2021-08-24 | BWBR0045517 | Regeling Cultuureducatie
This commit is contained in:
parent
9bcb41d479
commit
a9c6eb3cda
1 changed files with 83 additions and 95 deletions
|
|
@ -25,19 +25,13 @@ b. *Adviescommissie:* een interne of externe adviescommissie zoals bedoeld in he
|
|||
c. *Algemeen Subsidiereglement:*
|
||||
Algemeen Subsidiereglement Fonds voor Cultuurparticipatie 2021.
|
||||
d. *BRIN:* Basisregistratie Instellingen Nummer van de mbo-instelling in register dat door het Nederlandse Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt uitgegeven en alle scholen en aanverwante instellingen bevat;
|
||||
e. *Culturele instelling:* instelling met een rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk, die zich inzet voor actieve cultuurparticipatie – of educatie, gehuisvest in het Koninkrijk der Nederlanden.
|
||||
e. *Culturele instelling:* een instelling met een rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk, die zich inzet voor actieve cultuurparticipatie – of educatie, gehuisvest in het Koninkrijk der Nederlanden.
|
||||
f. *Cultuureducatie* het doelbewust leren over en door middel van kunst en erfgoed binnen de school.
|
||||
g. *Koninkrijk der Nederlanden:* Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland inclusief de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
|
||||
g. *Koninkrijk der Nederlanden:* Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de drie openbare lichamen: Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
|
||||
h. *Ministerie van OCW:* Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
|
||||
i. *Nederland:* het Europees deel van Nederland inclusief de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
|
||||
j. *Onderwijsinstelling:* een instelling zonder winstoogmerk verantwoordelijk voor het bieden van primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaarberoepsonderwijs, hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs.
|
||||
j. *Onderwijsinstelling:* en instelling zonder winstoogmerk verantwoordelijk voor het bieden van primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaarberoepsonderwijs, hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs.
|
||||
k. *Website van het Fonds:* www.cultuurparticipatie.nl.
|
||||
l. *Caribisch deel van het Koninkrijk:* de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
|
||||
m. *Culturele Codes:* Code Diversiteit en Inclusie, Fair Practice Code, Governance Code Cultuur.
|
||||
n. *Cultuurparticipatie:* het actief in de vrije tijd beoefenen van kunstzinnige of erfgoedactiviteiten.
|
||||
o. *Erfgoed:* objecten, plekken en praktijken ontstaan door de mens of door de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen in het heden met oog voor het verleden, van wezenlijk belang vinden
|
||||
p. *Materiële investeringen:* aanschaf van materialen voor een project die aanvragers na dat project nog langere tijd kunnen gebruiken.
|
||||
q. *Europees deel van Nederland:* Nederland, zonder het Caribisch deel van het Koninkrijk.
|
||||
|
||||
**2.** In hoofdstuk 2 en de daaropvolgende hoofdstukken is aangegeven wat wordt verstaan onder de begrippen die in het bijzonder bij het desbetreffende hoofdstuk behoren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -63,15 +57,21 @@ a. voor dezelfde activiteiten al subsidie is of zal worden verleend:
|
|||
4° op grond van de Erfgoedwet.
|
||||
b. de activiteiten of projecten waarvoor subsidie wordt gevraagd op het moment van de aanvraag al worden uitgevoerd;
|
||||
c. de aanvraag wordt ingediend door een uitgeverij of een omroeporganisatie; of
|
||||
d. de aanvraag onvoldoende aansluit het doel van de regeling of de overige bij de subsidievereisten;
|
||||
e. de aanvraag gericht is op reguliere of terugkerende activiteiten of activiteiten die redelijkerwijs gefinancierd kunnen worden uit het reguliere budget van de aanvrager; of
|
||||
f. de aanvrager een rechtspersoon is die niet voldoet aan de verplichtingen ten aanzien van de Governance Code Cultuur, zoals bedoeld in artikel 1.6, vijfde lid.
|
||||
d. de aanvraag onvoldoende aansluit bij de subsidievereisten.
|
||||
|
||||
**2.** Het Fonds weigert subsidie aan derden als die in opdracht werken van natuurlijke personen of rechtspersonen die niet aanmerking komen voor een subsidie.
|
||||
|
||||
**3.** Het Fonds kan subsidie weigeren als aanvragers in de jaren voorafgaand aan de aanvraag subsidie van het Fonds hebben ontvangen en toen niet, of niet helemaal, hebben voldaan aan de subsidieverplichtingen.
|
||||
|
||||
**4.** Vanaf hoofdstuk 2 kunnen voor de in dat hoofdstuk opgenomen subsidies aanvullende weigeringsgronden bevatten.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Subsidie wordt geweigerd als de aanvrager in de aanvraag niet de codes onderschrijft die van toepassing zijn op de betreffende sector, waaronder ten minste de sectorcodes zoals de Governance Code Cultuur, de Fair Practice Code en de Code Diversiteit en Inclusie. Hierbij worden de volgende indeling en samenhangende verplichtingen gehanteerd:
|
||||
|
||||
a. Aangevraagd bedrag tot € 5.000,–: pas de codes toe en, indien daarvan sprake is, leg uit waar dit nog niet lukt.
|
||||
b. Aangevraagd bedrag van € 5.000,– tot € 25.000: onderschrijf de codes, pas ze toe, leg uit, en benoem de ambitie op de Fair Practice Code en de Code Diversiteit.
|
||||
c. Aangevraagd bedrag vanaf € 25.000,– onderschrijf de codes, pas ze toe, leg uit, benoem de ambitie op de Fair Practice Code en de Code Diversiteit en reflecteer achteraf in de verantwoording.
|
||||
|
||||
**5.** Vanaf hoofdstuk 2 kunnen voor de in dat hoofdstuk opgenomen subsidies aanvullende weigeringsgronden bevatten.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -95,30 +95,6 @@ c. aannemelijk maakt dat het financiële middelen, samen met de subsidie van het
|
|||
|
||||
**2.** De subsidieontvanger is verplicht actief deel te nemen aan monitoring en evaluatie omtrent de regeling.
|
||||
|
||||
**3.** Als de aanvrager een rechtspersoon is, dan geldt de verplichting om de Governance Code Cultuur, de Fair Practice Code en de Code Diversiteit en Inclusie toe te passen, op een wijze die ten minste voldoet aan het vijfde en zesde lid.
|
||||
|
||||
**4.** Als de aanvrager een natuurlijk persoon is geldt de verplichting om de Fair Practice Code en de Code Diversiteit en Inclusie toe te passen, op een wijze die ten minste voldoet aan het zesde lid.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Voor de Governance Code geldt dat de aanvrager in het aanvraagformulier, op grond van al de onderdelen a tot en met d, aantoont:
|
||||
|
||||
a. hoe de principes uit de code worden toegepast;
|
||||
b. hoe de bij de code behorende aanbevelingen worden opgevolgd;
|
||||
c. dat er sprake is van een scheiding tussen toezicht, bestuur en uitvoering, in die zin dat:
|
||||
|
||||
1° als er sprake is van een raad van toezichtmodel: een raad van toezicht die bestaat uit ten minste drie leden;
|
||||
2° als er sprake is van een bestuursmodel: een bestuur van ten minste drie bestuurders;
|
||||
d. dat de leden van de raad van toezicht, of de toezichthoudende bestuurders geen onderdeel uitmaken van de begroting.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Voor de Fair Practice Code en de Code Diversiteit en Inclusie geldt dat de aanvrager in het aanvraagformulier toelicht hoe die codes worden toepast, waarbij de volgende indeling en daarmee samenhangende verplichtingen gelden:
|
||||
|
||||
a. aangevraagd bedrag tot € 5.000: pas de codes toe en leg uit waar dit nog niet volledig lukt, als dat het geval is;
|
||||
b. aangevraagd bedrag vanaf € 5.000 tot en met € 25.000: pas de codes toe, leg uit waar dit nog niet volledig lukt en benoem hierbij ook de ambities;
|
||||
c. aangevraagd bedrag meer dan € 25.000: pas de codes toe, leg uit waar dit nog niet volledig lukt, benoem hierbij de ambities en reflecteer hierop achteraf in de verantwoording.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.7
|
||||
|
||||
**1.** Als de aanvraag voldoet aan de formele indieningsvereisten, neemt het Fonds een beslissing over de aanvraag. Over aanvragen boven de € 25.000,– geeft een externe adviescommissie vooraf advies.
|
||||
|
|
@ -142,10 +118,11 @@ b. *Buitenschools:* voor of na schooltijd, onder verantwoordelijkheid van een an
|
|||
c. *Creatief vermogen:* een herhalend proces waarin leerlingen creatieve maak- en denkstrategieën leren toepassen.
|
||||
d. *Leerling:* scholier binnen het vmbo, vso of pro.
|
||||
e. *Pro:*
|
||||
*praktijkonderwijs*: uit ’s Rijks kas bekostigd bekostigd praktijkonderwijs, als bedoeld in de wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
*praktijkonderwijs*: door het Ministerie van OCW bekostigd praktijkonderwijs, als bedoeld in de wet op het voortgezet onderwijs.
|
||||
f. *Schooljaar:* van 1 augustus tot en met 31 juli.
|
||||
g. *Vmbo:* uit ’s Rijks kas bekostigd bekostigd voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; alsook gecombineerde brugklassen vmbo-havo of vmbo-havo-vwo of internationale schakelklassen.
|
||||
h. *Vso*: voortgezet speciaal onderwijs, als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
|
||||
g. *Vmbo:* door het Ministerie van OCW bekostigd voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; alsook gecombineerde brugklassen vmbo-havo of vmbo-havo-vwo of internationale schakelklassen.
