2004-09-08 | BWBR0012177 | Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs

This commit is contained in:
Coornhert 2004-09-08 12:00:00 +00:00
parent 8dbe8b2c08
commit a9b8b5ea12

View file

@ -55,10 +55,9 @@ r. pensioen: een pensioen in de zin van het Pensioenreglement;
s. suppletie: een suppletie op grond van hoofdstuk 3 Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs;
t. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 14, tweede lid, WW;
u. loongerelateerde uitkering: de loongerelateerde uitkering, bedoeld in hoofdstuk IIA, afdeling II van de WW;
v. vervolguitkering: de vervolguitkering, bedoeld in Hoofdstuk IIA, afdeling III van de WW;
w. kortdurende uitkering: de kortdurende uitkering, bedoeld in Hoofdstuk IIB van de WW;
x. de WAZO: de Wet arbeid en zorg;
y. aanvulling op de WAZO-uitkering: de aanvulling op de WAZO-uitkering, bedoeld in artikel 7a.
v. kortdurende uitkering: de kortdurende uitkering, bedoeld in Hoofdstuk IIB van de WW;
w. de WAZO: de Wet arbeid en zorg;
x. aanvulling op de WAZO-uitkering: de aanvulling op de WAZO-uitkering, bedoeld in artikel 7a.
### Artikel 2
@ -84,22 +83,15 @@ Voorzover in dit besluit niet anders is bepaald, geeft dit besluit geen aansprak
**1.** De duur van de aanvulling op de WW-uitkering is gelijk aan de duur van de WW-uitkering.
**2.** Op de duur van de aanvulling op de WW-uitkering zijn de artikelen 43 en 50 WW van overeenkomstige toepassing.
**2.** Op de duur van de aanvulling op de WW-uitkering is artikel 43 WW van overeenkomstige toepassing.
**3.** De loongerelateerde uitkering wordt gedurende de eerste 12 maanden per dag aangevuld tot 78% en vervolgens tot 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag. Voor de bepaling van de duur van de periode van 12 maanden, bedoeld in de vorige volzin, wordt artikel 43 WW overeenkomstig toegepast, en worden perioden van aanvulling op de ZW-uitkering en op de WAZO-uitkering mede in aanmerking genomen.
**4.**
**4.** De kortdurende uitkering wordt per dag aangevuld tot 108% van het minimumloon; indien 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag lager is dan 108% van het minimumloon, wordt de kortdurende uitkering echter per dag aangevuld tot 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.
De vervolguitkering wordt per dag aangevuld:
**5.** Op de hoogte van de aanvullingen, bedoeld in dit artikel, zijn de artikelen 47, tweede en derde lid, en 51, tweede en derde lid, WW van overeenkomstige toepassing.
a. indien de betrokkene op de eerste werkloosheidsdag ten minste 40 jaar oud is en een diensttijd heeft van ten minste 5 jaar: tot 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag;
b. in de overige gevallen: tot 100% van het minimumloon; indien 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag lager is dan 100% van het minimumloon, wordt de vervolguitkering echter per dag aangevuld tot 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.
**5.** De kortdurende uitkering wordt per dag aangevuld tot 108% van het minimumloon; indien 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag lager is dan 108% van het minimumloon, wordt de kortdurende uitkering echter per dag aangevuld tot 78% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.
**6.** Op de hoogte van de aanvullingen, bedoeld in dit artikel, zijn de artikelen 47, tweede en derde lid, en 51, tweede en derde lid, WW van overeenkomstige toepassing.
**7.** Voor de berekening van de hoogte van de aanvullingen, bedoeld in dit artikel, wordt de uitkering op grond van de WW geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.
**6.** Voor de berekening van de hoogte van de aanvullingen, bedoeld in dit artikel, wordt de uitkering op grond van de WW geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.
### Artikel 6
@ -120,9 +112,9 @@ b. onder toepassing van artikel 46 ZW, terwijl hij laatstelijk voor de ZW verzek
De ZW-uitkering wordt voor de betrokkene:
a. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de ZW-uitkering recht zou hebben gehad op een aanvulling op de WW-uitkering, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, dat voor hem zou hebben gegolden als hij niet ziek was geweest;
a. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de ZW-uitkering recht zou hebben gehad op een aanvulling op de WW-uitkering, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde of vierde lid, dat voor hem zou hebben gegolden als hij niet ziek was geweest;
b. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de ZW-uitkering recht zou hebben gehad op een aansluitende uitkering, aangevuld tot het percentage, bedoeld in artikel 9, zevende lid;
c. die recht op ZW-uitkering heeft onder toepassing van artikel 46 ZW en op wie onderdeel b niet van toepassing is, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, waartoe zijn WW-uitkering zou zijn aangevuld indien deze niet was geëindigd.
c. die recht op ZW-uitkering heeft onder toepassing van artikel 46 ZW en op wie onderdeel b niet van toepassing is, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde of vierde lid, waartoe zijn WW-uitkering zou zijn aangevuld indien deze niet was geëindigd.
**3.** Voor de berekening van de hoogte van de aanvulling op de ZW-uitkering wordt de uitkering op grond van de ZW geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.
@ -145,15 +137,15 @@ b. onder toepassing van artikel 3:10 WAZO, terwijl zij laatstelijk voor de ZW ve
De WAZO-uitkering wordt voor de betrokkene:
a. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de WAZO-uitkering recht zou hebben gehad op een aanvulling op de WW-uitkering, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, dat voor haar zou hebben gegolden als zij geen recht op uitkering op grond van de WAZO zou hebben gehad;
a. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de WAZO-uitkering recht zou hebben gehad op een aanvulling op de WW-uitkering, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde of vierde lid, dat voor haar zou hebben gegolden als zij geen recht op uitkering op grond van de WAZO zou hebben gehad;
b. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de WAZO-uitkering recht zou hebben gehad op een aansluitende uitkering, aangevuld tot het percentage, bedoeld in artikel 9, zevende lid;
c. die recht op WAZO-uitkering heeft onder toepassing van artikel 3:10 WAZO en op wie onderdeel b niet van toepassing is, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, waartoe haar WW-uitkering zou zijn aangevuld indien deze niet was geëindigd.
c. die recht op WAZO-uitkering heeft onder toepassing van artikel 3:10 WAZO en op wie onderdeel b niet van toepassing is, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde of vierde lid, waartoe haar WW-uitkering zou zijn aangevuld indien deze niet was geëindigd.
**3.** Voor de berekening van de hoogte van de aanvulling op de WAZO-uitkering wordt uitgegaan van de onverminderde uitkering op grond van de WAZO indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.
### Artikel 8
**1.** De betrokkene die recht heeft op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering, heeft zodra het einde van de duur van de WW-uitkering is bereikt recht op een aansluitende uitkering indien hij op de eerste werkloosheidsdag de leeftijd van 41 jaar heeft bereikt en een diensttijd heeft van ten minste 5 jaar. Indien het recht op WW-uitkering van de betrokkene na afloop van een periode van ZW-uitkering niet meer herleeft omdat er voor de WW-uitkering geen duur meer resteert, gaat in afwijking van de eerste volzin de aansluitende uitkering in op de dag per welke het recht op ZW-uitkering eindigt.
**1.** De betrokkene die recht heeft op loongerelateerde uitkering, heeft zodra het einde van de duur van de loongerelateerde uitkering is bereikt recht op een aansluitende uitkering indien hij op de eerste werkloosheidsdag de leeftijd van 40 jaar heeft bereikt en een diensttijd heeft van tenminste 5 jaar. Indien het recht op WW-uitkering van de betrokkene na afloop van een periode van ZW-uitkering niet meer herleeft omdat er voor de WW-uitkering geen duur meer resteert, gaat in afwijking van de eerste volzin de aansluitende uitkering in op de dag per welke het recht op ZW-uitkering eindigt.
**2.** Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen 16, 19, 20, 21, 76 en 78 WW van overeenkomstige toepassing.
@ -165,26 +157,32 @@ c. die recht op WAZO-uitkering heeft onder toepassing van artikel 3:10 WAZO en o
De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 5 jaar en
a. 41 jaar oud is: 6 maanden
b. 42 jaar oud is: 1 jaar
c. 43 jaar oud is: 1,5 jaar
d. 44 jaar of ouder is: 4 jaar verminderd met de duur van de vervolguitkering.
a. 40 jaar oud is: 1 jaar
b. 41 jaar oud is: 1,5 jaar
c. 42 jaar oud is: 2 jaar
d. 43 jaar oud is: 2,5 jaar
e. 44 jaar of ouder is: 3 jaar
**2.**
De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 7 jaar en
a. 45 jaar oud is: 2,5 jaar
b. 46 jaar oud is: 3 jaar
c. 47 jaar oud is: 3,5 jaar
d. 48 jaar oud is: 4 jaar
e. 49 jaar of ouder is: 6,5 jaar verminderd met de duur van de vervolguitkering.
a. 45 jaar oud is: 3,5 jaar
b. 46 jaar oud is: 4 jaar
c. 47 jaar oud is: 4,5 jaar
d. 48 jaar oud is: 5 jaar
e. 49 jaar of ouder is: 5,5 jaar
**3.** De aansluitende uitkering duurt voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 12 jaar en 50 jaar of ouder is, tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt.
**3.**
**4.** Op de duur van de aansluitende uitkering is artikel 43 WW van overeenkomstige toepassing. Indien de aansluitende uitkering ingaat op de dag per welke een recht op ZW-uitkering eindigt, worden de eerste drie maanden van de ZW-uitkering, bedoeld in artikel 43, tweede en derde lid, WW in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, voorzover zij niet reeds in mindering zijn gebracht op de duur van de vervolguitkering.
De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 12 jaar en
**5.** Indien de duur van de aanvulling op de vervolguitkering onder overeenkomstige toepassing van artikel 76 WW is verlengd, wordt de duur van deze verlenging in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.
a. 50 jaar oud is: 10 jaar
b. 51 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt.
**4.** Op de duur van de aansluitende uitkering is artikel 43 WW van overeenkomstige toepassing. Indien de aansluitende uitkering ingaat op de dag per welke een recht op ZW-uitkering eindigt, worden de eerste drie maanden van de ZW-uitkering, bedoeld in artikel 43, tweede en derde lid, WW in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, voorzover zij niet reeds in mindering zijn gebracht op de duur van de loongerelateerde uitkering.
**5.** Indien de duur van de aanvulling op de loongerelateerde uitkering onder overeenkomstige toepassing van artikel 76 WW is verlengd, wordt de duur van deze verlenging in mindering gebracht op de duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.
**6.**
@ -194,7 +192,7 @@ a. een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WW of op ee
b. een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, onmiddellijk gevolgd door een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WW of op een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZW- of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag;
c. een uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO, onmiddellijk gevolgd door een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, die weer onmiddellijk is gevolgd door een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, WW of een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen het einde van zijn ZWuitkering of daarmee overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag.
**7.** De aansluitende uitkering bedraagt per dag 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag.
**7.** De aansluitende uitkering bedraagt per dag 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een aansluitende uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering of een bovenwettelijke uitkering, heeft de aansluitende uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Artikel 5, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**8.** Op de hoogte van de aansluitende uitkering is artikel 47, tweede en derde lid, WW van overeenkomstige toepassing.
@ -212,13 +210,7 @@ c. een uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO, onmiddellijk gevolgd door een ui
**1.** Met inachtneming van het tweede lid zijn de artikelen 30 tot en met 41 WW van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de WW-uitkering en op de aansluitende uitkering, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid. Artikel 41 WW wordt op de bovenwettelijke uitkering uitsluitend toegepast indien het uit te betalen bedrag van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering samen een hoogte heeft als bedoeld in artikel 41 WW.
**2.**
Artikel 35c WW is niet van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a. Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 35c WW op deoverige aanvullingen op de vervolguitkering en op de aanvullingen op de kortdurende uitkering:
a. wordt bij samenloop van meerdere vervolguitkeringen voor 70% gelezen: 100%;
b. wordt bij samenloop van meerdere kortdurende uitkeringen voor 70% gelezen: 108%;
c. worden bij samenloop van een of meer vervolguitkeringen en een of meer kortdurende uitkeringen de onderdelen a en b toegepast naar evenredigheid van het aantal arbeidsuren per week waarvoor recht bestaat op vervolguitkering, respectievelijk kortdurende uitkering.
**2.** Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 35c WW op de aanvullingen op de kortdurende uitkering wordt bij samenloop van meerdere kortdurende uitkeringen voor 70% gelezen: 108%.
**3.** De artikelen 31, tweede tot en met vijfde lid, 32 tot en met 33b, 40 tot en met 42, 47 tot en met 48, 50 en 85 ZW zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de ZW-uitkering en op de aansluitende uitkering in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.
@ -238,7 +230,7 @@ c. is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op WW-uitkering, niet
Onderdeel b van de vorige volzin is niet van toepassing in de situatie, bedoeld in artikel 6, tweede lid en artikel 7a, tweede lid.
**3.** Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering, toegekend op grond van het eerste lid, en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, heeft de uitkering op grond van het eerste lid het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond van het eerste lid zonder de samenloop zou hebben. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
**3.** Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering, toegekend op grond van het eerste lid, en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, heeft de uitkering op grond van het eerste lid het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond van het eerste lid zonder de samenloop zou hebben. Artikel 5, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk 3
@ -280,7 +272,7 @@ De vorige volzin wordt niet toegepast voorzover met die dienstbetrekkingen, of m
**2.** Indien de voor de betrokkene geldende duur van de bovenwettelijke uitkering, zoals vastgesteld per de ingangsdatum van het ontslag, langer zou zijn dan de duur van de suppletie, heeft de betrokkene recht op bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag per welke het recht op suppletie door het verstrijken van de duur eindigt. Duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering worden in dat geval vastgesteld alsof er op de ingangsdatum van het ontslag een recht op aanvulling op de WW-uitkering, eventueel gevolgd door een recht op aansluitende uitkering, zou zijn ontstaan en tot het verstrijken van de duur van de suppletie ononderbroken zou zijn doorgelopen.
**3.** Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een bovenwettelijke uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een andere bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, heeft de bovenwettelijke uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte, bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 9, zevende lid, die voor de betrokkene geldt op grond van het tweede lid. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
**3.** Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een bovenwettelijke uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een andere bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, heeft de bovenwettelijke uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte, bedoeld in artikel 5, derde of vierde lid, of artikel 9, zevende lid, die voor de betrokkene geldt op grond van het tweede lid. Artikel 5, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Indien op de suppletie onder overeenkomstige toepassing van artikel 27 WW een maatregel is toegepast die bij het verstrijken van de duur van de suppletie nog niet geheel is uitgevoerd, wordt deze maatregel voortgezet tijdens de bovenwettelijke uitkering. Indien de suppletie blijvend geheel geweigerd is, wordt ook de bovenwettelijke uitkering blijvend geheel geweigerd.
@ -313,7 +305,7 @@ e. zodra de duur van de loonsuppletie is verstreken.
**6.** Indien het recht op loonsuppletie is geëindigd op grond van het vijfde lid, onderdeel a, b of c, heeft de betrokkene opnieuw recht op loonsuppletie indien de omstandigheid die het recht heeft doen eindigen heeft opgehouden te bestaan en de betrokkene binnen de duur, bedoeld in het zevende lid, opnieuw voldoet aan de voorwaarden, gesteld in het eerste of tweede lid, zonder dat de omstandigheid, bedoeld in het vierde lid, zich voordoet. Voorzover de betrokkene tegelijk recht op loonsuppletie heeft op grond van meer dan één recht op bovenwettelijke uitkering, wordt alleen het hoogste recht op loonsuppletie uitbetaald.
**7.** De loonsuppletie duurt uiterlijk tot het einde van de duur van de bovenwettelijke uitkering, zoals die is vastgesteld per de eerste werkloosheidsdag. In afwijking van de vorige volzin duurt de loonsuppletie uiterlijk tot het einde van de duur van de loongerelateerde uitkering, zoals die is vastgesteld per de eerste werkloosheidsdag, indien de betrokkene tijdens de vervolguitkering recht heeft op een aanvulling op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel b.
**7.** De loonsuppletie duurt uiterlijk tot het einde van de duur van de bovenwettelijke uitkering, zoals die is vastgesteld per de eerste werkloosheidsdag.
**8.** De berekeningsperiode van de loonsuppletie is het deel van een kalendermaand waarover de betrokkene recht heeft op loon uit zijn nieuwe dienstbetrekking en waarin de duur, bedoeld in het zevende lid, nog niet is verstreken. Zo nodig in afwijking van de vorige volzin begint een nieuwe berekeningsperiode zodra het negende lid, onderdeel b, van toepassing wordt.
@ -381,25 +373,7 @@ c. het einde van de duur van zijn oude recht op bovenwettelijke uitkering niet i
**2.** De duur van de verlenging, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering die nog niet is verstreken op het moment dat de verlenging ingaat, maar ten hoogste aan het verschil in duur tussen het oude en het nieuwe recht op bovenwettelijke uitkering.
**3.**
Een betrokkene die recht heeft op aanvulling van zijn vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel b, heeft recht op verdere aanvulling van zijn vervolguitkering tot de hoogte bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel a, indien:
a. hij eerder een recht op bovenwettelijke uitkering heeft gehad waaraan een aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a was verbonden, en
b. het einde van de duur van zijn oude recht op bovenwettelijke uitkering niet is bereikt vóór de ingangsdatum van zijn nieuwe vervolguitkering.
**4.** De duur van de verdere aanvulling van de vervolguitkering, bedoeld in het derde lid, is gelijk aan de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering die nog niet is verstreken op het moment dat de nieuwe vervolguitkering ingaat, maar ten hoogste aan de duur van de nieuwe vervolguitkering.
**5.**
De betrokkene, bedoeld in het derde lid, heeft zodra het einde van de duur van de nieuwe vervolguitkering is bereikt, recht op een aansluitende uitkering indien:
a. de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering die nog niet is verstreken op het moment dat de nieuwe vervolguitkering ingaat, langer is dan de duur van de nieuwe vervolguitkering, en
b. de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering langer is dan de duur van het nieuwe recht op bovenwettelijke uitkering.
**6.** De duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het vijfde lid, is gelijk aan het verschil tussen de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering die nog niet is verstreken op het moment dat de nieuwe vervolguitkering ingaat en de duur van de nieuwe vervolguitkering, maar ten hoogste aan het verschil in duur tussen het oude en het nieuwe recht op bovenwettelijke uitkering.
**7.** Het recht op uitkering op grond van dit artikel wordt niet toegekend indien de betrokkene onvoldoende aannemelijk maakt dat hij voldoet aan de voorwaarden die in zijn geval voortvloeien uit het eerste, derde en vijfde lid. Onze Minister kan nadere regels stellen inzake de vorige volzin.
**3.** Het recht op uitkering op grond van dit artikel wordt niet toegekend indien de betrokkene onvoldoende aannemelijk maakt dat hij voldoet aan de voorwaarden die in zijn geval voortvloeien uit het eerste. Onze Minister kan nadere regels stellen inzake de vorige volzin.
### Artikel 17
@ -420,7 +394,7 @@ b. indien de duur van dit recht op het moment waarop het op grond van het eerste
**6.** Het eerste tot en met vijfde lid zijn mede van toepassing op de betrokkene die recht heeft op ZW-uitkering of op uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO en die, als hij geen recht op die uitkering zou hebben gehad, een nieuw recht op WW-uitkering zou hebben gehad, behalve in de situaties, bedoeld in artikel 6, tweede lid en artikel 7a, tweede lid.
**7.** Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een bovenwettelijke uitkering die op grond van dit artikel is herleefd en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een andere bovenwettelijke uitkering of een uitkering die naar aard en strekking met een van deze uitkeringen overeenkomt, heeft de op grond van dit artikel herleefde uitkering het karakter van een aanvulling tot de hoogte, bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 9, zevende lid, die voor de betrokkene geldt op grond van het recht op bovenwettelijke uitkering dat op grond van dit artikel is herleefd. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
**7.** Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een bovenwettelijke uitkering die op grond van dit artikel is herleefd en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een andere bovenwettelijke uitkering of een uitkering die naar aard en strekking met een van deze uitkeringen overeenkomt, heeft de op grond van dit artikel herleefde uitkering het karakter van een aanvulling tot de hoogte, bedoeld in artikel 5, derde of vierde lid, of artikel 9, zevende lid, die voor de betrokkene geldt op grond van het recht op bovenwettelijke uitkering dat op grond van dit artikel is herleefd. Artikel 5, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 18
@ -466,14 +440,7 @@ Zonodig in afwijking van het eerste lid:
a. kan een recht op uitkering herleven op grond van artikel 7, vijfde lid, BWOO, en
b. kan een recht op loonsuppletie op grond van artikel 38, zesde lid, BWOO herleven. Voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op loonsuppletie op grond van artikel 38 BWOO en op grond van artikel 15, wordt alleen de hoogste loonsuppletie uitbetaald.
**3.**
Voor de toepassing van artikel 16 wordt een recht op aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk II, paragraaf 1 BWOO aangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering waaraan:
a. een recht op aansluitende uitkering en een recht op aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a, zijn verbonden, indien de betrokkene op de ingangsdatum van het recht op loongerelateerde uitkering op grond van het BWOO waarop dit recht op aanvullende uitkering is gevolgd, ten minste 41 jaar oud was;
b. een recht op aanvulling van de vervolguitkering op grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel a, is verbonden, in de overige gevallen.
Als duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering als bedoeld in artikel 16, wordt in aanmerking genomen de som van de duur van de loongerelateerde uitkering op grond van het BWOO waarop de aanvullende uitkering is gevolgd, en de duur van de aanvullende uitkering.
**3.** Voor de toepassing van artikel 16 wordt een recht op aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk II, paragraaf 1 BWOO aangemerkt als een recht op bovenwettelijke uitkering waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, indien de betrokkene op de ingangsdatum van het recht op loongerelateerde uitkering op grond van het BWOO waarop dit recht op aanvullende uitkering is gevolgd, ten minste 40 jaar oud was. Als duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering als bedoeld in artikel 16, wordt in aanmerking genomen de som van de duur van de loongerelateerde uitkering op grond van het BWOO waarop de aanvullende uitkering is gevolgd, en de duur van de aanvullende uitkering.
### Artikel 23
@ -481,7 +448,7 @@ Indien de toepassing van dit besluit voor de betrokkene tot een onbillijkheid va
### Artikel 23a
IWijzigt dit besluit.
Vervallen
### Artikel 24