2003-05-23 | BWBR0003482 | Algemeen militair ambtenarenreglement
This commit is contained in:
parent
897f8ff044
commit
acc1674df1
1 changed files with 58 additions and 20 deletions
|
|
@ -78,7 +78,7 @@ De commandant draagt er zorg voor dat een of meer exemplaren van dit besluit en
|
|||
|
||||
### Artikel 3a
|
||||
|
||||
De bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de hoofdstukken 7, 8, 10 en 11, kan door Onze Minister worden gemandateerd aan de directeur-generaal personeel van het ministerie van Defensie.
|
||||
De bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de hoofdstukken 7, 8, 10 en 11, kan door Onze Minister worden gemandateerd aan de directeur-generaal personeel en materieel van het ministerie van Defensie.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Aanstelling
|
||||
|
||||
|
|
@ -623,7 +623,7 @@ Ontslag om de reden, genoemd in artikel 39, tweede lid onder *f*, wordt pas verl
|
|||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
**1.** Ontslag om de reden als bedoeld in artikel 12g, derde lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931, kan slechts plaatsvinden met medewerking van Onze Minister-President dan wel, indien het de militair met een officiersrang betreft, op voordracht van Onze Minister-President en Onze Minister. Daaraan voorafgaand wordt het advies ingewonnen van een commissie, bestaande uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden.
|
||||
**1.** Ontslag om de reden als bedoeld in artikel 12g, tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931, kan slechts plaatsvinden met medewerking van Onze Minister-President dan wel, indien het de militair met een officiersrang betreft, op voordracht van Onze Minister-President en Onze Minister. Daaraan voorafgaand wordt het advies ingewonnen van een commissie, bestaande uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden.
|
||||
|
||||
**2.** De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie, bedoeld in het eerste lid worden bij koninklijk besluit benoemd op voordracht van Onze Minister-President en van Onze Minister. De taak, samenstelling en werkwijze van de commissie worden bij de instelling geregeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -659,13 +659,22 @@ Ontslag dat is verleend om een andere reden dan genoemd in artikel 39, tweede li
|
|||
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
Aan de militair aan wie ontslag wordt verleend, wordt een ontslagbrief uitgereikt, waarin wordt vermeld met toepassing van welke der in artikel 39 bedoelde ontslaggronden het ontslag wordt verleend, alsmede de datum van ingang van dat ontslag. Indien het ontslag bij koninklijk besluit is verleend, wordt bij wijze van ontslagbrief een afschrift van of een uittreksel uit het besluit uitgereikt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 51
|
||||
|
||||
**1.** Aan de militair aan wie ontslag wordt verleend nadat hij ten minste één jaar in werkelijke dienst is geweest, wordt op zijn verzoek de bevelhebber een getuigschrift uitgereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Het getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, vermeldt de duur van de dienstverhouding en de aard van de verrichte werkzaamheden, alsmede, doch alleen op verzoek van de militair, de wijze waarop hij die werkzaamheden heeft verricht.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het getuigschrift vermeldt:
|
||||
|
||||
a. de begindatum en einddatum van de dienstverhouding, alsmede de arbeidsduur per week;
|
||||
b. de aard van de verrichte werkzaamheden;
|
||||
c. de wijze waarop de militair zijn werkzaamheden heeft verricht;
|
||||
d. de grond waarop aan de militair ontslag is verleend.
|
||||
|
||||
**3.** De in lid 2, onderdelen c en d, genoemde gegevens worden slechts op verzoek van de militair in het getuigschrift vermeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
|
|
@ -2161,7 +2170,7 @@ a. uitkeringen op grond van artikel 123;
|
|||
b. inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf;
|
||||
c. uitkeringen krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (*Stb.* 1972, 313) of krachtens enige sociale verzekeringswet;
|
||||
d. uitkeringen wegens een particuliere verzekering ter zake van de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid;
|
||||
e. inkomsten op grond van een militaire pensioenwet met uitzondering van een bedrag, gelijk aan dat van het invaliditeitspensioen ingevolge artikel E 4 van de Algemene militaire pensioenwet, alsmede van de bijzondere invaliditeitsverhoging ingevolge de artikelen E 8 en E 9 van die pensioenwet of ingevolge een daarmede overeenkomende bepaling in de vroegere militaire pensioenwetten, die in die wet zijn genoemd.
|
||||
e. inkomsten ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen met uitzondering van een bedrag, gelijk aan dat van het invaliditeitspensioen, alsmede van de bijzondere invaliditeitsverhoging ingevolge die bepalingen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2230,31 +2239,60 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 131
|
||||
|
||||
**1.** De militair in werkelijke dienst wordt in beginsel eenmaal per 2 jaren beoordeeld omtrent de wijze waarop hij zijn functie heeft vervuld en omtrent zijn gedrag in relatie tot die functie. Indien een militair naast de uit zijn functie voortvloeiende werkzaamheden andere opgedragen werkzaamheden of diensten heeft verricht, wordt hij tevens beoordeeld omtrent de wijze waarop hij die werkzaamheden of diensten heeft verricht en omtrent zijn gedrag in relatie tot die werkzaamheden of diensten. De militair kan op grond van een bijzonder belang om een beoordeling verzoeken.
|
||||
**1.** Aan de wijze van functievervulling van de militair in werkelijke dienst en aan zijn gedrag in relatie tot zijn functie wordt ten minste een keer per jaar aandacht besteed door middel van het houden van een functioneringsgesprek. Indien een militair naast de uit zijn functie voortvloeiende werkzaamheden andere opgedragen werkzaamheden of diensten heeft verricht, wordt tevens aan de wijze waarop hij die werkzaamheden of diensten heeft verricht en aan zijn gedrag in relatie tot die werkzaamheden of diensten aandacht besteed.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het opmaken van een beoordeling van een militair in werkelijke dienst, behorende tot een groep militairen waarbij zulks naar door de bevelhebber gegeven voorwaarden in verband met het functietoewijzingsbeleid voor die groep noodzakelijk is, wordt tevens een verwachting opgesteld inzake zijn toekomstmogelijkheden.
|
||||
**2.** Aan het functioneringsgesprek wordt deelgenomen door de militair en diens functionele chef.
|
||||
|
||||
**3.** De beoordeling wordt in beginsel opgemaakt door een eerste en een tweede beoordelaar. Als eerste beoordelaar moet optreden de functionele chef van de te beoordelen militair. De tweede beoordelaar is in beginsel de commandant van de beoordeelde.
|
||||
**3.** Op verzoek van een van de deelnemers aan het functioneringsgesprek en met instemming van beide deelnemers kunnen een of meer andere personen aan het gesprek deelnemen.
|
||||
|
||||
**4.** De commandant kan bepalen dat bij het uitbrengen van een beoordeling, gelet op de vereiste deskundigheid, een personeelsbeoordelingsadviseur aan de beoordelaar wordt toegevoegd. Tevens wordt de beoordelaar op zijn verzoek of op het verzoek van de te beoordelen militair door een personeelsbeoordelingsadviseur bijgestaan.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
**5.** Een beoordelingstijdvak omvat ten minste 6 maanden en ten hoogste 2 jaren. Om een beoordeling te kunnen opmaken bedraagt de dienstverhouding tussen de eerste beoordelaar en de te beoordelen militair minimaal 6 maanden.
|
||||
Het functioneringsgesprek is ten minste gericht op de navolgende onderdelen:
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
a. het functioneren van de militair in de omgeving waarin hij zijn functie vervult, alsmede de functionele relatie tussen de militair en de functionele chef met betrekking tot de functie-uitoefening van de militair over de achterliggende periode. Hierbij komen in elk geval de volgende aspecten aan de orde:
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de militair:
|
||||
- de verhouding tussen de getoonde kennis en de vaardigheden, en de gestelde functie-eisen;
|
||||
- de vorderingen en de gedragingen;
|
||||
- de toetsing of en in hoeverre is voldaan aan eerder gemaakte afspraken;
|
||||
b. afspraken en aandachtspunten met betrekking tot de toekomstige functievervulling;
|
||||
c. de persoonlijke ontwikkeling in relatie tot de mogelijke loopbaanwensen van de militair en de algemene loopbaanpatronen;
|
||||
d. indien de militair de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt: de relatie tussen leeftijd en belastbaarheid en functievervulling.
|
||||
|
||||
a. wordt met de beoordeelde militair zijn beoordeling besproken;
|
||||
b. krijgt de beoordeelde militair een afschrift van zijn beoordeling uitgereikt;
|
||||
c. krijgt hij de gelegenheid zijn bedenkingen tegen één of meer waarderingen of omschrijvingen uit de omtrent hem opgemaakte beoordeling binnen 2 weken schriftelijk bij de tweede beoordelaar kenbaar te maken.
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
**7.** Nadat de beoordeling en in voorkomend geval de opgestelde toekomstverwachting door de commandant is vastgesteld, worden aan de beoordeelde afschriften verstrekt.
|
||||
a. De functionele chef legt een samenvatting van de inhoud van het gesprek alsmede de gemaakte afspraken en besproken aandachtspunten in het functioneringsgesprekformulier vast. Het formulier wordt voor een correcte weergave daarvan door de functionele chef en de militair ondertekend. De functionele chef verstrekt de militair een afschrift van het functioneringsgesprekformulier.
|
||||
|
||||
**8.** De bevelhebber kan op grond van doelmatigheidsoverwegingen ten aanzien van een individuele militair of door hem aan te wijzen groepen van militairen bepalen dat het bij of krachtens het eerste tot en met het zevende lid bepaalde geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft. In voorkomend geval kan de militiar om een beoordeling verzoeken.
|
||||
b. De afspraken en aandachtspunten worden opgelegd in het personeelsdossier van de betrokkene.
|
||||
|
||||
**9.** In gevallen dat een verwachting als bedoeld in het tweede lid wordt opgesteld, is het zesde lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** Onze Minister stelt beleidsregels ten aanzien van het houden van functioneringsgesprekken alsmede het functioneringsgesprekformulier, waarin ten minste de in het vierde lid genoemde onderdelen zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
**10.** De bevelhebber stelt de beoordelingsschaal en -lijst vast volgens welke de militair wordt beoordeeld.
|
||||
### Artikel 131a
|
||||
|
||||
**1.** Indien de commandant of de militair in werkelijke dienst dit wenselijk vindt, wordt een beoordeling opgemaakt. De militair dient daartoe een aanvraag in bij de commandant.
|
||||
|
||||
**2.** De bevelhebber kan opdracht geven tot het opmaken van een beoordeling.
|
||||
|
||||
**3.** De militair wordt beoordeeld omtrent de wijze waarop hij zijn functie heeft vervuld en omtrent zijn gedrag in relatie tot die functie, gedurende het beoordelingstijdvak. Indien een militair naast de uit zijn functie voortvloeiende werkzaamheden andere opgedragen werkzaamheden of diensten heeft verricht, wordt hij tevens omtrent de wijze waarop hij die werkzaamheden of diensten heeft verricht en omtrent zijn gedrag in relatie tot die werkzaamheden of diensten beoordeeld. De beoordeling is gebaseerd op concrete handelingen, resultaten en gedragingen van de te beoordelen militair.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het opmaken van een beoordeling kan een toekomstverwachting worden opgemaakt.
|
||||
|
||||
**5.** Het beoordelingstijdvak omvat een periode van ten minste zes maanden en ten hoogste twee jaren. Per kalenderjaar kan maximaal één beoordeling worden opgemaakt.
|
||||
|
||||
**6.** De beoordeling wordt opgemaakt door een eerste en in beginsel een tweede beoordelaar. Als eerste beoordelaar treedt op de functionele chef van de militair. De tweede beoordelaar is de commandant van de militair dan wel een door de commandant aangewezen functionaris. In het geval de commandant is opgetreden als eerste beoordelaar, treedt in beginsel als tweede beoordelaar op de functionele chef van de commandant.
|
||||
|
||||
**7.** Gelet op de vereiste deskundigheid kan bij het uitbrengen van een beoordeling een personeelsbeoordelingsadviseur aan de beoordelaar worden toegevoegd.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
Na het opmaken van de beoordeling van de militair:
|
||||
|
||||
a. wordt met de militair zijn beoordeling besproken;
|
||||
b. krijgt de militair een afschrift van zijn beoordeling uitgereikt;
|
||||
c. krijgt hij de gelegenheid zijn bedenkingen tegen de omtrent hem opgemaakte beoordeling binnen 2 weken schriftelijk bij de tweede beoordelaar kenbaar te maken, tenzij er geen tweede beoordelaar is; indien er geen tweede beoordelaar is, worden de bedenkingen kenbaar gemaakt bij de eerste beoordelaar.
|
||||
|
||||
**9.** Nadat de beoordeling door de tweede beoordelaar is vastgesteld, wordt aan de militair een afschrift verstrekt. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing indien er sprake is van één beoordelaar.
|
||||
|
||||
**10.** Onze Minister stelt beleidsregels ten aanzien van het opmaken en vaststellen van beoordelingen alsmede het beoordelingsformulier volgens welke de militair wordt beoordeeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 132
|
||||
|
||||
|
|
@ -2435,7 +2473,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 163
|
||||
|
||||
Dit besluit kan worden aangehaald als "Algemeen militair ambtenarenreglement", afgekort AMAR.
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als "Algemeen militair ambtenarenreglement", afgekort AMAR.
|
||||
|
||||
### Artikel 164
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue