2002-01-01 | BWBR0003454 | Metroreglement

This commit is contained in:
Coornhert 2002-01-01 12:00:00 +00:00
parent 6551021483
commit aafd8b6919

View file

@ -20,7 +20,7 @@ Dit reglement kan worden aangehaald onder de titel "Metroreglement" of "MR".
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
a. Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. ambtenaren belast met het toezicht: de ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Spoorwegwet;
c. spoorweg: spoorwegdienst als bedoeld in de Spoorwegwet, al dan niet onder beheer van een publiekrechtelijk lichaam;
d. directie: bestuurders van een spoorwegdienst als bedoeld in artikel 9 van de Spoorwegwet;
@ -88,17 +88,27 @@ c. de directie opdragen de op grond van die bevoegdheden getroffen maatregelen o
**2.** Elk station is voorzien van één of meer klokken die de juiste tijd aanwijzen; deze worden zolang de reizigersdienst duurt, behoorlijk verlicht.
**3.** Aan beide einden van een roltrap of rolpad is opvallend en voor ieder voldoende bereikbaar een inrichting aanwezig, waarmee de roltrap- of rolpadmachine tot stilstand kan worden gebracht. Nabij deze inrichting is het opschrift "Noodrem" aangebracht, alsmede een aanduiding dat misbruik strafbaar is.
**3.** De toegangen tot de stations alsmede de voor het publiek toegankelijke ruimten worden, zolang de reizigersdienst duurt, gedurende een periode van duisternis behoorlijk verlicht.
**4.** De perrons liggen ten hoogste 7 cm lager of ten hoogste 3 cm hoger dan de rijtuigvloer ter plaatse van de voor reizigers toegankelijke deuren van de treinstellen. Indien aan een perroneinde een verticale boog in het perronspoor noodzakelijk is, mogen deze waarden over een lengte van ten hoogste 15 m vanaf het einde van het perron 10 cm onderscheidenlijk 6 cm bedragen.
**4.** Ook indien een roltrap of rolpad aanwezig is, heeft het publiek de beschikking over een vaste trap, onderscheidenlijk vast pad.
**5.** Indien horizontale bogen in perronsporen noodzakelijk zijn, bedraagt de boogstraal ten minste 400 m.
**5.** Aan beide einden van een roltrap of rolpad is opvallend en voor ieder voldoende bereikbaar een inrichting aanwezig, waarmee de roltrap- of rolpadmachine tot stilstand kan worden gebracht. Nabij deze inrichting is het opschrift "Noodrem" aangebracht, alsmede een aanduiding dat misbruik strafbaar is.
**6.** De afstand tussen de perronrand en de rand van de vloer van het rijtuig of het treinstel ter plaatse van het midden van een voor reizigers toegankelijke deuropening is bij een boogstraal van 400 m ten hoogste 15 cm, bij bogen met grotere straal en op recht spoor dienovereenkomstig kleiner.
**6.** Ondergrondse stations zijn voorzien van een toereikende noodverlichting.
**7.** De Minister kan van het bepaalde in de voorafgaande leden in bijzondere gevallen afwijkingen toestaan.
**7.** De voor het publiek toegankelijke ruimten, alsmede die waar personeel langdurig vertoeft, moeten ten minste 2,5 m hoog zijn.
**8.** De Minister kan, de directie gehoord, nadere voorschriften geven omtrent de technische inrichting van de stations.
**8.** De perrons liggen ten hoogste 7 cm lager of ten hoogste 3 cm hoger dan de rijtuigvloer ter plaatse van de voor reizigers toegankelijke deuren van de treinstellen. Indien aan een perroneinde een verticale boog in het perronspoor noodzakelijk is, mogen deze waarden over een lengte van ten hoogste 15 m vanaf het einde van het perron 10 cm onderscheidenlijk 6 cm bedragen.
**9.** Indien horizontale bogen in perronsporen noodzakelijk zijn, bedraagt de boogstraal ten minste 400 m.
**10.** De afstand tussen de perronrand en de rand van de vloer van het rijtuig of het treinstel ter plaatse van het midden van een voor reizigers toegankelijke deuropening is bij een boogstraal van 400 m ten hoogste 15 cm, bij bogen met grotere straal en op recht spoor dienovereenkomstig kleiner.
**11.** De stations zijn uitgerust met brandblusapparaten die voor het personeel gemakkelijk bereikbaar zijn.
**12.** De Minister kan van het bepaalde in de voorafgaande leden in bijzondere gevallen afwijkingen toestaan.
**13.** De Minister kan, de directie gehoord, nadere voorschriften geven omtrent de technische inrichting van de stations.
### Afdeling II. Infrastructuur
@ -753,9 +763,9 @@ De directie wijst de stations aan, waar de door haar voor te schrijven middelen
Door de directie wordt onmiddellijk kennis gegeven:
a. van ernstige botsingen en ernstige ontsporingen van één of meer treinen telefonisch aan één der ambtenaren, belast met het toezicht, en aan de politie, per telex aan de Minister en de ambtenaren, belast met het toezicht, alsmede schriftelijk aan bedoelde ambtenaren;
b. van overige ongevallen per telex en schriftelijk aan de ambtenaren belast met het toezicht, en van ongevallen met doden of gewonden bovendien aan de politie;
c. van niet onder a of b begrepen voorvallen die de veiligheid van het verkeer of van personen in gevaar hebben gebracht of waarvoor de regelmatigheid van het spoorwegverkeer ernstig is gestoord schriftelijk aan de ambtenaren belast met het toezicht.
a. van ernstige botsingen en ernstige ontsporingen van één of meer treinen telefonisch aan één der ambtenaren, belast met het toezicht, en aan het regionale politiekorps werkzaam in de gemeente waarin het ongeval plaatsvond, per telex aan de Minister en de ambtenaren, belast met het toezicht, alsmede schriftelijk aan bedoelde ambtenaren;
b. van overige ongevallen per telex en schriftelijk aan de ambtenaren belast met het toezicht, en van ongevallen met doden of gewonden bovendien aan het regionale politiekorps werkzaam in de gemeente waarin het ongeval plaatsvond;
c. van niet onder *a* of *b* begrepen voorvallen die de veiligheid van het verkeer of van personen in gevaar hebben gebracht of waarvoor de regelmatigheid van het spoorwegverkeer ernstig is gestoord schriftelijk aan de ambtenaren belast met het toezicht.
**3.** De directie bepaalt naar welke van de in het tweede lid bedoelde voorvallen een onderzoek wordt ingesteld en op welke wijze het onderzoek wordt gehouden.