2020-09-17 | BWBR0042260 | Verzamelbesluit Lijfrenten

This commit is contained in:
Coornhert 2020-09-17 12:00:00 +00:00
parent 67ac158c80
commit a8a101077d

View file

@ -30,6 +30,7 @@ Naast de aanpassingen van het besluit aan de gewijzigde wetgeving zijn in dit be
Pre Brede Herwaarderingslijfrente; heffing na een overschrijding wettelijke termijn (5.6);
afkoop lijfrente of periodieke uitkeringen vóór 2016 (9.1.2);
onttrekken premie voor periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid aan lijfrentekapitaal (9.1.4);
afkoop lijfrente bij langdurige arbeidsongeschiktheid (9.1.8);
afkoop van alimentatieverplichting (9.3.4);
verrekening van pensioenrechten (9.3.5).
@ -768,6 +769,16 @@ Bij overlijden moet het tegoed van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggi
In de praktijk bestaat er behoefte aan om na het overlijden het tegoed van de lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht volledig te kunnen toerekenen aan de overblijvende partner. Deze verkrijgt dan de volle eigendom van de nabestaandenlijfrente. Desgewenst is deze toerekening zonder fiscale gevolgen mogelijk mits de bloot eigenaren hiermee instemmen.
#### 9.1.8. Afkoop lijfrente bij langdurige arbeidsongeschiktheid
Als een belastingplichtige langdurig arbeidsongeschikt is, kan hij zijn lijfrente onder voorwaarden (gedeeltelijk) afkopen zonder dat revisierente is verschuldigd. Eén van deze voorwaarden is dat het afkoopbedrag niet hoger is dan het wettelijk toegestane maximum als bedoeld in artikel 3.133, negende lid, onderdeel c, Wet IB 2001. Als een belastingplichtige dit maximum overschrijdt, is hij revisierente verschuldigd over het gehele afkoopbedrag. De achtergrond van deze bepaling is dat de belastingplichtige zijn lijfrente tot het wettelijk toegestane maximum kan gebruiken als inkomensvervanging in de periode dat hij langdurig arbeidsongeschikt is. Een belastingplichtige kan door zijn arbeidsongeschiktheid namelijk te maken krijgen met een achteruitgang van zijn inkomsten. Om toch inkomsten te hebben, kan hij hiervoor (een deel van) zijn lijfrente voortijdig afkopen. Als hij echter een hoger bedrag dan het wettelijk maximum afkoopt, heeft dit een averechts effect. Naast inkomstenbelasting is hij in dat geval revisierente verschuldigd over het gehele afkoopbedrag. Dat vind ik in de hiervoor beschreven situatie ongewenst. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met een desbetreffende wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen.
Ik keur onder de volgende voorwaarde goed dat als een belastingplichtige een lijfrente in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid tot een hoger bedrag afkoopt dan het wettelijk toegestane maximum als bedoeld in artikel 3.133, negende lid, onderdeel c, Wet IB 2001, alleen het bedrag dat hoger is dan dit maximumbedrag wordt aangemerkt als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Het maximumbedrag zelf wordt als een (reguliere) termijn van lijfrente aangemerkt en als zodanig in de heffing betrokken. Dit houdt in dat de belastingplichtige alleen over het hogere bedrag revisierente verschuldigd wordt.
Als de definitieve aanslag over het jaar waarin de afkoop heeft plaatsgevonden onherroepelijk vaststaat, gelden de bijzondere regels voor ambtshalve vermindering zoals opgenomen in artikel 9.6 van de Wet IB 2001 met dien verstande dat artikel 45aa, onderdeel c, van de URIB geen toepassing vindt. Dit betekent dat de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering op basis van dit besluit kan doen als er minder dan vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
Voor deze goedkeuring geldt de voorwaarde dat voor het afkoopbedrag ter grootte van het maximumbedrag aan de overige eisen van artikel 3.133, negende lid, Wet IB 2001 moet zijn voldaan.
### 9.2. Gevolgen verbetering pensioenrechten
#### 9.2.1. Inleiding
@ -820,17 +831,19 @@ Ik stel hierbij de voorwaarde dat belanghebbenden desgevraagd een verklaring kun
#### 9.3.4. Afkoop van alimentatieverplichting in de vorm van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht
Een belastingplichtige kan zijn alimentatieverplichting afkopen door met de afkoopsom een lijfrente aan te kopen voor zijn voormalige echtgenoot. De premie voor deze lijfrente behoort onder voorwaarden tot de uitgaven voor een onderhoudsverplichting die fiscaal aftrekbaar zijn als een persoonsgebonden aftrek. Eén van de voorwaarden voor deze fiscale faciliteit is dat de belastingplichtige de lijfrentepremie aan een professionele verzekeringsmaatschappij betaalt. Dit is bepaald in artikel 6.5 Wet IB 2001.
Een belastingplichtige kan zijn alimentatieverplichting afkopen door met de afkoopsom een lijfrente aan te kopen voor zijn voormalige echtgenoot. De premie voor deze lijfrente behoort onder voorwaarden tot de uitgaven voor een onderhoudsverplichting die fiscaal aftrekbaar zijn als een persoonsgebonden aftrek. Eén van de voorwaarden voor deze fiscale faciliteit is dat de belastingplichtige de lijfrentepremie aan een verzekeringsmaatschappij betaalt. Dit is bepaald in artikel 6.5 Wet IB 2001.
In de uitvoeringspraktijk bestaat de wens om in deze situatie de fiscale faciliteit ook van toepassing te laten zijn als de belastingplichtige de lijfrente in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten afsluit. Hoewel de regeling zich er naar mijn oordeel voor leent om het product ook in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht af te sluiten, biedt de wet hiervoor geen mogelijkheid. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met een desbetreffende wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen, onder eerbiediging van de tussentijds afgesloten contracten.
Ik keur goed dat de afkoopsom voor een alimentatieverplichting aan de gewezen echtgenoot die een belastingplichtige betaalt in de vorm van het overmaken van een bedrag naar een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht aan een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten, als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.5 Wet IB 2001 wordt aangemerkt.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de afkoopsom voor een alimentatieverplichting aan de gewezen echtgenoot die een belastingplichtige betaalt in de vorm van het overmaken van een bedrag naar een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht aan een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, Wet IB 2001, als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, Wet IB 2001 wordt aangemerkt.
In afwijking van artikel 6.5 Wet IB 2001, stel ik hierbij de volgende voorwaarden.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
Het gaat hierbij om een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht in de zin van artikel 3.126a, eerste lid, Wet IB 2001 afgesloten bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid Wet IB 2001.
Bij overlijden van de gewezen echtgenoot gaat het recht op de nog niet gedane uitkeringen over op de erfgenamen van de gewezen echtgenoot (analoog aan het bepaalde in artikel 3.126a, zesde lid, Wet IB 2001).
De gewezen echtgenoot is belastingplichtige en (rekening)houder van de lijfrenterekening of van het lijfrentebeleggingsrecht.
a. De gewezen echtgenoot is (rekening)houder van de lijfrenterekening of van het lijfrentebeleggingsrecht bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, Wet IB 2001;
b. De termijnen van de lijfrente moeten onmiddellijk na het betalen van de afkoopsom ingaan. De in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 opgenomen uiterste ingangsdatum en de minimale looptijd van de termijnen blijven hierbij buiten beschouwing; en
c. Bij overlijden van de gewezen echtgenoot gaat het recht op de nog niet gedane uitkeringen over op de erfgenamen van de gewezen echtgenoot (analoog aan het bepaalde in artikel 3.126a, zesde lid, Wet IB 2001).
Artikel 6.5, derde en vierde lid, Wet IB 2001 zijn van overeenkomstige toepassing.
#### 9.3.5. Verrekening van pensioenrechten in de vorm van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht