2006-08-02 | BWBR0018639 | Beleidsregel criteria regionale arrangementen schooljaren 2005–2006 en 2006–2007, verlenging Toetsingskader Plan van Scholen 2005–2007, enz.

This commit is contained in:
Coornhert 2006-08-02 12:00:00 +00:00
parent 1180f61216
commit ac32899043

View file

@ -370,383 +370,143 @@ Voor de inwerkingtreding en geldigheidsduur van dit hoofdstuk verwijs ik u naar
### . Algemene toelichting
In het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer op 25 mei 2005 is gesproken over de uitwerkingsnotitie grotere planningsvrijheid voortgezet onderwijs. Bij die gelegenheid heeft de Kamer ingestemd met de beleidsmatige hoofdlijnen van een wetswijziging op het gebied van de voorzieningenplanning vo. De nieuwe wetgeving zal naar verwachting in 2006 in het Staatsblad worden geplaatst. Gelet op dit perspectief ligt het in de rede om de huidige lagere regelgeving zoveel mogelijk ongewijzigd te laten. De organisaties voor bestuur en management hebben hiermee ingestemd. De enige wijzigingen zijn: De voorwaarden voor een regionaal arrangement die onder 1.3 van deze regeling in overeenstemming zijn gebracht met de criteria in de beleidsregel Regionale arrangementen schooljaren 20052006 en 20062007 en de stichtingsnorm voor praktijkonderwijs die, overeenkomstig de wijziging van de WVO met ingang van 6 april 2005 (Stb. 2005,14 +177), in bijlage 1 is opgenomen.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
### 1. Inleiding
#### 1.1. Mogelijkheden ex
De voorzieningenplanning van scholen onderwijsvoorzieningen naar soort van onderwijs, mede gelet op het verlangde onderwijs in het voortgezet onderwijs, is geregeld in de artikelen 64 tot en met 76 (Aanvang der bekostiging) en de artikelen 107 tot en met 112 (Beëindiging der bekostiging) van de wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Centrale doelstelling van de planning is hetgeen in artikel 65, eerste lid, is uiteengezet: te komen tot een evenwichtig geheel van betrokken gebied.
Deze beleidsregel bevat informatie over de beoordelingscriteria en procedures voor het verkrijgen van toestemming voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging (voor scholengemeenschappen én categoriale scholen) en de licentie leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) per 1 augustus 2006 voor scholen voor voortgezet onderwijs op grond van de artikelen 75 en 75c van de WVO.
In hoofdstuk 2 zijn de beoordelingscriteria opgenomen waaraan een verzoek voor verplaatsing (al dan niet als gevolg van samenvoeging), omzetting, splitsing, nevenvestiging voor scholengemeenschappen én categoriale scholen en de licentie leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) wordt getoetst. Het geheel van deze criteria wordt het toetsingskader ex artikel 75 WVO genoemd.
In hoofdstuk 3 is aangegeven wanneer en op welke wijze verzoeken voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en licentie leerwegondersteunend onderwijs moeten worden ingediend.
Een verzoek moet voor 1 november 2005 worden ingediend. Tevens wordt in dit hoofdstuk de procedure bij de behandeling van de verzoeken kort weergegeven.
In een bijlage zijn de adressen van de organisaties voor bestuur en management en de provincies opgenomen.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 1.2. Andere opties voor verandering van het onderwijsaanbod voor scholen voor vmbo
Naast de in hoofdstuk 2 vermelde mogelijkheden ex artikel 75 WVO zijn er voor scholen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) ook andere opties voor verandering van het onderwijsaanbod. Zo is er de mogelijkheid van het aanbieden van intrasectorale programmas (ISPs) en het laten verzorgen van onderdelen van het onderwijsprogramma van het vbo door en onder de verantwoordelijkheid van een andere vbo-school (de zogenaamde Zwolse variant). Beide opties zijn beschreven en toegelicht in een aparte beleidsregel3Regeling VO/BenB/2004/27865, Uitleg Gele Katern nr. 13 van 28 juli 2004 (Regeling criteria en procedures intrasectorale programmas en het laten verzorgen van onderwijsprogramma vbo door een andere school voor vbo per 1 augustus 2004)..
Aanpassing van het onderwijsaanbod van scholen voor voortgezet onderwijs kan ook plaatsvinden door opheffing en afbouw (artikel 107 t/m 112 van de WVO).
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 1.3. Regionale arrangementen in het vmbo
In een regionaal arrangement werken scholen voor vbo, scholengemeenschappen met tenminste vbo en/of AOCs samen om het vmbo-aanbod beter af te stemmen op de vraag van leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in de regio (mbo, bedrijfsleven). Hierbij kunnen de deelnemende scholen en instellingen, in afwijking van reguliere criteria, een grotere planningsvrijheid krijgen. De voorwaarden hiervoor zoals die meer expliciet worden beschreven in het Toetsingskader Plan van Scholen 20072009 zijn van overeenkomstige toepassing op verzoeken ex artikel 75 WVO (zie hoofdstuk I).
De belangrijkste voorwaarden worden hier weergegeven:
Er is sprake van een samenwerkingsovereenkomst met een looptijd van ten minste vijf jaar tussen scholen in de regio.
Als basis voor het regionaal arrangement wordt een regiovisie opgesteld.
Er moet sprake zijn van consensus in de regio (het voedingsgebied van de betreffende scholen); scholen die niet meedoen moeten in ieder geval een verklaring van geen bezwaar afgeven of bij ontbreken van een reactie daartoe in de gelegenheid zijn gesteld. Overigens zal in de lijn met de overige bepalingen in het toetsingskader een bezwaar van één van de omliggende scholen niet noodzakelijkerwijs tot afwijzing hoeven te leiden, tenzij die school aantoont dat er sprake is van substantieel leerlingenverlies4Een definitie van substantieel leerlingverlies is opgenomen in § 2.2 Algemene beoordelingscriteria bij goedkeuring op basis van het regionale arrangement.
Er moet blijken dat overleg is gepleegd met het mbo, de provincie en het regionale bedrijfsleven en dat is gekeken naar de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Betrokken gemeenten moeten verklaren in te stemmen met eventuele gevolgen voor de huisvesting van een regionaal arrangement.
Een verzoek mag gelet op het totale effect van de samenwerkingsovereenkomst niet leiden tot extra kosten voor het Rijk.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
### 2. Toetsingskader verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs
#### 2.1. Inleiding
Voor verandering van het onderwijsaanbod van één of meer bestaande onderwijsvoorzieningen is de goedkeuring van de minister nodig. In dit hoofdstuk zijn de beoordelingscriteria voor het verkrijgen van toestemming voor verplaatsing van het onderwijsaanbod (al dan niet als gevolg van samenvoeging), omzetting, splitsing, nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs vermeld. De grondslagen voor deze beleidsregel zijn opgenomen in de artikelen 75 en 75c van de WVO.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 2.2. Algemene beoordelingscriteria
Evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen
Centrale doelstelling van de planning van onderwijsvoorzieningen is hetgeen in artikel 65, eerste lid, van de WVO is uiteengezet: te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen naar soort van onderwijs, mede gelet op het verlangde onderwijs in het betrokken gebied. De verzoeken worden in dit kader beoordeeld. Hierbij speelt het effect op omliggende scholen een belangrijke rol.
Openbaar onderwijs
De provincie beoordeelt of voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen (artikel 75, derde lid, van de WVO). De provincie toetst onder andere een verzoek tot omzetting of verplaatsing van een openbare school op dit onderdeel. De provincie heeft de mogelijkheid het schoolbestuur van een openbare school op te dragen het verzoek in te trekken. Schoolbesturen van openbare scholen die overwegen een verzoek voor omzetting of verplaatsing in te dienen, wordt geadviseerd hierover in een vroegtijdig stadium contact op te nemen met de provincie.
Substantieel leerlingenverlies
Een criterium voor het verkrijgen van toestemming voor verandering van het onderwijsaanbod door verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en dubbelaanbod (zie paragraaf 2.6.5.) is dat de aangevraagde verandering niet mag leiden tot substantieel leerlingenverlies op de omliggende scholen.
Substantieel leerlingenverlies betekent meer dan 10% verlies aan leerlingen voor dezelfde schoolsoort of afdeling. Wanneer het leerlingenverlies er toe zal leiden dat de school of scholengemeenschap waarvan de desbetreffende schoolsoort of afdeling deel uitmaakt onder de opheffingsnorm zal geraken, zal dit in het algemeen leiden tot het afwijzen van een verzoek.
Onder substantieel verlies wordt niet verstaan het mislopen van verwachte toekomstige leerlingengroei.
De verplichting van het aannemelijk maken van substantieel leerlingenverlies rust op de desbetreffende omliggende scholen.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792424-08-200501-08-2005
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 2.3. Verplaatsing
##### 2.3.1. Verplaatsing met meldingsplicht
Het staat het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap vrij de hoofd- en nevenvestiging te verplaatsen over een afstand van niet meer dan 3 kilometer (gemeten over de weg). Voorbeeld van zo'n verplaatsing is het betrekken van een ander schoolgebouw (bijvoorbeeld nieuwbouw). Een bovenbedoelde verplaatsing wordt geacht te zijn goedgekeurd als deze vóór 1 april 2006 schriftelijk is gemeld aan de Centrale financiën instellingen, BVO, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer.
De bovenomschreven vrijwillige verplaatsing van een nevenvestiging kan niet leiden tot extra bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.3.2. Verplaatsing waarvoor goedkeuring van de minister nodig is
Voor het verplaatsen van een school is goedkeuring van de minister nodig als het gaat om:
a. verplaatsing over een afstand van meer dan 3 kilometer (gemeten over de weg) van de hoofd- of nevenvestiging;
b. samenvoeging van scholen.
De beoordelingscriteria voor de desbetreffende verplaatsingen zijn:
1. Bij het verplaatsen van een school moet er een substantiële relatie bestaan tussen de wervingsgebieden van de oude en nieuwe plaats van vestiging. Zoals onder het kopje 2.2 ten aanzien van het begrip substantieel leerlingenverlies werd gemeld, is het eveneens wenselijk om het begrip substantiële relatie in wervingsgebieden te definiëren. Er is sprake van substantiële relatie in wervingsgebieden als de overlap in de desbetreffende postcodegebieden minimaal 30%bedraagt. De overlap wordt berekend op basis van de leerlingenbestanden per (volledig) postcodegebied van de oude en de nieuwe plaatsnaam.
2. Bij verplaatsing in het geval van samenvoeging moet er een substantiële relatie aanwezig zijn tussen de wervingsgebieden van de bij de samenvoeging betrokken scholen.
3. Bij het beoordelen van de verzoeken voor verplaatsing speelt ook het toekomstperspectief van de overige scholen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Op scholen van dezelfde soort in de omgeving die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de school die de verplaatsing verzoekt, mag als gevolg van de verplaatsing geen substantieel verlies van leerlingen optreden.
4. Bij verplaatsing moet de daarbij gevormde school op middellange (2012) en lange termijn (2017) worden bezocht door een aantal leerlingen dat in ieder geval niet lager is dan de vigerende opheffingsnorm voor5De opheffingsnormen voor scholen en scholengemeenschappen zijn in bijlage 1 behorende bij hoofdstuk III opgenomen. de desbetreffende school.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.3.3. Verplaatsing van scholen voor praktijkonderwijs
Op het verplaatsen van scholen voor praktijkonderwijs zijn de in paragraaf 2.3.1 genoemde criteria en de punten 3 en 4 van paragraaf 2.3.2. van toepassing. Daarnaast moeten er adviezen worden ingewonnen bij de besturen van scholen die deelnemen in de betrokken samenwerkingsverbanden.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.3.4. Samenvoeging van een school voor mavo met een Agrarisch Onderwijscentrum (AOC)
De wetgeving maakt een samenvoeging van een AOC met een categoriale school voor mavo mogelijk (zie artikel 2.6 van de WEB). De in de paragraaf 2.3.2 vermelde criteria zijn hierop van toepassing, met uitzondering van het criterium over de substantiële relatie in wervingsgebieden. In verband met de geografische spreiding van de AOC's is dit criterium genuanceerd. Er moet bij een desbetreffende samenvoeging een substantiële relatie in wervingsgebieden bestaan tussen de categoriale school voor mavo met minimaal één van de vbo-groen vestigingen van het AOC.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.3.5. Samenvoeging van een school voor mavo of vbo met een Regionaal Opleidingscentrum (ROC)
Samenvoeging van een reeds bestaande scholengemeenschap ROC-VO (zie eveneens artikel 2.6 van de WEB) met een categoriale school voor mavo of vbo is mogelijk. Hierop zijn de in de paragraaf 2.3.2 vermelde criteria van toepassing, met dien verstande dat er een substantiële relatie moet zijn tussen de VO-component van een ROC-VO en de school voor mavo of vbo die daarmee wordt samengevoegd.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.3.6. Dislocaties
Dislocaties zijn tijdelijk van aard en per definitie bedoeld voor het oplossen van huisvestingsnood. Er is dan ook een verklaring nodig van de betrokken gemeente dat de beoogde dislocatie bijdraagt aan het oplossen van een huisvestingsprobleem. Als uitgangspunt geldt dat dislocaties zo dicht mogelijk bij de hoofdvestiging moeten liggen. Voor het vormen van een dislocatie die op meer dan 3 kilometer afstand (over de weg gemeten) ligt van de hoofdvestiging, is de goedkeuring van de minister nodig.
Een locatie met de status nevenvestiging kan ten behoeve van dezelfde school niet tevens als dislocatie worden aangemerkt.
Het onderwijsaanbod op de dislocatie mag niet anders zijn dan het toegestane onderwijs op de hoofdvestiging waaraan de dislocatie is toegerekend.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat in dislocaties die zijn gelegen op meer dan 3 kilometer van de hoofdvestiging of nevenvestiging met spreidingsnoodzaak in principe het huisvesten van (instroom van) eerstejaars leerlingen niet kan worden toegestaan; dit in het kader van het evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 65 van de WVO.
Bij verzoeken voor het vormen van een dislocatie die op meer dan 3 kilometer afstand ligt van de hoofdvestiging worden dezelfde criteria gehanteerd als beschreven in paragraaf 2.6.5 (Dubbelaanbod).
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 2.4. Omzetting (verandering van de richting)
Er is in deze beleidsregel sprake van omzetting als de richting (denominatie) van een school verandert. Het gaat hierbij om verandering van openbaar onderwijs in bijzonder onderwijs of omgekeerd, verandering van richting binnen het bijzonder onderwijs (kleurverschieten) en uitbreiding van de richting. Een omzetting kan gepaard gaan met een institutionele samenvoeging van scholen.
De beoordelingscriteria voor omzetting zijn:
1. De school moet na omzetting tenminste voldoen aan de in de artikelen 107 en 108 van de WVO vermelde opheffingsnorm. De berekening van het leerlingenpotentieel dient te geschieden door middel van een schoolprognose voor de middellange en lange termijn.
2. Bij het beoordelen van de verzoeken speelt ook het toekomstperspectief van de overige scholen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Op scholen van dezelfde soort in de omgeving die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de school die de omzetting aanvraagt, mag geen substantieel verlies van leerlingen optreden.
3. Er moet voldoende zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen. Bij de beoordeling van een verzoek waarbij openbaar onderwijs is betrokken, heeft de provincie een bestuurlijke rol. Zie hiervoor artikel 75, derde lid, van de WVO.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 2.5. Splitsing
Er kunnen twee typen splitsingen worden onderscheiden:
a. een afdeling, school of scholengemeenschap wordt gesplitst waardoor er een tweede identieke afdeling, school of scholengemeenschap ontstaat (celdeling);
b. een afdeling of school wordt ontkoppeld van een school of scholengemeenschap (ontkoppeling).
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.5.1. Splitsing in de zin van celdeling
Voor uitbreiding van het aantal onderwijsvoorzieningen is in principe de procedure Plan van Scholen (artikelen 64 tot en met 74 van de WVO) de geëigende weg. Dit laat echter onverlet de mogelijkheid om op grond van artikel 75, tweede lid, van de WVO een splitsing in de zin van celdeling te realiseren. Een dergelijke splitsing is slechts een alternatief indien sprake is van uitbreiding met een voorziening waarbij:
de aangevraagde voorziening aan de stichtingsnorm conform artikel 69, eerste lid, van de WVO voldoet.
artikel 69, derde lid, van de WVO
6
In artikel 69, derde lid, van de WVO is opgenomen dat leerlingen voor wie plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een gelijksoortige school waar het verlangde onderwijs wordt gegeven, buiten beschouwing moeten blijven bij de bepaling of de te stichten school/afdeling aan de stichtingsnorm voldoet.
stichting via het Plan van Scholen verhindert, waarbij het juist de school of één van de scholen als bedoeld in artikel 69, derde lid, van de WVO is die uitbreiding met een voorziening wenst.
Met andere woorden: een school of afdeling heeft zoveel leerlingen dat splitsing wordt gewenst en verdeling van de leerlingen binnen het wervingsgebied over twee scholen of afdelingen plaats zal vinden.
De beoordelingscriteria om tot goedkeuring over te kunnen gaan:
1. De te splitsen school of afdeling moet ook op lange termijn minimaal tweemaal het aantal leerlingen van de desbetreffende stichtingsnorm tellen. Hierbij wordt een schoolprognose en niet een planprocedurele prognose gehanteerd.
2. De te splitsen school / afdeling en de afgesplitste school / afdeling moeten ook op lange termijn blijven voldoen aan de stichtingsnorm.
3. Omliggende scholen mogen door de splitsing ook op lange termijn niet onder de stichtingsnorm komen.
4. Bij het beoordelen van de verzoeken speelt ook het toekomstperspectief van de overige scholen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Op scholen van dezelfde soort in de omgeving die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de school die de splitsing aanvraagt, mag geen substantieel verlies van leerlingen optreden.
5. De splitsing moet voor het overige voldoen aan de criteria zoals vastgelegd in het toetsingskader voor het Plan van Scholen 20072009 (zie hoofdstuk II).
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.5.2. Splitsing in de zin van ontkoppeling
Het gaat hier om de mogelijkheid om een afdeling of school af te splits en (te ontkoppelen) van een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs. Hiervoor geldt in principe het toetsingskader zoals bij verplaatsing en nevenvestiging is uiteengezet.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.5.3. Splitsing in het praktijkonderwijs
Een verzoek voor splitsing van een school of afdeling voor praktijkonderwijs dient te voldoen aan de in de paragrafen 2.5.1 en 2.5.2 genoemde criteria. Daarnaast moeten er adviezen worden ingewonnen bij de besturen van scholen die deelnemen in de betrokken samenwerkingsverbanden.
Zie voetnoot 6 wat betreft de stichtingsnormen voor het praktijkonderwijs.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.5.4. Bijlage bij het verzoek tot splitsing
Bij een verzoek voor splitsing moet de school prognoses leveren die inzicht geven in:
De huidige en toekomstige (lange termijn) omvang van de te splitsen school of afdeling.
De toekomstige omvang (lange termijn) van de afgesplitste nieuwe school of afdeling in de na splitsing ontstane situatie.
De toekomstige omvang (lange termijn) van de afgesplitste oude school of afdeling in de na splitsing ontstane situatie.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 2.6. Nevenvestiging
##### 2.6.1. Inleiding
Een school of scholengemeenschap is gevestigd op één hoofdlocatie, de hoofdvestiging. Daarnaast kunnen aan een school of scholengemeenschap één of meer andere permanente locaties zijn verbonden: nevenvestigingen. Elke andere locatie wordt beschouwd als een dislocatie. Dislocaties hebben per definitie een tijdelijk karakter omdat deze in stand worden gehouden op grond van huisvestingsnood en overgangssituaties (bijvoorbeeld afbouw bij verplaatsing veelal in verband met samenvoeging). Meer informatie over dislocaties is te vinden in de paragraaf 2.3.6 (Dislocaties).
Artikel 75, vijfde lid, van de WVO voorziet in de mogelijkheid op grond van bijzondere omstandigheden en onder door de minister te stellen voorwaarden, nevenvestigingen in aanmerking te brengen voor bekostiging. De vergoeding voor het in de desbetreffende nevenvestiging verzorgde onderwijs wordt verstrekt in de totale vergoeding van de school of scholengemeenschap.
Een nevenvestiging kan ontstaan doordat, als gevolg van de samenvoeging per 1 augustus 2006, de hoofdvestiging van een voorheen zelfstandige school voor voortgezet onderwijs als extra vestigingspunt van die scholengemeenschap in stand wordt gehouden (paragraaf 2.6.2). Daarnaast kan een nevenvestiging worden gevormd door een school of een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs (paragraaf 2.6.3).
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.6.2. Vorming van een nevenvestiging door verplaatsing en samenvoeging
Er is uitsluitend de mogelijkheid van vorming van een nevenvestiging door verplaatsing en samenvoeging als alle onderstaande bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 75, vijfde lid, van de WVO zich voordoen en aan de criteria voor verplaatsing en samenvoeging wordt voldaan.
Bijzondere omstandigheden:
1. Een nevenvestiging kan ontstaan doordat, als gevolg van de samenvoeging per 1 augustus 2006, de hoofdvestiging van een voorheen zelfstandige school voor voortgezet onderwijs als extra vestigingspunt van die scholengemeenschap in stand wordt gehouden. Indien, om huisvestingstechnische redenen, in het kader van de samenvoeging deze voormalige hoofdvestiging wordt afgestoten, bestaat de mogelijkheid een andere locatie dan de voormalige hoofdvestiging als nevenvestiging goed te keuren. Daarnaast kan een nevenvestiging ontstaan door verplaatsing van bestaande nevenvestigingen (bijvoorbeeld in verband met het betrekken van een ander gebouw) of door splitsing in de zin van celdeling.
2. Een nevenvestiging kan in stand worden gehouden door:
een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs
een scholengemeenschap AOC-mavo;
een scholengemeenschap ROC-VO waaraan zowel een school voor mavo als een school voor vbo is verbonden;
een categoriale school voor voortgezet onderwijs;
3. In een nevenvestiging wordt in principe slechts de basisvorming gegeven. Dit betekent dat de instroom van leerlingen in de school of scholengemeenschap niet alleen in de hoofdvestiging van de school of scholengemeenschap maar ook in de nevenvestiging plaatsvindt. Op de nevenvestiging kan voorts afsluitend onderwijs (leerjaar 4 en hoger) worden aangeboden indien dit onderwijs, voor de samenvoeging, ook werd aangeboden op de school die tot nevenvestiging is omgevormd en dit afsluitend onderwijs niet tevens op de hoofdvestiging wordt aangeboden, tenzij dat voor de samenvoeging ook reeds het geval was.
4. Bij de op 1 augustus 2006 zelfstandige school, die als nevenvestiging in aanmerking wil komen, moet er voldoende perspectief bestaan dat de beoogde nevenvestiging op korte termijn een omvang van tenminste de opheffingsnorm van de voorheen zelfstandige school (zie bijlage 1) zal hebben (bijvoorbeeld 240 leerlingen voor een categoriale mavo).
Omdat de vorming van een in deze paragraaf bedoelde nevenvestiging gepaard gaat met de samenvoeging van één of meer scholen, is er tevens sprake van verplaatsing zoals bedoeld in artikel 75, tweede lid, van de WVO. De volgende criteria zijn daarom eveneens van toepassing.
5. Bij verplaatsing in het geval van samenvoeging moet er een substantiële relatie aanwezig zijn tussen de wervingsgebieden van de bij de samenvoeging betrokken scholen.
6. Bij het beoordelen van de verzoeken voor verplaatsing speelt ook het toekomstperspectief van de overige scholen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Op de scholen van dezelfde soort in de omgeving die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de school de nevenvestiging aanvraagt, mag geen substantieel verlies van leerlingen optreden.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.6.3. Vorming van een nieuwe nevenvestiging voor scholengemeenschappen en categoriale scholen
Met inachtneming van de onderstaande criteria kan een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van een nieuwe nevenvestiging.
De criteria zijn:
1. De locatie van de nieuwe nevenvestiging moet qua wervingsgebied een te verwachten substantiële relatie hebben met de scholengemeenschap of categoriale school die de desbetreffende nevenvestiging aanvraagt.
2. Aan de nieuwe nevenvestiging wordt uitsluitend de basisvorming gegeven. Dit betekent dat de instroom van leerlingen in de scholengemeenschap of categoriale school niet alleen in de hoofdvestiging van de scholengemeenschap of categoriale school plaatsvindt, maar ook in de nevenvestiging.
3. Bij het beoordelen van een verzoek voor een nieuwe nevenvestiging speelt ook het toekomst- perspectief van de overige scholen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Er mag geen substantieel verlies van leerlingen optreden bij omliggende scholen van dezelfde soort die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de scholengemeenschap of categoriale school die de nieuwe nevenvesting aanvraagt.
4. De scholengemeenschap of categoriale school waaraan de nieuwe nevenvestiging wordt verbonden, moet zonder het meetellen van de leerlingen op de nieuwe nevenvestiging blijven voldoen aan de stichtingsnorm. Op lange termijn dient minimaal te worden voldaan aan de onderstaande getalscriteria:
Scholengemeenschap vbo/mavo:
totaal 765 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 250
Scholengemeenschap havo/atheneum*)
totaal 865 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 240
Scholengemeenschap mavo/havo/atheneum*)
totaal 1120 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 300
Scholengemeenschap vbo/mavo/havo/atheneum*)
totaal 1590 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 450
Gymnasium:
totaal 625 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 270;
Atheneum:
totaal 595 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 255;
Lyceum:
totaal 805 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 345;
Havo:
totaal 630 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 270;
Mavo:
totaal 455 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 195;
Praktijkonderwijs:
Totaal 210, waarvan op de nevenvestiging 90;
vbo bestaande uit één afdeling uit de sector Techniek en één afdeling uit de sector Zorg en Welzijn:
totaal 560 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 240;
vbo bestaande uit twee afdelingen uit de sector Economie:
totaal 560 leerlingen, waarvan op de nevenvestiging 240;
vbo bestaande uit de afdeling Landbouw en natuurlijke omgeving uit de sector Landbouw:
totaal 455 leerlingen, waarvan de op nevenvestiging 195.
*) Voor lyceum geldt dezelfde norm als voor atheneum.
Teneinde een integrale afweging mogelijk te maken wordt door de aanvrager een schriftelijk regioplan overgelegd. Dit regioplan omvat in ieder geval:
Een planprocedurele prognose van het aantal leerlingen op lange termijn voor de nieuwe nevenvestiging (gebaseerd op PRIMOS-cijfers; nadere informatie verkrijgbaar bij de besturenorganisaties, provincies en CFI).
Een schoolprognose van het totaal aantal leerlingen op lange termijn (2017) voor de scholengemeenschap waaraan de nieuwe nevenvestiging moet worden verbonden (gebaseerd op PRIMOS-cijfers; nadere informatie verkrijgbaar bij organisaties voor bestuur en management, provincies en CFI).
Inzicht in de eventuele negatieve effecten voor omliggende scholen van dezelfde soort voor het schooljaar waarin de start van de nieuwe nevenvestiging wordt aangevraagd. Als er wel negatieve effecten zijn te verwachten, zijn daarover dan afspraken gemaakt etc. De (goed onderbouwde) berekening van de effecten op omliggende scholen wordt geleverd door de aanvrager.
De (goed onderbouwde) reacties van besturen van de omliggende scholen op de door de aanvrager geleverde berekening van de effecten op de omliggende scholen.
Een overzicht van betrokkenen bij de totstandkoming van het regioplan (welke instanties zijn ingeschakeld; zijn de gemeente(n), provincie en besturenorganisaties betrokken bij de totstandkoming van het plan?).
Overige argumentatie ter onderbouwing van het plan.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.6.4. Nevenvestiging waarbij sprake is van extra personele en materiële bekostiging
In bepaalde gevallen komen nevenvestigingen in aanmerking voor extra vergoeding. De desbetreffende voorwaarden zijn opgenomen in de regeling VO/BB&A-2003/34120 (Regeling aanvullende bekostiging bij nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak in het voortgezet onderwijs; Uitleg Gele katern nr. 18 van 30 juli 2003).
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.6.5. Uitbreiding onderwijsaanbod aan nevenvestiging via dubbelaanbod
Op een nevenvestiging als bedoeld in artikel 75 van de WVO kan in principe alleen de basisvorming worden aangeboden. Het aanbieden van afsluitend onderwijs (leerjaar 4 en hoger) op een nevenvestiging is slechts mogelijk indien dit onderwijs ook werd aangeboden op de school die tot nevenvestiging is omgevormd en dit afsluitend onderwijs niet tevens op de hoofdvestiging wordt aangeboden, tenzij dat voor de samenvoeging ook reeds het geval was. Door de vorming van een nevenvestiging mag er dus ten opzichte van de situatie voor samenvoeging géén uitbreiding plaatsvinden van het aantal locaties waar afsluitend onderwijs van de betreffende onderwijssoort wordt aangeboden.
In afwijking van bovenstaande is het mogelijk om in bepaalde situaties toestemming te verkrijgen om in reeds goedgekeurde nevenvestigingen afsluitend onderwijs te mogen aanbieden van schoolsoorten die niet aanwezig waren op het moment dat de nevenvestiging door samenvoeging ontstond. Dit onderwijsaanbod wordt dubbelaanbod genoemd. Een desbetreffend verzoek strekt ertoe de leerlingen evenwichtiger te verdelen over hoofdvestiging en nevenvestiging. Bij het beoordelen van de verzoeken voor dubbelaanbod speelt ook het toekomstperspectief van de overige scholen of scholengemeenschappen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Op scholen van dezelfde soort in de omgeving mag als gevolg van dubbelaanbod geen substantieel verlies van leerlingen optreden. Door de aanvrager dient te worden aangegeven wat de reactie van de betrokken gemeente(n) is op het verzoek.
Teneinde een integrale afweging mogelijk te maken wordt door de aanvrager een schriftelijk regioplan overlegd. Dit plan bevat in ieder geval:
inzicht in de eventuele negatieve effecten voor omliggende scholen voor het schooljaar waarin de start voor dubbelaanbod wordt aangevraagd. Indien er eventueel wel negatieve effecten zijn te verwachten, zijn daarover dan afspraken gemaakt etc. De (goed onderbouwde) berekening van de effecten op omliggende scholen wordt geleverd door de aanvrager.
de (goed onderbouwde) mening van de besturen van omliggende scholen in de regio inzake een verzoek voor dubbelaanbod.
een document waaruit blijkt hoe de bij een verzoek betrokken gemeente uit het oogpunt van huisvesting denkt over de wenselijkheid van dubbelaanbod.
een overzicht van betrokkenen bij de totstandkoming van het plan (welke instanties zijn ingeschakeld; zijn de gemeente(n), provincie en besturenorganisaties betrokken bij de totstandkoming van het plan?).
overige argumentatie ter onderbouwing van het plan.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.6.6. Nevenvestiging zorg
Bij de omzetting van scholen en afdelingen voor svo/lom en svo/mlk naar leerwegondersteunend en praktijkonderwijs zijn op basis van artikel 19, vierde lid, van de WVO zogenaamde nevenvestigingen zorg gevormd. Voor deze nevenvestigingen gelden andere regels dan voor de nevenvestigingen die zijn toegekend op grond van artikel 75, vijfde lid, van de WVO.
Op de nevenvestiging zorg kan uitsluitend praktijkonderwijs of leerwegondersteunend onderwijs worden aangeboden. Als het bevoegd gezag voornemens is op de nevenvestiging zorg een bredere instroom te realiseren, dient voorafgaand hieraan tevens de status nevenvestiging zoals bedoeld in artikel 75, vijfde lid, WVO te worden aangevraagd.
##### 2.6.7. Een of meer tijdelijke nevenvestigingen voor de theoretische leerweg voor één AOC
Binnen een regionaal arrangement kunnen met ingang van 1 augustus 2006 aan één AOC één of meer tijdelijke nevenvestigingen voor mavo worden gevormd op de erkende locaties voor vbo van dat AOC. Voorwaarde is dat het AOC gefuseerd is met een mavo. Bovendien moet de aanvrager bereid zijn de vereiste gegevens over het effect op de doorstroming in de beroepskolom en de groene invulling van de theoretische leerweg te verstrekken die nodig zijn voor de evaluatie van het experiment. Op deze wijze wordt vorm gegeven aan een experiment met een tijdelijke licentie voor de theoretische leerweg (mavo) aan een AOC. In overeenstemming met de AOC-Raad is voor het experiment reeds een geschikte kandidaat-AOC gevonden.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 2.7. Licentie leerwegondersteunend onderwijs
Op grond van artikel 75c, tweede lid, van de WVO is het mogelijk dat een school of scholengemeenschap in aanmerking komt voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs, de zgn. licentie leerwegondersteunend onderwijs.
In dit verband wordt een tweetal situaties onderscheiden, namelijk de aanvraag door een school of scholengemeenschap die tot nu toe niet over een licentie beschikt óf de aanvraag voor verbreding van de bestaande licentie.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.7.1. Scholen die een nieuwe licentie aanvragen (witte vlekken)
Voor de licentie toont de aanvrager aan te voldoen aan de volgende voorwaarden:
1. Een potentieel van tenminste 40 leerlingen dat door de RVC is of zal worden geïndiceerd. Bij de berekening van het potentieel zijn niet meegenomen leerlingen die binnen redelijke afstand wonen van omliggende scholen met leerwegondersteunend onderwijs van dezelfde denominatie en de gewenste schoolsoort als de aanvrager;
2. Het desbetreffende samenwerkingsverband heeft een positief advies uitgebracht.
Onder redelijke afstand wordt verstaan een afstand van 12 kilometer over de weg gemeten of drie kwartier reizen per openbaar vervoer.
Waar het gaat om de eilanden zal er soepel met het vereiste leerlingenpotentieel worden omgegaan.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.7.2. Verbreding reikwijdte bestaande licentie leerwegondersteunend onderwijs
Op grond van deze regeling kunnen scholen de reikwijdte van hun licentie leerwegondersteunend onderwijs verbreden dat wil zeggen dat scholen, resp. ROC-VO of AOCs die thans beschikken over een licentie leerwegondersteunend onderwijs, deze licentie op aanvraag voortaan breed mogen inzetten. Naast de verbreding naar (alle) vestigingen en/of erkende locaties met tenminste vbo of mavo, valt hieronder ook de verbreding van de lwoo-licentie naar alle leerwegen in het vmbo. Dit betekent dat de door de RVC geïndiceerde leerlingen na honorering van de aanvraag voor verbreding van de licentie op iedere vestiging van de school resp. erkende locatie van een ROC-VO of AOC met tenminste vbo of mavo en in alle leerwegen in aanmerking komen voor bekostiging als leerlingen leerwegondersteunend onderwijs.
Ook voor de verzoeken voor het verbreden van de licentie leerwegondersteunend onderwijs geldt de voorwaarde dat die zijn voorzien van een positief advies van het desbetreffende samenwerkingsverband.
De verzoeken onder 2.7.1 en 2.7.2 worden voor 1 november 2005 ingediend.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 2.8. Overige relevante informatie
##### 2.8.1. Toetsingskader in beperkte mate van toepassing op meerdere cursusjaren
Op verzoeken als bedoeld in artikel 75 WVO, waarbij uitsluitend in verband met de planning van huisvesting effectuering per 1 augustus 2007 of 2008 in plaats van 1 augustus 2006 wordt aangevraagd, kan reeds nu goedkeuring worden verkregen op basis van de criteria per 1 augustus 2006. Indien een verzoek betrekking heeft op een nieuwe nevenvestiging of op splitsing in de vorm van celdeling, kan deze termijn op verzoek van het bevoegd gezag worden verlengd tot uiterlijk 1 augustus 2010.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.8.2. Huisvestingsconsequenties met betrekking tot voorgenomen verplaatsingen, splitsing/celdeling en nieuwe nevenvestigingen
Per 1 januari 1997 is de verantwoordelijkheid voor de huisvesting voor het voortgezet onderwijs gedecentraliseerd naar de gemeenten.
Bij een voorgenomen verplaatsing van meer dan 3 kilometer ten opzichte van de hoofd- en nevenvestiging dienen de betrokken scholen minimaal één jaar voor de beoogde verplaatsing de desbetreffende gemeente(n) te informeren over de met de verplaatsing gepaard gaande verandering in leerlingenstromen. Bij verplaatsing binnen de 3 kilometer wordt aangeraden op dezelfde wijze tijdig de informatie aan de gemeente(n) te verschaffen (alhoewel dit niet verplicht is).
Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat aan een goedkeuring ex artikel 75 WVO niet automatisch (per 1 augustus 2006) rechten voor de huisvesting kunnen worden ontleend. Zo krijgt een gemeente 5 jaar de tijd om te voorzien in huisvesting voor een goedgekeurde nieuwe nevenvestiging (paragraaf 2.6.3). Dit is analoog aan de regeling die geldt voor het voorzien in huisvesting bij het stichten van onderwijs ex artikel 65 van de WVO. De termijn van 5 jaar geldt ook bij splitsing in de zin van celdeling (paragraaf 2.5.1).
Voor door een bestuur eventueel noodzakelijk geachte voorzieningen in de huisvesting wordt verwezen naar de bij de desbetreffende gemeente vigerende verordening.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
##### 2.8.3. Aansluiting bij samenwerkingsverband
Het bevoegd gezag van een onderwijsvoorziening voor mavo, vbo, een scholengemeenschap waarvan tenminste deel uitmaakt een school voor mavo en een school voor vbo, of van een school voor praktijkonderwijs is aangesloten bij een samenwerkingsverband. Een verplaatsing, al dan niet als gevolg van samenvoeging, splitsing en nevenvestiging kan leiden tot aansluiting bij een ander samenwerkingsverband.
Bij de gevraagde verandering van het onderwijsaanbod dient derhalve ook rekening te worden gehouden met de in de WVO opgenomen regels voor aansluiting bij een samenwerkingsverband (artikel 10h) en de nadere voorschriften voor samenwerkingsverbanden (artikel 11).
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
### 3. Aanvraagprocedure
#### 3.1. Indienen van een verzoek ex
Verplaatsing, omzetting, splitsing, de vorming van een nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs waarvoor de toestemming van de minister is vereist, kan uitsluitend plaatsvinden met ingang van een nieuw schooljaar (1 augustus).
Voor het verkrijgen van goedkeuring voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en licentie leerwegondersteunend onderwijs per 1 augustus 2006 (of eventueel 1 augustus 2007 of 1 augustus 2008: zie paragraaf 2.8.1) moet door het desbetreffende bevoegd gezag of de desbetreffende bevoegde gezagsorganen vóór 1 november 2005 een verzoek ex artikel 75, eerste, tweede of vijfde lid, en artikel 75c, tweede lid, van de WVO worden ingezonden.
Een verzoek moet worden gezonden naar:
Centrale Financiën Instellingen
BVO
Postbus 606
2700 ML Zoetermeer
Een verzoek kan uitsluitend worden ingediend met gebruikmaking van CFI-formulier 56962.
Het aanvraagformulier kan worden besteld door het inzenden van het plaketiket. Het kan ook worden gedownload via de website www.cfi.nl.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
#### 3.2. Procedure behandeling verzoeken
De door CFI ontvangen verzoeken worden, met het verzoek om advies, doorgestuurd naar de organisaties voor bestuur en management, de provincies en indien van toepassing het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
De adviesprocedure loopt tot medio maart 2006. Begin april 2006 worden de verzoeken besproken in het Overleg Plan van Scholen (OPS). Na de bespreking in het OPS wordt het definitief ambtelijk oordeel over de verzoeken opgesteld.
Voor de inwerkingtreding en geldigheidsduur van dit hoofdstuk verwijs ik u naar hoofdstuk IV van deze beleidsregel.
200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/27924200516122-08-200506-08-2005VO/B&B-2005/2792402-08-2006
## IV. Inwerkingtreding en Geldigheidsduur