2006-03-22 | BWBR0013042 | Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

This commit is contained in:
Coornhert 2006-03-22 12:00:00 +00:00
parent 94c8587c20
commit ac17e54209

View file

@ -57,10 +57,10 @@ d. Indien sprake is van recidive van een beboetbaar feit wordt de op te leggen b
De boete die per boetebeschikking aan een werkgever (rechtspersoon of een natuurlijk persoon), of anderen dan de werkgever, bedoeld in het tweede lid van deze beleidsregel, kan worden opgelegd bedraagt
a. minimaal € 113;
b. maximaal € 45.000.
a. minimaal € 113;
b. maximaal € 45.000.
**7.** Feiten waarvoor ook een werknemer beboet kan worden zijn in de bijlagen 1 tot en met 3 gemarkeerd met een asterisk achter het boetenormbedrag. De boete die per boetebeschikking aan een werknemer kan worden opgelegd bedraagt maximaal € 225.
**7.** Feiten waarvoor ook een werknemer beboet kan worden zijn in de bijlagen 1 tot en met 3 gemarkeerd met een asterisk achter het boetenormbedrag. De boete die per boetebeschikking aan een werknemer kan worden opgelegd bedraagt maximaal € 225.
**8.**
@ -70,7 +70,7 @@ a. Afhankelijk van de categorie-indeling, bedoeld in artikel 34, vierde lid, van
b. Indien sprake is van meer dan één slachtoffer wordt het boetebedrag als volgt verhoogd:
1°. in geval van twee slachtoffers wordt het boetebedrag met anderhalf vermenigvuldigd,
2°. bij drie of meer slachtoffers wordt het boetebedrag met twee vermenigvuldigd, met dien verstande dat het boetebedrag per beboetbaar feit de per categorie vastgestelde maximale bedragen (€ 4.500 of € 11.250) niet overschrijdt.
2°. bij drie of meer slachtoffers wordt het boetebedrag met twee vermenigvuldigd, met dien verstande dat het boetebedrag per beboetbaar feit de per categorie vastgestelde maximale bedragen (€ 4.500 of € 11.250) niet overschrijdt.
c. Indien sprake is van één slachtoffer wordt het boetebedrag verlaagd door het met driekwart te vermenigvuldigen als voldaan wordt aan de volgende drie voorwaarden:
1°. in de boetebeschikking wordt één beboetbaar feit vermeld,
@ -481,7 +481,7 @@ Aan het gestelde in artikel 3.13, zesde en zevende lid, van het Arbeidsomstandig
a. beveiligingen worden toegepast, die beweging van de deur of het hek verhinderen, wanneer personen hierdoor kunnen worden geraakt, of
b. beveiligingen worden toegepast, die bij aanraking de beweging van de deur of van het hek stoppen of omkeren, of
c. de aandrijfkracht van de deur of het hek zodanig beperkt is dat de kracht waarmee het sluiten kan worden tegengegaan kleiner is dan 150 N. Tevens is  gemeten met een drukopriemer met een veerconstante van 25000 N/m  de drukkracht (stoot) van een bewegend deurblad of hek niet meer dan 750 N bij een resterende opening groter dan 0,25 m en niet meer dan 500 N bij een resterende opening gelijk of kleiner dan 0.25 m. Hierbij geldt dat slipkoppelingen die zijn aangebracht ter begrenzing van de knelkracht niet als doelmatig worden aangemerkt.
c. de aandrijfkracht van de deur of het hek zodanig beperkt is dat de kracht waarmee het sluiten kan worden tegengegaan kleiner is dan 150 N. Tevens is gemeten met een drukopriemer met een veerconstante van 25000 N/m de drukkracht (stoot) van een bewegend deurblad of hek niet meer dan 750 N bij een resterende opening groter dan 0,25 m en niet meer dan 500 N bij een resterende opening gelijk of kleiner dan 0.25 m. Hierbij geldt dat slipkoppelingen die zijn aangebracht ter begrenzing van de knelkracht niet als doelmatig worden aangemerkt.
**2.**
@ -574,7 +574,7 @@ De meetresultaten moeten in ieder geval voldoende onderbouwd kunnen aantonen of
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. verontreinigde grond en verontreinigd grondwater: grond die en grondwater dat op basis van de circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 februari 2000(Stcrt. 2000, 39) als zodanig wordt gekenmerkt;
a. verontreinigde grond en verontreinigd grondwater: grond die en grondwater dat op basis van de circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 februari 2000(Stcrt. 2000, 39) als zodanig wordt gekenmerkt;
b. MAC-waarde: de wettelijke grenswaarde of bij het ontbreken daarvan, de bestuurlijke grenswaarde of, bij het ook ontbreken van een bestuurlijke grenswaarde, de door de werkgever zelf vastgestelde waarde, bedoeld in beleidsregel 4.2 -1;
c. een vluchtige stof of vluchtige verontreiniging: een stof of verontreiniging met een kookpunt lager dan 350 ^oC én een dampspanning (uitgedrukt in millibar bij 20 ^oC), groter dan éénduizendste van de MACwaarde van die stof of verontreiniging (met andere woorden, indien 10^3 P_d > MAC);
d. serpentijnasbest: stoffen die het vezelachtige silicaat chrysotiel bevatten;
@ -652,7 +652,7 @@ Ter preventie van huid- en luchtwegklachten wordt bij arbeid in kappersbedrijven
a. Er is een aparte productbereidingsruimte aanwezig die aan minimaal 3 zijden met een wand van de overige ruimte is afgescheiden. De scheidingswanden zijn tenminste manshoog, tenzij gerichte afzuiging wordt toegepast. De scheidingswanden aan beide zijkanten van de werkruimte zijn dieper dan de diepte van het werkblad. De ruimte is ingericht voor het bereiden of mengen van cosmetische producten. In deze ruimte is minimaal één gemakkelijk toegankelijke wastafel met stromend water aanwezig die alleen gebruikt wordt bij werkzaamheden in de productbereidingsruimte. De werkvlakken en wanden zijn vlak, glad, goed reinigbaar en niet poreus. Eten, drinken, roken en bewaren of bereiden van voedsel of dranken in deze ruimte is niet toegestaan.
b. In aanvulling op de onder a genoemde wastafel, is in de kapsalon minimaal één wasgelegenheid met stromend water aanwezig waar de handen kunnen worden gereinigd. Er zijn middelen aanwezig om de handen te drogen en te verzorgen.
**3.** Het tweede lid, onder a, is tot 1 november 2006 niet van toepassing op kapsalons die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel in gebruik zijn genomen, behoudens indien de kapsalon na deze laatste datum is heringericht of verbouwd.
**3.** Het tweede lid, onder a, is tot 1 november 2006 niet van toepassing op kapsalons die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel in gebruik zijn genomen, behoudens indien de kapsalon na deze laatste datum is heringericht of verbouwd.
### Artikel 4.4 -1
@ -875,7 +875,7 @@ Deze beleidsregel is niet van toepassing op
a. ruimten waarin de aanwezige hoeveelheid kooldioxide minder dan 3,0 kg bedraagt en
b. kooldioxide in kleine draagbare brandblusapparaten tot 20 kg totale massa
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)*
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 maart 2001 en aangepast middels het onderhavige besluit)*
### Artikel 4.4 -10
@ -1000,7 +1000,7 @@ Bij het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen ais bedoel
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. verontreinigde grond en verontreinigd grondwater: grond die en grondwater dat op basis van de circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 februari 2000 (Stcrt 2000, 39) als zodanig wordt gekenmerkt;
a. verontreinigde grond en verontreinigd grondwater: grond die en grondwater dat op basis van de circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering van de minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 24 februari 2000 (Stcrt 2000, 39) als zodanig wordt gekenmerkt;
b. MAC-waarde: de wettelijke grenswaarde of bij het ontbreken daarvan, de bestuurlijke grenswaarde, of bij het ook ontbreken van een bestuurlijke grenswaarde, de door de werkgever zelf vastgestelde waarde, bedoeld in beleidsregel 4.2 -1;
c. een vluchtige stof of vluchtige verontreiniging: een stof of verontreiniging met een kookpunt lager dan 350 °C én een dampspanning (uitgedrukt in millibar bij 20 °C), groter dan éénduizendste van de MAC-waarde van die stof of verontreiniging (met andere woorden, indien 10^3 P_d > MAC);
d. serpentijnasbest: stoffen die de vezelachtige silicaat chrysotiel bevat;
@ -1103,7 +1103,7 @@ c. indien uit deze permanente metingen blijkt dat de concentratie ontvlambare st
Bij blootstelling aan inhalatie anesthetica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.9 eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichting tot het nemen van doeltreffende maatregelen voldaan, indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast overeenkomstig het in bijlage 11 bij deze beleidsregels gestelde.
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)*
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)*
### Artikel 4.14
@ -1155,7 +1155,7 @@ In dergelijke situaties worden doelmatige persoonlijke oog- of gezichtsbeschermi
Bij de roetmeting in het kader van de APK-keuring van dieselmotoren wordt aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.18, eerste en tweede lid, en artikel 6.8 van het Arbeidsomstandighedenbesluit voldaan indien de aanwijzingen in de Praktijkrichtlijn roetmeting, welke als bijlage 12 bij deze beleidsregels is gevoegd, worden gevolgd.
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 23 juli 2000)*
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 23 juli 2000)*
### Artikel 4.18 -3
@ -1190,7 +1190,7 @@ c. NEN-EN 12942:1998 "Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Aangedreven filters gecom
Bij blootstelling aan cytostatica in ziekenhuizen wordt aan de in artikel 4.18, eerste tot en met vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen verplichtingen voldaan indien adequate arbeidsmiddelen dan wel werkmethoden worden toegepast of persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt overeenkomstig het in bijlage 14 bij deze beleidsregels gestelde.
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)*
*(Deze beleidsregel is in werking getreden op 1 juni 2001)*
### Artikel 4.19
@ -1295,7 +1295,7 @@ De melding als bedoeld in artikel 4.54, derde lid, van het Arbeidsomstandigheden
Metingen als bedoeld in artikel 4.55, eerste lid, onder d, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, alsmede de daaraan voorafgaande reiniging van de ruimte of werklocatie, worden uitgevoerd overeenkomstig het TNO rapport "Eindcontrole na asbestverwijdering", TNO-MEP R 2000/065b (mei 2001).
*(Deze gewijzigde beleidsregel is in werking getreden op 1 augustus 2001)*
*(Deze gewijzigde beleidsregel is in werking getreden op 1 augustus 2001)*
### Artikel 4.60
@ -1453,7 +1453,7 @@ Aan het bepaalde in artikel 5.2 en 5.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit word
5. Voor het verplaatsen van kluiten worden kluitentafels gebruikt.
6. Hulplieren bij handbediende trekken worden alleen gebruikt als de hulplier aangrijpt op de kluitenstang.
7. De werknemer die de werkzaamheden aan de trekkenwand verricht is in het bezit van het certificaat "Opleiding trekkenwand".
8. Voor theaters waar uitvoering van het in deze beleidsregel gestelde vóór 1 januari 2004 om financiële redenen niet haalbaar blijkt, kan door de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie een later tijdstip van uitvoering, doch met later dan 1 januari 2007, worden vastgesteld. Hierbij geldt de voorwaarde dat vóór 1 juli 2001 een plan van aanpak voor de mechanisatie van de trekkenwand wordt ingediend waarin wordt aangetoond dat:
8. Voor theaters waar uitvoering van het in deze beleidsregel gestelde vóór 1 januari 2004 om financiële redenen niet haalbaar blijkt, kan door de regionaal directeur van de Arbeidsinspectie een later tijdstip van uitvoering, doch met later dan 1 januari 2007, worden vastgesteld. Hierbij geldt de voorwaarde dat vóór 1 juli 2001 een plan van aanpak voor de mechanisatie van de trekkenwand wordt ingediend waarin wordt aangetoond dat:
a. een besluit genomen is over aanpassing van de trekkenwand;
b. de financiering voor aanpassing van de trekkenwand is zekergesteld en
@ -1485,7 +1485,7 @@ e. De plint bij een aankleedtafel wijkt mimmaai 10 cm terug van de voorzijde van
7. Zitten op de vloer tijdens de arbeid duurt niet langer dan vier minuten aaneengesloten of, indien een juiste rugsteun of ander hulpmiddel wordt gebruikt, niet langer dan 15 minuten.
8. Hurken en knielen tijdens de arbeid wordt tot een minimum beperkt, maar duurt voor beide houdingen gezamenlijk niet langer dan 15 minuten per dag.
Voor kinderdagverblijven welke reeds werden geëxploiteerd op 23 juli 2000 treedt deze beleidsregel in werking met ingang van 1 januari 2004.
Voor kinderdagverblijven welke reeds werden geëxploiteerd op 23 juli 2000 treedt deze beleidsregel in werking met ingang van 1 januari 2004.
### Artikel 5.3 -1
@ -1825,12 +1825,12 @@ Aan de verplichting om met inachtneming van de stand van de techniek en rekening
a. Op een caisson zijn twee afzonderlijke personenschutsluizen aanwezig, tenzij dat praktisch uitgesloten is.
b. In de personenschacht is een takelinstallatie aanwezig waarmee een gewonde op een brancard of in een hijsbroek via de schutsluis naar buiten kan worden gebracht.
c. De personenschutsluis en personenschacht zijn  blijkens keuring en beproeving  voldoende sterk en luchtdicht.
c. De personenschutsluis en personenschacht zijn blijkens keuring en beproeving voldoende sterk en luchtdicht.
d. De personenschutsluis voldoet tevens aan de volgende criteria:
1°. de inlaatopening van de inrichting voor luchtverversing is zodanig geplaatst of beschut, dat de luchtverversing geen hinder kan veroorzaken;
2°. de voor deze ruimte bestemde lucht wordt direct vanuit de hoofdpersleiding aangevoerd,
3°. de toestellen ter regeling van de luchtdruk in deze ruimte zijn  met uitzondering van de verzegelde noodinrichting aldaar  gedurende het schutten van personen buiten hun bereik;
3°. de toestellen ter regeling van de luchtdruk in deze ruimte zijn met uitzondering van de verzegelde noodinrichting aldaar gedurende het schutten van personen buiten hun bereik;
4°. automatisch registrerende toestellen leggen het verloop van de luchtdruk in een personenschutsluis vast;
5°. de hoogte is zodanige dat eenieder daarin rechtop kan staan;
6°. er is apparatuur aanwezig die de ruimte kan verwarmen;
@ -1842,8 +1842,8 @@ d. De personenschutsluis voldoet tevens aan de volgende criteria:
12°. indien hij onder de waterspiegel is opgesteld, blijkt uit de risico-inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, welke veiligheidsmaatregelen zijn genomen om indringing van water in de personenschutsluis te voorkomen.
e. In een personenschutsluis zijn een uitschuttijdentabel, een uurwerk, een manometer en een thermometer beschikbaar.
f. Voor personen en materialen zijn afzonderlijke schutsluizen en afzonderlijke schachten nodig, tenzij de werkgever aantoont dat in de werkkamer slechts licht gereedschap nodig is. In dat geval mag het gereedschap via de personenschutsluis worden aan- en afgevoerd.
g. De materialenschutsluis en -schacht zijn  blijkens keuring en beproeving  voldoende sterk en luchtdicht.
h. Van een materialenschutsluis zijn de binnen- en buitendeuren  indien zij opengaan naar de zijde van de laagste druk  zodanig gekoppeld, dat de ene deur slechts open kan als de andere dicht is.
g. De materialenschutsluis en -schacht zijn blijkens keuring en beproeving voldoende sterk en luchtdicht.
h. Van een materialenschutsluis zijn de binnen- en buitendeuren indien zij opengaan naar de zijde van de laagste druk zodanig gekoppeld, dat de ene deur slechts open kan als de andere dicht is.
i. Een werkkamer, personenschutsluis of pompkamer staat door middel van telefoon of een ander akoestisch systeem in verbinding met de toezichthouders die zich buiten die ruimten bevinden;
j. Een werkkamer, personenschutsluis, personenschacht of compressiekamer is door middel van elektrische apparatuur verlicht.
k. Waterdichte elektrische zaklantaarns voor alle caissonwerkers, met een minimum van drie zaklantaarns, zijn voorhanden in een waterdicht geconstrueerde kist in de werkkamer.
@ -1918,7 +1918,7 @@ h. een voorziening om bij het duiken met oppervlakteademgasvoorziening (SSE) bij
Met betrekking tot het ter beschikking te stellen ademgas als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, onder b, wordt het volgende in acht genomen.
a. Er is sprake van voldoende ademgas wanneer de duiker gebruik kan maken van een zodanige hoeveelheid reserve-ademgas dat hij in geval van nood de duik op veilige wijze kan afbreken.
b. Bij gebruik van individuele onafhankelijke ademgasvoorziening  zoals bij scuba duikers  wordt, ter vaststelling van de voor een bepaalde activiteit geschikte kwaliteit ademgas, bij het gebruik van ademgas anders dan lucht net vóór aanvang van een duik de samenstelling van het gasmengsel gecontroleerd.
b. Bij gebruik van individuele onafhankelijke ademgasvoorziening zoals bij scuba duikers wordt, ter vaststelling van de voor een bepaalde activiteit geschikte kwaliteit ademgas, bij het gebruik van ademgas anders dan lucht net vóór aanvang van een duik de samenstelling van het gasmengsel gecontroleerd.
**4.**
@ -1977,7 +1977,7 @@ b. de eisen aan de eerste-hulpuitrusting, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen
**7.** Beperking van het geluidsniveau op de arbeidsplaats tot beneden 85 dB(A) door het treffen van voorzieningen ter beperking van de geluidsoverdracht kan in redelijkheid niet worden gevergd wanneer toepassing van de algemeen gangbare voorzieningen voor lawaaibestrijding ontoereikend is om dit resultaat te bereiken.
**8.** De werkgever selecteert gehoorbeschermers die voldoen aan hoofdstuk 8, afdeling 1, aan de hand van de norm NEN-EN 458:1994 "Gehoorbeschermers  Aanbevelingen voor keuze, gebruik, verzorging en onderhoud Praktijkrichtlijn".
**8.** De werkgever selecteert gehoorbeschermers die voldoen aan hoofdstuk 8, afdeling 1, aan de hand van de norm NEN-EN 458:1994 "Gehoorbeschermers Aanbevelingen voor keuze, gebruik, verzorging en onderhoud Praktijkrichtlijn".
### Paragraaf 7. Hoofdstuk 7 Arbeidsmiddelen en specifieke werkzaamheden
@ -2054,7 +2054,7 @@ Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgeslot
### Artikel 7.3 -5
Aan het gestelde in artikel 7.3, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor freesgereedschap en ronde zaagbladen voor houtbewerking voldaan, indien deze voldoen aan de bepalingen van de norm NEN-EN 847-1:1997 "Gereedschap voor houtbewerking  Veiligheidseisen. Deel 1: Freesgereedschap, ronde zaagbladen", inclusief correctieblad C1:1997.
Aan het gestelde in artikel 7.3, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor freesgereedschap en ronde zaagbladen voor houtbewerking voldaan, indien deze voldoen aan de bepalingen van de norm NEN-EN 847-1:1997 "Gereedschap voor houtbewerking Veiligheidseisen. Deel 1: Freesgereedschap, ronde zaagbladen", inclusief correctieblad C1:1997.
### Artikel 7.4-1
@ -2086,12 +2086,12 @@ Aan artikel 7.4, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft hij
1. de volgende NEN-normen in acht zijn genomen:
a. NEN-EN 1492-1:2000, Hijsbanden  Veiligheid  Deel 1: Vlakke geweven hijsbanden, gemaakt van kunststofvezels, voor algemeen gebruik.
b. NEN-EN 1492-2:2000, Hijsbanden  Veiligheid  Deel 2. Ronde hijsbanden, gemaakt van kunststofvezels, voor algemeen gebruik.
a. NEN-EN 1492-1:2000, Hijsbanden Veiligheid Deel 1: Vlakke geweven hijsbanden, gemaakt van kunststofvezels, voor algemeen gebruik.
b. NEN-EN 1492-2:2000, Hijsbanden Veiligheid Deel 2. Ronde hijsbanden, gemaakt van kunststofvezels, voor algemeen gebruik.
c. NEN 3359:1986 "Kettingwerk van staal voor hijs- en transportdoeleinden. Eisen voor het vervaardigen, beproeven, controleren en certificeren",
d. NEN 3360:1986 "Niet-gekalibreerde kortschalmige stalen kettingen voor hijs- en transport-doeleinden. Eisen en beproevingsmethoden",
d. NEN 3508:1988 "Staalkabels, schijven en trommels voor hijs- en transportdoeleinden. Aanwijzingen voor keuze en ontwerp",
f. NEN 3575:1981 "Staalkabels Kabel  Karakteristieken en leveringsvoorwaarden",
f. NEN 3575:1981 "Staalkabels Kabel Karakteristieken en leveringsvoorwaarden",
2. knopen of boutklemmen niet worden toegepast bij de constructie van stroppen en lengen;
3. hijsjukken met verstelbare hijspunten in hun verschillende standen worden geborgd;
4. de instelling van het vacuüm van vacuumhefgereedschap niet door een eenvoudige ingreep of op een andere ongewilde wijze veranderd kan worden. De grootte van het vacuüm moet tijdens bedrijf zichtbaar zijn voor de bedieningsman.
@ -2138,12 +2138,12 @@ Deze beleidsregel bestaat uit twee delen: l de uitgangspunten en II een uitwerki
Aan artikel 7.4, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft steigers voldaan, indien deze in overeenstemming zijn met het gestelde in de volgende normbladen, met dien verstande dat de hierna, onder 2, genoemde afwijkingen daarop zijn toegestaan.
a. NEN 6700:1991 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 Algemene basiseisen", inclusief aanvulling A1:1997,
b. NEN 6702:1991 Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990  Belastingen en vervormingen", inclusief aanvulling A1:1997,
c. NEN 6710:1991 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990  Alummium-constructies  Basiseisen en basisrekenregels voor overwegend statisch belaste constructies", inclusief aanvulling A1:1997,
d. NEN 6760:1997 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990  Houtconstructies  Basiseisen  Eisen en bepalingsmethoden",
e. NEN 6770:1997 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990  Staalconstructies  Basiseisen en basisrekenregels voor overwegend statisch belaste constructies",
f. NEN 6771:2000, "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990  Staalconstructies  Stabiliteit",
g. NEN 6772:2000, "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990  Staalconstructies  Verbindingen",
b. NEN 6702:1991 Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 Belastingen en vervormingen", inclusief aanvulling A1:1997,
c. NEN 6710:1991 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 Alummium-constructies Basiseisen en basisrekenregels voor overwegend statisch belaste constructies", inclusief aanvulling A1:1997,
d. NEN 6760:1997 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 Houtconstructies Basiseisen Eisen en bepalingsmethoden",
e. NEN 6770:1997 "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 Staalconstructies Basiseisen en basisrekenregels voor overwegend statisch belaste constructies",
f. NEN 6771:2000, "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 Staalconstructies Stabiliteit",
g. NEN 6772:2000, "Technische grondslagen voor bouwconstructies. TGB 1990 Staalconstructies Verbindingen",
**2.**
@ -2209,7 +2209,7 @@ d. zoveel mogelijk in het midden van de voetplaat is een stalen pen of pijp aang
**13.** Plankbeugels zijn vervaardigd van staal en zijn voorzien van lippen die om twee planken grijpen, waarbij elke lip tenminste 30 mm lang is.
**14.** Steigerplanken hebben een dikte van tenminste 30 mm en zijn tenminste 200 mm breed. De einden der planken zijn tegen inscheuren beschermd. De houtkwaliteit van de planken komt overeen met die van standaardbouwhout volgens NEN 5461:1999 "Kwaliteitseisen voor hout (KVH 2000); Gezaagd hout en paalhout  Algemeen gedeelte" en NEN 5466:1999 "Kwaliteitseisen voor hout (KVH2000); Houtsoorten Europees vuren, Europees grenen en Europees lariks", inclusief aanvulling A1:2000 en correctieblad C1:2001.
**14.** Steigerplanken hebben een dikte van tenminste 30 mm en zijn tenminste 200 mm breed. De einden der planken zijn tegen inscheuren beschermd. De houtkwaliteit van de planken komt overeen met die van standaardbouwhout volgens NEN 5461:1999 "Kwaliteitseisen voor hout (KVH 2000); Gezaagd hout en paalhout Algemeen gedeelte" en NEN 5466:1999 "Kwaliteitseisen voor hout (KVH2000); Houtsoorten Europees vuren, Europees grenen en Europees lariks", inclusief aanvulling A1:2000 en correctieblad C1:2001.
Deze constructie-aanwijzingen hebben betrekking op steigers tot 30 in hoogte en die van maximaal 3 vloeren zijn voorzien, waarvan slechts één vloer wordt belast. Er wordt onderscheid gemaakt in zware en lichte steigers.
@ -2288,7 +2288,7 @@ d. Verlengen van doorlopende schoren geschiedt door zogenaamde parallelkoppeling
Werkvloeren zijn over de gehele breedte zo dichtgelegd, dat doorvallen van materialen en gereedschappen niet mogelijk is.
a. Indien twee steigervlakken elkaar snijden  bijvoorbeeld op een hoek van een bouwwerk  loopt elke werkvloer door tot deze rust op de ligger van het andere (buitenste) steigervlak.
a. Indien twee steigervlakken elkaar snijden bijvoorbeeld op een hoek van een bouwwerk loopt elke werkvloer door tot deze rust op de ligger van het andere (buitenste) steigervlak.
b. Het opwaaien, opwippen en verschuiven van de steigerplanken wordt voorkomen.
c. Van metalen werkvloeren is de draagkracht door een berekening aangetoond.
d. Onder werkvloeren boven 6 m hoogte is op maximaal 2,5 m daaronder een dichtgelegde schrikvloer aangebracht van dezelfde breedte en constructie als de werkvloer.
@ -2327,7 +2327,7 @@ Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgeslot
### Artikel 7.9
Werknemers komen in de onmiddellijke nabijheid van een arbeidsmiddel als bedoeld in artikel 7.9, wanneer de afstand van lichaamsdelen tot oppervlakken met een zeer hoge of zeer lage temperatuur kleiner is dan de minimum afstanden genoemd in NEN-EN 294:1994 "Veiligheid van machines  Veiligheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de bovenste ledematen-", of NEN-EN 811:1996 "Veiligheid van machines  Veihgheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de onderste ledematen".
Werknemers komen in de onmiddellijke nabijheid van een arbeidsmiddel als bedoeld in artikel 7.9, wanneer de afstand van lichaamsdelen tot oppervlakken met een zeer hoge of zeer lage temperatuur kleiner is dan de minimum afstanden genoemd in NEN-EN 294:1994 "Veiligheid van machines Veiligheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de bovenste ledematen-", of NEN-EN 811:1996 "Veiligheid van machines Veihgheidsafstanden ter voorkoming van het bereiken van gevaarlijke zones met de onderste ledematen".
Indien de kans op aanraking, aldus gedefinieerd, niet kan worden voorkomen mogen de oppervlakte temperaturen niet hoger zijn dan de toelaatbare grenswaarde van NEN-EN 563:1997 "Veiligheid van machines. Temperaturen van aan te raken oppervlakken Ergonomische gegevens om temperatuur-grenswaarden voor hete oppervlakken vast te stellen" en niet lager zijn dan 20°C.
@ -2339,7 +2339,7 @@ Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgeslot
Een bedieningssysteem is veilig, als bedoeld in artikel 7.13 eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit indien het:
a. voldoet aan het gestelde in NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines  Onderdelen van besturingssystemen met een veiligheidsfunctie  Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen",
a. voldoet aan het gestelde in NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines Onderdelen van besturingssystemen met een veiligheidsfunctie Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen",
b. zodanig is uitgevoerd dat bediening steeds mogelijk blijft in situaties waarbij het bedieningssysteem niet, zoals voorgeschreven in artikel 7.13, vijfde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit buiten de gevaarlijke zone kan worden geplaatst.
Verplaatsbare bedieningssystemen, waardoor bedienend personeel een gevaarlijke zone van een arbeidsmiddel met enig lichaamsdeel kan bereiken of kan binnengaan vereisen nadere maatregelen om dat tegen te gaan.
@ -2350,19 +2350,19 @@ Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgeslot
### Artikel 7.14
Aan het gestelde in artikel 7.14, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan indien het bedieningssysteem van het arbeidsmiddel zodanig is uitgevoerd dat dit voor wat betreft het in werking stellen voldoet aan de desbetreffende bepalingen in NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines  Onderdelen van besturingssystemen met een veiligheidsfunctie  Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".
Aan het gestelde in artikel 7.14, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan indien het bedieningssysteem van het arbeidsmiddel zodanig is uitgevoerd dat dit voor wat betreft het in werking stellen voldoet aan de desbetreffende bepalingen in NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines Onderdelen van besturingssystemen met een veiligheidsfunctie Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
### Artikel 7.15
Aan het gestelde in artikel 7.15, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan, indien het bedieningssysteem van het arbeidsmiddel zodanig is uitgevoerd dat dit voor wat betreft het stopzetten voldoet aan de desbetreffende bepalingen van NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines  Onderdelen van besturingssystemen met een veihgheidsfunctie  Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".
Aan het gestelde in artikel 7.15, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan, indien het bedieningssysteem van het arbeidsmiddel zodanig is uitgevoerd dat dit voor wat betreft het stopzetten voldoet aan de desbetreffende bepalingen van NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines Onderdelen van besturingssystemen met een veihgheidsfunctie Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
### Artikel 7.16
Aan het gestelde in artikel 7.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan, indien een noodstopvoorziening is aangebracht in de gevallen zoals omschreven in de relevante artikelen van NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines  Onderdelen van besturingssystemen met veiligheidsfunctie  Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".
Aan het gestelde in artikel 7.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voldaan, indien een noodstopvoorziening is aangebracht in de gevallen zoals omschreven in de relevante artikelen van NEN-EN 954-1:1997 "Veiligheid van machines Onderdelen van besturingssystemen met veiligheidsfunctie Deel 1: Algemene ontwerpbeginselen".
Deze beleidsregel is niet van toepassing op transportmiddelen die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het op de Warenwet gebaseerde Warenwetbesluit machines.
@ -2619,6 +2619,10 @@ Het niet door een gecertificeerd persoon toezicht houden op het bewerken van pro
(artikel 4.8a, lid 2 Arbobesluit)
Het door een bedrijf arbeid verrichten bestaande uit het opsporen van conventionele explosieven, zonder in het bezit te zijn van een procescertificaat opsporen conventionele explosieven.
(artikel 4.8b, lid 2 Arbobesluit)
Het niet begeleiden door een gecertificeerde arbeidshygiënist of veiligheidskundige van het afgraven, opslaan, vervoeren, ter beschikking stellen of reinigen van asbesthoudende grond.
(artikel 4.45a, lid 1, Arbobesluit)
@ -2631,17 +2635,57 @@ Wijzigingen in het gebruik van asbest niet schriftelijk hebben gemeld aan de Arb
(artikel 4.49, lid 2, Arbobesluit)
Het slopen van asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.
Het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten zijn verwerkt zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.54, lid 3, Arbobesluit)
(artikel 4.54, lid 2, Arbobesluit)
Het niet beschikken over een, overeenkomstig artikel 4.55 Arbobesluit opgesteld, schriftelijk werkplan ten aanzien van het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten uit gebouwen, constructies, apparaten, installaties en transportmiddelen.1)Dit feit kan alleen als direct beboetbaar feit ten laste worden gelegd als het heeft plaatsgevonden na 23 juli 2000.
Het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten uit bouwwerken of objecten zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.54, lid 4, Arbobesluit)
(artikel 4.54, lid 2, Arbobesluit)
Het slopen van asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten door of onder toezicht van een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid slopen asbest of crocidoliet.*
Het reinigen van de arbeidsplaats na het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten zijn verwerkt of na het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten uit bouwwerken of objecten zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.54, lid 5, Arbobesluit)
(artikel 4.54, lid 2, Arbobesluit)
Het opruimen van asbest of asbesthoudende producten danwel crocidoliet of crocidoliethoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen zonder (tijdige) melding aan de Arbeidsinspectie.
(artikel 4.54, lid 2, Arbobesluit)
Het voorafgaand aan een handeling als bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, onderdeel a, b of d, Arbobesluit, niet beschikken over een inventarisatierapport waarin de resultaten zijn neergelegd van de inventarisatie van de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten dan wel crocidoliet of crocidoliethoudende producten.
(artikel 4.54a, lid 1, Arbobesluit)
Het niet conform een deugdelijke schriftelijke werkmethode, gebaseerd op een doeltreffende beoordeling van het blootstellingsniveau, uitvoeren van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54b Arbobesluit.
(artikel 4.54c, lid 5, Arbobesluit)
Het verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit door een bedrijf dat niet in het bezit is van een certificaat voor asbestverwijdering.
(artikel 4.54d, lid 1, Arbobesluit)
Het niet beschikken over een vooraf opgesteld schriftelijk werkplan, overeenkomstig artikel 4.55 Arbobesluit, bij het verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit.
(artikel 4.54d, lid 1, Arbobesluit)
Het bij een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf niet werkzaam zijn van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het verwijderen van asbest en crocidoliet.
(artikel 4.54d, lid 2, Arbobesluit)
Het verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit zonder voortdurend toezicht van (of niet door) een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het verwijderen van asbest en crocidoliet.*
(artikel 4.54d, lid 3, Arbobesluit)
Het mede verrichten van de handelingen bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit door een persoon die niet in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest en crocidoliet.*
(artikel 4.54d, lid 4, Arbobesluit)3Artikel 4,54d, vierde lid, is volgens artikel 9.37b Arbobesluit tot 1 januari 2008 niet van toepassing en tot die datum dus ook niet beboetbaar.
Het voorafgaand aan een handeling bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit, niet beschikken over een afschrift van het inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, Arbobesluit.
(artikel 4.54d, lid 5, Arbobesluit)
Het niet beschikken over een, overeenkomstig artikel 4.55 Arbobesluit opgesteld, schriftelijk werkplan door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, Arbobesluit, voordat wordt aangevangen met de handelingen, bedoeld in artikel 4.54, eerste lid, Arbobesluit.
(artikel 4.55, lid 1, Arbobesluit)
Het werken met producten die niet voldoen aan de criteria genoemd in artikel 4.32a, lid 3 tot en met 6, Arboregeling bij werkzaamheden waarvoor dit op grond van artikel 4.32a, lid 1, Arboregeling (lijmen en verven in binnensituaties), niet is toegestaan.