2012-01-01 | BWBR0004044 | Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

This commit is contained in:
Coornhert 2012-01-01 12:00:00 +00:00
parent 93713063ba
commit ad0903fd6f

View file

@ -124,34 +124,34 @@ c. de alleenstaande werkloze werknemer en de thuisinwonende werkloze werknemer z
De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat:
a. voor de werkloze werknemer en de echtgenoot die beiden 21 jaar of ouder zijn, de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 659,93;
a. voor de werkloze werknemer en de echtgenoot die beiden 21 jaar of ouder zijn, de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 668,21;
b. deze voor de werkloze werknemer en de echtgenoot, waarvan een of elk van beiden jonger dan 21 jaar is, de som bedraagt van de grondslagen die voor elk van hen als een alleenstaande werknemer of een thuisinwonende werkloze werknemer zou gelden doch ten hoogste de grondslag als bedoeld in onderdeel *a*.
**4.**
De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat deze:
a. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 21 jaar of ouder met een of meer kinderen netto gelijk is aan € 1.187,87;
b. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 23 jaar of ouder zonder kinderen netto gelijk is aan € 923,90;
c. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 22 jaar zonder kinderen netto gelijk is aan € 761,50;
d. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 21 jaar zonder kinderen netto gelijk is aan € 667,43.
a. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 21 jaar of ouder met een of meer kinderen netto gelijk is aan € 1.202,78;
b. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 23 jaar of ouder zonder kinderen netto gelijk is aan € 935,49;
c. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 22 jaar zonder kinderen netto gelijk is aan € 770,04;
d. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 21 jaar zonder kinderen netto gelijk is aan € 676,10.
**5.**
De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat deze:
a. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar met een of meer kinderen netto gelijk is aan € 1.156,11;
b. voor de thuisinwonende werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar met een of meer kinderen netto gelijk is aan € 866,79;
c. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar zonder kinderen netto gelijk is aan € 642,28;
d. voor de thuisinwonende werkloze werknemer zonder kinderen netto gelijk is aan € 352,96.
a. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar met een of meer kinderen netto gelijk is aan € 1.165,05;
b. voor de thuisinwonende werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar met een of meer kinderen netto gelijk is aan € 873,02;
c. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar zonder kinderen netto gelijk is aan € 647,25;
d. voor de thuisinwonende werkloze werknemer zonder kinderen netto gelijk is aan € 355,22.
**6.**
Indien dat lager is dan de grondslag, vastgesteld op grond van het derde tot en met vijfde lid, bedraagt de grondslag, bedoeld in het eerste lid, 10/7 x A + B, waarbij:
A staat voor de uitkeringen ontvangen op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in de kalendermaand voorafgaande aan de dag waarop de geldende uitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet of de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is verstreken;
A staat voor de uitkeringen ontvangen door de werkloze werknemer op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in de kalendermaand voorafgaande aan de dag waarop de geldende uitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet of de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is verstreken;
B staat voor het loon uit dienstbetrekking dat de uitkeringsgerechtigde in die kalendermaand verdiende, waarbij A wordt herzien op de wijze als bedoeld in artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
B staat voor het loon uit dienstbetrekking dat de werkloze werknemer in die kalendermaand verdiende, waarbij A wordt herzien op de wijze als bedoeld in artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
**7.** Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder uitkering op grond van de Werkloosheidswet tevens verstaan inkomen dat op grond van artikel 34 van de Werkloosheidswet geheel in mindering is gebracht op de uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
@ -203,11 +203,21 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan:
a. voor de werkloze werknemer en de echtgenoot: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en zijn echtgenoot;
b. voor de alleenstaande en de thuiswonende werkloze werknemer: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid gedurende zes aangesloten maanden tot 25 procent van dit inkomen, met een maximum van € 291,04 per 1 juli 2011: € 295,80. per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid gedurende zes aangesloten maanden tot 25 procent van dit inkomen, met een maximum van € 291,04 per 1 januari 2012: € 295,06. per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.
**4.** Onze Minister herziet het bedrag, genoemd in het tweede lid, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.
**4.** Onze Minister herziet het bedrag, genoemd in het tweede lid, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.
**5.**
In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van dit inkomen, met een maximum van € 187,28 per 1 januari 2012: € 201,03 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:
a. hij de volledige zorg heeft voor zijn kind tot 12 jaar,
b. de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in het tweede lid, is verstreken, en
c. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
**6.** Onze Minister herziet het bedrag, genoemd in het vijfde lid, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.
### Paragraaf 2. De hoogte van de uitkering
@ -506,7 +516,7 @@ De persoon van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het college
**1.** Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 25, eerste en tweede lid, invorderen bij dwangbevel.
**2.** Indien degene van wie de uitkering wordt teruggevorderd algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die uitkering met die algemene bijstand of uitkering.
**2.** Indien degene van wie de uitkering wordt teruggevorderd algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die uitkering met die algemene bijstand of uitkering.
**3.** Indien degene van wie de uitkering wordt teruggevorderd een uitkering of algemene bijstand ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de uitkering terugvordert, dan wel een uitkering of inkomensvoorziening ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet, betaalt dat college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank het bedrag van de terugvordering, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek aan het college, dat besluit tot terugvordering.
@ -566,7 +576,8 @@ De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a;
b. de weigering en verlaging, bedoeld in artikel 20;
c. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer.
c. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer;
d. het verlagen van de uitkering, bedoeld in artikel 38, twaalfde lid.
**2.** De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op de taken vermeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a.
@ -630,7 +641,8 @@ a. naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
b. ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
e. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
e. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
f. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
**2.** Indien uitkering wordt verleend aan echtgenoten gelden de verplichtingen bedoeld in het eerste lid voor ieder van hen.
@ -650,24 +662,30 @@ e. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder b
**3.** De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.
**4.** De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste zes jaar. Bij verhuizing naar een andere woonplaats wordt op deze periode in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing bedoeld in het eerste lid.
**4.** De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Bij verhuizing naar een andere woonplaats wordt op deze periode in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing bedoeld in het eerste lid.
**5.**
De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de volledige duur van zes jaar nog niet volledig is benut:
De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is benut:
a. van rechtswege opgeschort, met ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van vijf jaar bereikt;
b. van rechtswege opgeschort indien niet langer recht op bijstand bestaat;
c. door het college opgeschort op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of
d. door het college opgeschort indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.
d. door het college ingetrokken indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.
**6.** Op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar beëindigt het college een opschorting als bedoeld in het vijfde lid indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing zijn.
**6.** Op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar beëindigt het college een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a tot en met c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing zijn.
**7.** Het college stelt binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.
**8.** Het college vult de voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van betrokkene te boven gaat.
**8.** Het college verricht na het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.
**9.** Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening in met een opleiding, als bedoeld in artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
**9.** Indien het heronderzoek, bedoeld in het achtste lid, daartoe aanleiding geeft stelt het college een gewijzigd plan van aanpak op.
**10.** Het college vult de voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van betrokkene te boven gaat.
**11.** Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, vult het college de voorziening in met een opleiding, als bedoeld in artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
**12.** Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel d, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
### Artikel 38a
@ -683,7 +701,7 @@ Gereserveerd
### Artikel 40
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van paragraaf 4 van dit hoofdstuk en paragraaf 4 van hoofdstuk V, in de plaats van de betrokken burgemeesters en wethouders.
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van paragraaf 4 van dit hoofdstuk en paragraaf 4 van hoofdstuk V, in de plaats van de betrokken burgemeesters en wethouders.
### Artikel 41
@ -718,13 +736,13 @@ d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorg
e. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet 2007 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet 2000;
h. de Belastingdienst/Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing van de Wet bevordering eigenwoningbezit;
i. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
j. Onze Minister van Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
h. de Belastingdienst/Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffende de toepassing van de Wet bevordering eigenwoningbezit;
i. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie betreffende de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
j. Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
k. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
l. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
m. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
n. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing van de Wet inburgering.
n. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffende de toepassing van de Wet inburgering.
**2.** Het vragen door burgemeester en wethouders en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
@ -734,11 +752,11 @@ n. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing van
De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5;
a. van wie kosten van uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5;
b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene:
1°. te wiens behoeve een uitkering ingevolge deze wet is gevraagd of wordt verleend;
2°. van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5.
2°. van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5.
**5.** De in het eerste en het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.
@ -752,7 +770,7 @@ b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat r
**10.** Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid kan tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
**11.** Onze Minister van Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen, die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, aan het college, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
**11.** Onze Minister van Veiligheid en Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen, die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, aan het college, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
### Artikel 46
@ -782,13 +800,13 @@ Het college is bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, onverminderd
a. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of de wettelijke regelingen, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel a, en 34, eerste lid, onderdeel a, van die wet;
b. de Belastingdienst voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen, of inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de Belastingdienst/Toeslagen voor de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Wet werk en inkomen kunstenaars;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en bijstand en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg, de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen;
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van Aruba, Curaçao, en Sint Maarten voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
h. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie voor de uitvoering van de Wet inburgering;
i. Onze Minister van Justitie in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.
h. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de uitvoering van de Wet inburgering;
i. Onze Minister van Veiligheid en Justitie in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.
**2.** Het verstrekken door burgemeester en wethouders aan de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde gegevens kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
@ -943,9 +961,9 @@ De artikelen 2 en 9 zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van artik
Artikel 9, vierde en vijfde lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot invoering en wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (Stb. PM), blijft van toepassing met betrekking tot:
a. een recht op uitkering dat voor 1 december 2009 is ontstaan;
b. een recht op uitkering dat voor 1 december 2009 is ontstaan, daarna is geëindigd en na 1 december 2009 op grond van artikel 7 van die wet is herleefd, of;
c. personen die voor 1 december 2009 voldoen aan artikel 2 maar die voor die datum geen recht hebben op een uitkering.
a. een recht op uitkering dat voor 1 december 2009 is ontstaan;
b. een recht op uitkering dat voor 1 december 2009 is ontstaan, daarna is geëindigd en na 1 december 2009 op grond van artikel 7 van die wet is herleefd, of;
c. personen die voor 1 december 2009 voldoen aan artikel 2 maar die voor die datum geen recht hebben op een uitkering.
### Artikel 63d
@ -961,6 +979,10 @@ Vervallen
**2.** Dit artikel vervalt twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.
### Artikel 63g
De artikelen 4a, eerste lid, onderdeel c, en 38, zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden, blijven van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden een ontheffing heeft op grond van artikel 38, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.
## Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
### Artikel 64