2025-01-01 | BWBR0002471 | Wet op de loonbelasting 1964
This commit is contained in:
parent
4d2de4f62d
commit
a8c91eb3eb
1 changed files with 42 additions and 39 deletions
|
|
@ -22,7 +22,7 @@ Onder de naam 'loonbelasting' wordt van werknemers of hun inhoudingsplichtige, v
|
|||
|
||||
**2.** Degene die van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon loon geniet uit een dienstbetrekking tot een niet-inhoudingsplichtige dan wel loon in de vorm van premies voor werkaanvaarding ten behoeve van uitkeringsgerechtigden, wordt geacht tot die rechtspersoon in dienstbetrekking te staan.
|
||||
|
||||
**3.** Tenzij werkzaamheden zijn of worden verricht in een functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam, dan wel in dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden of in het kader van een uitzending op grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, is het eerste lid niet van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met betrekking tot een geheel buiten Nederland vervulde dienstbetrekking. Voor werkzaamheden die zijn of worden verricht aan boord van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, is de eerste volzin slechts van toepassing indien wordt voldaan aan de in het vierde lid gestelde voorwaarden.
|
||||
**3.** Tenzij werkzaamheden zijn of worden verricht in een functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam, dan wel in dienstbetrekking bij een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon of in het kader van een uitzending op grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, is het eerste lid niet van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met betrekking tot een geheel buiten Nederland vervulde dienstbetrekking. Voor werkzaamheden die zijn of worden verricht aan boord van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, is de eerste volzin slechts van toepassing indien wordt voldaan aan de in het vierde lid gestelde voorwaarden.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -392,7 +392,7 @@ b. 35% van de waarde van de auto indien de auto meer dan 15 jaar geleden voor he
|
|||
|
||||
De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.** Het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, wordt op kalenderjaarbasis verlaagd met 6% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO_2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.800 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuur per kilometer ten minste 7 is. Het verbruik in wattuur wordt gemeten overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L 175).
|
||||
**2.** Het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, wordt op kalenderjaarbasis verlaagd met 5% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO_2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.500 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuur per kilometer ten minste 7 is. Het verbruik in wattuur wordt gemeten overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L 175).
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privédoeleinden plaats te vinden. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -571,7 +571,7 @@ c. waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eers
|
|||
|
||||
**2.** De pensioengrondslag bestaat uit het pensioengevend loon verminderd met de franchise.
|
||||
|
||||
**3.** De franchise, bedoeld in het tweede lid, bedraagt € 17.545. Dit bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag, te vermenigvuldigen met de factor 100/75. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt dit bedrag verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een lager bedrag in aanmerking kan worden genomen dan het bedrag, genoemd in de eerste zin, indien een lager percentage per dienstjaar wordt toegepast dan het percentage, genoemd in het eerste lid.
|
||||
**3.** De franchise, bedoeld in het tweede lid, bedraagt € 18.475. Dit bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door de voor dat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag, te vermenigvuldigen met de factor 100/75. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt dit bedrag verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een lager bedrag in aanmerking kan worden genomen dan het bedrag, genoemd in de eerste zin, indien een lager percentage per dienstjaar wordt toegepast dan het percentage, genoemd in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -584,7 +584,7 @@ b. gaat niet later in dan op het tijdstip waarop de werknemer of gewezen werknem
|
|||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur elke vijf jaar, bij het begin van het kalenderjaar, voor het eerst per 1 januari 2037, gewijzigd. Een wijziging ingevolge de eerste zin wordt bekendgemaakt ten minste drie kalenderjaren voordat deze toepassing vindt. Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel waarbij het rendement voor de toepassing van deze tabel wordt bepaald per 1 oktober (peildatum) van het derde kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van wijziging op basis van het 27e percentiel van de per scenario bepaalde gemiddelde jaarlijkse netto reële rendementsverwachting in de meest recente door De Nederlandsche Bank gepubliceerde scenarioset, gebaseerd op artikel 144, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet, uitgaande van een portefeuille voor de helft bestaande uit risicovrije AAA-staatsobligaties met een looptijd van 30 jaar en voor de helft bestaande uit beursgenoteerde aandelen.
