2018-12-15 | BWBR0008498 | Arbeidsomstandighedenbesluit
This commit is contained in:
parent
7850915953
commit
a9ec7fb167
1 changed files with 40 additions and 62 deletions
|
|
@ -130,7 +130,7 @@ c. een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsond
|
|||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder medezeggenschapsraad:
|
||||
|
||||
a. een medezeggenschapsraad als bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 of in artikel 10.17 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
|
||||
a. een medezeggenschapsraad als bedoeld in de Wet medezeggenschap op scholen of in artikel 10.17 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
|
||||
b. de studentenraad van de Open Universiteit, bedoeld in artikel 11.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.4
|
||||
|
|
@ -158,8 +158,8 @@ a. militair personeel:
|
|||
2°. de in werkelijke dienst zijnde dienstplichtigen in de zin van de artikelen 18, 19 en 21 van de Kaderwet dienstplicht;
|
||||
b. burgerpersoneel bij het Ministerie van Defensie:
|
||||
|
||||
1°. degenen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in burgerlijke openbare dienst jegens het Rijk, vertegenwoordigd door de Minister van Defensie, gehouden zijn tot het verrichten van arbeid, behalve indien betrokkenen aan een derde ter beschikking worden gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
|
||||
2°. degenen die onder gezag van het Rijk, vertegenwoordigd door de Minister van Defensie, arbeid verrichten;
|
||||
1°. degenen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in burgerlijke openbare dienst jegens het Rijk, vertegenwoordigd door Onze Minister van Defensie, gehouden zijn tot het verrichten van arbeid, behalve indien betrokkenen aan een derde ter beschikking worden gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
|
||||
2°. degenen die onder gezag van het Rijk, vertegenwoordigd door Onze Minister van Defensie, arbeid verrichten;
|
||||
c. defensiepersoneel: militair personeel en burgerpersoneel bij het Ministerie van Defensie;
|
||||
d. oefening: iedere door defensiepersoneel onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden;
|
||||
e. militair vaartuig: een Nederlands oorlogsschip, marinehulpschip of een ander schip dat in gebruik is voor de uitvoering van de militaire taak;
|
||||
|
|
@ -191,7 +191,7 @@ b. zij is onafhankelijk van de door haar te beoordelen personen, processen of sy
|
|||
c. zij, haar hoogste leidinggevenden en haar medewerkers die de certificatietaken verrichten, oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot de certificatietaken waarvoor zij is aangewezen, kunnen schaden;
|
||||
d. zij zorgt ervoor dat de activiteiten van haar dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid van haar certificatieactiviteiten;
|
||||
e. zij en haar medewerkers voeren de certificatieactiviteiten uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste vakbekwaamheid op het specifieke werkveld en zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun certificatieactiviteiten kunnen beïnvloeden;
|
||||
f. zij is in staat alle certificatietaken te verrichten waarvoor zij is aangewezen ongeacht of deze taken door haarzelf of namens haar en onder haar verantwoordelijkheid worden verricht;
|
||||
f. vervallen;
|
||||
g. haar voor de uitvoering van de certificatieactiviteiten verantwoordelijke medewerkers beschikken over:
|
||||
|
||||
1°. een gedegen vakinhoudelijke opleiding die alle relevante certificatieactiviteiten omvat waarvoor zij is aangewezen;
|
||||
|
|
@ -223,11 +223,11 @@ a. over hun schemabeheerder, het certificatieschema en wijzigingen daarin en de
|
|||
b. over omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van of de voorwaarden voor hun aanwijzing; en
|
||||
c. op verzoek, over de binnen de werkingssfeer van hun aanwijzing verrichte certificatieactiviteiten en andere activiteiten waaronder uitbesteding.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid.
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig uitgesplitst naar werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.5c
|
||||
|
||||
**1.** Indien een certificerende instelling certificatietaken uitbesteedt aan een onderaannemer of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt zij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan de eisen, bedoeld in artikel 1.5b, voldoet en brengt zij Onze Minister hiervan op de hoogte.
|
||||
**1.** Indien een certificerende instelling certificatietaken uitbesteedt aan een onderaannemer of door een dochteronderneming laat uitvoeren, informeert zij Onze Minister hierover.
|
||||
|
||||
**2.** Een certificerende instelling neemt de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de certificatietaken die worden verricht door een onderaannemer of dochteronderneming.
|
||||
|
||||
|
|
@ -243,7 +243,7 @@ c. op verzoek, over de binnen de werkingssfeer van hun aanwijzing verrichte cert
|
|||
|
||||
**4.** De kosten van de beoordeling of een instelling kan worden aangewezen in de gevallen, bedoeld in het derde lid, zijn voor rekening van de aanvragende instelling.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig uitgesplitst naar werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.5e
|
||||
|
||||
|
|
@ -269,7 +269,7 @@ b. haar wettelijke verplichtingen naar behoren nakomt en de taken waarvoor zij i
|
|||
|
||||
**1.** De aangewezen certificerende instelling stelt jaarlijks voor 1 maart een verslag op van de door haar in verband met haar taak verrichte werkzaamheden, de rechtmatigheid en doeltreffendheid van haar werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt Onze Minister toegezonden. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen die in het verslag worden behandeld.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende het kosteloos aan elkaar verstrekken en van elkaar ontvangen van gegevens en inlichtingen die door Onze Minister, de toezichthouder, de Raad voor Accreditatie, een certificerende instelling of een ander bestuursorgaan zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taken.
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig uitgesplitst naar werkveld, nadere regels worden gesteld betreffende het kosteloos aan elkaar verstrekken en van elkaar ontvangen van gegevens en inlichtingen die door Onze Minister, de toezichthouder, de Raad voor Accreditatie, een certificerende instelling of een ander bestuursorgaan zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taken.
|
||||
|
||||
**3.** Een certificerende instelling die haar taken waarvoor zij is aangewezen beëindigt of waarvan de aanwijzing door Onze Minister wordt ingetrokken, draagt tijdig voorafgaand aan de beëindiging van de werkzaamheden respectievelijk de datum, waarop de aanwijzing eindigt, haar dossiers over aan een andere certificerende instelling waarmee haar certificaathouders een overeenkomst zijn aangegaan. Indien er geen andere certificerende instelling is, draagt de certificerende instelling de dossiers tijdig over aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
|
|
@ -279,7 +279,7 @@ b. haar wettelijke verplichtingen naar behoren nakomt en de taken waarvoor zij i
|
|||
|
||||
**1.** Een certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet, wordt door Onze Minister of, indien Onze Minister een certificerende instelling heeft aangewezen, deze instelling, op verzoek afgegeven indien is voldaan aan de bij of krachtens dit besluit met betrekking tot het certificaat gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen, zonodig uitgesplitst naar werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot het doen van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, en de behandeling ervan.
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig uitgesplitst naar werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot het afgeven van een certificaat als bedoeld in het eerste lid en de eisen waaraan voldaan moet worden om het certificaat te behouden.
|
||||
|
||||
**3.** De kosten van het afgeven van een certificaat zijn voor rekening van de verzoeker tot afgifte van het certificaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -321,13 +321,7 @@ c. in verband met de veiligheid en gezondheid van werknemers en andere personen,
|
|||
|
||||
### Artikel 1.5i
|
||||
|
||||
**1.** Tijdens de looptijd van het certificaat stelt Onze Minister of, indien Onze Minister een certificerende instelling heeft aangewezen, deze instelling, periodiek vast of de certificaathouder nog voldoet aan de bij of krachtens de wet met betrekking tot het certificaat gestelde eisen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen, zonodig uitgesplitst naar werkveld, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de periodieke vaststelling.
|
||||
|
||||
**3.** De kosten van de periodieke vaststelling zijn voor rekening van de certificaathouder.
|
||||
|
||||
**4.** De certificaathouder verstrekt Onze Minister of, indien Onze Minister een certificerende instelling heeft aangewezen, deze instelling, desgevraagd kosteloos alle informatie die nodig is voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens dit artikel.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Samenwerking, overleg en ontslag- en benadelingsbescherming
|
||||
|
||||
|
|
@ -440,9 +434,9 @@ b. het betreft laden en lossen, aanbouw, verbouwing, herstelling of sloping dan
|
|||
|
||||
### Artikel 1.20
|
||||
|
||||
**1.** Op arbeid verricht in respectievelijk op een zeeschip of een luchtvaartuig is artikel 29 van de wet niet van toepassing, voor zover de toepassing van dat artikel in strijd komt met de verplichtingen die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van de kapitein respectievelijk de gezagvoerder, bedoeld in artikel 341 van het Wetboek van Koophandel respectievelijk het Besluit vluchtuitvoering dan wel een bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen EG-verordening voor de luchtvaart.
|
||||
**1.** Op arbeid verricht in respectievelijk op een zeeschip of een luchtvaartuig is artikel 29 van de wet niet van toepassing, voor zover de toepassing van dat artikel in strijd komt met de verplichtingen die voortvloeien uit de uitoefening van de bevoegdheden van de kapitein respectievelijk de gezagvoerder, bedoeld in artikel 341 van het Wetboek van Koophandel respectievelijk het Besluit vluchtuitvoering dan wel een bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen EG-verordening voor de luchtvaart.
|
||||
|
||||
**2.** Op arbeid verricht door de kapitein respectievelijk de gezagvoerder, bedoeld in het eerste lid, in respectievelijk op een zeeschip of een luchtvaartuig, is artikel 29 van de wet niet van toepassing voor zover de toepassing van dat artikel in strijd komt met de verplichtingen die voortvloeien uit het Wetboek van Koophandel respectievelijk het Besluit vluchtuitvoering dan wel een bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen EG-verordening voor de luchtvaart.
|
||||
**2.** Op arbeid verricht door de kapitein respectievelijk de gezagvoerder, bedoeld in het eerste lid, in respectievelijk op een zeeschip of een luchtvaartuig, is artikel 29 van de wet niet van toepassing voor zover de toepassing van dat artikel in strijd komt met de verplichtingen die voortvloeien uit het Wetboek van Koophandel respectievelijk het Besluit vluchtuitvoering dan wel een bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen EG-verordening voor de luchtvaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.21
|
||||
|
||||
|
|
@ -554,7 +548,7 @@ Ten aanzien van militair personeel kan, in afwijking van artikel 2.14d, tweede l
|
|||
|
||||
### Artikel 1.35
|
||||
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 94/33/EEG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (*PbEG* L 216).
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 94/33/EEG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (PbEG 1994, L 216).
|
||||
|
||||
### Artikel 1.36
|
||||
|
||||
|
|
@ -589,7 +583,7 @@ Deze afdeling en paragraaf 4 van afdeling 5 van hoofdstuk 3, paragraaf 2 van a
|
|||
|
||||
### Artikel 1.40
|
||||
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 92/85/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 oktober 1992 betreffende maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (*PbEG* L 348).
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 92/85/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 oktober 1992 betreffende maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (PbEG 1992, L 348).
|
||||
|
||||
### Artikel 1.41
|
||||
|
||||
|
|
@ -1159,7 +1153,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. richtlijn: Richtlijn nr. 92/57/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen (PbEG L 245);
|
||||
a. richtlijn: Richtlijn nr. 92/57/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen (PbEG 1992, L 245);
|
||||
b. ontwerpfase: de studie-, ontwerp- en uitwerkingsfase van het ontwerp van een bouwwerk;
|
||||
c. uitvoeringsfase: de fase waarin het bouwwerk materieel tot stand wordt gebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2342,8 +2336,6 @@ b. ongewilde gebeurtenis: een plotselinge situatie, ongeval, voorval of noodsitu
|
|||
|
||||
**3.** Artikel 4.4 is niet van toepassing op loodwit als bedoeld in artikel 4.61b.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 4.10d is niet van toepassing op asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Zorgplicht, maatregelen en nadere voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1b
|
||||
|
|
@ -2633,7 +2625,7 @@ c. de grenswaarden;
|
|||
d. de te treffen voorzorgsmaatregelen om blootstelling te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogelijk niveau;
|
||||
e. de te treffen voorzorgsmaatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen dat zich met betrekking tot gevaarlijke stoffen een ongewilde gebeurtenis voordoet;
|
||||
f. de hygiënische maatregelen;
|
||||
g. het dragen en gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen;
|
||||
g. het dragen en gebruiken van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen en kleding; en
|
||||
h. de te nemen maatregelen in geval zich een ongewilde gebeurtenis voordoet met gevaarlijke stoffen.
|
||||
|
||||
**2.** De werkgever brengt de werknemers op de hoogte van de informatie over de veiligheid en gezondheid die door de leverancier van een gevaarlijke stof wordt verstrekt, waaronder begrepen de verplichte informatie die bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt verstrekt.
|
||||
|
|
@ -2650,7 +2642,7 @@ h. de te nemen maatregelen in geval zich een ongewilde gebeurtenis voordoet met
|
|||
|
||||
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. richtlijn: Richtlijn nr. 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad) (Pb EU L 158);
|
||||
a. richtlijn: Richtlijn nr. 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad) (PbEU 2004, L 158);
|
||||
b. kankerverwekkende stof:
|
||||
|
||||
1°. gevaarlijke stof die voldoet aan de criteria om als kankerverwekkend te worden ingedeeld in categorie 1A of 1B als bedoeld in bijlage I bij EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; of
|
||||
|
|
@ -2909,11 +2901,8 @@ d. afvalstoffen, ontstaan als gevolg van het toepassen of bewerken van asbest of
|
|||
|
||||
Aan werknemers die arbeid verrichten waarbij gevaar voor blootstelling aan asbeststof bestaat, wordt doeltreffende voorlichting gegeven over:
|
||||
|
||||
a. mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof;
|
||||
b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarden;
|
||||
c. de maatregelen inzake de hygiëne, bedoeld in artikel 4.51;
|
||||
d. maatregelen om de blootstelling aan asbeststof zo laag mogelijk te houden;
|
||||
e. het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en kleding.
|
||||
a. mogelijke gevaren voor de gezondheid van blootstelling aan asbeststof; en
|
||||
b. de noodzaak van het toezicht op het asbestgehalte in de lucht en de daarvoor geldende grenswaarden.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.45b
|
||||
|
||||
|
|
@ -3004,6 +2993,8 @@ f. de maatregelen die zullen worden getroffen om blootstelling van werknemers aa
|
|||
|
||||
**4.** Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke bijzondere spoedeisende situaties de melding, in afwijking van het eerste lid, op een ander tijdstip kan plaatsvinden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Aanvullende voorschriften voor het werken met asbest en asbesthoudende producten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.48
|
||||
|
|
@ -3234,7 +3225,7 @@ d. 4-nitrodifenyl (CAS-nummer 92–93–3).
|
|||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. op het bewerken of verwerken van zandsteen indien dit noodzakelijk is voor het behoud van een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet;
|
||||
a. op het bewerken of verwerken van zandsteen indien dit noodzakelijk is voor het behoud van een monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
|
||||
b. op het demonteren van zandsteen of zandsteendelen uit gebouwen, constructies of installaties, en
|
||||
c. op het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek met zandsteen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3396,7 +3387,7 @@ In deze afdeling wordt verstaan onder:
|
|||
a. biologische agentia: al dan niet genetisch gemodificeerde micro-organismen, celculturen en menselijke endoparasieten die een infectie, allergie of toxiciteit kunnen veroorzaken;
|
||||
b. celcultuur: het kunstmatig kweken van cellen van meercellige organismen;
|
||||
c. micro-organisme: een cellulaire of niet-cellulaire microbiologische entiteit met het vermogen tot vermenigvuldiging of tot overbrenging van genetisch materiaal;
|
||||
d. richtlijn: richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 (Pb EG L 262) betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn nr. 89/391/EEG).
|
||||
d. richtlijn: richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 (PbEG 2000, L 262) betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn nr. 89/391/EEG).
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3674,7 +3665,7 @@ In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk, gelden voor jeugdi
|
|||
|
||||
Artikel 1.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op jeugdige werknemers die:
|
||||
|
||||
a. arbeid verrichten met een gevaarlijke stof die voldoet aan een van de volgende gevarenaanduidingen als bedoeld in EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels: H-zinnen 200, 201, 202, 203, 204, 205, 220, 221, 222, 224, 225, 240, 241, 242, 314, 315, 318, 319 of 335, of de bijzondere aanduidingen: EUH070 of EUH071;
|
||||
a. arbeid verrichten met een gevaarlijke stof die voldoet aan criteria voor een van de volgende gevarenaanduidingen als bedoeld in EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels: H-zinnen 200, 201, 202, 203, 204, 205, 220, 221, 222, 224, 225, 240, 241, 242, 314, 315, 318, 319 of 335, of de bijzondere aanduidingen: EUH070 of EUH071;
|
||||
b. arbeid verrichten met persgassen, onder druk vloeibaar gemaakte gassen, door sterke temperatuurverlaging vloeibaar gemaakte gassen en opgeloste gassen;
|
||||
c. arbeid verrichten aan of met kuipen, bassins, leidingen of reservoirs waarin zich een of meer van de onder *a* of *b* bedoelde stoffen of gassen bevinden;
|
||||
d. artikelen die ontplofbare stoffen, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel e, bevatten, vervaardigen of hanteren.
|
||||
|
|
@ -3731,7 +3722,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 90/269/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 mei 1990 betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het handmatig hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de werknemers (*PbEG* L 156).
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder richtlijn: Richtlijn nr. 90/269/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 mei 1990 betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het handmatig hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de werknemers (PbEG 1990, L 156).
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
|
|
@ -3793,7 +3784,7 @@ d. rekenmachines, kassa’s en andere apparatuur die voorzien zijn van een klein
|
|||
|
||||
### Artikel 5.10
|
||||
|
||||
De arbeid aan een beeldscherm is zodanig georganiseerd dat deze arbeid telkens na ten hoogste twee achtereenvolgende uren wordt afgewisseld door andersoortige arbeid of door een rusttijd, zodanig dat de belasting van het verrichten van de arbeid aan een beeldscherm wordt verlicht.
|
||||
De arbeid aan een beeldscherm is zodanig georganiseerd dat deze arbeid op gezette tijden wordt afgewisseld door andersoortige arbeid of door een rusttijd, zodanig dat de belasting van het verrichten van de arbeid aan een beeldscherm wordt verlicht.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.11
|
||||
|
||||
|
|
@ -4030,7 +4021,7 @@ h. veilige werkmethoden om de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperk
|
|||
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. richtlijn: richtlijn nr. 2002/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van fysische agentia (trillingen) (PbEG L 177);
|
||||
a. richtlijn: richtlijn nr. 2002/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van fysische agentia (trillingen) (PbEG 2002, L 177);
|
||||
b. hand-armtrillingen: mechanische trillingen die, wanneer zij op het hand-armsysteem van de mens worden overgebracht, risico's voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met name vaat-, bot- of gewrichts-, zenuw- of spieraandoeningen;
|
||||
c. lichaamstrillingen: mechanische trillingen die, wanneer zij op het lichaam in zijn geheel worden overgebracht, risico's voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met name aandoeningen van de lage rug en beschadigingen van de wervelkolom.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4139,7 +4130,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
In deze afdeling wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. *richtlijn:* richtlijn nr. 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico’s van fysische agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PbEU L 114);
|
||||
a. *richtlijn:* richtlijn nr. 2006/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan risico’s van fysische agentia (kunstmatige optische straling) (19e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PbEU 2006, L 114);
|
||||
b. *optische straling:* elektromagnetische straling in het golflengtegebied tussen 100 nm en 1 mm, waarbij het spectrum van de optische straling wordt ingedeeld in ultraviolette straling, zichtbare straling en infrarode straling;
|
||||
c. *ultraviolette straling:* optische straling in het golflengtegebied tussen 100 nm en 400 nm, waarbij het ultraviolette gebied wordt ingedeeld in UVA (315 nm – 400 nm), UVB (280 nm – 315 nm) en UVC (100 nm – 280 nm);
|
||||
d. *zichtbare straling:* optische straling in het golflengtegebied tussen 380 nm en 780 nm;
|
||||
|
|
@ -5192,14 +5183,15 @@ b. de bestaande kenmerken van de locaties die de werkgever niet kan veranderen.
|
|||
|
||||
Ladders en trappen worden zodanig geplaatst dat bij gebruik hun stabiliteit altijd is gewaarborgd. In ieder geval worden hiertoe de volgende, zo nodig gecombineerde, maatregelen genomen:
|
||||
|
||||
a. de steunpunten van draagbare ladders en trappen rusten op een stabiele, stevige en onbeweeglijke ondergrond van voldoende omvang, zodat de sporten horizontaal blijven, door een van de volgende, zo nodig gecombineerde, maatregelen:
|
||||
a. de steunpunten van draagbare ladders en trappen rusten op een stabiele, stevige en onbeweeglijke ondergrond van voldoende omvang, zodat de sporten horizontaal blijven;
|
||||
b. het wegglijden van de voet van draagbare ladders en trappen tijdens het gebruik wordt tegengegaan door een van de volgende, zo nodig gecombineerde, maatregelen:
|
||||
|
||||
1°. het vastzetten van boven- of onderkant van de ladderbomen;
|
||||
2°. een adequate antislipinrichting; of
|
||||
2°. een adequate antislipinrichting;
|
||||
3°. een andere, even doeltreffende maatregel;
|
||||
b. toegangsladders steken tenminste 1 meter uit boven het toegangsniveau, tenzij andere voorzieningen een veilig houvast mogelijk maken;
|
||||
c. verrolbare ladders en trappen worden vastgezet voordat zij worden betreden; of
|
||||
d. hangladders worden stevig vastgemaakt en, met uitzondering van touwladders, zodanig dat zij niet kunnen verschuiven en dat heen en weer zwaaien wordt vermeden.
|
||||
c. toegangsladders steken tenminste 1 meter uit boven het toegangsniveau, tenzij andere voorzieningen een veilig houvast mogelijk maken;
|
||||
d. verrolbare ladders en trappen worden vastgezet voordat zij worden betreden; of
|
||||
e. hangladders worden stevig vastgemaakt en, met uitzondering van touwladders, zodanig dat zij niet kunnen verschuiven en dat heen en weer zwaaien wordt vermeden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -5610,7 +5602,7 @@ Voorts is de werknemer verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden w
|
|||
a. van hoofdstuk 1: artikel 1.5ha;
|
||||
b. van hoofdstuk 2: artikel 2.42g;
|
||||
c. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.5, 3.5g, eerste lid, en 3.5h, tweede, vierde en vijfde lid;
|
||||
d. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.1c, eerste lid, onder h, k en l, 4.7, derde lid, onder c en d, 4.8, tweede, derde en vierde lid, 4.9, tweede en derde lid, 4.19, onder a, 4.45, eerste lid, 4.47a, derde lid, 4.48a, eerste en vierde lid, 4.50, vijfde en zesde lid, 4.51, 4.54d, vierde, zesde en achtste lid, voorzover het de certificaten uit het vierde en zesde lid betreft, 4.58, eerste lid, 4.59, eerste lid, 4.60, eerste lid, 4.61, tweede tot en met vijfde lid, 4.61a, eerste lid, 4.61b, eerste lid, 4.86, derde lid, 4.87a, derde lid, onder d, 4.89, eerste en vierde lid, 4.97, tweede lid, onder d, 4.108 en 4.109, alsmede ten aanzien van arbeid met asbest of asbesthoudende producten, als bedoeld in artikel 4.37, de artikelen 4.19, aanhef en onder a, en 4.20, derde lid;
|
||||
d. van hoofdstuk 4: de artikelen 4.1c, eerste lid, onder h, k en l, 4.7, derde lid, onder c en d, 4.8, tweede, derde en vierde lid, 4.9, tweede en derde lid, 4.19, onder a, 4.45, eerste lid, 4.47a, derde lid, 4.48a, eerste en vierde lid, 4.50, vijfde en zesde lid, 4.51, 4.54d, vijfde, zevende en negende lid, voor zover het certificaten uit het vijfde en zevende lid betreft, 4.58, eerste lid, 4.59, eerste lid, 4.60, eerste lid, 4.61, tweede tot en met vijfde lid, 4.61a, eerste lid, 4.61b, eerste lid, 4.86, derde lid, 4.87a, derde lid, onder d, 4.89, eerste en vierde lid, 4.97, tweede lid, onder d, 4.108 en 4.109, alsmede ten aanzien van arbeid met asbest of asbesthoudende producten, als bedoeld in artikel 4.37, de artikelen 4.19, aanhef en onder a, en 4.20, derde lid;
|
||||
e. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.14, 6.14a, vijfde lid, 6.15, eerste lid, onder c, 6.16, eerste tot en met derde lid en vijfde tot en met achtste lid, 6.18, vierde lid, 6.19, eerste lid, 6.20, vierde lid, en 6.29;
|
||||
f. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.5, tweede en derde lid, 7.13, zevende lid, 7.17c, tweede, derde, zevende en achtste lid, 7.18, tweede, vierde, zesde tot en met achtste lid, en negende lid, wat betreft de toepassing van de vastgestelde procedures, bedoeld in dit lid, 7.18a, tweede lid, derde lid, tiende lid, wat betreft de toepassing van de vastgestelde procedure, bedoeld in dit lid, en dertiende lid, 7.20, vierde lid, 7.21, tweede lid, 7.23c, eerste lid, onderdeel b, 7.23d, eerste, derde en vijfde lid, 7.24, eerste lid, 7.25, zesde lid, en 7.32, eerste en tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5889,7 +5881,7 @@ b. ten aanzien van binnenschepen met een lengte van minder dan 55 meter of zeesc
|
|||
|
||||
Geen vrijstelling of ontheffing wordt verleend van de voorschriften en verboden, bedoeld in de volgende artikelen en de daarop berustende bepalingen:
|
||||
|
||||
a. van hoofdstuk 1: de artikelen van de afdelingen 8 en 9;
|
||||
a. van hoofdstuk 1: de artikelen van de afdelingen 8, 9 en 10;
|
||||
b. van hoofdstuk 2: de artikelen van de afdelingen 5, 6 en 6a;
|
||||
c. van hoofdstuk 3: artikel 3.1b, de artikelen van paragraaf 2a van afdeling 1 en van de afdelingen 2, 3, 3a, 3b en 3c en de paragrafen 4 en 5 van afdeling 5;
|
||||
d. van hoofdstuk 4: de artikelen van afdeling 1, met uitzondering van de artikelen 4.8, 4.9 en 4.10, de artikelen van afdelingen 2, 5, 6, 7, met uitzondering van artikel 4.62b, en 9 en de artikelen van de paragrafen 2 en 3 van afdeling 10;
|
||||
|
|
@ -5990,7 +5982,7 @@ b. voor nieuwe installaties: voor de aanvang van de werkzaamheden.
|
|||
|
||||
### Artikel 9.34
|
||||
|
||||
Mengsels die vóór 1 juni 2015 op de arbeidsplaats aanwezig zijn of op of na die datum met inachtneming van artikel 61, vierde lid, tweede zin, van de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels aan de werkgever of de werkgever die werknemers plaatsonafhankelijke arbeid laat verrichten worden geleverd voor gebruik op de arbeidsplaats mogen in afwijking van de artikelen 1.46, vierde lid, of 4.1d, eerste lid, tot en met 31 mei 2017 zijn voorzien van de gevarencategorieën, bedoeld in richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200).
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 9.35
|
||||
|
||||
|
|
@ -6014,29 +6006,15 @@ Artikel 3.5e, onder e, is niet van toepassing op arbeidsmiddelen voor gebruik op
|
|||
|
||||
### Artikel 9.37a
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 6.11c, tweede en derde lid is tot 6 juli 2010 niet van toepassing wanneer arbeidsmiddelen worden gebruikt die vóór 6 juli 2007 ter beschikking van de werknemers zijn gesteld en waarbij de grenswaarden voor blootstelling gezien de laatste technische ontwikkelingen en ondanks de uitvoering van organisatorische maatregelen niet in acht kunnen worden genomen.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is artikel 6.11c, tweede en derde lid, tot 6 juli 2014 niet van toepassing op arbeidsmiddelen als bedoeld in het eerste lid die in de land- en bosbouw worden gebruikt.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 9.37b
|
||||
|
||||
Een certificaat afgegeven op grond van de wet, en geldend op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 september 2009, Stb. 395, wordt geacht te zijn afgegeven met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde bepalingen, zoals die luiden met ingang van de datum van inwerkingtreding van evengenoemd besluit, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1.5g en 1.5i.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 9.37c
|
||||
|
||||
**1.** Een aanwijzing als certificerende instelling op verzoek, afgegeven op grond van de wet, en geldend op de dag, voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 september 2009, Stb. 395, wordt geacht te zijn afgegeven met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde bepalingen, zoals die luiden met ingang van de datum van inwerkingtreding van evengenoemd besluit.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het derde en zesde lid, vervalt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, van rechtswege vierentwintig maanden na de datum van inwerkingtreding van de voor het werkveld waarop de betrokken instelling werkzaam is, geldende ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.5a, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, met een vervaldatum, gelegen voor de in het tweede lid bedoelde vervaldatum, vervalt van rechtswege op de oorspronkelijke vervaldatum, tenzij de betrokken instelling binnen vijf maanden na de datum van inwerkingtreding van de voor het werkveld waarop de instelling werkzaam is, geldende ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.5a, tweede lid, en voorafgaand aan de oorspronkelijke vervaldatum een verzoek tot beoordeling ten behoeve van een hernieuwde aanwijzing heeft ingediend bij de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht. Alsdan blijft de aanwijzing van kracht tot uiterlijk de in het tweede lid bedoelde vervaldatum van rechtswege.
|
||||
|
||||
**4.** De instelling waarvan de aanwijzing op grond van het tweede of derde lid vervalt, kan Onze Minister vragen om hernieuwde aanwijzing met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde bepalingen, zoals die zijn komen te luiden met ingang van de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 september 2009, Stb. 395.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van artikel 1.5b, vierde lid, zijn de aan de beoordeling door de in het derde lid genoemde Stichting Raad voor Accreditatie verbonden kosten voor rekening van Onze Minister, indien de instelling, bedoeld in het eerste lid, een verzoek tot beoordeling ten behoeve van een hernieuwde aanwijzing heeft ingediend bij voornoemde Stichting Raad voor Accreditatie binnen vijf maanden na de datum van inwerkingtreding van de voor het werkveld, waarop de instelling werkzaam is, geldende ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.5a, tweede lid.
|
||||
|
||||
**6.** Indien Onze Minister op een aanvraag tot hernieuwde aanwijzing beslist op een tijdstip, gelegen voor de in het tweede lid bedoelde vervaldatum van rechtswege, vervalt de oorspronkelijke aanwijzing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de hernieuwde aanwijzing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 9.37d
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue