2006-01-01 | BWBR0017837 | Wet werk en inkomen kunstenaars

This commit is contained in:
Coornhert 2006-01-01 12:00:00 +00:00
parent ec56af16a3
commit a975562b56

View file

@ -85,15 +85,15 @@ Niet tot de middelen van de kunstenaar of zijn gezin worden gerekend:
a. de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de uitkering begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c. huurtoeslag ontvangen op grond van de Wet op de huurtoeslag, of een bijzondere bijdrage in de huurlasten ontvangen op grond van artikel 26b van die wet;
c. tegemoetkomingen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
d. een eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit;
e. elke vermindering of teruggave van loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen;
e. elke vermindering of teruggave van loonbelasting, inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen of een inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet;
f. vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen als bedoeld in Hoofdstuk IIA van de Wet op de loonbelasting 1964, voorzover deze meer bedragen dan de beroepskosten, bedoeld in artikel 17;
g. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid;
h. rente ontvangen over op grond van artikel 7, tweede lid, onderdelen c en d, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
i. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;
j. giften en andere dan de in onderdeel i bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade, voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van de verlening van de uitkering verantwoord zijn;
k. een uitkering als bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Ziekenfondswet.
k. een no-claimteruggave als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
### Artikel 5
@ -118,8 +118,8 @@ b. betrekking hebben op het kalenderjaar waarover beroep op uitkering wordt geda
Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 3.2 van die wet, wordt gesteld op:
a. voor een thuisinwonende studerende: € 271,06 per 1 januari 2005: € 286,17 per kalendermaand;
b. voor een uitwonende studerende: € 486,94 per 1 januari 2005: € 514,07 per kalendermaand.
a. voor een thuisinwonende studerende: € 271,06 per 1 januari 2006: € 289,55 per kalendermaand;
b. voor een uitwonende studerende: € 486,94 per 1 januari 2006: € 520,14 per kalendermaand.
**3.** De tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die wet.
@ -140,16 +140,16 @@ a. vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar;
b. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de kunstenaar of zijn gezin, noodzakelijk zijn;
c. het bij de aanvang van de uitkering aanwezige vermogen, voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid;
d. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin uitkering wordt ontvangen;
e. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 9, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 42.000,00 per 1 januari 2005: € 43.100,00;
e. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 9, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 42.000,00 per 1 januari 2006: € 43.700,00;
f. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen i en j.
**3.**
De in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: € 4.975,00 per 1 januari 2005: € 5.105,00;
b. voor een alleenstaande ouder: € 9.950,00 per 1 januari 2005: € 10.210,00;
c. voor de gehuwden tezamen: € 9.950,00 per 1 januari 2005: € 10.210,00.
a. voor een alleenstaande: € 4.975,00 per 1 januari 2006: € 5.180,00;
b. voor een alleenstaande ouder: € 9.950,00 per 1 januari 2006: € 10.360,00;
c. voor de gehuwden tezamen: € 9.950,00 per 1 januari 2006: € 10.360,00.
**4.**
@ -170,9 +170,9 @@ De kunstenaar heeft recht op uitkering indien hij, of voorzover van toepassing z
a. niet over in aanmerking te nemen vermogen beschikt en het in aanmerking te nemen inkomen per maand:
1°. van een alleenstaande lager is dan € 1.024,10 per 15 april 2005: € 1.177,57;
2°. van een alleenstaande ouder lager is dan € 1.207,43 per 15 april 2005: € 1.395,33;
3°. van gehuwden lager is dan € 1.349,13 per 15 april 2005: € 1.588,90, en
1°. van een alleenstaande lager is dan € 1.024,10 per 1 januari 2006: € 1.059,17;
2°. van een alleenstaande ouder lager is dan € 1.207,43 1 januari 2006: € 1.252,24;
3°. van gehuwden lager is dan € 1.349,13 1 januri 2006: € 1.376,33, en
b. gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode als kunstenaar werkzaam is geweest volgens bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden en in die periode met die werkzaamheden een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen bruto-inkomen heeft verworven, of
c. de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen 12 maanden nadat hij met goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette opleiding op het gebied van de kunst, of een voortgezette opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voorzover deze opleiding gericht is op de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij ministeriële regeling aan te wijzen, opleiding heeft voltooid.
@ -254,9 +254,9 @@ De uitkering wordt per kalendermaand om niet verleend en betaald en per kalender
De uitkering bedraagt per kalendermaand voor:
a. een alleenstaande: € 648,04 per 15 april 2005: € 737,26;
b. een alleenstaande ouder: € 828,31 per 15 april 2005: € 944,29;
c. gehuwden: € 954,73 per 15 april 2005: € 1.080,95.
a. een alleenstaande: € 648,04 per 1 januari 2006: € 664,00;
b. een alleenstaande ouder: € 828,31 per 1 januari 2006: € 855,58;
c. gehuwden: € 954,73 per 1 januari 206: € 969,11.
**2.** Indien de echtgenoot van de kunstenaar in een omstandigheid verkeert als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a, b of c, wordt de hoogte van de uitkering vastgesteld op het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder.
@ -270,12 +270,12 @@ c. gehuwden: € 954,73 per 15 april 2005: € 1.080,95.
Bij de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering wordt van het volgende uitgegaan:
a. over de periode in het kalenderjaar waarin geen uitkering is ontvangen wordt niet in aanmerking genomen het bruto-inkomen tot een maximum per maand van het in artikel 8, onderdeel a, genoemde van toepassing zijnde bedrag, vermeerderd met de voor die periode verschuldigde premies voor een ziektekostenverzekering voor de kunstenaar of zijn gezin;
a. over de periode in het kalenderjaar waarin geen uitkering is ontvangen wordt niet in aanmerking genomen het bruto-inkomen tot een maximum per maand van het in artikel 8, onderdeel a, genoemde van toepassing zijnde bedrag, vermeerderd met de door de kunstenaar of zijn gezin verschuldigde inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze hen niet op grond van artikel 46 van de Zorgverzekeringswet zijn vergoed;
b. het na toepassing van onderdeel a overblijvende meerinkomen wordt in aanmerking genomen over de periode waarin in het betreffende kalenderjaar uitkering is verleend, voorzover dat tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per maand meer bedraagt dan:
1°. € 1.355,98 per 15 april 2005: € 1.588,69 voor een alleenstaande;
2°. € 1.673,05 per 15 april 2005: € 1.979,09 voor een alleenstaande ouder;
3°. € 1.871,42 per 15 april 2005: € 2.213,00 voor gehuwden.
1°. € 1.355,98 per 1 januari 2006: € 1.404,65 voor een alleenstaande;
2°. € 1.673,05 per 1 januari 2006: € 1.750,61 voor een alleenstaande ouder;
3°. € 1.871,42 per 1 januari 2006: € 1.943,01 voor gehuwden.
**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid en artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt bij een kunstenaar wiens uitkering is beëindigd in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur op grond van artikel 19, het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin slechts in aanmerking genomen over de periode van het kalenderjaar voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarop de uitkering is beëindigd, voorzover dat inkomen tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per kalendermaand meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in het tweede lid, onderdeel b.
@ -296,13 +296,13 @@ b. hoger is dan de definitief vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt het be
**1.** Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden de brutonormen en bedragen, genoemd in de artikelen 8, onderdeel a, 15 en 16 herzien.
**2.** Onder netto minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie.
**2.** Onder netto minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet.
**3.** De in het tweede lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer, jonger dan 65 jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie en verminderd met de premies werknemersverzekeringen.
**3.** De in het tweede lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer, jonger dan 65 jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de premies werknemersverzekeringen.
**4.** Indien ingevolge een van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het tweede lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
**5.** Bij de vaststelling van de brutonormen en bedragen, bedoeld in het eerste lid, is ten aanzien van de verschuldigde loonheffing rekening gehouden met de algemene heffingskorting, alsmede met de door de uitkeringsgerechtigde verschuldigde premie op grond van de Ziekenfondswet en de vereveningsbijdrage. Met betrekking tot de brutonormen en bedragen, genoemd in artikel 8, onderdeel a, onder 2°, derde lid, 15, eerste lid, onderdeel a, en 16, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, is tevens rekening gehouden met de alleenstaande ouderkorting.
**5.** Bij de vaststelling van de brutonormen en bedragen, bedoeld in het eerste lid, is ten aanzien van de verschuldigde loonheffing rekening gehouden met de algemene heffingskorting, alsmede met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en de vereveningsbijdrage. Met betrekking tot de brutonormen en bedragen, genoemd in artikel 8, onderdeel a, onder 2°, derde lid, 15, eerste lid, onderdeel a, en 16, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, is tevens rekening gehouden met de alleenstaande ouderkorting.
**6.** De vereveningsbijdrage, bedoeld in het vijfde lid, is gelijk aan het bedrag van de premie die een werkgever op grond van de Werkloosheidswet op het overeengekomen loon van een werknemer, die is verzekerd op grond van deze wet, inhoudt.
@ -360,7 +360,7 @@ De kunstenaar legt de administratie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, uit
**1.** Op verzoek van de kunstenaar die uitkering ontvangt op grond van deze wet, kan het college, zo nodig gehoord de adviserende instelling, aan hem voorzieningen aanbieden, gericht op het bevorderen van de arbeidsinschakeling in het kader van de uitoefening van een gemengde beroepspraktijk.
**2.** Het college laat werkzaamheden die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd, verrichten door derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, waarbij kan worden bepaald dat een deel van de werkzaamheden niet door derden hoeft te worden verricht.
**2.** Het college kan werkzaamheden die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd, laten verrichten door derden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent regels worden gesteld.
**3.** Het college kan de voorziening, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de kunstenaar ook aan zijn echtgenoot aanbieden.
@ -608,7 +608,7 @@ De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan het college, kos
a. het college van andere gemeenten;
b. de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale Verzekeringsbank, genoemd in respectievelijk de hoofdstukken 4, 5, en 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. de belastingdienst;
d. het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet, het College van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1u van de Ziekenfondswet, de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 4 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, het College toezicht, genoemd in artikel 77, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet en de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die in het kader van deze wet als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet 1996 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet 2000;
@ -617,7 +617,8 @@ i. Onze Minister van Justitie voorzover het betreft de kunstenaar of een lid van
j. de adviserende instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van advies dient;
k. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
l. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
m. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen.
m. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
n. de Belastingdienst/Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer betreffende de toepassing van de Wet bevordering eigenwoningbezit.
**2.** Het vragen door het college en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen geschiedt in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen door tussenkomst van het Inlichtingenbureau. Het Inlichtingenbureau voert ten behoeve van de verwerking van deze opgaven en inlichtingen een administratie.
@ -674,9 +675,9 @@ Het college is verplicht, indien het bij de uitvoering van deze wet het gegronde
Het college is bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, onverminderd artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000, uit de administratie terzake van de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde instanties kosteloos de gegevens te verstrekken:
a. de Centrale organisatie voor werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank, genoemd in respectievelijk de hoofdstukken 4, 5, en 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. de belastingdienst voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting of premies volksverzekeringen;
b. de Belastingdienst voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen, of inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de Belastingdienst/Toeslagen voor de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet, het College van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1u van de Ziekenfondswet, en de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 4 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor de uitvoering van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, het College toezicht, genoemd in artikel 77, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet en de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van de Nederlandse Antillen en Aruba voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
@ -741,7 +742,7 @@ b. de doeltreffendheid van deze wet.
Onze Minister vergoedt ten laste van s Rijks kas:
a. de kosten van uitkeringen, alsmede de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd is, voorzover de uitkering niet bij wijze van voorschot op grond van artikel 14 is verleend;
a. de kosten van uitkeringen, alsmede de in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet bedoelde vergoedingen van de inkomensafhankelijke bijdragen daarover, voorzover de uitkering niet bij wijze van voorschot op grond van artikel 14 is verleend;
b. de door het college gemaakte uitvoeringskosten.
**2.** Het college declareert de in een kalenderjaar gemaakte kosten door middel van een kostenopgave over dat jaar.