|
||||
h. *{term}*
|
||||
*Vso*: voortgezet speciaal onderwijs, als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Fase 1 – kennismaken en uitproberen
|
||||
|
||||
|
|
@ -177,19 +154,18 @@ a. start niet eerder dan 13 weken na het indienen van de aanvraag;
|
|||
b. heeft een maximale looptijd van 1 jaar; en
|
||||
c. start uiterlijk in het schooljaar volgend op het schooljaar waarin het subsidieverzoek is gehonoreerd.
|
||||
|
||||
**4.** Op het moment dat het Fonds de aanvraag heeft gehonoreerd en dat via een besluit aan de aanvrager heeft bekendgemaakt, kan met het project worden gestart. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, is dit eveneens van toepassing als het besluit eerder is verstrekt dan na 13 weken na het indienen van de aanvraag.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.5
|
||||
|
||||
**1.** Naast de weigeringsgronden van artikel 1.4, worden aanvragen voor subsidie op grond van dit hoofdstuk ook afgewezen voor fase 1 als een school al eerder heeft deelgenomen aan een project in fase 1.
|
||||
|
||||
**2.** Scholen en culturele instellingen die eerder samen hebben deelgenomen aan een gehonoreerd project in een eerdere vmbo-regeling van het Fonds kunnen zich binnen fase 1 niet nogmaals op de toen bereikte leerwegen richten.
|
||||
**2.** a. Scholen en culturele instellingen die eerder samen hebben deelgenomen aan een gehonoreerd project in een eerdere vmbo-regeling van het Fonds kunnen zich binnen fase 1 niet nogmaals op de toen bereikte leerwegen richten.
|
||||
b. De in onderdeel a bedoelde eerdere regelingen zijn:
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De in het tweede lid bedoelde eerdere vmbo-regelingen zijn:
|
||||
|
||||
1° de Deelregeling stimulering cultuureducatie in het VMBO 2015–2017;
|
||||
1° de Deelregeling stimulering cultuureducatie in het VMBO 2015-2017;
|
||||
2° de Regeling versterking Cultuureducatie in het vmbo, vso en praktijkonderwijs; of
|
||||
3° de Regeling Cultuureducatie VMBO, VSO en PRO
|
||||
3° de Regeling Cultuureducatie VMBO, VSO en PRO.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -197,8 +173,8 @@ De in het tweede lid bedoelde eerdere vmbo-regelingen zijn:
|
|||
|
||||
Het subsidieplafond voor fase 1 bedraagt € 1.500.000,– en is onderverdeeld in twee perioden van elk € 750.000,–
|
||||
|
||||
a periode 1: vanaf inwerkingtreding van deze regeling tot en met 31 december 2022;
|
||||
b periode 2: 1 januari 2023 tot en met 28 maart 2024.
|
||||
a) periode 1: vanaf inwerkingtreding van deze regeling tot en met 31 december 2022;
|
||||
b) periode 2: 1 januari 2023 tot en met 28 maart 2024.
|
||||
|
||||
**2.** Het Fonds kan het subsidieplafond wijzigen. Wijzigingen worden op de website van het Fonds bekendgemaakt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -213,10 +189,10 @@ De subsidie voor fase 1 bedraagt minimaal € 10.000,– en maximaal € 25.00
|
|||
Naast de in artikel 1.4 genoemde voorwaarden en beperkingen geldt voor fase 1:
|
||||
|
||||
a. er kunnen maximaal drie aanvragen per aanvrager worden gehonoreerd;
|
||||
a. voor een aanvrager die gevestigd is in het Europees deel van Nederland bedraagt de subsidie maximaal 80% van de totale projectkosten; voor aanvragers die gevestigd zijn in het Caribisch deel van het Koninkrijk geldt een percentage van maximaal 90%;
|
||||
c. de onderwijsinstelling draagt bij aan de benodigde financiële middelen voor het project, waarbij deze bijdrage niet alleen uit gekapitaliseerde uren mag bestaan;
|
||||
b. de subsidie bedraagt voor het Europees deel van Nederland maximaal 65% van de totale projectkosten die voor de subsidie in aanmerking komen; voor de overige delen van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 80%;
|
||||
c. de onderwijsinstelling draagt ook bij aan de benodigde financiële middelen voor het project, waarbij deze bijdrage niet alleen uit gekapitaliseerde uren mag bestaan;
|
||||
d. maximaal 5% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan onvoorziene kosten;
|
||||
e. voor een aanvrager die gevestigd is in het Europees deel van Nederland geldt dat maximaal 5% van de totale kosten van het project besteed kan worden aan vervoer van leerlingen; voor aanvragers die gevestigd zijn in het Caribisch deel van het Koninkrijk geldt een percentage van maximaal 15%;
|
||||
e. voor het Europees deel van Nederland geldt dat maximaal 5% van de totale kosten van het project besteed kan worden aan vervoer; voor de overige delen van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 15%;
|
||||
f. maximaal 10% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan materiaalkosten; en
|
||||
g. maximaal 25% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan buitenschoolse cultuureducatieve activiteiten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -224,12 +200,14 @@ g. maximaal 25% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan buit
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria waarvan in de toelichting is beschreven op welke wijze die beoordeling plaatsvindt:
|
||||
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
|
||||
|
||||
a. inhoudelijke kwaliteit van het project in relatie tot het doel van fase 1;
|
||||
b. samenwerking; en
|
||||
c. organisatorische kwaliteit.
|
||||
|
||||
In de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel wordt de wijze beschreven waarop de aanvragen aan deze criteria worden getoetst.
|
||||
|
||||
**2.** Alleen aanvragen die voldoen aan alle criteria kunnen voor subsidie in aanmerking komen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Fase 2 – samen ontwikkelen
|
||||
|
|
@ -248,7 +226,7 @@ Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een culturele instelling die ee
|
|||
|
||||
Subsidie in fase 2 kan worden aangevraagd voor een cultuureducatief project, dat bestaat uit activiteiten gericht op:
|
||||
|
||||
a. in samenwerking met scholen een eerste of vervolgstap zetten in de ontwikkeling en uitvoering van cultuureducatie op school, waarmee het creatief vermogen van de leerling wordt bevorderd;
|
||||
a. in samenwerking met culturele instellingen een eerste of vervolgstap zetten in de ontwikkeling en uitvoering van cultuureducatie op school, waarmee het creatief vermogen van de leerling wordt bevorderd;
|
||||
b. werken vanuit de vraag van de school en de leerling;
|
||||
c. organisatie van deskundigheidsbevordering om de ontwikkeling en uitvoering van cultuureducatieve activiteiten te ondersteunen; en
|
||||
d. met elkaar expertise, opgedane kennis over en ervaring met de activiteiten delen.
|
||||
|
|
@ -263,7 +241,9 @@ a. start niet eerder dan 13 weken na het indienen van de aanvraag;
|
|||
b. heeft een maximale looptijd van drie jaar, waarvan minimaal twee jaar activiteiten met leerlingen bevatten; en
|
||||
c. start uiterlijk in het schooljaar volgend op het schooljaar waarin het subsidieverzoek is gehonoreerd.
|
||||
|
||||
**4.** Het project waarvoor een aanvraag in 2024 wordt ingediend start uiterlijk 1 september 2024.
|
||||
**4.** Op het moment dat het Fonds de aanvraag heeft gehonoreerd en dat via een besluit aan de aanvrager heeft bekendgemaakt, kan met het project worden gestart. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, is dit eveneens van toepassing als het besluit eerder is verstrekt dan na 13 weken na het indienen van de aanvraag.
|
||||
|
||||
**5.** Het project waarvoor een aanvraag in 2024 wordt ingediend start uiterlijk 1 september in het schooljaar volgend op het schooljaar waarin het subsidieverzoek is gehonoreerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -280,31 +260,33 @@ b. periode 2: 1 januari 2023 tot en met 28 maart 2024.
|
|||
|
||||
### Artikel 2.14
|
||||
|
||||
De subsidie voor fase 2 bedraagt meer dan € 25.000,– en maximaal € 100.000,– per project.
|
||||
De subsidie voor fase 2 bedraagt minimaal € 25.000,– en maximaal € 80.000,– per project.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.15
|
||||
|
||||
Naast de in artikel 1.4 genoemde voorwaarden en beperkingen geldt voor fase 2:
|
||||
|
||||
a. per aanvrager worden maximaal twee aanvragen gehonoreerd;
|
||||
b. voor een aanvrager die gevestigd is in het Europees deel van Nederland bedraagt de subsidie maximaal 80% van de totale kosten van het project; voor een aanvrager die gevestigd is in het Caribisch deel van het Koninkrijk geldt een percentage van maximaal 90%;
|
||||
c. de onderwijsinstelling draagt bij aan de benodigde financiële middelen voor het project, waarbij deze bijdrage niet alleen uit gekapitaliseerde uren mag bestaan;
|
||||
b. de subsidie bedraagt voor het Europees deel van Nederland maximaal 65% van de totale projectkosten die voor de subsidie in aanmerking komen; voor de overige delen van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 80%;
|
||||
c. de onderwijsinstelling draagt ook bij aan de benodigde financiële middelen voor het project, waarbij deze bijdrage niet alleen uit gekapitaliseerde uren mag bestaan;
|
||||
d. maximaal 5% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan onvoorziene kosten;
|
||||
e. voor een aanvrager die gevestigd is in het Europees deel van Nederland geldt dat maximaal 5% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan vervoer van leerlingen; voor aanvragers die gevestigd zijn het Caribisch deel van het Koninkrijk geldt een percentage van maximaal 15%;
|
||||
f. maximaal 10% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan materiaalkosten; en
|
||||
e. voor het Europees deel van Nederland geldt dat maximaal 5% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan vervoer; voor de overige delen van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 15%;
|
||||
f. maximaal 10% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan materiaalkosten, zoals aanschaf van apparatuur en instrumenten; en
|
||||
g. maximaal 25% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan buitenschoolse cultuureducatieve activiteiten.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.16
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria waarvan in de toelichting is beschreven hoe die beoordeling plaatsvindt:
|
||||
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
|
||||
|
||||
a. inhoudelijke kwaliteit van het project in relatie tot het doel van fase 2;
|
||||
b. samenwerking;
|
||||
c. verankeren opbrengst; en
|
||||
d. organisatorische kwaliteit.
|
||||
|
||||
In de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel wordt de wijze beschreven waarop de aanvragen aan deze criteria worden getoetst.
|
||||
|
||||
**2.** Alleen aanvragen die voldoen aan alle criteria kunnen voor subsidie in aanmerking komen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Fase 3 – resultaten verduurzamen
|
||||
|
|
@ -315,10 +297,8 @@ Met fase 3 stimuleert het Fonds dat culturele instellingen hun cultuureducatieve
|
|||
|
||||
### Artikel 2.18
|
||||
|
||||
Subsidie voor fase 3 kan uitsluitend worden aangevraagd door een culturele instelling met aantoonbare ervaring in het vmbo, vso of pro:
|
||||
|
||||
a. die een samenwerking aangaat met minstens drie scholen of vestigingen voor vmbo, vso of pro; en
|
||||
b. die beschikt over een reeds ontwikkeld, hedendaags en succesvol project dat inmiddels op maximaal vijf scholen is uitgevoerd en nu klaar is voor de volgende stap, wat betekent dat het project op grotere schaal en voor verschillende niveaus en type scholen binnen vmbo, vso of pro uitvoeren wordt uitgevoerd.
|
||||
a. Subsidie voor fase 3 kan uitsluitend worden aangevraagd door een culturele instelling met aantoonbare ervaring in het vmbo, vso of pro, die een samenwerking aangaat met minstens drie scholen of vestigingen voor vmbo, vso of pro; en
|
||||
b. deze instelling beschikt over een reeds ontwikkeld, hedendaags en succesvol project dat inmiddels op één of twee scholen is uitgevoerd en nu klaar is voor de volgende stap: dat project op grotere schaal en voor verschillende niveaus en type scholen binnen vmbo, vso en pro uitvoeren.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.19
|
||||
|
||||
|
|
@ -326,7 +306,7 @@ b. die beschikt over een reeds ontwikkeld, hedendaags en succesvol project dat i
|
|||
|
||||
Subsidie in fase 3 kan worden aangevraagd voor een cultuureducatief project, dat bestaat uit activiteiten gericht op:
|
||||
|
||||
a. doorontwikkeling van een reeds ontwikkeld, hedendaags en succesvol uitgevoerd project op maximaal vijf scholen voor vmbo, vso of pro;
|
||||
a. doorontwikkeling van een reeds ontwikkeld, hedendaags en succesvol project met en op één of twee scholen vmbo, vso en pro, passend bij de leerlingen van de school;
|
||||
b. werken aan deskundigheidsbevordering van de culturele instelling, om duurzame uitvoering van activiteiten te ondersteunen waarmee het creatieve vermogen van de leerling wordt bevorderd; en
|
||||
c. met elkaar expertise, opgedane kennis over en ervaring met de activiteiten delen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -340,7 +320,9 @@ a. start niet eerder dan 13 weken na het indienen van de aanvraag;
|
|||
b. heeft een looptijd van maximaal drie jaar, waarvan alle jaren activiteiten met leerlingen bevatten; en
|
||||
c. start uiterlijk in het schooljaar volgend op het schooljaar waarin het subsidieverzoek is gehonoreerd.
|
||||
|
||||
**4.** Het project waarvoor een aanvraag in 2024 wordt ingediend, start uiterlijk 1 september 2024.
|
||||
**4.** Op het moment dat het Fonds de aanvraag heeft gehonoreerd en dat via een besluit aan de aanvrager heeft bekendgemaakt, kan met het project worden gestart. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, is dit eveneens van toepassing als het besluit eerder is verstrekt dan na 13 weken na het indienen van de aanvraag.
|
||||
|
||||
**5.** Het project waarvoor een aanvraag in 2024 wordt ingediend, start uiterlijk 1 september in het schooljaar volgend op het schooljaar waarin het subsidieverzoek is gehonoreerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.20
|
||||
|
||||
|
|
@ -354,46 +336,48 @@ Naast de weigeringsgronden van artikel 1.4 zijn scholen waarmee de culturele ins
|
|||
|
||||
### Artikel 2.22
|
||||
|
||||
De subsidie voor fase 3 bedraagt meer dan € 25.000,– en maximaal € 100.000,– per project.
|
||||
De subsidie voor fase 3 bedraagt minimaal € 25.000,– en maximaal € 80.000,– per project.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.23
|
||||
|
||||
Naast de in artikel 1.4 genoemde voorwaarden en beperkingen geldt voor fase 3:
|
||||
|
||||
a. per aanvrager wordt maximaal één aanvraag gehonoreerd;
|
||||
b. voor een aanvrager die gevestigd is in het Europees deel van Nederland bedraagt de subsidie maximaal 80% van de totale kosten van het project; voor een aanvrager die gevestigd is in de het Caribisch deel van het Koninkrijk geldt een percentage van maximaal 90%;
|
||||
c. de school draagt bij aan de benodigde financiële middelen voor het project, waarbij deze bijdrage niet alleen uit gekapitaliseerde uren mag bestaan;
|
||||
b. de subsidie bedraagt voor het Europees deel van Nederland maximaal 50% van de projectkosten die voor de subsidie in aanmerking komen; voor het overige deel van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 80%;
|
||||
c. de school draagt ook bij aan de benodigde financiële middelen voor het project, waarbij deze bijdrage niet alleen uit gekapitaliseerde uren mag bestaan;
|
||||
d. maximaal 5% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan onvoorziene kosten;
|
||||
e. voor een aanvrager die gevestigd is in het Europees deel van Nederland geldt dat maximaal 5% van de totale projectkosten wordt besteed aan vervoer van leerlingen; voor een aanvrager die gevestigd is in het Caribisch deel van het Koninkrijk geldt een percentage van maximaal 15%;
|
||||
f. maximaal 20% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan materiaalkosten; en
|
||||
e. voor het Europees deel van Nederland kan maximaal 5% van de totale kosten van het project worden besteed aan vervoer; voor het overige deel van het Koninkrijk der Nederlanden geldt een percentage van maximaal 15%;
|
||||
f. maximaal 20% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan materiaalkosten, zoals aanschaf van apparatuur en instrumenten; en
|
||||
g. maximaal 25% van de totale kosten van het project kan worden besteed aan buitenschoolse cultuureducatieve activiteiten.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.24
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria waarvan in de toelichting is beschreven hoe die beoordeling plaatsvindt:
|
||||
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
|
||||
|
||||
a. inhoudelijke kwaliteit van het project in relatie tot het doel van fase 3;
|
||||
b. samenwerking;
|
||||
c. bestendigen; en
|
||||
d. organisatorische kwaliteit.
|
||||
|
||||
In de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel wordt de wijze beschreven waarop de aanvragen aan deze criteria worden getoetst.
|
||||
|
||||
**2.** Alleen aanvragen die voldoen aan alle criteria kunnen voor subsidie in aanmerking komen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Aanvragen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.25
|
||||
|
||||
**1.** Aanvragen voor fase 1 en 2 kunnen worden ingediend vanaf woensdag 15 september 2021 tot en met donderdag 28 maart 2024, uiterlijk om 13.00 uur. De tijdsaanduiding betreft de tijd die geldt in het Europees deel van Nederland.
|
||||
**1.** Aanvragen voor fase 1 en 2 kunnen worden ingediend vanaf woensdag 15 september 2021 tot en met donderdag 28 maart 2024, uiterlijk om 13.00 uur – Amsterdamse tijd.
|
||||
|
||||
**2.** Aanvragen voor fase 3 kunnen worden ingediend van maandag 10 januari 2022 tot en met donderdag 28 maart 2024, uiterlijk om 13.00 uur. De tijdsaanduiding betreft de tijd die geldt in het Europees deel van Nederland.
|
||||
**2.** Aanvragen voor fase 3 kunnen worden ingediend van maandag 10 januari 2022 tot en met donderdag 28 maart 2024, uiterlijk om 13.00 uur – Amsterdamse tijd.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.26
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Aanvragen worden ingediend via het online aanvraagsysteem Mijn Fonds, via de website van het Fonds. Het gebruik van Mijn Fonds vereist een account bij het Fonds. Het aanmaken van dat account neemt meerdere dagen in beslag. Aanvragen worden voorzien van:
|
||||
Aanvragen worden ingediend via het online aanvraagsysteem ‘Mijn Fonds’, via de website van het Fonds, waarbij ze worden voorzien van:
|
||||
|
||||
a. een projectplan voor de gehele looptijd van het project;
|
||||
b. de samenwerkingsovereenkomst tussen de culturele instelling en de school;
|
||||
|
|
@ -412,13 +396,13 @@ d. een sluitende begroting.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.1
|
||||
|
||||
In aanvulling op artikel 1.1 worden in hoofdstuk 3 onderstaande begrippen gehanteerd.
|
||||
In aanvulling op artikel 1.1 worden in hoofdstuk 2 onderstaande begrippen gehanteerd.
|
||||
|
||||
a. *Co-creatie:* een vorm van samenwerking waarbij culturele en mbo-instellingen gezamenlijk verantwoordelijk zijn en beide invloed hebben op het proces en het resultaat, zoals een plan, advies of product, door inbreng van hun eigen expertise.
|
||||
b. *Creatieve opleidingen:* opleidingen die veel aandacht schenken aan kunst en cultuur, gerelateerd aan het toekomstige beroep en werkveld.
|
||||
c. *Hoofdproject:* een co-creatie van een mbo-instelling met een culturele instelling en mbo-studenten.
|
||||
d. *Mbo-instelling:* een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling voor middelbaar beroepsonderwijs zoals bedoeld in de *Wet educatie en beroepsonderwijs*, zoals een agrarisch onderwijscentrum, een regionaal opleidingscentrum en een vakschool.
|
||||
e. *Mbo-opleiding:* een uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleiding binnen een mbo-instelling zoals bedoeld in artikel 1.1.1. van de *Wet educatie en beroepsonderwijs*.
|
||||
d. *Mbo-instelling:* een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs zoals bedoeld in de *Wet educatie en beroepsonderwijs*, zoals een agrarisch onderwijscentrum, een regionaal opleidingscentrum en een vakschool.
|
||||
e. *Mbo-opleiding:* een beroepsopleiding binnen een mbo-instelling zoals bedoeld in artikel 1.1.1. van de *Wet educatie en beroepsonderwijs*.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Doel van de aanvraag
|
||||
|
||||
|
|
@ -430,8 +414,8 @@ Met de bepalingen in dit hoofdstuk stimuleert het Fonds lokale samenwerking op h
|
|||
|
||||
Subsidie op grond van dit hoofdstuk kan uitsluitend worden aangevraagd door een:
|
||||
|
||||
a. mbo-instelling zonder winstoogmerk, of
|
||||
b. culturele instelling, met rechtspersoonlijkheid en zonder winstoogmerk.
|
||||
a. in het Koninkrijk der Nederlanden gevestigde mbo-instelling zonder winstoogmerk, of
|
||||
b. in het Koninkrijk der Nederland gevestigde culturele instelling, met rechtspersoonlijkheid en zonder winstoogmerk.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.4
|
||||
|
||||
|
|
@ -460,13 +444,15 @@ a. start niet eerder dan 13 weken na het indienen van de aanvraag;
|
|||
b. heeft een minimale looptijd van zes maanden en een maximale looptijd van twee jaar; en
|
||||
c. start uiterlijk binnen zes maanden na het indienen van de aanvraag.
|
||||
|
||||
**4.** Op het moment dat het Fonds de aanvraag heeft gehonoreerd en dat via een besluit aan de aanvrager heeft bekendgemaakt, kan met het project worden gestart. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, is dit eveneens van toepassing als het besluit eerder is verstrekt dan na 13 weken na het indienen van de aanvraag.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.5
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Naast de weigeringsgronden van artikel 1.4 worden aanvragen voor subsidie op grond van dit hoofdstuk ook afgewezen als:
|
||||
|
||||
a. voor dezelfde mbo-instelling al al eerder twee aanvragen op grond van deze regeling zijn gehonoreerd, ongeacht of die instelling of een culturele instelling de aanvrager is geweest;
|
||||
a. voor dezelfde mbo-instelling al eerder een aanvraag op grond van deze regeling is gehonoreerd, ongeacht of die instelling of een culturele instelling de aanvrager is geweest;
|
||||
b. voor een gelijksoortig project al eerder een aanvraag op grond van deze regeling is gehonoreerd; of
|
||||
c. de doelgroep bestaat uit mbo-studenten van de creatieve opleidingen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -488,7 +474,7 @@ c. de kunstdiscipline.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.6
|
||||
|
||||
**1.** Het subsidieplafond ten behoeve van dit hoofdstuk is € 1.600.000,–.
|
||||
**1.** Het subsidieplafond ten behoeve van dit hoofdstuk is € 2.000.000,–.
|
||||
|
||||
**2.** Het Fonds kan het subsidieplafond wijzigen. Wijzigingen worden bekendgemaakt op de website van het Fonds.
|
||||
|
||||
|
|
@ -498,29 +484,29 @@ De subsidie voor het project bedraagt meer dan € 30.000,– en maximaal €
|
|||
|
||||
### Artikel 3.8
|
||||
|
||||
Naast de in artikel 1.4 genoemde voorwaarden en beperkingen geldt ook voor hoofdstuk 3 dat:
|
||||
Naast de in artikel 1.4 genoemde voorwaarden en beperkingen gelden voor aanvragen op basis van dit hoofdstuk ook de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. de subsidieaanvraag alleen is bestemd voor een nieuw samenwerkingsverband tussen een of meerdere opleidingen van een mbo-instelling en een lokale culturele instelling, bestaande samenwerkingen komen niet in aanmerking voor subsidie;
|
||||
b. voor aanvragers die gevestigd zijn in het Europees deel van Nederland de subsidie maximaal 80% bedraagt van de totale kosten van het project; voor aanvragers gevestigd in het Caribisch deel van het Koninkrijk is dat 90%;
|
||||
c. de overige financiering van de projectkosten gedekt kan worden door gekapitaliseerde uren van de culturele minstelling dan wel de mbo- instelling; en
|
||||
d. de post onvoorzien op de begroting maximaal 5% bedraagt van de totale kosten van het project
|
||||
a. De subsidieaanvraag is alleen bestemd voor een nieuw samenwerkingsverband tussen een mbo-instelling en een lokale culturele instelling; bestaande samenwerkingen komen niet in aanmerking voor subsidie.
|
||||
b. Voor het Europees deel van Nederland geldt dat de subsidie maximaal 50% van de totale projectkosten die voor subsidie in aanmerking komen, bedraagt. Voor de overige delen van het Koninkrijk geldt dat de subsidie maximaal 80% van de totale projectkosten die voor subsidie in aanmerking komen, bedraagt.
|
||||
c. De overige financiering voor de projectkosten wordt voor maximaal 50% gedekt door gekapitaliseerde uren van de culturele instelling en/of mbo-instelling; en
|
||||
d. De post onvoorzien op de begroting bedraagt maximaal 5% van de totale kosten van het project.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.9
|
||||
|
||||
Naast de in artikel 1.6 genoemde bijzondere verplichtingen geldt ook voor hoofdstuk 3 dat de aanvrager:
|
||||
Naast de in artikel 1.6 genoemde bijzondere verplichtingen gelden voor dit hoofdstuk ook de volgende bijzondere verplichtingen:
|
||||
|
||||
a. via een netwerk of platform met andere instellingen kennis deelt over het proces van co-creatie, het ontwikkelen en uitvoeren van aanbod, en de inhoud van het aanbod deelt, waarbij ook bestaande structuren om kennis te delen worden benut; en
|
||||
b. de opgedane kennis deelt met directies en besturen van mbo-instellingen, culturele instellingen en studenten in een publicatie die de subsidieontvangers samen met het Fonds maken.
|
||||
a. De aanvrager deelt via een netwerk of platform met andere instellingen kennis over het proces van co-creatie, het ontwikkelen en uitvoeren van aanbod, en de inhoud van het aanbod. Ook bestaande structuren om kennis te delen worden hiervoor benut.
|
||||
b. De aanvrager deelt de opgedane kennis met directies en besturen van mbo-instellingen, culturele instellingen en studenten in een publicatie die de subsidieontvangers samen met het Fonds maken.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. De aanvraag
|
||||
### Paragraaf 3. Aanvraag
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
|
||||
Aanvragen op grond van dit hoofdstuk kunnen worden ingediend vanaf woensdag 15 september 2021 tot en met donderdag 1 februari 2024, uiterlijk 13.00 uur. De tijdsaanduiding betreft de tijd die geldt in het Europees deel van Nederland.
|
||||
Aanvragen op grond van dit hoofdstuk kunnen worden ingediend vanaf woensdag 15 september 2021 tot en met donderdag 1 februari 2024, uiterlijk 13.00 uur Amsterdamse tijd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.11
|
||||
|
||||
**1.** Aanvragen worden ingediend via het digitale aanvraagformulier op de online aanvraagomgeving Mijn Fonds, via de website van het Fonds. Het gebruik van Mijn Fonds vereist een account bij het Fonds. Het aanmaken van dat account neemt meerdere dagen in beslag.
|
||||
**1.** Aanvragen worden ingediend via het digitale aanvraagformulier op de online aanvraagomgeving Mijn Fonds, via de website van het Fonds.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -541,12 +527,14 @@ d. een sluitende begroting.
|
|||
|
||||
Aanvragen op grond van dit hoofdstuk worden beoordeeld aan de hand van de volgende
|
||||
|
||||
criteria waarvan in de toelichting is beschreven hoe die beoordeling plaatsvindt:
|
||||
criteria:
|
||||
|
||||
a. de mate waarin het beschreven project bijdraagt aan de cultuureducatieve doelstellingen van de regeling;
|
||||
b. de wijze en mate van balans in de samenwerking; en
|
||||
c. de inhoudelijke en organisatorische kwaliteit van de aanvraag.
|
||||
|
||||
In de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel wordt de wijze beschreven waarop de aanvragen aan deze criteria worden getoetst.
|
||||
|
||||
**2.** Alleen aanvragen die voldoen aan alle criteria kunnen voor subsidie in aanmerking komen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue