From ab08c42aeff2f233365110512b718595f47ae2b2 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 15 Mar 2019 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2019-03-15 | BWBR0003862 | Bekostigingsbesluit WPO --- .../BWBR0003862/README.md | 128 ++++++++++++------ 1 file changed, 86 insertions(+), 42 deletions(-) diff --git a/amvb/bekostigingsbesluit-wpo/BWBR0003862/README.md b/amvb/bekostigingsbesluit-wpo/BWBR0003862/README.md index aa39ff69c2b..42ca980bd04 100644 --- a/amvb/bekostigingsbesluit-wpo/BWBR0003862/README.md +++ b/amvb/bekostigingsbesluit-wpo/BWBR0003862/README.md @@ -76,7 +76,11 @@ formatieleeftijdsbedrag: het formatieleeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 22, eer basisbedrag: het basisbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c; -leeftijdsbedrag: het leeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d. +leeftijdsbedrag: het leeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d; + +onderwijsscore: verwachte score van een leerling van een basisschool, niet zijnde een school als bedoeld in artikel 185 van de wet, die op basis van statistische gegevens door het Centraal bureau voor de statistiek wordt bepaald; + +achterstandsscore: overeenkomstig artikel 27 berekende score van een basisschool, niet zijnde een school als bedoeld in artikel 185 van de wet, voor de toekenning van aanvullende bekostiging voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, bedoeld in artikel 28. ### Titel II. Administratieve voorschriften met betrekking tot aanvang en einde bekostiging, en borgstelling @@ -261,7 +265,7 @@ b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode **1.** Met het oog op de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste lid, en 18, eerste lid, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks een overzicht toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging in aanmerking wordt genomen. Het overzicht wordt gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, toegezonden. Het overzicht is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in het overzicht een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën. -**2.** Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen, bedoeld in artikel 27, en in de categorieën leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba. +**2.** Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor basisscholen is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba en overige leerlingen. **3.** Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor speciale scholen voor basisonderwijs is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen. @@ -289,9 +293,9 @@ Vervallen ### Artikel 12a -**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op de daarop volgende 1 december zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid. +**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op de daarop volgende 1 december zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet. -**2.** Indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is en indien van de leerlingen die op 1 maart van het bekostigingsjaar op de school staan ingeschreven het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 april van dat jaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid, stelt Onze Minister voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast. +**2.** Indien artikel 134, achtste lid, van de wet van toepassing is en indien van de leerlingen die op 1 maart van het bekostigingsjaar op de school staan ingeschreven het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 april van dat jaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, stelt Onze Minister voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast. **3.** Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet, aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast. @@ -299,39 +303,37 @@ Vervallen **1.** Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een school een twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 134, eerste lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft. -**2.** Indien artikel 12a, tweede lid, van toepassing is, wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, berekend op grond van artikel 134, zesde lid, van de wet en de vergoeding berekend op grond van artikel 134, vierde lid, van de wet, verstrekt in de maanden mei tot en met december van het uitkeringsjaar. +**2.** Indien artikel 12a, tweede lid, van toepassing is, wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, berekend op grond van artikel 134, achtste lid, van de wet en de vergoeding berekend op grond van artikel 134, vierde lid, van de wet, verstrekt in de maanden mei tot en met december van het uitkeringsjaar. **3.** Indien artikel 12a, derde lid, van toepassing is, vindt verrekening plaats van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, met de vergoeding die wordt verstrekt in de maanden oktober tot en met december van het uitkeringsjaar. ### Artikel 14 -**1.** Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen van basisscholen, bedoeld in artikel 134, vierde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, onderdeel a, van de wet, wordt voor het jaar waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding strekt, berekend volgens de volgende formule: het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen = (A + B + C + D). +**1.** Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen van basisscholen, bedoeld in artikel 134, vierde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en achtste lid, onderdeel a, van de wet, wordt voor het jaar waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding strekt, berekend volgens de volgende formule: het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen = (A + B + C). **2.** -De factoren A, B, C en D van de formule, bedoeld in het eerste lid, worden als volgt berekend: +De factoren A, B en C van de formule, bedoeld in het eerste lid, worden als volgt berekend: A = 0,05 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in het derde lid; B = 0,0343 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder op de datum, bedoeld in het derde lid; -C = 1,5642 – (het aantal leerlingen op de datum, bedoeld in het derde lid, x 0,0115), met dien verstande dat C niet kleiner is dan nul; - -D = 0,0179 x het schoolgewicht, bedoeld in artikel 27, waarbij als teldatum wordt aangemerkt de datum, bedoeld in het derde lid. +C = 1,5642 – (het aantal leerlingen op de datum, bedoeld in het derde lid, x 0,0115), met dien verstande dat C niet kleiner is dan nul. **3.** -De datum die dient als grondslag voor de vaststelling van het aantal leerlingen bij de berekening van de factoren A, B en C en als grondslag voor de vaststelling van het schoolgewicht bij de berekening van factor D, is: +De datum die dient als grondslag voor de vaststelling van het aantal leerlingen bij de berekening van de factoren A, B en C is: a. indien artikel 134, vierde lid, van de wet van toepassing is: 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt; b. indien artikel 134, vijfde lid, van de wet van toepassing is: 1 oktober in de periode waarover de vergoeding plaatsvindt; -c. indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is: 1 maart van het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, met dien verstande dat bij de berekening van de factoren A en B wordt uitgegaan van de leeftijd van de desbetreffende leerlingen op 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar, waarbij de leerlingen die op 1 oktober van dat jaar 3 jaar waren, worden meegeteld bij de berekening van factor A. +c. indien artikel 134, achtste lid, van de wet van toepassing is: 1 maart van het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, met dien verstande dat bij de berekening van de factoren A en B wordt uitgegaan van de leeftijd van de desbetreffende leerlingen op 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar, waarbij de leerlingen die op 1 oktober van dat jaar 3 jaar waren, worden meegeteld bij de berekening van factor A. **4.** Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het eerste lid voor de hoofdvestiging en elke nevenvestiging afzonderlijk toegepast. **5.** Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. -**6.** Het bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal leerlingen, bedoeld in artikel 134, zesde lid, van de wet, is 13. +**6.** Het bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal leerlingen, bedoeld in artikel 134, achtste lid, van de wet, is 13. ### Artikel 15 @@ -355,7 +357,7 @@ De vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding ### Artikel 18 -**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar. +**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar. **2.** Onze Minister stelt de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in de artikelen 29 en 30, vast binnen 14 weken na de voor de desbetreffende bekostiging relevante datum. @@ -438,42 +440,48 @@ b. de aanvullende bekostiging voor kleine scholen die de basisschool als school ### Artikel 27 -**1.** +**1.** Het Centraal bureau voor de statistiek berekent jaarlijks de achterstandsscore van elke basisschool op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op de teldatum zijn ingeschreven op een basisschool en van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet. -Voor elke leerling die volgens onderstaande tabel in een categorie kan worden ingedeeld, wordt bij de toelating tot een basisschool het bij die categorie behorende gewicht vastgesteld, met dien verstande dat een leerling slechts bij één categorie wordt ingedeeld. +**2.** -| | Leerling categorie | | +De achterstandsscore van een basisschool is de uitkomst van de formule A−B en wordt als volgt berekend: + +| A = | som van de uitkomsten van de formule C – D voor alle leerlingen van de basisschool die behoren tot de 15% van alle leerlingen van alle basisscholen met de laagste onderwijsscore, waarbij | | | --- | --- | --- | -| a. | Leerling van wie beide ouders of verzorgers een schoolopleiding hebben gevolgd op maximaal het niveau praktijkonderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg. Indien het betreft een leerling uit een eenoudergezin, geldt deze opleidingseis ten aanzien van de desbetreffende ouder of verzorger. | 0,3 | -| b. | Leerling van wie een ouder of verzorger een schoolopleiding heeft gevolgd op maximaal het niveau basisonderwijs, en van wie de andere ouder of verzorger een schoolopleiding heeft gevolgd op maximaal het niveau praktijkonderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg. Indien het betreft een leerling uit een eenoudergezin, geldt dat de ouder of verzorger een schoolopleiding heeft gevolgd op maximaal het niveau basisonderwijs. | 1,2 | +| | C = | landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle leerlingen van alle basisscholen; | +| | D = | onderwijsscore van de leerling; | +| | | | +| B = | E x F x (C – G) waarbij | | +| | E = | aantal leerlingen van de basisschool; | +| | F = | 12%; | +| | C = | landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle leerlingen van alle basisscholen; | +| | G = | landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle leerlingen van alle basisscholen die behoren tot de 15% van alle leerlingen van alle basisscholen met de laagste onderwijsscore. | -Met het hebben gevolgd van een schoolopleiding op maximaal het niveau praktijkonderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg wordt gelijkgesteld het hebben doorlopen van ten hoogste de eerste twee leerjaren van een andere vorm van voortgezet onderwijs. +**3.** De achterstandsscore, bedoeld in het tweede lid, wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen. Indien de achterstandsscore negatief is, wordt deze gelijkgesteld aan nul. -**2.** De indeling van een leerling in een van de categorieën, genoemd in het eerste lid, wordt gebaseerd op de gegevens over de schoolopleiding van de ouders of verzorgers van de leerling, zoals blijkt uit een door die ouders of verzorgers ingevuld en ondertekend formulier dat is opgenomen in de leerlingenadministratie van de school. +**4.** Het Centraal bureau voor de statistiek verstrekt jaarlijks aan Onze Minister de achterstandsscores van de basisscholen, berekend op grond van het tweede lid, in voorkomend geval uitgesplitst naar hoofdvestiging en nevenvestiging, en maakt deze zo spoedig mogelijk daarna openbaar. -**3.** Het schoolgewicht wordt berekend door de som van de volgens het eerste lid vastgestelde gewichten van de op de teldatum ingeschreven leerlingen te verminderen met een getal, gelijk aan 6% van het aantal leerlingen op de teldatum. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Indien de uitkomst negatief is, bedraagt het schoolgewicht nul. +**5.** Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, bestaat de achterstandsscore van de basisschool uit de som van de rekenkundig afgeronde achterstandsscores die de afzonderlijke vestigingen zouden hebben, indien zij zelfstandige basisscholen zouden zijn. -**4.** Indien het schoolgewicht hoger is dan 80% van het aantal op de teldatum ingeschreven leerlingen van de basisschool, wordt het schoolgewicht vastgesteld op 80% van het aantal op de teldatum op de basisschool ingeschreven leerlingen. +**6.** In geval van samenvoeging van scholen is artikel 121, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing bij de bepaling van de leerlingen die op de teldatum zijn ingeschreven op de basisschool. -**5.** Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, bestaat het schoolgewicht van de basisschool uit de som van de schoolgewichten die de afzonderlijke vestigingen zouden hebben, indien zij zelfstandige scholen zouden zijn. +**7.** In geval van verzelfstandiging van een vestiging wordt de achterstandsscore van het overblijvende deel van de basisschool, bedoeld in artikel 84a van de wet verminderd met de achterstandsscore van de nieuwe basisschool die op grond van artikel 84a van de wet voor bekostiging in aanmerking is gebracht. Indien de uitkomst negatief is, wordt deze gelijkgesteld aan nul. + +**8.** Bij de toepassing van dit artikel blijven scholen als bedoeld in artikel 185 van de wet en de leerlingen van die scholen buiten beschouwing. ### Artikel 28 -**1.** Voor de aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor de bestrijding van onderwijsachterstanden voor een basisschool wordt een basisbedrag per eenheid schoolgewicht toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. +**1.** Aan een basisschool wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten toegekend voor de bestrijding van onderwijsachterstanden die bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per eenheid achterstandsscore. -**2.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie per eenheid schoolgewicht 0,0503 formatieplaats. +**2.** Voor een speciale school voor basisonderwijs met een aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond op de teldatum boven het aantal van 4, wordt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden per leerling boven het aantal van 4 een basisbedrag toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. -**3.** Voor een speciale school voor basisonderwijs met een aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond op de teldatum boven het aantal van 4, wordt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden per leerling boven het aantal van 4 een basisbedrag toegekend, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van de school op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. +**3.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het tweede lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het tweede lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0401 formatieplaats. -**4.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het derde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het derde lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0401 formatieplaats. - -**5.** Voor de toepassing van het eerste en derde lid wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe basisschool respectievelijk nieuwe speciale school voor basisonderwijs wordt geopend, het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen respectievelijk van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. +**4.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt voor het schooljaar waarin een nieuwe speciale school voor basisonderwijs wordt geopend, het leeftijdsbedrag vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. ### Artikel 28a -**1.** Bij ministeriële regeling kunnen voor een periode van telkens 4 schooljaren impulsgebieden worden aangewezen op basis van viercijferige postcodegebieden. - -**2.** De hoofdvestigingen en nevenvestigingen van basisscholen gelegen in de impulsgebieden, bedoeld in het eerste lid, komen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden in aanmerking voor een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling voor wie op grond van artikel 27, eerste lid, een gewicht is vastgesteld. +Vervallen ### Artikel 29 @@ -481,18 +489,32 @@ Met het hebben gevolgd van een schoolopleiding op maximaal het niveau praktijkon Aan het bevoegd gezag van één of meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen toegekend indien: -a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op de eerste schooldag dan wel op de eerste dag van een maand in de periode van september tot en met april van dat schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van 103% van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens telkens indien de som van de bedoelde aantallen leerlingen op de eerste dag van enige maand in de periode september tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van de aantallen leerlingen op grond waarvan de laatste maal in dat schooljaar aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met groei is toegekend; en -b. het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens van de leerlingen die op de eerste schooldag dan wel de eerste dag van de maand, bedoeld in onderdeel a, op de school of scholen staan ingeschreven, uiterlijk vier weken na die dag zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid. +a. de uitkomst van de formule X – Y dan wel, indien in dat schooljaar reeds aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen is toegekend, de uitkomst van de formule X – Z, groter is dan of gelijk is aan 13, waarbij de factoren X, Y en Z worden berekend overeenkomstig het tweede lid; en +b. het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens van de leerlingen die op de eerste schooldag dan wel de eerste dag van de maand, bedoeld in de in het tweede lid genoemde factor X, op de school of scholen staan ingeschreven, uiterlijk 4 weken na die dag zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet. -**2.** Bij de berekening van 103% van de bedoelde aantallen leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de uitkomst per school naar beneden afgerond op een geheel getal. +**2.** -**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft plaatsgevonden, en wordt berekend voor het aantal leerlingen dat het verschil is tussen enerzijds de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van het schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen en anderzijds de som van 103% van bedoelde aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, onderscheidenlijk de som van bedoelde aantallen leerlingen op grond waarvan voor de laatste maal aanvullende bekostiging in verband met groei is toegekend. Indien de telling heeft plaatsgevonden op de eerste schooldag en deze in de maand september valt, ontstaat de aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van de eerste volzin, met ingang van 1 augustus. De aanvullende bekostiging wordt per bevoegd gezag per groeidatum éénmalig toegekend. +De factoren X, Y en Z, bedoeld in het eerste lid, worden als volgt berekend: -**4.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal leerlingen, dat de uitkomst is van de berekening in het derde lid. +X = de som van de aantallen leerlingen van alle op 1 augustus van dat schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen, op de eerste schooldag van een schooljaar dan wel op de eerste dag van een maand in de periode van september tot en met april van dat schooljaar; -**5.** Het bedrag dat de uitkomst is van het vierde lid wordt vermenigvuldigd met het aantal maanden vanaf de maand van toekenning tot het einde van het schooljaar en vervolgens gedeeld door twaalf. +Y= de som van 103% van de aantallen leerlingen van alle op 1 augustus van dat schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen, op 1 oktober van het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de som van 103% van de aantallen leerlingen van alle op 1 augustus van dat schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen, bedoeld in artikel 121, tweede lid, van de wet, op 1 oktober van het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden; -**6.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het vierde lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0487 formatieplaats. +Z = de som van de aantallen leerlingen op grond waarvan de laatste maal in het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met groei van de aantallen leerlingen is toegekend + +**3.** Indien sprake is van een school die per 1 augustus van het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden, is ontstaan uit een samenvoeging, wordt bij de berekening van de in het tweede lid, genoemde factor Y 103% genomen van het aantal leerlingen van alle bij die samenvoeging betrokken scholen op 1 oktober van het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden. + +**4.** Bij de berekening van de in het tweede lid genoemde factor Y, wordt het aantal leerlingen op 1 oktober van het schooljaar voorafgaande aan het schooljaar waarin de telling van X heeft plaatsgevonden, berekend overeenkomstig artikel 121, vierde en vijfde lid, van de wet. + +**5.** Bij de berekening van 103% van de aantallen leerlingen, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt de uitkomst per school naar beneden afgerond op een geheel getal. + +**6.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling van X, bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden. Indien de telling van X heeft plaatsgevonden op de eerste schooldag, en deze in de maand september valt, ontstaat de aanspraak op deze aanvullende bekostiging, in afwijking van de eerste volzin, met ingang van 1 augustus. De aanvullende bekostiging wordt per bevoegd gezag per groeidatum éénmalig toegekend. + +**7.** De in het eerste lid bedoelde aanvullende bekostiging wordt toegekend voor het aantal leerlingen dat X meer bedraagt dan Y, respectievelijk indien in dat schooljaar reeds aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen is toegekend, voor het aantal leerlingen dat X meer bedraagt dan Z, en bedraagt per leerling een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. + +**8.** Het bedrag dat de uitkomst is van de toepassing van het zevende lid wordt vermenigvuldigd met het aantal maanden vanaf de maand van toekenning tot het einde van het schooljaar en vervolgens gedeeld door twaalf. + +**9.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het zevende lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het zevende lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0487 formatieplaats. ### Artikel 29a @@ -538,7 +560,7 @@ a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar o b. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar. -**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien van de leerlingen die op de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op de school of scholen staan ingeschreven, het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk vier weken na die peildatum zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid. +**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien van de leerlingen die op de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op de school of scholen staan ingeschreven, het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk vier weken na die peildatum zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet. **3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden en wordt berekend en toegekend overeenkomstig artikel 29. @@ -566,7 +588,7 @@ Vervallen ### Artikel 34.1 -Bij de beoordeling van de leerresultaten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de wet, hanteert de inspectie objectieve, relatieve normen. De grenzen die de inspectie als norm voor het oordeel voldoende dan wel onvoldoende resultaat hanteert, zijn gecorrigeerd voor schoolkenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat deze correctie in elk geval betrekking heeft op leerlingen als bedoeld in artikel 27, eerste lid. +Bij de beoordeling van de leerresultaten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de wet, hanteert de inspectie objectieve, relatieve normen. De grenzen die de inspectie als norm voor het oordeel voldoende dan wel onvoldoende resultaat hanteert, zijn gecorrigeerd voor schoolkenmerken en individuele kenmerken van leerlingen. ### Artikel 34.2 @@ -764,6 +786,28 @@ Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in het tweede lid, bedra **5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184 van de wet voor zover het personeel, bedoeld in het derde en vierde lid, betreft dat in verband met de opheffing van regionale expertisecentra en de beëindiging van de ondersteuningswerkzaamheden bij de samenwerkingsverbanden zoals die bestonden voor 1 augustus 2013, een werkloosheidsuitkering ontvangt. +### Artikel 36a + +**1.** De aanvullende bekostiging voor een basisschool, berekend op grond van artikel 28, wordt voor de schooljaren 2019–2020, 2020–2021 en 2021–2022 per schooljaar vermeerderd met een bedrag berekend volgens de formule, genoemd in het tweede lid, als de uitkomst van die berekening positief is, en verminderd met een bedrag berekend volgens die formule als de uitkomst daarvan negatief is. + +**2.** + +Het bedrag van de vermeerdering of vermindering, bedoeld in het eerste lid, is de uitkomst van de formule (A – B) x C en wordt als volgt berekend: + +| A = | de uitkomst van de formule D + E + F – G + H waarbij | | +| --- | --- | --- | +| | D = | de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 28, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; | +| | E = | de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 28a, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; | +| | F = | de bekostiging, bedoeld in artikel 134 van de wet op basis van artikel 14, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; | +| | G = | de bekostiging, bedoeld in artikel 134 van de wet op basis van artikel 14, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018; | +| | H = | het schoolgewicht, bedoeld in artikel 27, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, gebaseerd op de teldatum 1 oktober 2018 vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag; en | +| | | | +| B = | de aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 28; | | +| | | | +| C = | in het geval de uitkomst van A – B positief is: 75% voor schooljaar 2019–2020, 50% voor schooljaar 2020–2021 en 25% voor schooljaar 2021–2022; in het geval de uitkomst van A – B negatief is: een jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen percentage, gelijk aan of lager dan de genoemde percentages bij een positieve uitkomst van A – B. | | + +**3.** De factor A, bedoeld in het tweede lid, wordt aangepast met een jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen percentage, dat wordt gebaseerd op de ontwikkeling van de som van de bekostiging voor alle basisscholen bedoeld in artikel 28. + ### Paragraaf 2. Slotbepaling ### Artikel 37