2010-04-01 | BWBR0007795 | Algemene nabestaandenwet

This commit is contained in:
Coornhert 2010-04-01 12:00:00 +00:00
parent 8a4cc3d03d
commit adc9445b23

View file

@ -168,7 +168,7 @@ b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verric
**5.**
Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken van het tweede lid ten aanzien van:
Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden kan worden bepaald dat bij een niet rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, verzekerd zijn:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
@ -330,15 +330,18 @@ b. **waarin de halfwees de leeftijd van 18 jaar bereikt.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een kind dat de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt gelijkgesteld:
a. een kind van 16 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar, dat per kwartaal, in verband met onderwijs of een beroepsopleiding, niet als extraneus ingeschreven, lessen of stages volgt gedurende gemiddeld tenminste 213 klokuren;
b. een kind van 16 jaar of ouder, doch jonger dan 18 jaar, dat arbeidsongeschikt is en wiens arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden zal voortduren; of
c. een ongehuwd kind van 16 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het verzorgen van zijn huishouden, waartoe overigens ten minste een kind dat recht heeft op wezenuitkering, behoort.
a. een kind van 16 of 17 jaar ten aanzien van wie is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, dan wel een van de vrijstellingen van die verplichtingen op grond van die wet van toepassing is;
b. een kind van 16 of 17 jaar dat na het behalen van een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten dan wel een vervolgstudie volgt anders dan hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. een kind van 18 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat als leerling of deelnemer staat ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 en deze geregeld bezoekt of een vervolgstudie volgt;
d. een ongehuwd kind van 16 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 heeft behaald dan wel op wie een van de vrijstellingen als bedoeld in onderdeel a van toepassing zijn geweest of zouden zijn geweest en wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het verzorgen van zijn huishouden, waartoe overigens ten minste een kind dat recht heeft op wezenuitkering, behoort.
**3.** Het recht op wezenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand waarin aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt voldaan.
**3.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, wordt mede als ongehuwd aangemerkt het kind dat een gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende indien de overledene voor diens overlijden een huishouden met de hulpbehoevende is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen of indien het kind na het overlijden van de verzekerde een huishouding is gaan voeren met een hulpbehoevende met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot het tweede lid, onderdeel *a*.
**4.** Het recht op wezenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand waarin het kind ouderloos is geworden en aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.
**5.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt mede als ongehuwd aangemerkt het kind dat een gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende indien de verzekerde voor diens overlijden een huishouding met de hulpbehoevende is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen of indien het kind na het overlijden van de verzekerde een huishouding is gaan voeren met een hulpbehoevende met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen.
### Artikel 26a
Artikel 26, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, de Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet in verband met aanpassing aan de invoering van een kwalificatieplicht in de Leerplichtwet 1969 en het aanbrengen van een aantal vereenvoudigingen in de Algemene Kinderbijslagwet alsmede enkele andere aanpassingen van die wet (Stb. 74) blijft van toepassing op het kind, dat voor 1 oktober 2009 de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt.
### Artikel 27