen van meer dan 5 MWth heeft | 145 | 200 | 5 |
|
||||
| Vergistingsgas | 70 | 100 | – |
|
||||
| Aardgas | 70 | – | – |
|
||||
| Propaangas, Butaangas | 140 | – | – |
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10a
|
||||
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen groter dan 400 kilowatt en kleiner dan 1 megawatt voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10a.
|
||||
**1.** Het rookgas van een stookinstallatie anders dan een ketelinstallatie, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, met een nominaal thermisch ingangsvermogen vanaf 1 MWth voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10a.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag voor installaties die voor 20 december 2018 in gebruik zijn genomen, indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde vaststellen tot maximaal de in tabel 3.10a tussen haakjes aangegeven waarden.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid gelden de emissiegrenswaarden in dit artikel voor stookinstallaties die voor 20 december 2018 in bedrijf zijn genomen vanaf:
|
||||
|
||||
a. 1 januari 2025 voor stookinstallaties meer dan 5 MWth;
|
||||
b. 1 januari 2030 voor stookinstallaties van 1 MWth of meer en 5 MWth of minder.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid en onverminderd het derde lid voldoet een stookinstallatie gestookt op vergistingsgas die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2):
|
||||
|
||||
a. van 170 mg/Nm^3 voor een stookinstallatie van meer dan 5 MWth;
|
||||
b. van 200 mg/Nm^3 voor een stookinstallatie van 1 MWth of meer en 5 MWth of minder.
|
||||
|
||||
| Stookinstallatie anders dan een ketelinstallatie, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| *Brandstof/vermogen* | *Stikstofoxiden (NOx*) (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa | 120 (200) | 200 | 5 (20) |
|
||||
| Biomassa, voor zover de installatie een vermogen heeft van 5 MWth of minder | 275 (650) | 200 | 20 |
|
||||
| Biomassa, voor zover de installatie een vermogen heeft van meer dan 5 MWth | 145 (650) | 200 | 5 |
|
||||
| Vergistingsgas | 80 (250) | 100 | – |
|
||||
| Aardgas | 80 (200) | – | – |
|
||||
| Propaangas, Butaangas | 140 (250) | – | – |
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10b
|
||||
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen gelijk aan of kleiner dan 400 kilowatt voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10b.
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 1MWth voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10b.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10c
|
||||
|
||||
**1.** Bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een ketelinstallatie geldt als emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden (NO_x), zwaveldioxide (SO_2) en totaal stof, het gewogen gemiddelde van de emissiegrenswaarden die op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10b voor elk van de brandstoffen afzonderlijk zouden gelden.
|
||||
**1.** Bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een stookinstallatie geldt als emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden (NO_x), zwaveldioxide (SO_2) en totaal stof, het gewogen gemiddelde van de emissiegrenswaarden die op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10b voor elk van de brandstoffen afzonderlijk zouden gelden.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid bedoelde gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10d
|
||||
|
||||
Het rookgas van een gasturbine voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10d.
|
||||
**1.** Het rookgas van een gasturbine voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10d.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van ten hoogste 75 mg/Nm^3 vaststellen voor een gasturbine die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, indien deze gasturbine is uitgerust met een stoom- of waterinjectie.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid voldoet een gasturbine gelegen op een off shore olie- of gaswinningsplatform die voor 1 april 2010 in gebruik is genomen aan een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van 75 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
| *Brandstof* | *Stikstofoxiden (NOx)* (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof *(mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| Brandstof in vloeibare vorm | 50 | 65 | 5 |
|
||||
| Aardgas | 50 | – | – |
|
||||
| Andere gasvormige brandstof | 50 | 15 | – |
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10e
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Het rookgas van een dieselmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10e.
|
||||
|
||||
Het rookgas van een dieselmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10e.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie van meer dan 5 MWth die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen tot 1 januari 2025 aan een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
| Dieselmotor | | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| Brandstof | Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter) | Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter) | Totaal stof (mg per normaal kubieke meter) | onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Alle brandstoffen | 450, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities | 200 | 50 | – |
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie van meer dan 5 MWth en 20 MWth of minder die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen vanaf 1 januari 2025 aan een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden vaststellen voor een dieselmotor met een thermisch vermogen van minder dan 600 kilowatt gelegen op een platform dat is gelegen binnen de Nederlandse exclusieve economische zone. De afwijkende emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden bedraagt ten hoogste 2.800 milligram per normaal kubieke meter.
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden vaststellen voor een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 600 kWth gelegen op een platform dat is gelegen binnen de Nederlandse exclusieve economische zone. De afwijkende emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden bedraagt ten hoogste 930 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die een inrichting drijft waartoe een dieselmotor als bedoeld in het tweede lid behoort, overlegt elke vijf jaar ten behoeve van het maatwerkvoorschrift een haalbaarheidsstudie, naar vermindering van de NO_x-emissies door toepassing van emissiebeperkende maatregelen of alternatieve technieken, zoals zonne- en windenergie, gasmotoren en -turbines, Van de haalbaarheidsstudie maakt een kosteneffectiviteitsberekening deel uit.
|
||||
**5.** Degene die een inrichting drijft waartoe een dieselmotor als bedoeld in het vierde lid behoort, legt elke vijf jaar ten behoeve van het maatwerkvoorschrift aan het bevoegd gezag een haalbaarheidsstudie over naar vermindering van de NOx-emissies door toepassing van emissiebeperkende maatregelen of alternatieve technieken, zoals zonne- en windenergie, gasmotoren en -turbines. Van de haalbaarheidsstudie maakt een kosteneffectiviteitsberekening deel uit.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat kan worden volstaan met een kosteneffectiviteitsberekening indien de resterende levensduur van de installatie daartoe aanleiding geeft.
|
||||
**6.** In afwijking van het vijfde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat kan worden volstaan met een kosteneffectiviteitsberekening indien de resterende levensduur van de installatie daartoe aanleiding geeft.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteitsberekening gaat het bevoegd gezag uit van een kosteneffectiviteit als bedoeld in artikel 2.7, vijfde tot en met achtste lid.
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteitsberekening gaat het bevoegd gezag uit van een kosteneffectiviteit als bedoeld in artikel 2.7, vierde tot en met zesde lid.
|
||||
|
||||
| *Vermogen* | *Stikstofoxiden (NOx)* (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| 5 MWth of minder | 150 | 65 | 20 |
|
||||
| Meer dan 5 MWth | 150 | 65 | 10 |
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10f
|
||||
|
||||
Het rookgas van een gasmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10f.
|
||||
**1.** Het rookgas van een gasmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10f.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie van minder dan 2,5 MWth, die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en op aardgas wordt gestookt, tot 1 januari 2030 aan een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden (NO_x) van 115 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie, die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op vergistingsgas, aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 65 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid en derde lid voldoet een installatie van 5 MWth of minder, die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op vergistingsgas, vanaf 1 januari 2030 aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 60 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het eerste lid en derde lid voldoet een installatie van meer dan 5 MWth, die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op vergistingsgas, vanaf 1 januari 2025 aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 60 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor onverbrande koolwaterstoffen vaststellen voor een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 2,5 MWth of meer, die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarin brandstof anders dan vergistingsgas wordt verbrand, indien met een motorzijdige aanpassing onvoldoende reductie van koolwaterstoffen kan worden bereikt. In het maatwerkvoorschrift wordt een einddatum opgenomen.
|
||||
|
||||
| Gasmotor | | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| *Brandstof/vermogen* | *Stikstofoxiden (NOx)* (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) | *onverbrande koolwaterstoffen (CxHy)* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Minder dan 2,5 MWth gestookt op aardgas | 95 | – | – | – |
|
||||
| Minder dan 2,5 MWth, gestookt op propaangas of butaangas | 115 | – | – | – |
|
||||
| 2,5 MWth of meer, met uitzondering van vergistingsgas | 35 | – | – | 500 |
|
||||
| Vergistingsgas ongeacht het vermogen | 115 | 40 | – | – |
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10g
|
||||
|
||||
|
|
@ -2444,8 +2540,9 @@ Een stookinstallatie die strekt tot vervanging voor ten hoogste zes maanden van
|
|||
|
||||
Voor de berekening van de uitworp van rookgas door een stookinstallatie wordt de massaconcentratie van stikstofoxiden (NO_x), zwaveldioxide (SO_2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (C_xH_y, uitgedrukt in C) in het rookgas herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van:
|
||||
|
||||
a. 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft, of
|
||||
b. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof betreft.
|
||||
a. 15 procent, indien het een dieselmotor, gasmotor of gasturbine betreft;
|
||||
b. 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft;
|
||||
c. 3 procent, in alle andere gevallen.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de berekening van de uitworp van rookgas door een stookinstallatie, wordt de massaconcentratie aan stikstofoxiden (NO_x) in het rookgas berekend als massaconcentratie van stikstofdioxide.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2467,7 +2564,9 @@ b. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare br
|
|||
|
||||
**1.** Van een warmtekrachtinstallatie is het jaargemiddeld rendement ten minste 65%, berekend volgens de formule: de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht plus tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte.
|
||||
|
||||
**2.** De warmtekrachtinstallatie wordt zodanig in bedrijf gehouden dat de hoeveelheid warmte die nuttig gebruikt wordt zo hoog mogelijk is en de hoeveelheid warmte die ongebruikt aan de omgeving wordt afgegeven zo klein mogelijk is. Onder ongebruikte warmte wordt mede verstaan de warmte die door de noodkoeler wordt afgegeven.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid haalt een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor 1 januari 2008 een jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de formule, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De warmtekrachtinstallatie wordt zodanig in bedrijf gehouden dat de hoeveelheid warmte die nuttig gebruikt wordt zo hoog mogelijk is en de hoeveelheid warmte die ongebruikt aan de omgeving wordt afgegeven zo klein mogelijk is. Onder ongebruikte warmte wordt mede verstaan de warmte die door de noodkoeler wordt afgegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10m
|
||||
|
||||
|
|
@ -2485,7 +2584,7 @@ b. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare br
|
|||
|
||||
In afwijking van artikel 2.14a, eerste lid, is het verbranden van biomassa die tevens afvalstof is, toegestaan indien:
|
||||
|
||||
a. het de verbranding in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 15 megawatt of minder betreft;
|
||||
a. het de verbranding in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van15 MWth of minder betreft;
|
||||
b. het verbranden van de biomassa materiaalhergebruik niet belemmert, en
|
||||
c. de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2503,45 +2602,33 @@ Een stookinstallatie voldoet ten behoeve van het veilig functioneren, een optima
|
|||
|
||||
**1.** In afwijking van de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, voldoet het rookgas van een stookinstallatie die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, voor zover die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt dan wel deel uitmaakt van een inrichting waarin kooldioxide (CO_2), afkomstig van een andere inrichting, wordt ingezet ten behoeve van de bemesting van gewassen teneinde het gebruik van brandstof te verminderen, tot 1 januari 2019 aan de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning.
|
||||
|
||||
**2.** Het rookgas van een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid voldoet met ingang van 1 januari 2019 aan de in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f genoemde emissiegrenswaarden.
|
||||
**2.** Het rookgas van een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid voldoet met ingang van 1 januari 2019 aan de in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f bedoelde emissiegrenswaarden.
|
||||
|
||||
**3.** Op het in werking hebben van een stookinstallatie die voor 1 januari 2014 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarop titel 16.3 van de wet van toepassing was, zijn de op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10j en 3.10q tot en met 3.10t geldende emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) tot de datum, genoemd in het eerste lid, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan voor deze stookinstallaties tot de in het eerste lid genoemde datum bij maatwerkvoorschrift emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) in het rookgas van de stookinstallatie vaststellen, indien de lokale luchtkwaliteit dat vergt.
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkbesluit voor de off shore gasplatforms G16a-A, G16a-B, K2b-A, K12-B, K12-K, K9ab-A en P6A bepalen dat de emissiegrenswaarden in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, niet van toepassing zijn, indien degene die de inrichting drijft voor 1 januari 2019 aan het bevoegd gezag schriftelijk kenbaar heeft gemaakt de activiteiten te beëindigen voor 1 januari 2022.
|
||||
|
||||
**4.** Indien ingevolge het eerste lid de emissiegrenswaarden van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing zijn, zijn in afwijking van artikel 3.10p tevens de regels inzake keuring en onderhoud van dat besluit van toepassing.
|
||||
**4.** Op het in werking hebben van een stookinstallatie die voor 1 januari 2014 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarop titel 16.3 van de wet van toepassing was, zijn de op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10j geldende emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) tot 1 januari 2019 niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan voor deze stookinstallaties tot deze datum bij maatwerkvoorschrift emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NO_x) in het rookgas van de stookinstallatie vaststellen, indien de lokale luchtkwaliteit dat vergt.
|
||||
|
||||
**5.** Indien ingevolge het eerste lid de emissiegrenswaarden van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing zijn, zijn in afwijking van artikel 3.10p tevens de regels inzake keuring en onderhoud van dat besluit van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10r
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van de artikelen 3.10a of 3.10b, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 megawatt die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in gebruik is genomen, totdat het tweede lid van toepassing wordt, aan de emissiegrenswaarden die tot 1 januari 2013 voor die installatie golden ingevolge het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden ingevolge een daarvoor verleende omgevingsvergunning of ingevolge het derde of vierde lid.
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.10b, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 MWth die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in gebruik is genomen, totdat het tweede lid van toepassing wordt, aan de emissiegrenswaarden die tot 1 januari 2013 voor die installatie golden ingevolge het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden ingevolge een daarvoor verleende omgevingsvergunning of ingevolge het derde of vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de in de artikelen 3.10a of 3.10b genoemde emissiegrenswaarden vanaf het tijdstip dat:
|
||||
Het rookgas van een ketelinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de in artikel 3.10b genoemde emissiegrenswaarden vanaf het tijdstip dat:
|
||||
|
||||
a. de branders zijn vervangen;
|
||||
b. wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw van de ketelinstallatie overeenkomen, of
|
||||
c. een wijziging wordt doorgevoerd, die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in de artikelen 3.10a of 3.10b, met meer dan 10 procent.
|
||||
c. een wijziging wordt doorgevoerd, die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in artikel 3.10b, met meer dan 10 procent.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 3.10b en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen 500 kWth en 1 MWth, waarin biomassa wordt verbrand of waarin houtpellets, voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, aan een emissiegrenswaarde van 75 mg per normaal kubieke meter voor totaal stof, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10a en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 500 kilowatt en de 1 megawatt, waarin biomassa wordt verbrand of waarin houtpellets, voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, aan de emissiegrenswaarden, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, genoemd in tabel 3.10r (1), totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.
|
||||
|
||||
| Ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 500 kilowatt en de 1 megawatt | | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| *Brandstof* | *Stikstofoxiden (NOx)* (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) | *onverbrande koolwaterstoffen (Cx)Hy)* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Biomassa en houtpellets voor zover het geen biomassa betreft | – | – | 75 | – |
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In afwijking van de artikelen 3.10a en 3.10b en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 500 kilowatt waarin biomassa wordt of houtpellets voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik zijn genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015 aan de emissiegrenswaarden, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, genoemd in tabel 3.10r (2) totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.
|
||||
|
||||
| Ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner of gelijk aan 500 kilowatt | | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- | --- |
|
||||
| *Brandstof* | *Stikstofoxiden (NOx)* (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) | *onverbrande koolwaterstoffen (Cx)Hy)* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Biomassa en houtpellets voor zover het geen biomassa betreft | – | – | 150 | – |
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 3.10b en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan of gelijk aan 500 kWth, waarin biomassa wordt verbrand of waarin houtpellets, voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, aan een emissiegrenswaarde van 150 mg per normaal kubieke meter voor normaal stof, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10s
|
||||
|
||||
Indien aan een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste lid, of artikel 3.10r, eerste lid, voor 1 januari 2019 een wijziging van het nominaal vermogen wordt aangebracht die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in deze paragraaf, met meer dan 10 procent, wordt die wijziging zodanig uitgevoerd dat aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10a, 3.10b, 3.10d, 3.10e of 3.10f, wordt voldaan.
|
||||
Indien aan een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste lid, of artikel 3.10r, eerste lid, voor 1 januari 2019 een wijziging van het nominaal thermisch ingangsvermogen wordt aangebracht die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in deze paragraaf, met meer dan 10 procent, wordt die wijziging zodanig uitgevoerd dat aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10a, 3.10b, 3.10d, 3.10e of 3.10f wordt voldaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10t
|
||||
|
||||
|
|
@ -2549,15 +2636,15 @@ Artikel 3.10c is van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een
|
|||
|
||||
### Artikel 3.10u
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10l, eerste lid, haalt een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor 1 januari 2008, een jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de formule, bedoeld in dat lid.
|
||||
Degene die de inrichting drijft houdt de perioden voor het opstarten en stilleggen van de stookinstallaties waarop deze paragraaf van toepassing is zo kort mogelijk.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10v
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10d, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van ten hoogste 225 milligram per normaal kubieke meter, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities vaststellen voor een gasturbine die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, indien deze gasturbine is uitgerust met een stoom- of waterinjectie.
|
||||
Onverminderd het gestelde in de artikelen 3.10g en 3.10h neemt, indien de emissiegrenswaarden genoemd in de artikelen 3.10 tot en met 3.10f of in maatwerkvoorschriften niet worden nageleefd, degene die de inrichting drijft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die grenswaarden zo spoedig mogelijk weer worden nageleefd. Hij meldt zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag het niet naleven, de oorzaak ervan en de genomen maatregelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10w
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.10f, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor onverbrande koolwaterstoffen vaststellen voor een gasmotor met een thermisch vermogen van 2,5 megawatt of groter die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarin brandstof anders dan vergistinggas wordt verbrand, indien met een motorzijdige aanpassing onvoldoende reductie van koolwaterstoffen kan worden bereikt. In het maatwerkvoorschrift wordt een einddatum opgenomen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3.2.2. In werking hebben van een installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit
|
||||
|
||||
|
|
@ -6351,10 +6438,6 @@ Onverminderd artikel 2.12 kan het bevoegd gezag in afwijking van het tweede lid
|
|||
a. de nuttige toepassing van de afvalstof is toegestaan, en
|
||||
b. de toepassing van de afvalstof bijdraagt aan de fysische of bouwtechnische eigenschappen van de bouwstof en daarmee de inzet van primaire grondstoffen uitspaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74la
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, worden voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2°, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht waarvoor tot de inwerkingtreding van deze paragraaf een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning voor onbepaalde tijd aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4.5a.5. Het vormgeven van betonproducten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.74m
|
||||
|
|
@ -7742,43 +7825,124 @@ Deze paragraaf is, in afwijking van artikel 2.3a, tweede lid, en in afwijking va
|
|||
|
||||
**2.** Indien de verwerkingscapaciteit van de totale inrichting met meer dan 50% wordt verhoogd, geldt voor de verwerking van het totale H_2S -aanbod, met inbegrip van een bestaande installatie als bedoeld in het eerste lid, een omzettingsgraad van ten minste 99,8% als maandgemiddelde.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.1.5. Stookinstallatie voor de regeneratie van glycol
|
||||
#### Paragraaf 5.1.5. Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een niet-standaard brandstof
|
||||
|
||||
### Artikel 5.43
|
||||
|
||||
**1.** Deze paragraaf is, in afwijking van paragraaf 3.2.1 en onverminderd artikel 3.10i, 3.10j en 310p, van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol.
|
||||
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
**2.** Een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol kan gelegen zijn binnen de Nederlandse exclusieve economische zone.
|
||||
a. stookinstallaties waarop paragraaf 3.2.1 van toepassing is;
|
||||
b. stookinstallaties waarop paragraaf 5.1.1 van toepassing is;
|
||||
c. stookinstallaties waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is;
|
||||
d. stookinstallaties waarop Richtlijn 97/68/EG betrekking heeft en andere mobiele stookinstallaties;
|
||||
e. stookinstallaties op landbouwbedrijven met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 5 MWth of minder, die als brandstof uitsluitend onverwerkte mest van gevogelte gebruiken, zoals bedoeld in artikel 9, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad;
|
||||
f. stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen;
|
||||
g. stookinstallaties waarin de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten ter verbetering van de omstandigheden op de arbeidsplaats;
|
||||
h. technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
|
||||
i. technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
|
||||
j. het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
|
||||
k. het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;
|
||||
l. in de chemische industrie gebruikte reactoren;
|
||||
m. cokesovens;
|
||||
n. windverhitters van hoogovens;
|
||||
o. crematoria;
|
||||
p. stookinstallaties die raffinaderijbrandstof eventueel gemengd met andere brandstof gebruiken voor de opwekking van energie binnen olie- en gasraffinaderijen;
|
||||
q. terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp.
|
||||
r. stookinstallaties die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning worden gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO_2), stikstofoxiden (NO_x) of totaal stof.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.44
|
||||
|
||||
**1.** Bij de regeneratie van glycol is de emissiegrenswaarde van stikstofoxiden naar de lucht ten hoogste 80 mg/Nm^3.
|
||||
**1.** De artikelen 3.7, tweede lid, onder b en zesde lid, 3.10c, 3.10g tot en met 3.10j, 3.10n en 3.10u zijn van overeenkomstige toepassing op de emissiegrenswaarden in deze paragraaf.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de samenstelling van het gewonnen gas en de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden dan genoemd in het eerste lid vaststellen. De emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden naar de lucht is in dat geval ten hoogste 150 mg/Nm^3.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden dan genoemd in het eerste en tweede lid vaststellen voor een installatie die als brandstof grotendeels organische dampen gebruikt en waarbij de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven. De emissiegrenswaarde is in dat geval ten hoogste 250 mg/Nm^3.
|
||||
De emissiegrenswaarden in deze paragraaf gelden voor een stookinstallatie die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen vanaf:
|
||||
|
||||
**4.** Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt onder meer rekening gehouden met de kosteneffectiviteit, bedoeld in artikel 2.7, vijfde tot en met negende lid, en met de integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.
|
||||
a. 1 januari 2019 voor een installatie voor de regeneratie van glycol;
|
||||
b. 1 januari 2025 voor een stookinstallatie anders dan een installatie voor de regeneratie van glycol, met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MWth;
|
||||
c. 1 januari 2030 voor een stookinstallatie anders dan een installatie voor de regeneratie van glycol, met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer en 5 MWth of minder.
|
||||
|
||||
**5.** De emissiegrenswaarden genoemd in het eerste tot en met derde lid zijn tot 1 januari 2019 niet van toepassing op het rookgas van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol die voor 1 januari 2016 *(datum inwerkingtreding vierde tranche)* in gebruik is genomen.
|
||||
**3.** Tot de datum die ingevolge het tweede lid, onder b of c, van toepassing is, gelden voor die stookinstallatie de emissiegrenswaarden in de verleende omgevingsvergunning.
|
||||
|
||||
**6.** Voor installaties als bedoeld in het vijfde lid blijven, in afwijking van artikel 6.1, tot 1 januari 2019 de emissiegrenswaarden van de vergunning van toepassing.
|
||||
**4.** Indien de in het derde lid bedoelde emissiegrenswaarden strenger zijn dan de emissiegrenswaarden of de emissiegrenswaarden tussen haakjes in deze paragraaf, dan blijven de emissiegrenswaarden in de verleende omgevingsvergunning ook van kracht na de in het tweede lid, onder b of c, genoemde datum.
|
||||
|
||||
**5.** Het bevoegd gezag kan op grond van een BBT-afweging een strengere emissiegrenswaarde dan de in deze paragraaf gestelde emissiegrenswaarde stellen.
|
||||
|
||||
**6.** Het toepassen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in de artikelen 5.44a, derde lid, 5.44b, vijfde lid, 5.44c, derde lid en 5.44d, vierde lid, vindt plaats, indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.44a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Een stookinstallatie anders dan een zuigermotor of gasturbine voldoet aan de emissiegrenswaarden in tabel 5.44a.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie van 5 MWth of minder die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op gasvormige brandstof anders dan cokesovengas aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 200 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde vaststellen tot maximaal de in tabel 5.44a tussen haakjes aangegeven waarden of voor zover het een stookinstallatie betreft die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en op gasvormige brandstoffen wordt gestookt tot maximaal 250 mg/Nm^3 voor NO_x.
|
||||
|
||||
| Stookinstallaties anders dan zuigermotor of gasturbine | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| *Brandstof* | *Stikstofoxiden (NOx*) (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Brandstof in vaste vorm, met uitzondering van biomassa | 100 (300) | 200 (400) | 5 (20) |
|
||||
| Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa | 120 (300) | 200 (350) | 5 (20) |
|
||||
| Biomassa | 145 (650) | 200 | 5 |
|
||||
| Gasvormige brandstof anders dan cokesovengas of hoogovengas | 70 (200) | 35 | – |
|
||||
| Cokesovengas | 100 (200) | 35 (400) | – |
|
||||
| Hoogovengas | 100 (200) | 35 (200) | – |
|
||||
|
||||
### Artikel 5.44b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Een gasturbine voldoet aan de emissiegrenswaarden in tabel 5.44b.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op cokesovengas aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 130 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op hoogovengas aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 65 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie van 20 MWth of minder die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op brandstof in vloeibare vorm aan een emissiegrenswaarde voor stof voor 20 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde vaststellen tot maximaal de in tabel 5.44b tussen haakjes aangegeven waarden.
|
||||
|
||||
| Gasturbine | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| *Brandstof* | *Stikstofoxiden (NOx*) (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Brandstof in vloeibare vorm | 50 (75) | 65 (120) | 10 |
|
||||
| Gasvormige brandstof | 50 (75) | 15 | – |
|
||||
|
||||
### Artikel 5.44c
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Een dieselmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden in tabel 5.44c.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid voldoet een dieselmotor van 20 MWth of minder die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen aan een emissiegrenswaarde voor stof voor 20 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde vaststellen tot maximaal de in tabel 5.44c tussen haakjes aangegeven waarden
|
||||
|
||||
| Dieselmotor | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| *Vermogen * | *Stikstofoxiden (NOx*) (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| 5 MWth of minder | 150 (190) | 65 (120) | 20 |
|
||||
| Meer dan 5 MWth | 150 (190) | 65 (120) | 10 |
|
||||
|
||||
### Artikel 5.44d
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Een gasmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden in tabel 5.44d.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op cokesovengas aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 130 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op hoogovengas aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO_2) van 65 mg/Nm^3.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde vaststellen tot maximaal de in tabel 5.44d tussen haakjes aangegeven waarden.
|
||||
|
||||
| Gasmotor | | | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| *Vermogen* | *Stikstofoxiden (NOx*) (mg per normaal kubieke meter) | *Zwaveldioxide (SO2)* (mg per normaal kubieke meter) | *Totaal stof* (mg per normaal kubieke meter) |
|
||||
| Minder dan 2,5 MWth | 115 (190) | 15 | – |
|
||||
| 2,5 MWth of meer | 35 (190) | 15 | – |
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 5.1.6. Installatie voor de productie van asfalt
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue