2014-10-01 | BWBR0003862 | Bekostigingsbesluit WPO

This commit is contained in:
Coornhert 2014-10-01 12:00:00 +00:00
parent 6656caf0ef
commit ae13111e58

View file

@ -259,7 +259,7 @@ b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode
### Artikel 11
**1.** Met het oog op de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste lid, en 18, eerste lid, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks een overzicht toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging in aanmerking wordt genomen. Het overzicht wordt gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, toegezonden. Het overzicht is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in het overzicht een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën.
**1.** Met het oog op de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste lid, en 18, eerste lid, doet Onze Minister aan het bevoegd gezag jaarlijks een overzicht toekomen van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging in aanmerking wordt genomen. Het overzicht wordt gelijktijdig met het besluit tot vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, toegezonden. Het overzicht is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in het overzicht een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën.
**2.** Het overzicht, bedoeld in het eerste lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen, bedoeld in artikel 27, en in de categorieën leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba.
@ -289,7 +289,7 @@ Vervallen
### Artikel 12a
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op de daarop volgende 1 december zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs vast, gebaseerd op de grondslag bedoeld in de artikelen 134, vierde lid, onderscheidenlijk 115 van de wet, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op de daarop volgende 1 december zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
**2.** Indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is en indien van de leerlingen die op 1 maart van het bekostigingsjaar op de school staan ingeschreven het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 april van dat jaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid, stelt Onze Minister voor 1 mei de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast.
@ -355,9 +355,9 @@ De vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
### Artikel 18
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar.
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 15 april, de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste en derde lid, van de wet vast voor zover deze bedragen mede gebaseerd zijn op het aantal leerlingen op de teldatum, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel de leerlingen van wie opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid. De bedragen hebben betrekking op een schooljaar.
**2.** Onze Minister stelt de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in de artikelen 29, 30 en 34, vast binnen 14 weken na de voor de desbetreffende bekostiging relevante datum.
**2.** Onze Minister stelt de bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 137, eerste lid, van de wet voorzover het betreft de bekostiging, bedoeld in de artikelen 29, 30 en 34, vast binnen 14 weken na de voor de desbetreffende bekostiging relevante datum.
**3.** Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste of tweede lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast.
@ -479,12 +479,12 @@ Met het hebben gevolgd van een schoolopleiding op maximaal het niveau praktijkon
Aan het bevoegd gezag van één of meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor groei van de aantallen leerlingen toegekend indien:
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op de eerste schooldag dan wel op de eerste dag van een maand in de periode van september tot en met april van dat schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van 103% van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens telkens indien de som van de bedoelde aantallen leerlingen op de eerste dag van enige maand in de periode september tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van de aantallen leerlingen op grond waarvan de laatste maal in dat schooljaar aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met groei is toegekend; en
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op de eerste schooldag dan wel op de eerste dag van een maand in de periode van september tot en met april van dat schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van 103% van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens telkens indien de som van de bedoelde aantallen leerlingen op de eerste dag van enige maand in de periode september tot en met april van een schooljaar met ten minste 13 is toegenomen ten opzichte van de som van de aantallen leerlingen op grond waarvan de laatste maal in dat schooljaar aanvullende bekostiging voor personeelskosten in verband met groei is toegekend; en
b. het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens van de leerlingen die op de eerste schooldag dan wel de eerste dag van de maand, bedoeld in onderdeel a, op de school of scholen staan ingeschreven, uiterlijk vier weken na die dag zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
**2.** Bij de berekening van 103% van de bedoelde aantallen leerlingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt de uitkomst per school naar beneden afgerond op een geheel getal.
**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft plaatsgevonden, en wordt berekend voor het aantal leerlingen dat het verschil is tussen enerzijds de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van het schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen en anderzijds de som van 103% van bedoelde aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, onderscheidenlijk de som van bedoelde aantallen leerlingen op grond waarvan voor de laatste maal aanvullende bekostiging in verband met groei is toegekend. Indien de telling heeft plaatsgevonden op de eerste schooldag en deze in de maand september valt, ontstaat de aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van de eerste volzin, met ingang van 1 augustus. De aanvullende bekostiging wordt per bevoegd gezag per groeidatum éénmalig toegekend.
**3.** De aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft plaatsgevonden, en wordt berekend voor het aantal leerlingen dat het verschil is tussen enerzijds de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van het schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen en anderzijds de som van 103% van bedoelde aantallen leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, onderscheidenlijk de som van bedoelde aantallen leerlingen op grond waarvan voor de laatste maal aanvullende bekostiging in verband met groei is toegekend. Indien de telling heeft plaatsgevonden op de eerste schooldag en deze in de maand september valt, ontstaat de aanspraak op de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van de eerste volzin, met ingang van 1 augustus. De aanvullende bekostiging wordt per bevoegd gezag per groeidatum éénmalig toegekend.
**4.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal leerlingen, dat de uitkomst is van de berekening in het derde lid.
@ -492,15 +492,49 @@ b. het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van d
**6.** Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het vierde lid, bedraagt de formatie per leerling 0,0487 formatieplaats.
### Artikel 29a
**1.** Indien aan een basisschool een afdeling internationaal georiënteerd basisonderwijs is verbonden, wordt op basis van een aanvraag van het bevoegd gezag aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet, toegekend, indien bij deze afdeling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar ten minste elf leerlingen staan ingeschreven.
**2.** De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt voor 1 oktober van het voorafgaand schooljaar door middel van een bij ministeriële regeling vastgesteld formulier ingediend.
**3.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijke gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal formatieplaatsen.
**4.**
Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het derde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het derde lid, bedraagt het aantal formatieplaatsen de formatie uit onderstaande tabel vermenigvuldigd met de factor 1,0811 en afgerond op 4 decimalen:
| aantal leerlingen | formatie |
| --- | --- |
| 11 t/m 20 | 0,2 |
| 21 t/m 30 | 0,3 |
| 31 t/m 40 | 0,4 |
| 41 t/m 50 | 0,5 |
| 51 t/m 60 | 0,6 |
| 61 t/m 70 | 0,7 |
| 71 t/m 80 | 0,8 |
| 81 t/m 90 | 0,9 |
| 91 t/m 100 | 1 |
| 101 t/m 110 | 1,1 |
| 111 t/m 120 | 1,2 |
| 121 t/m 130 | 1,3 |
| 131 t/m 140 | 1,4 |
| 141 t/m 150 | 1,5 |
| 151 t/m 165 | 1,6 |
| 166 t/m 180 | 1,7 |
| 181 t/m 195 | 1,8 |
| 196 t/m 210 | 1,9 |
| en vervolgens per 15 leerlingen 0,1 formatie | |
### Artikel 30
**1.**
Aan het bevoegd gezag van één of meer basisscholen wordt aanvullende bekostiging voor personeelskosten voor bijzondere groei toegekend, indien:
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 mei van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of
b. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of
c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
a. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 mei van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar; of
b. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 april van dat schooljaar en geen aanvullende bekostiging op grond van onderdeel a is toegekend; of
c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen op 1 juni van dat schooljaar met ten minste 26 is toegenomen ten opzichte van de som van de bedoelde aantallen leerlingen op 1 mei van dat schooljaar.
**2.** De aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien van de leerlingen die op de van toepassing zijnde peildatum, bedoeld in het eerste lid, op de school of scholen staan ingeschreven, het persoonsgebonden nummer tezamen met de in artikel 178a, tweede lid, van de wet bedoelde gegevens uiterlijk vier weken na die peildatum zijn opgenomen in het basisregister onderwijs overeenkomstig artikel 178b van de wet, dan wel van deze leerlingen opgave is gedaan aan Onze Minister overeenkomstig artikel 36a, vierde lid.
@ -637,23 +671,23 @@ c. voor zover het een niet door een gemeente in stand gehouden school betreft, d
**1.**
De overgangsbekostiging voor personele kosten, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt:
De overgangsbekostiging voor personele kosten, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt:
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband bekostiging die bestaat uit een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag vermenigvuldigd met de hoeveelheid formatie die in onderstaande tabel is aangegeven bij de onderwijssoort waartoe de leerling toelaatbaar is verklaard:
b. naast de op basis van onderdeel a berekende bekostiging ontvangt het samenwerkingsverband als overgangsbekostiging een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per leerling voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband.
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband bekostiging die bestaat uit een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag vermenigvuldigd met de hoeveelheid formatie die in onderstaande tabel is aangegeven bij de onderwijssoort waartoe de leerling toelaatbaar is verklaard:
b. naast de op basis van onderdeel a berekende bekostiging ontvangt het samenwerkingsverband als overgangsbekostiging een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per leerling voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband.
**2.** De overgangsbekostiging voor materiële instandhouding, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt toegekend van 1 augustus tot en met 31 december van het desbetreffende jaar.
**2.** De overgangsbekostiging voor materiële instandhouding, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt toegekend van 1 augustus tot en met 31 december van het desbetreffende jaar.
**3.**
Het in het tweede lid bedoelde bedrag wordt als volgt berekend:
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school in het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband vijf twaalfde deel van de bekostiging volgens onderstaande tabel.
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school in het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband vijf twaalfde deel van de bekostiging volgens onderstaande tabel.
b. naast de in onderdeel a bedoelde bekostiging ontvangt het samenwerkingsverband als overgangsbekostiging een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per leerling.
### Artikel 35a
**1.** De omvang van het her te besteden bedrag, bedoeld in artikel XIA, tweede lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt: het her te besteden bedrag is de vermenigvuldiging van een bedrag met de hoeveelheid leerlingen als bedoeld in artikel 35, eerste en derde lid, onderdeel a.
**1.** De omvang van het her te besteden bedrag, bedoeld in artikel XIA, tweede lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt: het her te besteden bedrag is de vermenigvuldiging van een bedrag met de hoeveelheid leerlingen als bedoeld in artikel 35, eerste en derde lid, onderdeel a.
**2.** Het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een hoeveelheid formatie die wordt vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
@ -673,15 +707,15 @@ Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in het tweede lid, bedra
### Artikel 36
**1.** Het samenwerkingsverband is gehouden om, wanneer een bevoegd gezag of een personeelsorganisatie daarom verzoekt, met dat bevoegd gezag en de personeelsorganisaties een op overeenstemming gericht overleg te voeren over het personeel dat in het derde schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, nog niet zal zijn herplaatst en dat niet als gevolg van natuurlijk verloop zal zijn uitgestroomd op of voor 1 augustus 2016.
**1.** Het samenwerkingsverband is gehouden om, wanneer een bevoegd gezag of een personeelsorganisatie daarom verzoekt, met dat bevoegd gezag en de personeelsorganisaties een op overeenstemming gericht overleg te voeren over het personeel dat in het derde schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, nog niet zal zijn herplaatst en dat niet als gevolg van natuurlijk verloop zal zijn uitgestroomd op of voor 1 augustus 2016.
**2.** Een bevoegd gezag als bedoeld in het eerste lid is het bevoegd van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst, waar het personeel in het schooljaar 20142015 in dienst is.
**3.** Het personeel, bedoeld in het eerste lid, is het personeel dat op 1 mei 2012 als ambulant begeleider in dienst was bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst.
**3.** Het personeel, bedoeld in het eerste lid, is het personeel dat op 1 mei 2012 als ambulant begeleider in dienst was bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst.
**4.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personeel, niet zijnde ambulant begeleiders, dat op 1 mei 2012 is dienst was bij een samenwerkingsverband als bedoeld in de wet, een centrale dienst of een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en dat in het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, niet zal zijn herplaatst.
**4.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personeel, niet zijnde ambulant begeleiders, dat op 1 mei 2012 is dienst was bij een samenwerkingsverband als bedoeld in de wet, een centrale dienst of een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en dat in het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, niet zal zijn herplaatst.
**5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184 van de wet voor zover het personeel, bedoeld in het derde en vierde lid, betreft dat in verband met de opheffing van regionale expertisecentra en de beëindiging van de ondersteuningswerkzaamheden bij de samenwerkingsverbanden zoals die bestonden voor 1 augustus 2013, een werkloosheidsuitkering ontvangt.
**5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184 van de wet voor zover het personeel, bedoeld in het derde en vierde lid, betreft dat in verband met de opheffing van regionale expertisecentra en de beëindiging van de ondersteuningswerkzaamheden bij de samenwerkingsverbanden zoals die bestonden voor 1 augustus 2013, een werkloosheidsuitkering ontvangt.
### Paragraaf 2. Slotbepaling