|
||||
Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur elke vijf jaar, bij het begin van het kalenderjaar, voor het eerst per 1 januari 2037, gewijzigd. Een wijziging ingevolge de eerste zin wordt bekendgemaakt ten minste drie kalenderjaren voordat deze toepassing vindt. Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel waarbij het rendement voor de toepassing van deze tabel wordt bepaald per 1 oktober (peildatum) van het derde kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar van wijziging op basis van het 27e percentiel van de per scenario bepaalde gemiddelde jaarlijkse netto reële rendementsverwachting over de eerste zestig jaar in de meest recente door De Nederlandsche Bank gepubliceerde scenarioset, gebaseerd op artikel 144, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet, uitgaande van een portefeuille voor de helft bestaande uit risicovrije AAA-staatsobligaties met een looptijd van 30 jaar en voor de helft bestaande uit beursgenoteerde aandelen.
|
||||
|
||||
| Bij een rendement van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt het percentage, genoemd in het eerste lid, |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
|
|
@ -636,7 +636,7 @@ Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt bij of krachtens algemene maatr
|
|||
|
||||
**1.** De hoogte van de uitkeringen van ouderdomspensioen, partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum, partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en wezenpensioen kan variëren, mits de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75 procent van de hoogste uitkering en de mate van variatie ten laatste op de ingangsdatum van het pensioen wordt vastgesteld. Door toepassing van de eerste zin kunnen in afwijking in zoverre van de artikelen 18b en 18c een partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en een wezenpensioen meer bedragen dan de aldaar opgenomen maxima.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid blijft in de jaren tussen de ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, van de uitkering buiten aanmerking een bedrag van € 2.182 vermenigvuldigd met het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maanden tussen de eerste uitkering in die periode en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het in de eerste zin genoemde bedrag wordt in die jaren evenredig per kalenderjaar toegepast en de eerste zin is onverminderd van toepassing bij dienstbetrekkingen in deeltijd. Ingeval de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, na de ingangsdatum van het pensioen wordt verlaagd, wordt voor de toepassing van de eerste zin uitgegaan van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die van toepassing was voor deze verlaging.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid blijft in de jaren tussen de ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, van de uitkering buiten aanmerking een bedrag van € 2.273 vermenigvuldigd met het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maanden tussen de eerste uitkering in die periode en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het in de eerste zin genoemde bedrag wordt in die jaren evenredig per kalenderjaar toegepast en de eerste zin is onverminderd van toepassing bij dienstbetrekkingen in deeltijd. Ingeval de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, na de ingangsdatum van het pensioen wordt verlaagd, wordt voor de toepassing van de eerste zin uitgegaan van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die van toepassing was voor deze verlaging.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid blijven aanpassingen van de uitkeringen buiten aanmerking voor zover deze het gevolg zijn van de omstandigheid dat de opgetreden ontwikkeling van de levensverwachting, de behaalde sterfteresultaten of de behaalde beleggingsrendementen tot hogere of lagere uitkeringen leiden dan op het tijdstip van ingang van het pensioen het uitgangspunt was. Voor de toepassing van het eerste lid blijven aanpassingen van de uitkeringen eveneens buiten aanmerking voor zover deze het gevolg zijn van een periodieke vaste daling of vaste stijging van de uitkering of toepassing van een projectierendement hoger of lager dan de risicovrije rente, bedoeld in artikel 63a, derde lid, van de Pensioenwet of artikel 75a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -798,12 +798,12 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
De belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de navolgende tabel (tarieftabel).
|
||||
|
||||
| Bij een belastbaar loon van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | |
|
||||
| Bij een belastbaar loon van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| I | II | III | IV |
|
||||
| – | € 38.098 | – | 9,32% |
|
||||
| € 38.098 | € 75.518 | € 3.550 | 36,97% |
|
||||
| € 75.518 | – | € 17.384 | 49,50% |
|
||||
| – | € 38.441 | – | 8,17% |
|
||||
| € 38.441 | € 76.817 | € 3.140 | 37,48% |
|
||||
| € 76.817 | – | € 17.523 | 49,50% |
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
|
@ -815,12 +815,12 @@ De belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de
|
|||
|
||||
In afwijking van artikel 20a, eerste lid, wordt indien de werknemer vóór 1 januari 1946 is geboren, de belasting over een loontijdvak van een jaar bepaald aan de hand van de volgende tabel (tarieftabel voor werknemers geboren vóór 1 januari 1946).
|
||||
|
||||
| Bij een belastbaar loon van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | |
|
||||
| Bij een belastbaar loon van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| I | II | III | IV |
|
||||
| – | € 40.021 | – | 9,32% |
|
||||
| € 40.021 | € 75.518 | € 3.729 | 36,97% |
|
||||
| € 75.518 | – | € 16.852 | 49,50% |
|
||||
| – | € 40.502 | – | 8,17% |
|
||||
| € 40.502 | € 76.817 | € 3.309 | 37,48% |
|
||||
| € 76.817 | – | € 16.919 | 49,50% |
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2.10a, eerste lid, van die wet vermelde bedragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -853,7 +853,7 @@ e. de alleenstaande ouderenkorting (artikel 22c).
|
|||
|
||||
**1.** Voor de werknemer is de algemene heffingskorting van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 3.362, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,630% van het gedeelte van het belastbare loon dat meer bedraagt dan € 24.812.
|
||||
**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 3.068, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,337% van het gedeelte van het belastbare loon dat meer bedraagt dan € 28.406.
|
||||
|
||||
### Artikel 22a
|
||||
|
||||
|
|
@ -863,10 +863,10 @@ e. de alleenstaande ouderenkorting (artikel 22c).
|
|||
|
||||
De arbeidskorting wordt berekend over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt:
|
||||
|
||||
a. 8,425% van dat loon met een maximum van € 968, vermeerderd met:
|
||||
b. 31,433% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 11.490, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 5.158, alsmede vermeerderd met:
|
||||
c. 2,471% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 24.820, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 5.532, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met:
|
||||
d. 6,51% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 39.957.
|
||||
a. 8,053% van dat loon met een maximum van € 980, vermeerderd met:
|
||||
b. 30,030% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 12.169, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 5.220, alsmede vermeerderd met:
|
||||
c. 2,258% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 26.288, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 5.599, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met:
|
||||
d. 6,51% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 43.071.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -885,19 +885,19 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Voor de werknemer die een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van die wet, is de jonggehandicaptenkorting van toepassing. De korting kan tevens worden toegepast ten aanzien van de werknemer die ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch welke uitkering ingevolge artikel 1a:4, 2:40, 2:46, 3:8, 3:8b, 3:50 of 3:51 van die wet niet wordt betaald.
|
||||
|
||||
**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 898.
|
||||
**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 909.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b
|
||||
|
||||
**1.** Voor de werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, is de ouderenkorting van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De ouderenkorting bedraagt € 2.010, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 15% van het tijdvakloon op jaarbasis voor zover dat meer bedraagt dan € 44.770.
|
||||
**2.** De ouderenkorting bedraagt € 2.035, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 15% van het tijdvakloon op jaarbasis voor zover dat meer bedraagt dan € 45.308.
|
||||
|
||||
### Artikel 22c
|
||||
|
||||
**1.** Voor de werknemer die een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet geniet, of deze zou genieten indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet, is de alleenstaande ouderenkorting van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 524.
|
||||
**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 531.
|
||||
|
||||
### Artikel 22ca
|
||||
|
||||
|
|
@ -979,7 +979,7 @@ b. bij een werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, de inho
|
|||
c. bij een werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen, de inhoudingsplichtige zijn verblijfsrechtelijke positie ter zake van het verrichten van arbeid niet heeft vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28, eerste lid, onderdeel f;
|
||||
d. de werknemer ter zake van de in de onderdelen a tot en met c bedoelde inlichtingen onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijs moet weten.
|
||||
|
||||
De eerste volzin, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing bij werknemers die werkzaamheden verrichten in dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden, niet in Nederland wonen en hun dienstbetrekking geheel buiten Nederland vervullen.
|
||||
De eerste volzin, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing bij werknemers die werkzaamheden verrichten in dienstbetrekking bij een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, niet in Nederland wonen en hun dienstbetrekking geheel buiten Nederland vervullen.
|
||||
|
||||
Indien de belasting ingevolge artikel 27b, eerste lid, in één bedrag met de premie voor de volksverzekeringen wordt geheven, wordt in afwijking in zoverre van de eerste volzin het bedrag van de verschuldigde belasting te zamen met het bedrag van de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen gesteld op 52% van het loon.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1115,7 +1115,7 @@ d. de inspecteur binnen vijf jaren na het einde van een verstreken kalenderjaar
|
|||
|
||||
### Artikel 28b
|
||||
|
||||
**1.** Indien de inhoudingsplichtige de correcties, bedoeld in artikel 28a, tweede lid, niet, onjuist, onvolledig dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend, vormt dit een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1.377 kan opleggen.
|
||||
**1.** Indien de inhoudingsplichtige de correcties, bedoeld in artikel 28a, tweede lid, niet, onjuist, onvolledig dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend, vormt dit een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1.675 kan opleggen.
|
||||
|
||||
**2.** De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wegens het feit, bedoeld in artikel 28a, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar van de aangifte waarop het correctiebericht betrekking had moeten hebben.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1127,7 +1127,7 @@ d. de inspecteur binnen vijf jaren na het einde van een verstreken kalenderjaar
|
|||
|
||||
### Artikel 28c
|
||||
|
||||
**1.** Indien de inhoudingsplichtige de opgave, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, niet, onjuist, onvolledig dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft verstrekt, vormt dit een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1.377 kan opleggen.
|
||||
**1.** Indien de inhoudingsplichtige de opgave, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, niet, onjuist, onvolledig dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft verstrekt, vormt dit een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1.675 kan opleggen.
|
||||
|
||||
**2.** De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wegens het feit, bedoeld in het eerste lid, vervalt door verloop van één jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de opgave, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel g, had moeten worden verstrekt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1169,7 +1169,7 @@ a. bestanddelen van het loon waarover de verschuldigde belasting niet is betaald
|
|||
2°. voor zover de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking besluit, mede gelet op het aantal werknemers waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft, dat loon niet als eindheffingsbestanddeel aan te merken omdat het wel toepassen daarvan zou kunnen leiden tot een zodanig grote afwijking van het belastbare inkomen in de zin van de inkomstenbelasting van een of meer werknemers dat voor hen aanzienlijke voordelen zouden kunnen ontstaan in het kader van de heffing van die belasting, van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen;
|
||||
b. bij voor bezwaar vatbare beschikking door de inspecteur aangewezen bestanddelen van het loon met betrekking waartoe in verband met tijdelijke knelpunten van ernstige aard in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de hoofdstukken I tot en met IV ten volle worden toegepast;
|
||||
c. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen van publiekrechtelijke aard die buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen;
|
||||
d. loon ter zake van een voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, indien in verband met de aard van het werk die bestelauto doorlopend afwisselend gebruikt wordt door twee of meer werknemers en in verband daarmee bezwaarlijk is vast te stellen of en aan wie die bestelauto voor privé-doeleinden ter beschikking is gesteld, met dien verstande dat in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, de verschuldigde belasting over dit loon op jaarbasis per bestelauto € 300 bedraagt en bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot dit loon;
|
||||
d. loon ter zake van een voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, indien in verband met de aard van het werk die bestelauto doorlopend afwisselend gebruikt wordt door twee of meer werknemers en in verband daarmee bezwaarlijk is vast te stellen of en aan wie die bestelauto voor privé-doeleinden ter beschikking is gesteld, met dien verstande dat in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, de verschuldigde belasting over dit loon op jaarbasis per bestelauto € 438 bedraagt en bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot dit loon;
|
||||
e. vervallen;
|
||||
f. voor zover sprake is van tegenwoordige arbeid: door de inhoudingsplichtige aangewezen vergoedingen en verstrekkingen, daaronder begrepen gedeelten van vergoedingen en verstrekkingen, voor zover de omvang van de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet in belangrijke mate groter is dan de omvang van de vergoedingen en verstrekkingen die in voor het overige overeenkomstige omstandigheden in de regel worden aangewezen;
|
||||
g. voorzover sprake is van vroegere arbeid:
|
||||
|
|
@ -1230,8 +1230,8 @@ De verschuldigde belasting met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als
|
|||
|
||||
a. vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer:
|
||||
|
||||
1°. indien het vervoer plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige: tot de werkelijke kosten, met dien verstande dat de vermindering niet geldt voor vergoedingen ter zake van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige;
|
||||
2°. indien het vervoer plaatsvindt per openbaar vervoer, anders dan in de vorm van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, en de vergoedingen hoger zijn dan € 0,23 per kilometer en zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten: tot de werkelijke kosten met dien verstande dat, indien het vervoer plaatsvindt per Nederlands openbaar vervoer met gebruikmaking van een recht op vrij reizen (OV-abonnement) of een recht op vermindering van de prijs van vervoerbewijzen (voordeelurenkaart): ten minste tot de aanschafkosten van het OV-abonnement, onderscheidenlijk van de voordeelurenkaart;
|
||||
1°. indien het vervoer plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige of met een verstrekt recht op vermindering van de prijs van openbaarvervoerbewijzen: tot de werkelijke kosten, met dien verstande dat de vermindering niet geldt voor vergoedingen ter zake van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige en met dien verstande dat de vermindering ten minste geldt tot de kosten van een verstrekt recht op vrij reizen per openbaar vervoer of een verstrekt recht op vermindering van de prijs van openbaarvervoerbewijzen, indien het vervoer plaatsvindt met gebruikmaking van het betreffende recht;
|
||||
2°. indien het vervoer plaatsvindt per openbaar vervoer, anders dan in de vorm van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, en de vergoedingen hoger zijn dan € 0,23 per kilometer en zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten: tot de werkelijke kosten met dien verstande dat de vermindering ten minste geldt tot de kosten van een vergoed recht op vrij reizen per openbaar vervoer of een vergoed recht op vermindering van de prijs van openbaarvervoerbewijzen, indien het vervoer plaatsvindt met gebruikmaking van het betreffende recht;
|
||||
3°. in de overige situaties: tot € 0,23 per afgelegde kilometer;
|
||||
|
||||
met dien verstande dat ingeval voor het vervoer, niet zijnde vervoer per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, een vaste vergoeding wordt gegeven aan een werknemer die op ten minste 128 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats van werkzaamheden reist, deze vergoeding mag worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar naar die vaste plaats van werkzaamheden reist;
|
||||
|
|
@ -1250,13 +1250,13 @@ g. gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparat
|
|||
h. bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op een bij die ministeriële regeling aan te wijzen werkplek worden gebruikt of verbruikt;
|
||||
i. branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige of van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten, maar niet meer dan € 500 per werknemer per kalenderjaar;
|
||||
j. een in het kader van de dienstbetrekking aangevraagde verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of daarmee vergelijkbare buitenlandse verklaring;
|
||||
k. thuiswerken in het kader van de dienstbetrekking tot € 2,35 per thuiswerkdag, daaronder begrepen een gedeelte van een thuiswerkdag, met dien verstande dat ingeval voor thuiswerken een vaste vergoeding wordt gegeven aan een werknemer die op ten minste 128 dagen per kalenderjaar thuiswerkt, deze vergoeding mag worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar thuiswerkt.
|
||||
k. thuiswerken in het kader van de dienstbetrekking tot € 2,40 per thuiswerkdag, daaronder begrepen een gedeelte van een thuiswerkdag, met dien verstande dat ingeval voor thuiswerken een vaste vergoeding wordt gegeven aan een werknemer die op ten minste 128 dagen per kalenderjaar thuiswerkt, deze vergoeding mag worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar thuiswerkt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De vrije ruimte bedraagt:
|
||||
|
||||
a. 1,92% van het loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven voor zover dat loon niet meer bedraagt dan € 400.000, vermeerderd met:
|
||||
a. 2% van het loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven voor zover dat loon niet meer bedraagt dan € 400.000, vermeerderd met:
|
||||
b. 1,18% van het loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven voor zover dat loon meer bedraagt dan € 400.000.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking in zoverre van het tweede lid worden vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, bij de bepaling van de daarover verschuldigde belasting niet verminderd met vaste vergoedingen ter zake van de in het tweede lid bedoelde kosten ingeval aan deze vergoedingen geen onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.
|
||||
|
|
@ -1272,7 +1272,7 @@ Voor de berekening van de in het tweede lid, onderdelen a en k, bedoelde vaste v
|
|||
a. vermenigvuldigd met vier vijfde, drie vijfde, twee vijfde of een vijfde ingeval de werknemer in de regel vier dagen, drie dagen, twee dagen, onderscheidenlijk een dag, per week naar een vaste plaats van werkzaamheden reist, onderscheidenlijk thuiswerkt;
|
||||
b. naar tijdsgelang herrekend bij het aanvangen of beëindigen van de betreffende vergoeding, dan wel bij een wijziging in de grondslag voor de berekening van de vergoeding, in de loop van het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**8.** Voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen, geldt, onder daarbij te stellen voorwaarden, dat vergoedingen van kosten en verstrekkingen van verblijf buiten het land van herkomst gedurende ten hoogste vijf jaar ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten voor een periode van ten hoogste 20 maanden tot ten hoogste 30% van het daarbij aan te wijzen gedeelte van het loon, voor de daaropvolgende periode van ten hoogste 20 maanden tot ten hoogste 20% van het daarbij aan te wijzen gedeelte van het loon en voor de daaropvolgende periode van ten hoogste 20 maanden tot ten hoogste 10% van het daarbij aan te wijzen gedeelte van het loon, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden. Bij de toepassing van de eerste zin wordt per werknemer, naast de vergoeding of verstrekking van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen schoolgelden, ten hoogste een bedrag aan vergoedingen en verstrekkingen in aanmerking genomen van 30% van het bedrag van de maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3 van de Wet normering topinkomens. Voor een werknemer waarvoor de eerste zin niet het gehele kalenderjaar wordt toegepast, wordt het ten hoogste in aanmerking te nemen bedrag, bedoeld in de tweede zin, naar tijdsgelang herrekend. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van de tweede zin, ingeval de eerste zin voor dezelfde werknemer ook wordt toegepast door een of meer met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschappen of door een of meer natuurlijke personen die voor ten minste een derde gedeelte belang hebben in de inhoudingsplichtige.
|
||||
**8.** Voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen, geldt, onder daarbij te stellen voorwaarden, dat vergoedingen van kosten en verstrekkingen van verblijf buiten het land van herkomst gedurende ten hoogste vijf jaar ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30% van het daarbij aan te wijzen gedeelte van het loon, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden. Bij de toepassing van de eerste zin wordt per werknemer, naast de vergoeding of verstrekking van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen schoolgelden, ten hoogste een bedrag aan vergoedingen en verstrekkingen in aanmerking genomen van 30% van het bedrag van de maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3 van de Wet normering topinkomens. Voor een werknemer waarvoor de eerste zin niet het gehele kalenderjaar wordt toegepast, wordt het ten hoogste in aanmerking te nemen bedrag, bedoeld in de tweede zin, naar tijdsgelang herrekend. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van de tweede zin, ingeval de eerste zin voor dezelfde werknemer ook wordt toegepast door een of meer met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschappen of door een of meer natuurlijke personen die voor ten minste een derde gedeelte belang hebben in de inhoudingsplichtige.
|
||||
|
||||
**9.** Voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige buiten Nederland worden uitgezonden, geldt, onder daarbij te stellen voorwaarden, dat vergoedingen van kosten en verstrekkingen van verblijf buiten het land van herkomst ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30% van het daarbij aan te wijzen gedeelte van het loon, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1359,7 +1359,7 @@ Ter bevordering van een goede uitvoering van deze afdeling kunnen bij ministeri
|
|||
|
||||
**6.** Onder een regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die of een gedeelte van een regeling dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt een regeling niet als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voor zover die regeling een pensioenovereenkomst inhoudt als bedoeld in de Pensioenwet, een beroepspensioenregeling inhoudt als bedoeld in de Wet verplichte beroepspensioenregeling of een pensioenregeling is als bedoeld in hoofdstuk IIB of hoofdstuk VIII.
|
||||
|
||||
**7.** Een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid wordt voor de toepassing van het eerste lid niet als zodanig aangemerkt, voor zover die regeling voorziet in een of meer uitkeringen in de periode van 36 maanden vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die in totaal niet hoger zijn dan een bedrag van € 2.182 vermenigvuldigd met het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maanden tussen de eerste uitkering in die periode en het bereiken van die pensioengerechtigde leeftijd. Voor de toepassing van de eerste zin worden alle regelingen voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid samengevoegd.
|
||||
**7.** Een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid wordt voor de toepassing van het eerste lid niet als zodanig aangemerkt, voor zover die regeling voorziet in een of meer uitkeringen in de periode van 36 maanden vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die in totaal niet hoger zijn dan een bedrag van € 2.273 vermenigvuldigd met het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maanden tussen de eerste uitkering in die periode en het bereiken van die pensioengerechtigde leeftijd. Voor de toepassing van de eerste zin worden alle regelingen voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid samengevoegd.
|
||||
|
||||
**8.** Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het zevende lid genoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt gesteld op het bedrag dat na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, rekening houdend met de algemene heffingskorting voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, gelijk is aan het netto-ouderdomspensioen per maand, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, onderdeel a, van die wet, waarbij de nodig geachte afronding wordt aangebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1371,7 +1371,7 @@ Ter bevordering van een goede uitvoering van deze afdeling kunnen bij ministeri
|
|||
|
||||
**1.** In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding als bedoeld in het vierde lid voor zover die vergoeding meer bedraagt dan het toetsloon, bedoeld in het derde lid, van de werknemer, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 75%.
|
||||
|
||||
**2.** Dit artikel is niet van toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer bedraagt dan € 672.000.
|
||||
**2.** Dit artikel is niet van toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer bedraagt dan € 680.000.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1796,7 +1796,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 38n
|
||||
|
||||
Op aanspraken ingevolge een pensioenregeling waarvan een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, als verzekeraar optreedt, blijven de artikelen 18h, 19a, 19b, 19c, 19d en 38j, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die artikelen en bepalingen luidden op 31 december 2016, van toepassing.
|
||||
**1.** Op aanspraken ingevolge een pensioenregeling waarvan een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, zoals dat artikel luidde op 31 december 2016, als verzekeraar optreedt, blijven de artikelen 18h, 19a, 19b, 19c, 19d en 38j, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die artikelen en bepalingen luidden op 31 december 2016, van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Indien artikel 19b, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2016 van toepassing is of is geweest op een aanspraak als bedoeld in het eerste lid en de aanspraak in afwijking van dat artikel bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen, blijft dat artikel van overeenkomstige toepassing op die aanspraak.
|
||||
|
||||
### Artikel 38o
|
||||
|
||||
|
|
@ -1818,14 +1820,16 @@ a. bij in leven zijn van de werknemer of gewezen werknemer:
|
|||
b. bij overlijden van de werknemer of gewezen werknemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen termijnen zijn ingegaan:
|
||||
|
||||
1°. dat de termijnen binnen twaalf maanden na het overlijden ingaan;
|
||||
2°. dat de termijnen worden uitgekeerd aan zijn erfgenamen, voor zover dit natuurlijke personen zijn.
|
||||
2°. dat de termijnen worden uitgekeerd aan zijn erfgenamen of legatarissen voor zover dit natuurlijke personen zijn.
|
||||
|
||||
**3.** Indien ingevolge het tweede lid, onderdelen a of b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de termijnen overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op zijn erfgenamen, voor zover dit natuurlijke personen zijn.
|
||||
**3.** Indien ingevolge het tweede lid, onderdelen a of b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de termijnen overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op zijn erfgenamen of legatarissen voor zover dit natuurlijke personen zijn.
|
||||
|
||||
**4.** De artikelen 19a en 19b, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016, de artikelen 3.83 en 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016, de artikelen 2.8, tweede lid, 2.9 en 3.136 van de Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 25, vijfde lid, en 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel 32, derde lid, van de Successiewet 1956 zijn van overeenkomstige toepassing op aanspraken ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het eerste en tweede lid kan onder door Onze Minister te stellen voorwaarden een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid ook na de ingangsdatum van de termijnen, bedoeld in het tweede lid, geruisloos worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van die wet.
|
||||
|
||||
**6.** Indien artikel 19b, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2016, van overeenkomstige toepassing is of is geweest op een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid en de aanspraak in afwijking van dat artikel bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen, blijft dat artikel van overeenkomstige toepassing op die aanspraak.
|
||||
|
||||
### Artikel 38q
|
||||
|
||||
**1.** Voor een pensioenregeling als bedoeld in artikel 18 zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen die na de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen niet voldoet aan hoofdstuk IIB, blijven de artikelen 18 tot en met 18ga en 19f alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, van toepassing.
|
||||
|
|
@ -1917,6 +1921,8 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**4.** Een aanspraak op periodieke uitkeringen als bedoeld in het eerste lid die op de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, of artikel 11a, derde lid, onderdeel a, onder 1°, of onderdeel b, onder 1°, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2013, nog niet tot uitkering is gekomen, omdat de omvang van de uitkeringen nog moet worden vastgesteld, wordt geacht te zijn afgekocht op de datum, bedoeld in de tweede zin, onderscheidenlijk derde zin, indien op die datum nog geen vaststelling van de omvang van de uitkeringen heeft plaatsgevonden. Bij in leven zijn van de werknemer of gewezen werknemer is de datum waarop de aanspraak op periodieke uitkeringen ingevolge de eerste zin wordt geacht te zijn afgekocht 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, of artikel 11a, derde lid, onderdeel a, onder 1°, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2013, is gelegen. Bij overlijden van de werknemer of gewezen werknemer is de datum waarop de aanspraak op periodieke uitkeringen ingevolge de eerste zin wordt geacht te zijn afgekocht 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de uiterste ingangsdatum, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, of artikel 11a, derde lid, onderdeel b, onder 1°, zoals deze artikelen luidden op 31 december 2013, is gelegen. De data, bedoeld in de tweede en derde zin, kunnen door de inspecteur worden uitgesteld wanneer door bijzondere omstandigheden de omvang van de uitkeringen niet voor die data is vastgesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Indien artikel 19b, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2013, van overeenkomstige toepassing is of is geweest op een aanspraak als bedoeld in het eerste lid, waarvan een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d of e, zoals dat luidde op 31 december 2013 als verzekeraar optreedt en de aanspraak in afwijking van artikel 19b, zoals dat luidde op 31 december 2013, bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen, blijft dat artikel van overeenkomstige toepassing op die aanspraak.
|
||||
|
||||
### Artikel 39g
|
||||
|
||||
Artikel 10, vijfde lid, zoals dat luidde op 31 december 2014, blijft van toepassing op uitkeringen en verstrekkingen uit een voordien niet tot het loon gerekende aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 32bc, zoals dat luidde op 31 december 2014.
|
||||
|
|
@ -1931,10 +1937,7 @@ Voor de toepassing van artikel 20, derde lid, worden onder werknemers die in een
|
|||
|
||||
### Artikel 39k
|
||||
|
||||
Artikel 12a, derde, vierde en tiende lid, zoals dat luidde op 31 december 2022 en de daarop gebaseerde bepalingen blijven van toepassing op het loon van werknemers:
|
||||
|
||||
a. die arbeid verrichten ten behoeve van een lichaam waarin zij of hun partner een aanmerkelijk belang hebben; en
|
||||
b. van wie het vóór 1 januari 2023 genoten loon geheel of gedeeltelijk is bepaald op basis van artikel 12a, derde, vierde en tiende lid, zoals dat luidde op 31 december 2022.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue