2024-01-01 | BWBR0041313 | Besluit kwaliteit leefomgeving

This commit is contained in:
Coornhert 2024-01-01 12:00:00 +00:00
parent 8314d76b05
commit a825085a7c

View file

@ -63,7 +63,7 @@ De omgevingswaarden voor de veiligheid van primaire waterkeringen gelden voor ee
**1.** Voor dijktrajecten als bedoeld in bijlage II, onder A, geldt de ten hoogste toelaatbare kans per jaar op verlies van waterkerend vermogen waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op een zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 1.
**2.** In afwijking van het eerste lid geldt voor de dijktrajecten 201, 204a, 204b, 205, 206, 208 tot en met 212, 214 tot en met 219 en 222 tot en met 228 de ten hoogste toelaatbare kans per jaar op verlies van waterkerend vermogen waardoor de hydraulische belasting op een achterliggend dijktraject substantieel wordt verhoogd, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 2.
**2.** In afwijking van het eerste lid geldt voor de dijktrajecten 201, 204a, 204b, 205, 206, 208 tot en met 212, 214 tot en met 219 en 222 tot en met 227 de ten hoogste toelaatbare kans per jaar op verlies van waterkerend vermogen waardoor de hydraulische belasting op een achterliggend dijktraject substantieel wordt verhoogd, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 2.
**3.** In afwijking van het eerste lid geldt voor dijktraject 16-5 de ten hoogste toelaatbare kans op verlies van waterkerend vermogen waardoor het door het dijktraject beschermde gebied overstroomt op zodanige wijze en in zodanige mate dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade per keer dat het een hydraulische belasting ondervindt door het overstromen van het gebied dat door een voorliggend dijktraject beschermd is, bedoeld in bijlage II, onder B, kolom 3.
@ -764,7 +764,7 @@ e. verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
Deze paragraaf is van toepassing op:
a. verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; en
a. verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; en
b. lokale spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen.
### Artikel 3.27
@ -776,7 +776,7 @@ De basisgeluidemissie van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg is:
a. de geluidemissie in L_den van die weg of spoorweg in het eerste jaar waarvoor die geluidemissie op grond van artikel 11.46 wordt bepaald, voor een op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bestaande weg of spoorweg; of
b. de geluidemissie in L_den die ten grondslag ligt aan het besluit tot aanleg of wijziging van die weg of spoorweg.
**2.** Als een lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg, kan de basisgeluidemissie van die gemeenteweg worden gebaseerd op het geluid door die gemeenteweg en die lokale spoorweg gezamenlijk. Als toepassing is gegeven aan artikel 5.78m, derde lid, of artikel 5.78n, derde lid, wordt de basisgeluidemissie van die gemeenteweg gebaseerd op het geluid door die gemeenteweg en die lokale spoorweg gezamenlijk.
**2.** Als een lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg, kan de basisgeluidemissie van die gemeenteweg worden gebaseerd op het geluid door die gemeenteweg en die lokale spoorweg gezamenlijk.
**3.** De basisgeluidemissie van een rijksweg of provinciale weg waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en waarvan het beheer wordt overgedragen aan een gemeente of een waterschap en van een hoofdspoorweg die na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit bij koninklijk besluit wordt aangewezen als lokale spoorweg is de geluidemissie op grond van de geluidbrongegevens, behorende bij het op het tijdstip van de overdracht of de aanwijzing geldende geluidproductieplafond.
@ -942,7 +942,7 @@ d. voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschie
### Artikel 3.39
**1.** Bij de toepassing van de artikelen 3.35, 3.36 en 3.37 wordt het gezamenlijke geluid op een geluidgevoelige gebouw bepaald.
**1.** Bij de toepassing van de artikelen 3.35, 3.36 en 3.37 wordt het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald.
**2.** Het gezamenlijke geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid.
@ -1102,23 +1102,13 @@ De volgende bestuursorganen nemen in de daarbij bedoelde gevallen een besluit of
a. het college van burgemeester en wethouders, als:
1°. naar aanleiding van de afweging, bedoeld in artikel 3.28, geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen die de overschrijding van de basisgeluidemissie of de grenswaarde ongedaan maken;
2°. bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde door een bestuursorgaan van de gemeente toepassing is gegeven aan artikel 3.35, 3.36, 3.37 of 3.41;
3°. in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toepassing is gegeven aan artikel 5.78n, 5.78o of 5.78af, derde lid, en het geluid op het geluidgevoelige gebouw hoger is dan het geluid op het tijdstip van de toepassing; of
4°. het geluid op een geluidgevoelig gebouw toeneemt door een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer dat is vastgesteld door dit college of een door hem ingestelde bestuurscommissie;
b. het dagelijks bestuur van een waterschap, als:
2°. bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde door een bestuursorgaan van de gemeente toepassing is gegeven aan artikel 3.35, 3.36, 3.37 of 3.41; of
3°. in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toepassing is gegeven aan artikel 5.78n, 5.78o of 5.78af, derde lid, en het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw hoger is dan het geluid op het tijdstip van de toepassing;
b. het dagelijks bestuur van een waterschap, als naar aanleiding van de afweging, bedoeld in artikel 3.28, geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen die de overschrijding van de basisgeluidemissie of de grenswaarde ongedaan maken;
c. gedeputeerde staten, als bij de vaststelling van een geluidproductieplafond door een bestuursorgaan van de provincie toepassing is gegeven aan artikel 3.35, 3.36, 3.37 of 3.41; en
d. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, als bij de vaststelling van een geluidproductieplafond door een bestuursorgaan van het Rijk toepassing is gegeven aan artikel 3.35, 3.36, 3.37 of 3.41.
1°. naar aanleiding van de afweging, bedoeld in artikel 3.28, geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen die de overschrijding van de basisgeluidemissie of de grenswaarde ongedaan maken; of
2°. het geluid op een geluidgevoelig gebouw toeneemt door een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer dat is vastgesteld door het algemeen bestuur of dagelijks bestuur van het waterschap;
c. gedeputeerde staten, als:
1° bij de vaststelling van een geluidproductieplafond door een bestuursorgaan van de provincie toepassing is gegeven aan artikel 3.35, 3.36, 3.37 of 3.41; of
2°. het geluid op een geluidgevoelig gebouw in het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg of waterschapsweg toeneemt door een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer dat door hen is vastgesteld;
d. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, als:
1°. bij de vaststelling van een geluidproductieplafond door een bestuursorgaan van het Rijk toepassing is gegeven aan artikel 3.35, 3.36, 3.37 of 3.41; of
2°. het geluid op een geluidgevoelig gebouw in het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg of waterschapsweg toeneemt door een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 21a van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer dat door hem is vastgesteld.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt het besluit, als sprake is van een projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, genomen door het bevoegd gezag voor dat besluit of, als dat een andere minister is, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
**2.** In afwijking van het eerste lid, onder a, onder 3^o, wordt het besluit, als sprake is van een projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, genomen door het bevoegd gezag voor dat besluit of, als dat een andere minister is, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
**3.** In afwijking van het eerste lid, onder a, b en c, en het tweede lid, wordt het besluit over een geluidgevoelig gebouw dat gelegen is buiten het grondgebied van de gemeente, het waterschap of de provincie waar de geluidbron gelegen is, genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het gebouw gelegen is.
@ -1282,9 +1272,7 @@ Feitelijke handelingen als bedoeld in artikel 10.10b van de wet worden verricht
**1.** Gedeputeerde staten dragen zorg voor het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 20 van de invasieve-exoten-basisverordening met betrekking tot de in bijlage VC genoemde soorten.
**1.** Als er in bijlage VC een datum wordt genoemd, geldt de in het eerste lid bedoelde taak met ingang van die datum.
**3.**
**2.**
Bestrijding van uitheemse dieren, niet behorende tot de in bijlage VC genoemde soorten, en bestrijding van verwilderde dieren vindt alleen plaats als dat nodig is:
@ -2225,7 +2213,7 @@ Een explosieaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gev
a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE) de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m^2 is; of
b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is.
**3.** Een gifwolkaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw kunnen overlijden door blootstelling aan de bij ministeriële regeling vastgestelde dosis van een gevaarlijke stof.
**3.** Een gifwolkaandachtsgebied is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof gedurende een daarbij aangegeven periode.
**4.** In afwijking van het derde lid wordt een gifwolkaandachtsgebied voor de toepassing van deze paragraaf begrensd door een afstand van 1,5 km vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit, bepaald volgens bij ministeriële regeling gestelde regels, als de afstand, bedoeld in het derde lid, groter is dan 1,5 km.
@ -2282,20 +2270,11 @@ b. waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwe
### Artikel 5.15a
**1.**
Artikel 5.15 is niet van toepassing:
a. voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepaling; of
b. op beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepaling.
**2.**
Artikel 5.15 is ook niet van toepassing:
a. voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, onder E, of zijn toegestaan met toepassing van artikel IX, eerste lid, van het Verzamelbesluit Omgevingswet IenW milieu 2025 of
b. op beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan op het onder a bedoelde tijdstip of zijn toegestaan met toepassing van artikel X, eerste lid, van het Verzamelbesluit Omgevingswet IenW milieu 2025.
### Artikel 5.16
**1.** Een risicogebied externe veiligheid is de locatie die in een omgevingsplan kan worden aangewezen, als binnen het gebied activiteiten als bedoeld in bijlage VII, onder E, onder 3 tot en met 5.2, 6 tot en met 9 en 11 tot en met 13, worden toegelaten.
@ -3082,7 +3061,7 @@ Paragraaf 5.1.4.2a is van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat is toegela
a. wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds;
b. lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en
c. verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde.
c. verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde.
**2.** Paragraaf 5.1.4.2a is, met uitzondering van artikel 5.78s, eerste en tweede lid, niet van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.
@ -3167,7 +3146,7 @@ b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is ve
Deze subparagraaf is van toepassing op het geluid door:
a. verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; en
a. verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; en
b. lokale spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen.
**2.** Deze subparagraaf is niet van toepassing op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel.
@ -3229,7 +3208,7 @@ Een omgevingsplan dat een wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokal
a. de standaardwaarde, bedoeld in tabel 3.34; en
b. het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan.
**3.** Als een aan te leggen of te wijzigen lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg, of een aan te leggen of te wijzigen gemeenteweg grotendeels is verweven of gebundeld met een lokale spoorweg, kan voor het geluid van de gemeenteweg en lokale spoorweg gezamenlijk de standaardwaarde voor gemeentewegen, bedoeld in tabel 3.34, worden gehanteerd.
**3.** Als toepassing is gegeven aan artikel 3.27, tweede lid, geldt voor het geluid door de gemeenteweg en de lokale spoorweg gezamenlijk de standaardwaarde voor gemeentewegen, bedoeld in tabel 3.34.
### Artikel 5.78n
@ -3243,7 +3222,7 @@ c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedo
**2.** Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
**3.** Als een aan te leggen of te wijzigen lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg, of een aan te leggen of te wijzigen gemeenteweg grotendeels is verweven of gebundeld met een lokale spoorweg, kan voor het geluid van de gemeenteweg en lokale spoorweg gezamenlijk de grenswaarde voor gemeentewegen, bedoeld in tabel 3.35, worden gehanteerd.
**3.** Als toepassing is gegeven aan het artikel 3.27, tweede lid, geldt voor het geluid door de gemeenteweg en de lokale spoorweg gezamenlijk de grenswaarde voor gemeentewegen, bedoeld in tabel 3.35.
### Artikel 5.78o
@ -3255,7 +3234,7 @@ Bij de toepassing van de artikelen 5.78n en 5.78o wordt de aanvaardbaarheid van
### Artikel 5.78q
Bij de toepassing van de artikelen 5.78n en 5.78o wordt in het omgevingsplan het gezamenlijke geluid op het geluidgevoelige gebouw bepaald.
Bij de toepassing van de artikelen 5.78n en 5.78o wordt in het omgevingsplan het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald.
###### Paragraaf 5.1.4.2a.4. Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden
@ -3376,11 +3355,9 @@ b. de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende ma
Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u, als:
a. zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen; en
b. geen andere maatregelen dan de maatregelen, bedoeld in artikel 5.78z kunnen worden getroffen om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u.
b. geen andere dan de maatregelen, bedoeld in artikel 5.78z, in aanmerking komen om het geluid te laten voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u.
**2.** Andere maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in aanmerking genomen als deze in redelijkheid niet te kostbaar zijn en daartegen geen zwaarwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
**3.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt in het omgevingsplan bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel is.
**2.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt in het omgevingsplan bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel is.
### Artikel 5.78ab
@ -3394,7 +3371,7 @@ Bij de toepassing van de artikelen 5.78u, 5.78v, 5.78w, 5.78x, 5.78y en 5.78aa w
### Artikel 5.78ad
Bij de toepassing van de artikelen 5.78u, 5.78v, 5.78w, 5.78x, 5.78y en 5.78aa wordt het gezamenlijke geluid op het geluidgevoelige gebouw bepaald en in het omgevingsplan vastgelegd.
Bij de toepassing van de artikelen 5.78u, 5.78v, 5.78w, 5.78x, 5.78y en 5.78aa wordt het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in het omgevingsplan vastgelegd.
###### Paragraaf 5.1.4.2a.5. Indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer
@ -3404,7 +3381,7 @@ Bij de toepassing van de artikelen 5.78u, 5.78v, 5.78w, 5.78x, 5.78y en 5.78aa w
Deze subparagraaf is van toepassing op het geluid door:
a. verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; en
a. verharde gemeentewegen en waterschapswegen, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde; en
b. lokale spoorwegen die niet op grond van artikel 2.13a, eerste lid, van de wet zijn aangewezen.
**2.**
@ -4459,7 +4436,7 @@ In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het belang van het behoud van d
**1.** De bepalingen in de paragrafen 5.1.6.2 en 5.1.6.3 zijn niet van toepassing voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen.
**2.** De bepalingen in de paragrafen 5.1.6.2, 5.1.6.3 en 5.1.6.4 zijn niet van toepassing voor zover activiteiten zijn toegestaan op grond van een in werking getreden projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, dat is vastgesteld respectievelijk die is verleend door een bestuursorgaan van het Rijk.
**2.** De bepalingen in de paragrafen 5.1.6.2, 5.1.6.3, 5.1.6.4 en 5.1.6.5 zijn niet van toepassing voor zover activiteiten zijn toegestaan op grond van een in werking getreden projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, dat is vastgesteld respectievelijk die is verleend door een bestuursorgaan van het Rijk.
##### Paragraaf 5.1.6.2. Autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen
@ -4593,11 +4570,18 @@ Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het natuur- en recreatiegebied
### Artikel 5.147
Vervallen
Het reserveringsgebied parallelle Kaagbaan is de locatie in de gemeente Haarlemmermeer ten zuiden van de Kaagbaan en tegen Schiphol-Rijk aan, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
### Artikel 5.148
Vervallen
**1.** Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het reserveringsgebied parallelle Kaagbaan, laat het omgevingsplan geen andere activiteiten toe dan de activiteiten die waren toegestaan voor 1 februari 2014.
**2.**
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. de aanleg van een weg volgens het tracé de Boerenlandvariant, bedoeld in de mededeling over de Overeenkomst voorwaarden aanleg Boerenlandvariant N201; en
b. tijdelijke activiteiten die worden toegelaten tot uiterlijk 1 januari 2024.
#### Paragraaf 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten
@ -4755,10 +4739,10 @@ Een omgevingsplan dat bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond van artikel 13
a. sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag;
b. sociale koopwoningen, zijnde koopwoningen met een koopprijs vrij op naam van ten hoogste de kostengrens, bedoeld in de Voorwaarden en Normen Nationale Hypotheekgarantie;
c. middenhuurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste de maximale huurprijs behorende bij 186 punten op grond van de waardering van de kwaliteit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte met inbegrip van, voor zover van toepassing, de vermeerdering, bedoeld in artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte; en
c. geliberaliseerde woningen voor middenhuur, zijnde huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste een in het omgevingsplan bepaalde, jaarlijks te indexeren aanvangshuurprijs; en
d. woningen die alleen mogen worden gebouwd in particulier opdrachtgeverschap.
**2.** Een omgevingsplan dat regels als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, bevat, bepaalt dat het gebruik van bedoelde woningen als sociale huurwoningen, sociale koopwoningen respectievelijk middenhuurwoningen in stand blijft voor een in het omgevingsplan omschreven doelgroep gedurende een in het omgevingsplan bepaalde termijn.
**2.** Een omgevingsplan dat regels als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, bevat, bepaalt dat het gebruik van bedoelde woningen als sociale huurwoningen, sociale koopwoningen respectievelijk geliberaliseerde woningen voor middenhuur in stand blijft voor een in het omgevingsplan omschreven doelgroep gedurende een in het omgevingsplan bepaalde termijn.
**3.**
@ -4766,7 +4750,7 @@ De termijn, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:
a. voor sociale huurwoningen: ten minste tien jaar na ingebruikname;
b. voor sociale koopwoningen: ten minste een jaar en ten hoogste tien jaar na ingebruikname; en
c. voor middenhuurwoningen: ten minste tien jaar na ingebruikname.
c. voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur: ten minste tien jaar na ingebruikname.
**4.**
@ -4809,7 +4793,7 @@ In een omgevingsplan wordt voor de toepassing van artikel 11.111, tweede lid, a
### Artikel 5.166
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan op verzoek van het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels in de paragrafen 5.1.3.2, 5.1.3.3, 5.1.3.4, 5.1.3.5, 5.1.5.2, 5.1.5.3, met uitzondering van de artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g, en 5.129e, eerste en tweede lid, 5.1.6.2, 5.1.6.3, 5.1.6.4 en 5.1.7 en artikel 5.163.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan op verzoek van het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels in de paragrafen 5.1.3.2, 5.1.3.3, 5.1.3.4, 5.1.3.5, 5.1.5.2, 5.1.5.3, met uitzondering van de artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g, en 5.129e, eerste en tweede lid, 5.1.6.2, 5.1.6.3, 5.1.6.4, 5.1.6.5 en 5.1.7 en artikel 5.163.
### Artikel 5.167
@ -4916,38 +4900,28 @@ Bij omgevingsverordening kan de provincie Fryslân voor de Friese Waddeneilanden
**1.** Droogmakerij de Beemster is de locatie bekend als de polder De Beemster, gelegen op het grondgebied van de provincie Noord-Holland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
**2.** Hollandse Waterlinies is de locatie bekend als de samengevoegde vroegere verdedigingslinies Stelling van Amsterdam en Nieuwe Hollandse Waterlinie, gelegen op het grondgebied van de provincies Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
**2.** Stelling van Amsterdam is de locatie bekend als de vroegere verdedigingslinie rondom Amsterdam, gelegen op het grondgebied van de provincies Noord-Holland en Utrecht, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
**3.** Schokland en omgeving is de locatie bekend als het voormalige Zuiderzee-eiland Schokland en een deel van de omliggende Noordoostpolder, gelegen op het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
**3.** Nieuwe Hollandse Waterlinie is de locatie bekend als de vroegere verdedigingslinie Nieuwe Hollandse Waterlinie, die van Muiden naar Woudrichem loopt en eindigt bij Werkendam en die is gelegen op het grondgebied van de provincies Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
**4.** Neder-Germaanse Limes is de locatie bekend als de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee tot de grens met Duitsland loopt over het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
**4.** Romeinse Limes is de locatie bekend als een serie van archeologische monumenten van de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee tot de grens met Duitsland loopt over het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
**5.** Koloniën van Weldadigheid is de locatie bekend als een serie van agrarische koloniën gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid, gelegen op het grondgebied van de provincies Drenthe en Fryslân, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
**5.** Koloniën van Weldadigheid is de locatie bekend als een serie van agrarische koloniën gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid, gelegen op het grondgebied van de provincies Drenthe, Overijssel en Fryslân, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd.
### Artikel 7.4
**1.** Kernkwaliteiten van de werelderfgoederen, bedoeld in artikel 7.3, zijn de in het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed in bijlage XVII in hoofdlijnen beschreven essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed.
**1.** Kernkwaliteiten van de werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst werelderfgoed, bedoeld in artikel 7.3, zijn de in het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed in bijlage XVII in hoofdlijnen beschreven essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed.
**2.** Bij omgevingsverordening worden de kernkwaliteiten nader uitgewerkt.
**3.**
Bij omgevingsverordening worden in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen regels gesteld over:
Bij omgevingsverordening worden in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst werelderfgoed regels gesteld over:
a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet; en
b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet.
**4.** De regels voorzien er in ieder geval in dat geen activiteiten worden toegelaten die de kernkwaliteiten aantasten.
**5.**
Bij omgevingsverordening kan, voor zover het gaat om activiteiten die in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed, worden bepaald dat van de regels door gedeputeerde staten:
a. ontheffing kan worden verleend aan een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap; en
b. kan worden afgeweken bij het vaststellen van een projectbesluit, voor zover:
1°. het gaat om een project dat onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met die regels; en
2°. in het projectbesluit rekening wordt gehouden met de nader uitgewerkte kernkwaliteiten, bedoeld in het tweede lid.
**4.** De regels houden in ieder geval in dat geen activiteiten worden toegelaten die de kernkwaliteiten aantasten.
### Afdeling 7.3. Instructieregels met het oog op natuurbescherming
@ -5082,7 +5056,7 @@ Op het stellen van regels in een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 5.1
### Artikel 7.15
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan op verzoek van gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de regels in de paragrafen 5.1.3.2, 5.1.3.3, 5.1.3.4, 5.1.3.5, 5.1.5.2, 5.1.5.3, met uitzondering van de artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g, en 5.129e, eerste en tweede lid, 5.1.6.2, 5.1.6.3, 5.1.6.4 en 5.1.7 en artikel 7.9.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan op verzoek van gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de regels in de paragrafen 5.1.3.2, 5.1.3.3, 5.1.3.4, 5.1.3.5, 5.1.5.2, 5.1.5.3, met uitzondering van de artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g, en 5.129e, eerste en tweede lid, 5.1.6.2, 5.1.6.3, 5.1.6.4, 5.1.6.5 en 5.1.7 en artikel 7.9.
## Hoofdstuk 8. Omgevingsvergunningen
@ -5304,7 +5278,7 @@ f. energie wordt doelmatig gebruikt;
g. de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen van ongevallen te beperken; en
h. bij de definitieve beëindiging van de activiteit worden de nodige maatregelen getroffen om elk risico van milieuverontreiniging door de activiteit voor het terrein waarop de activiteit werd verricht, te voorkomen of te beperken, als dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor toekomstig gebruik.
**2.** Op de beoordeling van de aanvraag zijn de artikelen 10.14, eerste en tweede lid, en 10.29a van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.
**2.** Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer.
**3.** Bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan het criterium, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder e, wordt bij het bepalen of sprake is van significante milieuverontreiniging in ieder geval rekening gehouden met het omgevingsplan, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening.
@ -5450,17 +5424,16 @@ Het tweede lid, onder b, is niet van toepassing als het gaat om het exploiteren
### Artikel 8.18
**1.** Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit, anders dan een activiteit als bedoeld in artikel 5.74 of 5.76, die meer geluid kan veroorzaken op een geluidgevoelig gebouw dan het geluid van die activiteit op dat gebouw dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten.
**1.** Dit artikel is van toepassing voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit, anders dan een activiteit als bedoeld in artikel 5.74 of 5.76, die meer geluid kan veroorzaken op geluidgevoelige gebouwen dan de standaardwaarden, bedoeld in artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder a, tweede, derde of vierde lid.
**2.** De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het geluid door die activiteit in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.66, tweede lid, niet overschrijdt.
**2.** De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het geluid door die activiteit binnen geluidgevoelige ruimten van geluidgevoelige gebouwen de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.66, tweede lid, niet overschrijdt.
**3.**
Het tweede lid is niet van toepassing als:
a. het geluid van de activiteit op het gebouw voldoet aan de standaardwaarden, bedoeld in artikel 5.65, eerste lid, aanhef en onder a;
b. de activiteit plaatsvindt, of het geluidgevoelige gebouw is gelegen, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; of
c. het geluidgevoelige gebouw op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.
a. de activiteit plaatsvindt, of het geluidgevoelige gebouw is gelegen, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; of
b. het geluidgevoelige gebouw op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.
**4.** Het tweede lid is ook niet van toepassing als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit op grond van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift voor een activiteit een hogere waarde gold dan de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.66, tweede lid. De omgevingsvergunning wordt in dat geval alleen verleend als het geluid door de activiteit die hogere waarde niet overschrijdt.
@ -5582,13 +5555,6 @@ e. het beoordelen van de naleving van de emissiegrenswaarden.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de motivering van de omgevingsvergunning wordt verwezen naar regels, opgenomen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening of het Besluit activiteiten leefomgeving.
**3.**
Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt rekening gehouden met:
a. het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer; of
b. de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5 van die wet.
### Artikel 8.30
**1.** Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften met strengere voorwaarden worden verbonden dan de voorwaarden die haalbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies.
@ -6439,7 +6405,7 @@ b. het eerste lid niet van toepassing is op dat projectbesluit.
### Artikel 8.74e
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, kan de omgevingsvergunning worden verleend met gebruikmaking van daarvoor beschikbare stikstofdepositieruimte die is geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 10.25.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 8.74f
@ -6683,7 +6649,7 @@ a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en
b. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht;
c. aan de aanvrager de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen is ontzegd bij een rechterlijke uitspraak die voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, en de tijd waarvoor die bevoegdheid is ontzegd nog niet is verstreken;
d. de aanvrager in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is veroordeeld voor een strafbaar feit wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens de wet of wegens gedragingen als bedoeld in artikel 2.1, 2.2, 2.3, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.13, 2.14 of 2.15 van de Wet dieren, tegen hem daarvoor een strafbeschikking is uitgevaardigd of als hem wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens die artikelen van de Wet dieren een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 8.7 van die wet is opgelegd; of
e. de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 241, 243, 245 tot en met 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of een misdrijf op grond van de Opiumwet.
e. de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 242 tot en met 247, 248f, 249, 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of een misdrijf op grond van de Opiumwet.
**3.** Voor de berekening van de periode van acht jaar, bedoeld in het tweede lid, onder e, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
@ -6726,7 +6692,7 @@ a. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een roofvogel
b. er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht;
c. aan de aanvrager de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen is ontzegd bij een rechterlijke uitspraak die voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, en de tijd waarvoor die bevoegdheid is ontzegd nog niet is verstreken;
d. de aanvrager in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit is veroordeeld voor een strafbaar feit wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens de wet of wegens gedragingen als bedoeld in artikel 2.1, 2.2, 2.3, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.13, 2.14 of 2.15 van de Wet dieren, of tegen hem daarvoor een strafbeschikking is uitgevaardigd, of als hem wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens die artikelen van de Wet dieren een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 8.7 van die wet is opgelegd; of
e. de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 241, 243, 245 tot en met 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of een misdrijf op grond van de Opiumwet.
e. de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 242 tot en met 247, 248f, 249, 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of een misdrijf op grond van de Opiumwet.
**3.** Voor de berekening van de periode van acht jaar, bedoeld in het tweede lid, onder e, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
@ -7075,7 +7041,7 @@ b. de activiteit redelijkerwijs niet kan worden toegelaten door:
**1.** Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk beziet binnen vier jaar na de bekendmaking van nieuwe of herziene BBT-conclusies over de hoofdactiviteit van de ippc-installatie of de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften voldoen aan die nieuwe BBT-conclusies, aan overige BBT-conclusies en aan informatiedocumenten als bedoeld in bijlage XVIII, onder A, die sinds de verlening van de omgevingsvergunning of de laatste toetsing zijn vastgesteld of herzien.
**2.** Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk beziet binnen een jaar nadat het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer, is gaan gelden of de omgevingsvergunning voldoet aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer.
**2.** Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk beziet binnen een jaar nadat het afvalbeheerplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer, is gaan gelden of de omgevingsvergunning voldoet aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het afvalbeheerplan.
### Artikel 8.99
@ -7091,7 +7057,7 @@ b. door de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moet worden ingep
Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk wijzigt de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, als dit noodzakelijk is gelet op het resultaat van de toetsing, bedoeld in:
a. artikel 8.98, eerste lid: binnen vier jaar na de bekendmaking van nieuwe of herziene BBT-conclusies over de hoofdactiviteit van de ippc-installatie; of
b. artikel 8.98, tweede lid: binnen een jaar nadat het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer, is gaan gelden.
b. artikel 8.98, tweede lid: binnen een jaar nadat het afvalbeheerplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer, is gaan gelden.
**3.**
@ -7128,13 +7094,6 @@ b. het niet treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de
**2.** Het bevoegd gezag geeft alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid als niet kan worden volstaan met wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning.
**3.**
Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder a, wordt rekening gehouden met:
a. het circulair materialenplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer; of
b. de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5 van die wet.
### Artikel 8.103
**1.** Het bevoegd gezag trekt een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit in ieder geval in of wijzigt een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit in ieder geval, als dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
@ -7156,7 +7115,7 @@ Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit tr
a. de bij aan aanvraag om die omgevingsvergunning verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat, als de juiste gegevens waren verstrekt, de vergunning zou zijn geweigerd;
b. blijkt dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet langer met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dat artikel en artikel 11.78, tweede tot en met zevende lid, van dat besluit is gedekt;
c. de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;
d. na de verlening van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit de houder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 241, 243, 245 tot en met 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of een misdrijf op grond van de Opiumwet; of
d. na de verlening van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit de houder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 242 tot en met 247, 248f, 249, 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of een misdrijf op grond van de Opiumwet; of
e. de houder in het bezit is van een magazijn voor een vuurwapen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22), zonder hiervoor een verlof of ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie te hebben.
**2.** Het eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit.
@ -7183,7 +7142,7 @@ c. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheden in het kader
### Artikel 9.2
**1.** Er wordt geen projectbesluit door een van Onze Ministers vastgesteld voor het uitvoeren van een project dat de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, aantast.
**1.** Er wordt geen projectbesluit door een van Onze Ministers vastgesteld voor het uitvoeren van een project dat de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst werelderfgoed, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, aantast.
**2.** In een projectbesluit dat door een van Onze Ministers wordt vastgesteld wordt rekening gehouden met de nader uitgewerkte kernkwaliteiten, bedoeld in artikel 7.4, tweede lid.
@ -7203,7 +7162,7 @@ c. er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheden in het kader
### Artikel 9.4
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan op verzoek van het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de regels in de paragrafen 5.1.3.2, 5.1.3.3, 5.1.3.4, 5.1.3.5, 5.1.5.2 en 5.1.5.3, met uitzondering van de artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g, en 5.129e, eerste en tweede lid, en de paragrafen 5.1.6.2, 5.1.6.3, 5.1.6.4 en 5.1.7.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan op verzoek van het dagelijks bestuur van een waterschap of gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de regels in de paragrafen 5.1.3.2, 5.1.3.3, 5.1.3.4, 5.1.3.5, 5.1.5.2 en 5.1.5.3, met uitzondering van de artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g, en 5.129e, eerste en tweede lid, en de paragrafen 5.1.6.2, 5.1.6.3, 5.1.6.4, 5.1.6.5 en 5.1.7.
## Hoofdstuk 10. Bijzondere instrumenten en instructieregels
@ -7424,9 +7383,7 @@ b. het totaal van de geldbedragen, die aan hem worden toegerekend aan de hand va
**3.** Als de waardeverandering door de factoren, bedoeld in artikel 10.18, met een puntensysteem is bepaald, wordt in het besluit geldelijke regelingen voor de toepassing van het tweede lid, onder b, de waarde van een punt omgerekend in een geldbedrag door het totaal van de aan de eigenaren toe te rekenen kosten te delen door het totaal van de aan de eigenaren toegerekende punten.
### Afdeling 10.2. Plannen Natura 2000 en registratie van stikstofdepositieruimte
#### Paragraaf 10.2.1. Passende beoordeling
### Afdeling 10.2. Plannen Natura 2000
### Artikel 10.24
@ -7447,44 +7404,6 @@ In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder b, geldt, als het plan signifi
a. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, met de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; of
b. andere dwingende redenen van groot openbaar belang, als de procedure van artikel 10.6d van het Omgevingsbesluit is toegepast.
#### Paragraaf 10.2.2. AERIUS Register
### Artikel 10.25
**1.** Er is een register stikstofdepositieruimte, met de naam AERIUS Register.
**2.** Het register wordt beheerd door Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
**3.** Het register bevat gegevens over stikstofdepositieruimte als bedoeld in artikel 2.46 van de wet, verkregen door de bij ministeriële regeling aangewezen maatregelen of categorieën van maatregelen die leiden tot het verminderen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
**4.** Het register bevat compartimenten voor de bestemming van stikstofdepositieruimte voor de bij ministeriële regeling aangewezen categorieën van projecten. Binnen elk compartiment kan nader onderscheid worden gemaakt.
### Artikel 10.26
Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur of het bij ministeriële regeling aangewezen bestuursorgaan neemt in AERIUS Register ten hoogste het bij die regeling vastgestelde percentage van de vermindering van stikstofdepositie door een maatregel als bedoeld in artikel 10.25, derde lid, op.
### Artikel 10.27
**1.** Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 8.74e reserveert stikstofdepositieruimte in AERIUS Register in de volgorde waarin de aanvragen voor de omgevingsvergunning zijn ontvangen.
**2.** In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders in de betrokken gemeente stikstofdepositieruimte reserveren voor een cluster van ruimtelijk samenhangende woningbouwprojecten.
**3.** Stikstofdepositieruimte kan, nadat zij weer beschikbaar is gekomen, alleen nogmaals worden gereserveerd met toepassing van de bij ministeriële regeling gestelde regels.
### Artikel 10.28
**1.** Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 8.74e, voor een projectbesluit of voor een kavelbesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee deelt de stikstofdepositieruimte voor een project toe in die vergunning of dat besluit.
**2.** De stikstofdepositieruimte wordt alleen toegedeeld voor zover zij eerder is gereserveerd als bedoeld in artikel 10.27 en niet meer bedraagt dan de in AERIUS Register beschikbare stikstofdepositieruimte.
**3.** Stikstofdepositieruimte wordt voor onbepaalde tijd toegedeeld en kan, nadat zij weer beschikbaar is gekomen, alleen nogmaals worden toegedeeld met toepassing van de bij ministeriële regeling gestelde regels.
**4.** De stikstofdepositieruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat die wordt toegedeeld, is niet groter dan de hoogste stikstofdepositie op die hectare die het project in een jaar kan veroorzaken.
### Artikel 10.29
De artikelen 10.27, eerste lid, en 10.28, tweede lid, zijn niet van toepassing op een projectbesluit of op een kavelbesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet windenergie op zee.
## Hoofdstuk 11. Monitoring en informatie
### Afdeling 11.1. Waarborgen van de veiligheid
@ -8053,25 +7972,7 @@ d. de beheerder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet, voor bij
### Artikel 11.46
**1.**
Het college van burgemeester en wethouders verzamelt gegevens voor de basisgeluidemissie van:
a. gemeentewegen; en
b. lokale spoorwegen voor zover deze niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen.
**2.** Het dagelijks bestuur van het waterschap verzamelt gegevens voor de basisgeluidemissie van waterschapswegen.
**3.** De gegevens worden uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip verzameld voor de basisgeluidemissie over een kalenderjaar, maar uiterlijk het jaar 2026.
**4.**
De gegevens omvatten in ieder geval:
a. de geluidbrongegevens; en
b. het geluidaandachtsgebied.
**5.** De verkeersintensiteit van wegen en lokale spoorwegen, bedoeld in het derde lid, onder a, wordt geteld of berekend. De verkeersintensiteit van wegen, bedoeld in het derde lid, onder b, wordt geteld, berekend of geschat.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 11.47
@ -8162,30 +8063,20 @@ a. voor het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproduc
4°. de geluidbrongegevens;
5°. het geluidaandachtsgebied;
6°. het geluid op een geluidreferentiepunt, bedoeld in artikel 11.45, eerste lid, over elk kalenderjaar;
7°. een verwijzing naar het internetadres waar het verslag van de monitoring van geluidproductieplafonds, bedoeld in artikel 11.45, elektronisch beschikbaar is gesteld; en
8°. voor wegen en spoorwegen, het kalenderjaar waar de geluidbrongegevens betrekking op hebben;
7°. voor wegen en spoorwegen, het kalenderjaar waar de geluidbrongegevens betrekking op hebben;
b. voor het geluid door wegen en spoorwegen met een basisgeluidemissie:
1°. de waarde van de basisgeluidemissie per weg, spoorweg of gedeelte daarvan;
2°. een verwijzing naar de vindplaats waar het verslag van de waarde van de basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 11.46, elektronisch is gepubliceerd;
3°. de geluidbrongegevens;
4°. het geluidaandachtsgebied;
5°. het verschil tussen de geluidemissie in L_den en de basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 11.47;
6°. een verwijzing naar de vindplaats waar het verslag van de monitoring van de basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 11.47, elektronisch is gepubliceerd; en
7°. het kalenderjaar waar de geluidbrongegevens betrekking op hebben;
c. voor het geluid door luchtvaart:
1°. de 48 L_den geluidcontour, de 20 Kosteneenheden geluidcontour en de binnen die contouren gelegen 1 L_den geluidcontouren; en
2°. een aanduiding van het besluit waarin de 48 L_den geluidcontour of de 20 Kosteneenheden geluidcontour is vastgesteld;
d. voor het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein:
1°. de geluidbrongegevens; en
2°. een aanduiding van het document op basis waarvan de activiteit rechtmatig wordt verricht en waaraan die gegevens zijn ontleend; en
2°. de geluidbrongegevens;
3°. het geluidaandachtsgebied;
4°. het verschil tussen de geluidemissie in L_den en de basisgeluidemissie, bedoeld in artikel 11.47;
5°. het kalenderjaar waar de geluidbrongegevens betrekking op hebben;
c. voor het geluid door luchtvaart: de 48 L_den geluidcontour, de 20 Kosteneenheden geluidcontour en de binnen die contouren gelegen 1 L_den geluidcontouren;
d. voor het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein: de geluidbrongegevens; en
e. voor het geluid door een civiele buitenschietbaan, een militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein:
1°. het gebied waarbinnen dat geluid hoger is dan 50 B_s,dan;
2°. de binnen die contouren gelegen 1 B_s,dan-geluidcontouren; en
3°. een aanduiding van het document op basis waarvan de activiteit rechtmatig wordt verricht en waaraan de gegevens zijn ontleend.
1°. het gebied waarbinnen dat geluid hoger is dan 50 B_s,dan; en
2°. de binnen die contouren gelegen 1 B_s,dan-geluidcontouren.
**2.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 4°, zijn niet herleidbaar tot activiteiten als het gaat om informatie die is aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013).
@ -8289,23 +8180,6 @@ b. in een geval als bedoeld in artikel 10.45, derde lid, van het Omgevingsbeslui
c. de uitzonderingsgrond uit artikel 5.1 van de Wet open overheid op grond waarvan tot geheimhouding is besloten; en
d. de samenvatting van de motivering van de beslissing waarbij tot geheimhouding is besloten.
#### Paragraaf 11.2.7. Zeer zorgwekkende stoffen
### Artikel 11.63a
**1.** Er is een Zeer Zorgwekkende Stoffen-emissieregister.
**2.** Het register wordt beheerd door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
**3.** Het register is voor een ieder langs elektronische weg toegankelijk.
**4.**
Het register bevat in elk geval de gegevens die zijn verstrekt overeenkomstig artikel 5.24a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van:
a. de gegevens die zijn aangemerkt als staatsgeheim als bedoeld in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013; en
b. de gegevens die betrekking hebben op het exploiteren van een militaire zeehaven, bedoeld in artikel 3.323 van het van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een militaire luchthaven, bedoeld in artikel 3.326 van dat besluit.
### Afdeling 11.3. Behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed
#### Paragraaf 11.3.1. Gegevensverzameling
@ -8406,54 +8280,15 @@ c. elke zes jaar: een verslag over de ontwikkeling van de staat van instandhoudi
### Artikel 11.70
**1.**
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verzamelt gegevens over de stikstofdepositieruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, die beschikbaar is voor Natura 2000-activiteiten als gevolg van de vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de volgende bronmaatregelen:
a. de snelheidsverlaging voor de rijkswegen ingevolge het besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 december 2019, kenmerk RWS-2019/45657, Stcrt. 2019, 71032;
b. de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie op grond van artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen; en
c. andere maatregelen die bij ministeriële regeling voor de toepassing van dit artikel als bronmaatregel worden aangemerkt.
**2.**
Het bevoegd gezag dat met toepassing van artikel 8.74e beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, met gebruikmaking van stikstofdepositieruimte als bedoeld in het eerste lid, verzamelt de volgende gegevens:
a. reserveringen van stikstofdepositieruimte met het oog op toedeling aan omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten en het vervallen van die reserveringen;
b. de toegedeelde stikstofdepositieruimte voor omgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteit;
c. de na het wijzigen of intrekken van een reservering of van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of na het beëindigen van de activiteit weer beschikbaar gekomen stikstofdepositieruimte; en
d. de omzetting van in een vernietigde omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit toegedeelde stikstofdepositieruimte in voor de betrokken Natura 2000-activiteit gereserveerde stikstofdepositieruimte.
**3.** In afwijking van het tweede lid draagt het bestuursorgaan dat op grond van artikel 4.25 of 4.31 van het Omgevingsbesluit heeft beslist over instemming met de voorgenomen beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning of dat op grond van artikel 4.37 van dat besluit of artikel 16.16, vierde lid, van de wet heeft bepaald dat instemming niet is vereist, zorg voor de in het tweede lid bedoelde gegevensverzameling, als stikstofdepositieruimte wordt gereserveerd voor of toegedeeld in een door een ander bestuursorgaan te nemen of genomen beslissing op de aanvraag om die omgevingsvergunning.
**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Natura 2000-activiteit verstaan een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 8.74e.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 11.71
**1.** Er is een register stikstofdepositieruimte.
**2.** Het register wordt beheerd door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
**3.** Het register bevat de gegevens, bedoeld in artikel 11.70.
**4.** Het register wordt voortdurend geactualiseerd.
**5.** Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neemt ten hoogste 70% van de vermindering van stikstofdepositie door een bronmaatregel als bedoeld in artikel 11.70, eerste lid, als stikstofdepositieruimte in het register op. Het percentage is ten hoogste 100% als de stikstofdepositieruimte is bestemd voor verlening van omgevingsvergunningen voor een Natura 2000-activiteit voor projecten die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 31 december 2019.
**6.**
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neemt stikstofdepositieruimte die het gevolg is van vermindering van de stikstofdepositie door een bronmaatregel alleen in het register op:
a. als voor de maatregel een wettelijk voorschrift, een besluit of een overeenkomst nodig is: nadat dat voorschrift of besluit in werking is getreden of die overeenkomst van kracht is geworden;
b. voor zover de vermindering van stikstofdepositie met zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en
c. als handhaving van de wettelijke voorschriften of overeengekomen voorwaarden en beperkingen die verband houden met de bronmaatregel voldoende is verzekerd.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 11.72
**1.** Reserveringen van stikstofdepositieruimte als bedoeld in artikel 8.74e, vierde lid, worden geregistreerd in de volgorde waarin de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit zijn ontvangen.
**2.** Als Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voornemens is om voor een projectbesluit als bedoeld in artikel 8.74e, derde lid, onder b, stikstofdepositieruimte te gebruiken die is verkregen door de snelheidsverlaging voor de rijkswegen, bedoeld in artikel 11.70, eerste lid, onder a, reserveert hij die ruimte tijdelijk voor een periode van ten hoogste twee maanden. Hij kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen.
**3.** Voor zover dezelfde stikstofdepositieruimte nodig is voor zowel een of meer woningbouwprojecten als een projectbesluit als bedoeld in het tweede lid, zet Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de tijdelijke reservering alleen na toepassing van artikel 2.2 van de wet om in een definitieve reservering.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 11.73
@ -8472,13 +8307,12 @@ Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
- *aanwezig industrieterrein:* op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanwezig industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, totdat rondom dat industrieterrein met toepassing van artikel 12.2 geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of in het omgevingsplan is bepaald dat een activiteit als bedoeld in artikel 5.78b niet wordt verricht;
- *grenswaarde Wet geluidhinder:*
a. hogere waarde als bedoeld in artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet;
b. grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op elk punt van de buitengrens van een geluidaandachtsgebied als bedoeld in artikel 12.7, derde lid; en
c. de ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, die op grond van artikel 63, tweede lid, van de Wet geluidhinder door Onze Minister zijn vastgesteld.
a. hogere waarde als bedoeld in artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet; en
b. grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde op elk punt van de buitengrens van een geluidaandachtsgebied als bedoeld in artikel 12.7, derde lid.
### Artikel 12.2
**1.** In afwijking van de artikelen 3.34, 3.35 en 3.37 tot en met 3.39 wordt een geluidproductieplafond als bedoeld in artikel 3.6, tweede en derde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet als omgevingswaarde vastgesteld op grond van de geluidproductie op het industrieterrein die is toegestaan bij maximale benutting van de grenswaarden Wet geluidhinder.
**1.** In afwijking van de artikelen 3.34, 3.35 en 3.37 tot en met 3.40 wordt een geluidproductieplafond als bedoeld in artikel 3.6, tweede en derde lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet als omgevingswaarde vastgesteld op grond van de geluidproductie op het industrieterrein die is toegestaan bij maximale benutting van de grenswaarden Wet geluidhinder.
**2.**
@ -8506,23 +8340,23 @@ b. verhoogd met het geluid door afgemeerde vaartuigen of drijvende werktuigen, a
**2.** Uiterlijk op het tijdstip, bedoeld in artikel 22.6, derde lid, van de wet, geeft het bevoegd gezag alsnog uitvoering aan artikel 5.78f.
**3.** Artikel 5.78g is niet van toepassing als alleen toepassing wordt gegeven aan artikel 12.2.
### Artikel 12.3
Als bij het vaststellen van een grenswaarde Wet geluidhinder een aftrek is toegepast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 zoals dat luidde tot 1 januari 2024, wordt bij het toepassen van artikel 12.2, eerste lid, die grenswaarde verhoogd met de waarde van de aftrek en wordt de geluidproductie op het industrieterrein met diezelfde waarde van de aftrek verminderd.
**1.** Als bij het vaststellen van een grenswaarde Wet geluidhinder een aftrek is toegepast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, wordt bij het toepassen van artikel 12.2, eerste lid, die grenswaarde verhoogd met de waarde van de aftrek.
**2.** Als bij het toepassen van artikel 12.2, eerste lid, bij een aanwezig industrieterrein een aftrek is toegepast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, wordt het met toepassing van artikel 12.2 bepaalde geluidproductieplafond als omgevingswaarde voor dat industrieterrein bij de vaststelling daarvan met diezelfde aftrek verlaagd.
### Artikel 12.4
**1.** Als op het tijdstip van de toepassing van artikel 12.2, eerste lid, voor een aanwezig industrieterrein een geluidreductieplan gold als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder, wordt bij de vaststelling van het op grond van artikel 12.2, eerste lid, bepaalde geluidproductieplafond als omgevingswaarde bepaald dat gedurende de in dat geluidreductieplan genoemde termijn niet aan dat geluidproductieplafond hoeft te worden voldaan.
**2.** Als bij een aanwezig industrieterrein een aftrek is toegepast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 zoals dat luidde tot 1 januari 2024 hoeft, in afwijking van artikel 3.44, gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar niet te worden voldaan aan het geluidproductieplafond dat is vastgesteld met toepassing van artikel 12.2, eerste lid, waarbij het geluidproductieplafond mag worden overschreden met ten hoogste de waarde van de aftrek.
**2.** Als artikel 12.3, tweede lid, is toegepast hoeft, in afwijking van artikel 3.44, gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar niet aan dat geluidproductieplafond te worden voldaan, waarbij het geluidproductieplafond mag worden overschreden met ten hoogste de waarde van de aftrek.
#### Paragraaf 12.1.2. Geluidproductieplafonds hoofdspoorwegen
### Artikel 12.5
**1.** In afwijking van de artikelen 3.34, 3.35 en 3.37 tot en met 3.39 wijzigt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet herberekend geluidproductieplafond voor een hoofdspoorweg met het bij omgevingsvergunning toegestane geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van de hoofdspoorweg.
**1.** In afwijking van de artikelen 3.34, 3.35 en 3.37 tot en met 3.40 wijzigt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet herberekend geluidproductieplafond voor een hoofdspoorweg met het bij omgevingsvergunning toegestane geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen die onderdeel zijn van de hoofdspoorweg.
**2.** Op het bepalen van het geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.
@ -8534,7 +8368,7 @@ Totdat uitvoering is gegeven aan artikel 12.5 voor een hoofdspoorweg, geldt arti
### Artikel 12.6
**1.** In afwijking van de artikelen 3.34 tot en met 3.39 is een geluidproductieplafond als bedoeld in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet de door provinciale staten berekende historische geluidproductie, die betrekking heeft op het kalenderjaar waarin het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet in werking treedt, een kalenderjaar dat ten hoogste vijf jaar voor dat tijdstip ligt of op een middeling van meerdere van die kalenderjaren, op de daarvoor door hen aangegeven geluidreferentiepunten, verhoogd met 1,5 dB.
**1.** In afwijking van de artikelen 3.34 tot en met 3.40 is een geluidproductieplafond als bedoeld in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet de door provinciale staten berekende historische geluidproductie, die betrekking heeft op het kalenderjaar waarin het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet in werking treedt, een kalenderjaar dat ten hoogste vijf jaar voor dat tijdstip ligt of op een middeling van meerdere van die kalenderjaren, op de daarvoor door hen aangegeven geluidreferentiepunten, verhoogd met 1,5 dB.
**2.**
@ -8548,13 +8382,6 @@ c. de gegevens uit het eerste lid, waarbij het effect van een stil wegdek als da
**4.** Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is artikel 3.34 niet van toepassing als na toepassing van het eerste of tweede lid door een bestuursorgaan van een provincie wijziging van een geluidproductieplafond langs een aansluitende of in de nabijheid liggende provinciale weg in dezelfde provincie plaatsvindt in overeenstemming met de geluidbrongegevens behorende bij de nieuwe geluidproductieplafonds.
### Artikel 12.6a
De op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet herberekende geluidproductieplafonds voor een provinciale weg, die op grond van artikel 3.2a, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet gelden als bij besluit als omgevingswaarden vastgestelde geluidproductieplafonds, vervallen op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel als:
a. het geluid door die provinciale weg en rijkswegen samen op geen enkel geluidgevoelig gebouw meer bedraagt dan 50 L_den; of
b. de bijdrage van het geluid van die provinciale weg op de voor die bijdrage maatgevende gevel van een geluidgevoelig gebouw 10 dB of meer lager is dan het geluid van die provinciale weg en rijkswegen samen op het geluidgevoelige gebouw bij volledig benutte geluidproductieplafonds.
#### Paragraaf 12.1.4. Geluidaandachtsgebied
### Artikel 12.7
@ -8612,23 +8439,29 @@ b. het geluid, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, van het Omgevingsbesluit, op
### Artikel 12.12
**1.** Een programma als bedoeld in artikel 22.18, eerste lid, van de wet bevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder d, van het Omgevingsbesluit, en artikel 12.11, tweede lid, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg of een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen, te beperken tot ten hoogste 65 dB.
**1.**
**2.** De beperking van het geluid, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald ten opzichte van het geluid op het gebouw in het jaar, bedoeld in artikel 11.46, derde lid.
Een programma als bedoeld in artikel 22.18, eerste lid, van de wet bevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de onderstaande gebouwen, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg of een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen, te beperken tot ten hoogste:
**3.** Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, neemt het college van burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in artikel 2.43 van de wet. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijke geluid het geluid door de gemeenteweg of lokale spoorweg wordt verhoogd met 1,5 dB.
a. 70 L_den voor de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder d, van het Omgevingsbesluit; en
b. 65 L_den voor de gebouwen, bedoeld in artikel 12.11, tweede lid.
**4.** In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een andere gemeente genomen door het college van burgemeester en wethouders van die gemeente.
**2.** Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, neemt het college van burgemeester en wethouders een besluit als bedoeld in artikel 2.43 van de wet. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijke geluid het geluid door de gemeenteweg of lokale spoorweg wordt verhoogd met 1,5 dB.
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een andere gemeente genomen door het college van burgemeester en wethouders van die gemeente.
### Artikel 12.13
**1.** Een programma als bedoeld in artikel 22.18, tweede lid, van de wet bevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder d, van het Omgevingsbesluit, en artikel 12.11, tweede lid, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een waterschapsweg, te beperken tot ten hoogste 65 dB.
**1.**
**2.** De beperking van het geluid, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald ten opzichte van het geluid op het gebouw in het jaar, bedoeld in artikel 11.46, derde lid.
Een programma als bedoeld in artikel 22.18, tweede lid, van de wet bevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de onderstaande gebouwen, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een waterschapsweg, te beperken tot ten hoogste:
**3.** Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, neemt het dagelijks bestuur van het waterschap een besluit als bedoeld in artikel 2.43 van de wet. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijke geluid het geluid door de waterschapsweg wordt verhoogd met 1,5 dB.
a. 70 L_den voor de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder d, van het Omgevingsbesluit; en
b. 65 L_den voor de gebouwen, bedoeld in artikel 12.11, tweede lid.
**4.** In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een ander waterschap genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het gebouw gelegen is.
**2.** Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, neemt het dagelijks bestuur van het waterschap een besluit als bedoeld in artikel 2.43 van de wet. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van overeenkomstige toepassing, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijke geluid het geluid door de waterschapsweg wordt verhoogd met 1,5 dB.
**3.** In afwijking van het tweede lid wordt het besluit over een gebouw dat is gelegen op het grondgebied van een ander waterschap genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het gebouw gelegen is.
### Artikel 12.13a
@ -8636,8 +8469,10 @@ b. het geluid, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, van het Omgevingsbesluit, op
Een programma als bedoeld in artikel 22.18, derde lid, van de wet bevat geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen om het geluid op de onderstaande gebouwen, voor zover die liggen in het geluidaandachtsgebied van een provinciale weg of een lokale spoorweg die bij omgevingsverordening is aangewezen, te beperken tot ten hoogste:
a. 65 dB voor de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder a en c, van het Omgevingsbesluit, en de gebouwen, bedoeld in artikel 12.11, tweede lid, als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom ligt of van een lokale spoorweg die bij omgevingsverordening is aangewezen;
b. 60 dB voor de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder b, van het Omgevingsbesluit, en de gebouwen, bedoeld in artikel 12.11, tweede lid, als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die buiten die bebouwde kom ligt.
a. 70 L_den voor de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit, als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom ligt of van een lokale spoorweg;
b. 65 L_den voor de gebouwen, bedoeld in artikel 15.2, tweede lid, onder b, van het Omgevingsbesluit, als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die buiten die bebouwde kom ligt;
c. 65 L_den voor de gebouwen, bedoeld in artikel 12.11, tweede lid, als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die binnen die bebouwde kom ligt of van een lokale spoorweg; en
d. 60 L_den voor de in artikel 12.11, tweede lid, bedoelde gebouwen als het geluid afkomstig is van een provinciale weg die buiten die bebouwde kom ligt.
**2.** Als onvoldoende geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om te voldoen aan het eerste lid, nemen gedeputeerde staten een besluit als bedoeld in artikel 2.43 van de wet. De artikelen 3.53 en 3.54 zijn van overeenkomstige toepassing.
@ -8862,20 +8697,6 @@ Onze Minister voor Natuur en Stikstof stelt elk jaar een verslag op over de voor
Uiterlijk op het tijdstip bedoeld in artikel 22.5, eerste lid, van de wet geeft het bevoegd gezag uitvoering aan artikel 5.161bc.
### Artikel 12.26e
**1.**
Dit artikel is van toepassing op huurwoningen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit betaalbare huur op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit rechtmatig aanwezig waren of waren toegestaan en waarvoor:
a. bij de toelating in dat omgevingsplan respectievelijk die omgevingsvergunning regels of voorschriften voor geliberaliseerde woningen voor middenhuur zijn gesteld:
1°. met toepassing van artikel 5.161c, eerste lid, aanhef en onder c, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het Besluit betaalbare huur; of
2°. op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, onder j, van het Besluit ruimtelijke ordening zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
b. de termijn voor instandhouding, gesteld bij de regels of de voorschriften, bedoeld onder b, nog niet is verstreken.
**2.** In afwijking van artikel 5.161c, eerste lid, aanhef en onder c, kan een omgevingsplan regels bevatten over huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste een in het omgevingsplan bepaalde, jaarlijks te indexeren aanvangshuurprijs.
### Artikel 12.27
Uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van dit besluit geeft het bevoegd gezag uitvoering aan artikel 5.164.
@ -9068,8 +8889,6 @@ MTRhumaan = het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau in microgram per kilogr
## Bijlage Vc. bij
^1 Met ingang van 2 augustus 2027
## Bijlage Vd. bij
^1 Op het omgaan met meetwaarden beneden de bepalingsgrens van het laboratorium zijn de regels krachtens artikel 25g, negende lid, onder i en j, van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.