2002-10-11 | BWBR0012177 | Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs

This commit is contained in:
Coornhert 2002-10-11 12:00:00 +00:00
parent 682620ec46
commit aece7de7e9

View file

@ -43,7 +43,7 @@ i. ongemaximeerde berekeningsgrondslag: het dagloon dat geldt voor de WW, waarbi
1. de maximumdagloongrens van artikel 9 Coördinatiewet sociale verzekering buiten beschouwing wordt gelaten;
2. een bijdrage strekkende tot betaling van de premie van een door de betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, en artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, niet wordt aangemerkt als loon;
3. een loonsuppletie, verstrekt op grond van artikel 15, tot het loon wordt gerekend.
3. een loonsuppletie, verstrekt op grond van artikel 15 of artikel 38 BWOO, tot het loon wordt gerekend.
j. gemaximeerde berekeningsgrondslag: de berekeningsgrondslag bedoeld onder i, maar ten hoogste € 205,57;
k. aanvulling op de WW-uitkering: de aanvulling op de WW-uitkering, bedoeld in artikel 4;
l. aanvulling op de ZW-uitkering: de aanvulling op de ZW-uitkering, bedoeld in artikel 6;
@ -125,31 +125,6 @@ c. die recht op ZW-uitkering heeft onder toepassing van artikel 46 ZW en op wie
**3.** Voor de berekening van de hoogte van de aanvulling op de ZW-uitkering wordt de uitkering op grond van de ZW geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.
### Artikel 7a
**1.**
De vrouwelijke betrokkene die recht op uitkering heeft op grond van artikel 3:8 WAZO
a. en die recht op aanvulling op de WW-uitkering of op aansluitende uitkering zou hebben gehad als zij geen recht op uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO zou hebben gehad, of
b. onder toepassing van artikel 3:10 WAZO, terwijl zij laatstelijk voor de ZW verzekerd was op grond van een WW-uitkering waaraan een recht op bovenwettelijke uitkering was verbonden, heeft recht op aanvulling op de WAZO-uitkering.
**2.** In afwijking van het eerste lid heeft de betrokkene geen recht op aanvulling op de WAZO-uitkering over tijdvakken waarin zij recht heeft op uitkering of bezoldiging op grond van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs.
### Artikel 7b
**1.** De duur van de aanvulling op de WAZO-uitkering is gelijk aan de duur van de WAZO-uitkering.
**2.**
De WAZO-uitkering wordt voor de betrokkene:
a. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de WAZO-uitkering recht zou hebben gehad op een aanvulling op de WW-uitkering, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, dat voor haar zou hebben gegolden als zij geen recht op uitkering op grond van de WAZO zou hebben gehad;
b. die bij aanvang van het recht op aanvulling op de WAZO-uitkering recht zou hebben gehad op een aansluitende uitkering, aangevuld tot het percentage, bedoeld in artikel 9, zevende lid;
c. die recht op WAZO-uitkering heeft onder toepassing van artikel 3:10 WAZO en op wie onderdeel b niet van toepassing is, aangevuld tot het percentage bedoeld in artikel 5, derde, vierde of vijfde lid, waartoe haar WW-uitkering zou zijn aangevuld indien deze niet was geëindigd.
**3.** Voor de berekening van de hoogte van de aanvulling op de WAZO-uitkering wordt uitgegaan van de onverminderde uitkering op grond van de WAZO indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.
### Artikel 8
**1.** De betrokkene die recht heeft op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering, heeft zodra het einde van de duur van de WW-uitkering is bereikt recht op een aansluitende uitkering indien hij op de eerste werkloosheidsdag de leeftijd van 41 jaar heeft bereikt en een diensttijd heeft van ten minste 5 jaar. Indien het recht op WW-uitkering van de betrokkene na afloop van een periode van ZW-uitkering niet meer herleeft omdat er voor de WW-uitkering geen duur meer resteert, gaat in afwijking van de eerste volzin de aansluitende uitkering in op de dag per welke het recht op ZW-uitkering eindigt.
@ -232,21 +207,11 @@ c. is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op WW-uitkering, niet
**3.** Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering, toegekend op grond van het eerste lid, en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, heeft de uitkering op grond van het eerste lid het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond van het eerste lid zonder de samenloop zou hebben. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk 3. Uitkering in de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt
## Hoofdstuk 3
### Artikel 12
**1.** De betrokkene, wiens recht op bovenwettelijke uitkering uitsluitend is geëindigd omdat hij de eerste dag heeft bereikt van de kalendermaand waarin hij 65 jaar wordt, heeft met ingang van die dag recht op uitkering op grond van dit artikel.
**2.** De uitkering op grond van dit artikel eindigt per de dag waarop de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt of, indien dat eerder is, per de dag na die waarop de betrokkene is overleden.
**3.** De hoogte van de uitkering op grond van dit artikel is gelijk aan de hoogte die de WW-uitkering, de ZW-uitkering, de toeslag op grond van de Toeslagenwet en de bovenwettelijke uitkering die zijn beëindigd op de grond, bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk voor die beëindiging hadden. Indien in het tijdvak waarin recht op uitkering bestaat op grond van dit artikel het dagloon of de berekeningsgrondslag van die uitkeringen wordt geïndexeerd, wordt die indexering in aanmerking genomen voor de hoogte van de uitkering op grond van dit artikel.
**4.** De artikelen 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing op de uitkering op grond van dit artikel.
**5.** Bedragen, waarop de betrokkene op grond van de Algemene ouderdomswet recht heeft over het tijdvak waarin recht op uitkering bestaat op grond van dit artikel, worden geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel.
**6.** Dit artikel werkt niet ten aanzien van een betrokkene voor wie de ingangsdatum van zijn pensioen onmiddellijk aansluit op de einddatum van zijn bovenwettelijke uitkering.
Vervallen
## Hoofdstuk 4. De overlijdensuitkering
@ -254,10 +219,11 @@ c. is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op WW-uitkering, niet
**1.**
Indien de betrokkene die recht heeft op bovenwettelijke uitkering of op uitkering op grond van artikel 12, overlijdt:
Indien de betrokkene die recht heeft op bovenwettelijke uitkering of op loonsuppletie op grond van artikel 15, overlijdt:
a. wordt de overlijdensuitkering, bedoeld in de artikelen 35 en 36 ZW en artikel 23 Toeslagenwet, aangevuld tot het dagbedrag van de WW-uitkering, de ZW-uitkering, de toeslag op grond van de Toeslagenwet, de bovenwettelijke uitkering en de uitkering, bedoeld in artikel 12 waarop de betrokkene op de dag van zijn overlijden recht had, vermenigvuldigd met 65,25;
b. wordt, indien er geen recht bestaat op een overlijdensuitkering op grond van de ZW uitsluitend omdat de betrokkene niet meer verzekerd is op grond van de ZW, een overlijdensuitkering toegekend onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 en artikel 36, eerste lid, ZW. Deze uitkering wordt aangevuld overeenkomstig het bepaalde onder a.
a. wordt de overlijdensuitkering, bedoeld in de artikelen 35 en 36 ZW en artikel 23 Toeslagenwet, aangevuld tot het dagbedrag van de WW-uitkering, de ZW-uitkering, de toeslag op grond van de Toeslagenwet en de bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene op de dag van zijn overlijden recht had, vermenigvuldigd met 65,25;
b. wordt, indien er geen recht bestaat op een overlijdensuitkering op grond van de ZW uitsluitend omdat de betrokkene niet meer verzekerd is op grond van de ZW, een overlijdensuitkering toegekend onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 en artikel 36, eerste lid, ZW. Deze uitkering wordt aangevuld overeenkomstig het bepaalde onder a;
c. wordt, al dan niet naast een overlijdensuitkering als bedoeld onder a of b, aan de nabestaanden, bedoeld in artikel 35 ZW, van een betrokkene die recht had op loonsuppletie, een overlijdensuitkering toegekend ter hoogte van drie maal het bedrag aan loonsuppletie waarop de betrokkene recht had over de maand voorafgaand aan die waarin hij is overleden.
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt een gezamenlijke huishouding slechts aanwezig geacht indien uit een ter zake verleden notariële akte alsmede uit een uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat twee ongehuwde en niet als partner geregistreerde personen, tussen wie geen bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat, een gezamenlijk woonadres hebben en beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding, dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
@ -349,27 +315,6 @@ a. wordt een loonsuppletie uit anderen hoofde of een daarmee naar aard en strekk
b. wordt, tenzij de nieuwe dienstbetrekking op grond van de WW voor de betrokkene passende arbeid is, het loon in de nieuwe dienstbetrekking geacht niet lager te zijn dan 70% van het dagloon waarop de WW-uitkering van de betrokkene was of zou zijn gebaseerd. Het tiende lid is van overeenkomstige toepassing;
c. wordt het loon in de nieuwe dienstbetrekking overigens op dezelfde wijze vastgesteld als de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.
### Artikel 15a
**1.** Op de betrokkene die is aangesteld of benoemd voor het verzorgen van onderwijs in allochtone levende talen en die als gevolg van de aanpassing per 1 augustus 2002 van de eisen die gesteld worden aan leraren die taalondersteuning geven, werkloos dreigt te worden en die, om te voorkomen dat hij werkloos wordt, een betrekking aanvaardt met een lager maximum salaris dan waarop hij in zijn oude dienstbetrekking recht had, zijn de bepalingen in artikel 15 van overeenkomstige toepassing, tenzij in dit artikel anders is bepaald.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de betrokkene, die als gevolg van de aanpassing per 1 augustus 2002 van de eisen die gesteld worden aan leraren die taalondersteuning geven, werkloos is geworden.
**3.** Indien aan de nieuwe dienstbetrekking geen maximum salaris is verbonden, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid uitgegaan van het onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking.
**4.**
In afwijking van het zevende en negende lid van artikel 15, is de loonsuppletie voor de betrokkene bedoeld in het eerste en het tweede lid gelijk aan het verschil tussen enerzijds het onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds:
a. in de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag;
b. na die eerste vijf jaar en doorlopend tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt: 90% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag, herleid tot het bedrag dat geldt over de berekeningsperiode.
**5.** Het vierde lid vindt geen toepassing indien het negende lid van artikel 15 tot een voor de betrokkene gunstiger uitkomst leidt.
**6.** In afwijking van het bepaalde in het veertiende lid onder b van artikel 15 wordt er van uitgegaan dat het loon voor de betrokkene bedoeld in het eerste en het tweede lid in een nieuwe dienstbetrekking niet lager is dan het maximum van schaal 4 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC.
**7.** In afwijking van het zesde lid wordt indien sprake is van passende arbeid op grond van de WW uitgegaan van het loon in de nieuwe dienstbetrekking.
### Artikel 16
**1.**