1998-10-01 | BWBR0006923 | Rijnvaartpolitiereglement 1995
This commit is contained in:
parent
17df743d68
commit
af6daffcc8
1 changed files with 793 additions and 916 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Rijnvaartpolitiereglement 1995
|
|||
bwb_id: BWBR0006923
|
||||
type: KB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2023-09-19'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1995-01-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0006923
|
||||
citeertitel: Rijnvaartpolitiereglement 1995
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -30,44 +30,32 @@ i. *drijvend werktuig:* een drijvend bouwsel, met mechanische werktuigen, dat is
|
|||
j. *drijvende inrichting:* een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger, een botenhuis;
|
||||
k. *drijvend voorwerp:* een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen, dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip of drijvende inrichting is;
|
||||
l. *veerpont:* een schip dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de vaarweg wordt overgestoken, en dat door de bevoegde autoriteit als veerpont wordt aangemerkt;
|
||||
m. *Klein schip*: een schip waarvan de maximale lengte van de romp, zonder het roer en de boegspriet, minder is dan 20 m met uitzondering van:
|
||||
m. *klein schip:* een schip waarvan de maximale lengte van de romp, zonder het roer en de boegspriet, minder is dan 20 m, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
– een schip dat andere dan kleine schepen mag slepen, mag duwen of langszijde vastgemaakt mag medevoeren;
|
||||
– een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren;
|
||||
– een veerpont;
|
||||
– een duwbak;
|
||||
-. een schip dat is gebouwd of ingericht om andere dan kleine schepen te slepen, te duwen of langszijde vastgemaakt mede te voeren;
|
||||
-. een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren;
|
||||
-. een veerpont;
|
||||
-. een duwbak;
|
||||
n. *zeilschip:* een schip dat uitsluitend onder zeil vaart. Een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt is een motorschip;
|
||||
o. *stilliggend schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting:* een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting dat direct of indirect hetzij ten anker, hetzij aan de oever gemeerd ligt;
|
||||
p. *varend schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting:* een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting dat noch direct of indirect ten anker of gemeerd ligt noch is vastgevaren;
|
||||
q. *op radar varend schip:* een schip dat gebruik maakt van radar voor het varen bij slecht zicht;
|
||||
r. *des nachts:* de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang;
|
||||
s. *des daags:* de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang;
|
||||
t. *wit licht, rood licht, groen licht, geel licht en blauw licht:* een licht waarvan de kleur voldoet aan de eisen van tabel 2 van de Europese norm EN 14744 : 2005;
|
||||
u. *krachtig licht, helder licht en gewoon licht:* een licht waarvan de sterkte voldoet aan de eisen van tabel 1 van de Europese norm EN 14744 : 2005;
|
||||
v. *flikkerlicht, snel flikkerlicht:* een periodelicht waarvan het aantal regelmatige lichtverschijningen als flikkerlicht voldoet aan de eisen van regel 1 en als snel licht aan de eisen van regel 2 of regel 3 van tabel 3 van de Europese norm EN 14744 : 2005;
|
||||
t. *wit licht, rood licht, groen licht, geel licht en blauw licht:* een licht waarvan de kleur voldoet aan de Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart;
|
||||
u. *krachtig licht, helder licht en gewoon licht:* een licht waarvan de sterkte voldoet aan de Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart;
|
||||
v. *flikkerlicht:* een periodelicht, tonende 40 tot 60 flikkeringen per minuut;
|
||||
w. *korte stoot:* een geluidssein, durende ongeveer 1 seconde; *lange stoot:* een geluidssein, durende ongeveer 4 seconden en waarbij de tijdruimte tussen de opeenvolgende stoten ongeveer 1 seconde bedraagt;
|
||||
x. *reeks zeer korte stoten:* een reeks van ten minste 6 stoten, elk durende ongeveer 1/4 seconde en waarbij de tijdruimte tussen de opeenvolgende stoten ongeveer 1/4 seconde bedraagt;
|
||||
y. *linker- en rechteroever:* de zijden van de vaarweg gezien in de richting van de bron naar de monding;
|
||||
z. *stroomopwaarts:* de richting naar de bronnen van de Rijn, met inbegrip van die riviergedeelten waar de stroomrichting met het getij verandert;
|
||||
aa. *ADN:* het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN);
|
||||
ab. *snel schip:* een motorschip, met uitzondering van een klein schip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen (bijvoorbeeld een draagvleugelboot, een luchtkussenvaartuig of een motorschip met meervoudige romp), terwijl dit in het certificaat van onderzoek is aangetekend;
|
||||
ac. *Inland AIS-apparaat:* een apparaat dat op een schip is ingebouwd en in de zin van de bepalingen van deel II van ES-RIS wordt gebruikt;
|
||||
ad. *LNG-installatie:* alle elementen van het schip die vloeibaar aardgas (LNG) of aardgas kunnen bevatten, zoals motoren, brandstoftanks, buffertanks en bunkerleidingen;
|
||||
ae. *bunkerzone:* de zone die in een omtrek van 20 m van de aansluiting voor het bunkeren ligt;
|
||||
af. *vloeibaar aardgas (LNG):* aardgas dat vloeibaar is gemaakt door afkoeling tot een temperatuur van – 161 °C;
|
||||
ag. *vaste tank:* een met het schip verbonden tank, waarbij de tankwanden kunnen worden gevormd ofwel door de scheepsromp zelf ofwel door wanden die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;
|
||||
ah. *ES-TRIN:* de Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Binnenvaartregeling. Voor de toepassing van ES-TRIN moet het begrip «lidstaat» worden opgevat als één van de Rijnoeverstaten of België;
|
||||
ai. *ES-RIS:* Europese standaard voor de rivierinformatiediensten, in de editie 2023/1. Voor de toepassing van ES-RIS, moet het begrip «lidstaat» worden opgevat als een van de Rijnoeverstaten of België.
|
||||
aa. *ADNR:* het Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
### Artikel 1.02
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een schip alsmede een drijvend voorwerp moeten zijn gesteld onder het gezag van een persoon die de daartoe vereiste bekwaamheid bezit. Deze persoon wordt hierna aangeduid als «schipper».
|
||||
|
||||
De schipper wordt geacht deze bekwaamheid te hebben, indien hij houder is van een overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn geldig kwalificatiecertificaat schipper voor het schip dat hij voert. Een schipper die een riviergedeelte bevaart als bedoeld in artikel 13.03 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn, moet bovendien de overeenkomstig dit reglement hiervoor vereiste specifieke vergunning bezitten.
|
||||
|
||||
Indien overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn meerdere schippers voor het schip voorgeschreven zijn, moet uitsluitend de schipper die het gezag over het schip voert, beschikken over de specifieke vergunning als bedoeld in artikel 13.03 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn.
|
||||
**1.** Een schip alsmede een drijvend voorwerp moeten zijn gesteld onder het gezag van een persoon die de daartoe vereiste bekwaamheid bezit. Deze persoon wordt hierna aangeduid als «schipper». De schipper wordt geacht deze bekwaamheid te hebben, indien hij houder is van een Rijnpatent dan wel een ander bewijs van vaarbekwaamheid, erkend volgens het Reglement Rijnpatenten voor het riviergedeelte waarop hij vaart en voor het soort schip dat hij voert.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -97,7 +85,7 @@ De schipper van een schip dat gesleept wordt moet de bevelen van de schipper van
|
|||
|
||||
De schipper mag in zijn functioneren niet worden belemmerd door oververmoeidheid of de gevolgen van het gebruik van alcohol, van medicijnen of van drugs, dan wel door enige andere oorzaak.
|
||||
|
||||
Indien hij een alcoholconcentratie in het bloed heeft van 0,5 ‰ of meer, dan wel hij een hoeveelheid alcohol in zijn lichaam heeft die een zodanige alcoholconcentratie in het bloed dan wel een daarmee overeenkomende alcoholconcentratie in de uitgeademde lucht oplevert, is het de schipper verboden het schip te voeren.
|
||||
Indien hij een alcoholconcentratie in het bloed heeft van 0,8 promille of meer, dan wel hij een hoeveelheid alcohol in zijn lichaam heeft die een zodanige alcoholconcentratie in het bloed oplevert, is het de schipper verboden het schip te voeren.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.03
|
||||
|
||||
|
|
@ -109,11 +97,9 @@ Indien hij een alcoholconcentratie in het bloed heeft van 0,5 ‰ of meer, dan w
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De dienstdoende leden van de minimumbemanning in de zin van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn mogen in hun functioneren niet worden belemmerd door oververmoeidheid of de gevolgen van het gebruik van alcohol, medicijnen of drugs, dan wel door enige andere oorzaak.
|
||||
Een lid van de dienstdoende minimum bemanning in de zin van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, en ieder andere persoon die zich aan boord bevindt, die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepaalt, mogen in hun functioneren niet worden belemmerd door oververmoeidheid of de gevolgen van het gebruik van alcohol, van medicijnen of van drugs, dan wel door enige andere oorzaak.
|
||||
|
||||
Indien zij een alcoholconcentratie in het bloed hebben van 0,5 ‰ of meer, dan wel een hoeveelheid alcohol in het lichaam hebben die een dienovereenkomstige alcoholconcentratie in het bloed dan wel een daarmee overeenkomende alcoholconcentratie in uitgeademde lucht oplevert, is het de dienstdoende leden van de minimumbemanning verboden hun dienst te verrichten.
|
||||
|
||||
De eerste en tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing op de andere personen aan boord die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepalen.
|
||||
Indien zij een alcoholconcentratie in het bloed hebben van 0,8 promille of meer, dan wel zij een hoeveelheid alcohol in het lichaam hebben die een zodanige alcoholconcentratie in het bloed oplevert, is het de in de eerste alinea genoemde personen verboden de koers en de snelheid van het schip te bepalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.04
|
||||
|
||||
|
|
@ -130,45 +116,25 @@ De schipper moet bij dreigend gevaar alle maatregelen nemen die de omstandighede
|
|||
|
||||
### Artikel 1.06
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 8.08, 9.02, tiende lid, 10.01, 10.02, 11.01 en 11.02 moeten de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang en de snelheid van een schip of een samenstel verenigbaar zijn met de karakteristiek en de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken.
|
||||
Onverminderd de artikelen 8.09, 9.02, tiende lid, 10.01, 10.02, 11.01, 11.02, 11.03, 11.04 en 11.05 moeten de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang en de snelheid van een schip of een samenstel verenigbaar zijn met de karakteristiek en de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.07
|
||||
|
||||
**1.** Een schip mag niet zodanig zijn beladen dat het inzinkt tot over het vlak door de onderkant der inzinkingsmerken.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** Tijdens de vaart mag de lading het directe of indirecte uitzicht niet meer beperken dan tot 350 m vóór de boeg.
|
||||
|
||||
Het vrije uitzicht mag door de lading of de trim van het schip niet meer worden beperkt dan tot 350 meter vóór de boeg.
|
||||
**3.** De wijze van de belading mag de stabiliteit van het schip en de hechtheid van de romp niet in gevaar brengen.
|
||||
|
||||
Indien tijdens de vaart het directe uitzicht naar achteren wordt beperkt, mag dit worden gecompenseerd door een optisch hulpmiddel, waarmede over een voldoende ruim gezichtsveld een helder en onvertekend beeld wordt verkregen.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Indien bij het doorvaren van een brug of een sluis als gevolg van de lading geen voldoende direct uitzicht naar voren mogelijk is, mag dit tijdens de doorvaart worden gecompenseerd door een periscoop met vlakke spiegels of een radarapparaat dan wel door het opstellen van een uitkijk die constant in hoor- en spreekcontact met de stuurhut staat.
|
||||
De stabiliteit van de volgende schepen die containers vervoeren moet bovendien vóór het begin van de reis worden gecontroleerd:
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
a. schepen met een breedte van minder dan 9,50 m, indien de containers in meer dan één laag zijn geladen;
|
||||
b. schepen met een breedte van 9,50 m of meer, indien de containers in meer dan twee lagen zijn geladen;
|
||||
c. schepen met een breedte van 11 m of meer, indien de containers in meer dan drie lagen of in meer dan drie stapels naast elkaar zijn geladen.
|
||||
|
||||
In afwijking van de eerste volzin van het tweede lid mag het vrije uitzicht bij het gelijktijdige gebruik van radar en camera-installaties tot 500 meter vóór de boeg worden beperkt, indien:
|
||||
|
||||
a. door bedoelde hulpmiddelen het uitzicht van 350 meter tot 500 meter vóór de boeg wordt gewaarborgd,
|
||||
b. aan de eisen van artikel 6.32, eerste lid, wordt voldaan,
|
||||
c. de radarantennes en de camera’s aan de boeg van het schip zijn geïnstalleerd,
|
||||
d. deze hulpmiddelen overeenkomstig artikel 7.02 van ES-TRIN als geschikt zijn erkend.
|
||||
|
||||
**4.** De wijze van de belading mag de stabiliteit van het schip en de hechtheid van de romp niet in gevaar brengen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De stabiliteit van schepen die containers vervoeren moet te allen tijde zijn gewaarborgd. De schipper moet aantonen dat vóór het begin van het laden en het lossen alsmede vóór vertrek een stabiliteitscontrole is uitgevoerd.
|
||||
|
||||
De stabiliteitscontrole kan handmatig of met behulp van een beladingscomputer worden verricht. Het resultaat van de stabiliteitscontrole en het actuele stuwplan moeten aan boord worden bewaard en te allen tijde geraadpleegd kunnen worden.
|
||||
|
||||
De schepen moeten bovendien de stabiliteitsbescheiden overeenkomstig artikel 27.01 van ES-TRIN aan boord bewaren.
|
||||
|
||||
Een stabiliteitscontrole is niet vereist bij schepen die containers vervoeren, indien het schip in de breedte:
|
||||
|
||||
a. ten hoogste drie rijen containers kan laden en vanaf de laadruimbodem in slechts één laag containers is geladen, of
|
||||
b. vier of meer rijen containers kan laden en uitsluitend met containers in ten hoogste twee lagen vanaf de laadruimbodem is geladen.
|
||||
|
||||
**6.** Een schip dat is bestemd voor het vervoer van passagiers mag niet meer passagiers aan boord hebben dan door de bevoegde autoriteit is toegestaan. Onverminderd de eerste volzin mogen zich aan boord van een snel schip niet meer personen bevinden dan er zitplaatsen beschikbaar zijn.
|
||||
**5.** Een schip dat is bestemd voor het vervoer van passagiers mag niet meer passagiers aan boord hebben dan door de bevoegde autoriteit is toegestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.08
|
||||
|
||||
|
|
@ -176,33 +142,7 @@ b. vier of meer rijen containers kan laden en uitsluitend met containers in ten
|
|||
|
||||
**2.** Ieder schip moet een bemanning hebben, voldoende in aantal en geschiktheid om de veiligheid van de opvarenden en die van de scheepvaart te verzekeren.
|
||||
|
||||
**3.** Aan deze voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer het schip krachtens het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn van een certificaat of van een volgens dit reglement als gelijkwaardig erkend certificaat is voorzien, en de bouw en de uitrusting overeenstemmen met de in dat certificaat vermelde gegevens en wanneer de bemanning en de bedrijfsuitoefening in overeenstemming zijn met de voorschriften van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn.
|
||||
|
||||
**4.** Onverminderd het derde lid, moeten de in onderdeel 44 van het certificaat van onderzoek vermelde individuele reddingsmiddelen voor passagiers geschikt zijn, qua aantal en verdeling per type overeenkomen met het aantal aan boord zijnde volwassenen en kinderen en aan boord beschikbaar zijn, waarbij voor kinderen met een lichaamsgewicht tot en met 30 kg of maximaal 6 jaar oud uitsluitend harde zwemvesten als bedoeld in artikel 13.08, tweede lid, van ES-TRIN zijn toegestaan.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Indien de krachtens artikel 14.02, vierde lid, van ES-TRIN vereiste relingen neerklapbaar of wegneembaar zijn, mogen zij uitsluitend bij stilliggende schepen geopend of gedeeltelijk weggenomen worden en uitsluitend bij de volgende bedrijfsomstandigheden:
|
||||
|
||||
a. voor het van of aan boord gaan op de hiertoe voorziene plaatsen,
|
||||
b. bij het gebruik van een slingergiek in zijn slingerbereik,
|
||||
c. bij het los- of vastmaken van de trossen bij bolders,
|
||||
d. bij schepen die aan een verticale oever liggen, aan de oeverkant, indien er geen gevaar is van het schip te vallen,
|
||||
e. bij schepen die boord aan boord liggen, op de plaatsen waar zij zich aanraken, indien er geen gevaar is van het schip te vallen, dan wel
|
||||
f. wanneer de los- en laadwerkzaamheden of bouwwerkzaamheden uitzonderlijk belemmerd worden.
|
||||
|
||||
Indien bedrijfsomstandigheden overeenkomstig de eerst volzin niet meer aanwezig zijn, moeten de relingen onmiddellijk opnieuw worden gesloten of teruggeplaatst.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De bemanningsleden en de andere personen aan boord moeten reddingsvesten overeenkomstig artikel 13.08, tweede lid, van ES-TRIN dragen:
|
||||
|
||||
a. bij het van of aan boord gaan, voor zover er gevaar voor het in het water vallen bestaat,
|
||||
b. bij het verblijven in de bijboot,
|
||||
c. bij werkzaamheden buiten boord, dan wel
|
||||
d. bij verblijf en werkzaamheden aan dek en in het gangboord, indien verschansingen van ten minste 90 cm hoogte niet aanwezig of relingen als bedoeld in het vijfde lid niet doorlopend zijn geplaatst.
|
||||
|
||||
De werkzaamheden buiten boord mogen uitsluitend bij stilliggende schepen worden uitgevoerd en uitsluitend indien van de overige scheepvaart geen gevaar te verwachten valt.
|
||||
**3.** Aan deze voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer krachtens het Reglement onderzoek schepen op de Rijn een schip is voorzien van een certificaat, en de bouw en de uitrusting overeenstemmen met de in dat certificaat vermelde gegevens en wanneer de bemanning en de bedrijfsuitoefening in overeenstemming zijn met de voorschriften van eerdergenoemd Reglement van onderzoek.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.09
|
||||
|
||||
|
|
@ -210,57 +150,71 @@ De werkzaamheden buiten boord mogen uitsluitend bij stilliggende schepen worden
|
|||
|
||||
**2.** De voorwaarde aangaande de leeftijd geldt niet voor kleine schepen zonder motor.
|
||||
|
||||
**3.** Teneinde te verzekeren dat het schip op de juiste wijze wordt gevoerd moet de roerganger in staat zijn alle in de stuurhut binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te vernemen en te geven. In het bijzonder moet hij in de gelegenheid zijn geluidsseinen te horen en moet hij naar alle zijden een voldoende vrij uitzicht hebben.
|
||||
**3.** Teneinde te verzekeren dat het schip op de juiste wijze wordt gevoerd moet de roerganger in staat zijn alle in de stuurhut binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te vernemen en te geven. In het bijzonder moet hij naar alle zijden een voldoende vrij direct of indirect uitzicht hebben en in de gelegenheid zijn geluidsseinen te horen. Indien geen voldoende vrij uitzicht mogelijk is, moet dit worden gecompenseerd door een optisch hulpmiddel, waarmede over een voldoende ruim gezichtsveld een helder en onvertekend beeld wordt verkregen.
|
||||
|
||||
**4.** Indien bijzondere omstandigheden dit vorderen, moet een uitkijk of luisterpost die de roerganger inlicht aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Op ieder snel schip moet tijdens de vaart het roer worden bediend door een persoon die houder is van een overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn geldig kwalificatiecertificaat schipper, de specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar en in voorkomend geval een specifieke vergunning die wordt vereist voor het varen op Rijngedeelten die zijn ingedeeld als trajecten met specifieke risico’s.
|
||||
|
||||
Een tweede persoon die eveneens houder is van een kwalificatiecertificaat schipper en de vereiste specifieke vergunningen als bedoeld in de eerste volzin, moet zich in de stuurhut bevinden, behalve tijdens het aanleggen en afvaren, in de sluizen of in de voorhavens van de sluizen.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.10
|
||||
|
||||
**1.** Aan boord van een schip moeten de in bijlage 13 bij dit reglement bedoelde scheepsbescheiden en andere documenten, voor zover deze door de daartoe gestelde bijzondere bepalingen voorgeschreven worden, aanwezig zijn. Zij moeten op verzoek aan de ambtenaren van de bevoegde autoriteit worden overhandigd.
|
||||
|
||||
**2.** Sommige van de in bijlage 13 bij dit reglement bedoelde scheepsbescheiden en andere documenten kunnen, overeenkomstig de in bijlage 13 bij dit reglement vastgestelde voorwaarden, ter beschikking worden gesteld in de vorm van een exemplaar dat in elektronisch formaat op ieder moment geraadpleegd kan worden.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.10a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 1.10 hoeven de scheepsbescheiden conform Bijlage 13, nummers 1.1, 1.2 en 1.3 van dit reglement niet aanwezig te zijn aan boord van duwbakken waarop een metalen plaat overeenkomstig het volgende model is aangebracht:
|
||||
Aan boord van een schip moeten de volgende bescheiden en andere documenten, voor zover deze door de daartoe gestelde bijzondere bepalingen vereist worden, aanwezig zijn:
|
||||
|
||||
UNIEK EUROPEES SCHEEPSIDENTIFICATIENUMMER: ....................... – R
|
||||
a. het certificaat van onderzoek voor het schip of het document dat hiervoor in de plaats treedt;
|
||||
b. het Rijnpatent dan wel een ander bewijs van vaarbekwaamheid erkend volgens het Reglement Rijnpatenten voor de schipper en voor de overige leden van de bemanning het behoorlijk bijgehouden dienstboekje of het Rijnpatent dan wel een ander bewijs van vaarbekwaamheid erkend volgens het Reglement Rijnpatenten;
|
||||
c. het behoorlijk bijgehouden vaartijdenboek;
|
||||
d. de verklaring inzake de afgifte van het vaartijdenboek;
|
||||
e. de verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart;
|
||||
f. de meetbrief van het schip;
|
||||
g. de verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van de tachograaf, alsmede de voorgeschreven registratiebladen van de tachograaf;
|
||||
h. het radardiploma voor de Rijn;
|
||||
i. de verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van de radarinstallatie en de bochtaanwijzer;
|
||||
k. het bedieningscertificaat voor de marifooninstallatie;
|
||||
l. de zendmachtiging voor de marifooninstallatie, dan wel een keuringsbewijs;
|
||||
m. het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart;
|
||||
n. het behoorlijk bijgehouden olie-afgifteboekje;
|
||||
o. de bescheiden betreffende de stoomketels en andere onder druk staande vaten;
|
||||
p. de verklaring betreffende de installaties voor vloeibaar gemaakte gassen;
|
||||
q. de bescheiden betreffende elektrische installaties;
|
||||
r. het keuringsbewijs betreffende de brandblusapparaten;
|
||||
s. het keuringsbewijs betreffende de kranen;
|
||||
t. de bescheiden vereist door het ADNR, Rn 10.381 en 210.381;
|
||||
u. bij containervervoer de door de Commissie van Deskundigen gekeurde stabiliteitsgegevens van het schip, met inbegrip van het stuwplan of de ladinglijst voor de onderhavige beladingstoestand en het resultaat van de stabiliteitsberekening voor de onderhavige, of een vergelijkbare vorige, dan wel een standaard beladingstoestand. De toegepaste berekeningsmethode moet daarbij opgegeven worden;
|
||||
v. de verklaring betreffende de duur en de geografische begrenzing van de bouwwerkzaamheden, waar een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden mag worden gebruikt.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De aanwezigheid van de in het eerste lid, onder *a*, *e* en *f*, bedoelde bescheiden is evenwel niet vereist aan boord van duwbakken waarop een metalen plaat is aangebracht van het volgende model:
|
||||
|
||||
OFFICIEEL SCHEEPSNUMMER: ......-R ......
|
||||
|
||||
CERTIFICAAT VAN ONDERZOEK
|
||||
|
||||
– NUMMER: ................................................................................................
|
||||
– COMMISSIE VAN DESKUNDIGEN: ........................................................
|
||||
– GELDIG TOT: ...........................................................................................
|
||||
- Nummer: ......
|
||||
- Commissie van Deskundigen: ......
|
||||
- Geldig tot: ......
|
||||
|
||||
waarbij uit een hoofdletter R, aangebracht achter het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer), blijkt dat er een verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart is afgegeven.
|
||||
|
||||
|
||||
waarbij uit een hoofdletter R, aangebracht achter het officiële scheepsnummer, blijkt dat er een verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart is afgegeven.
|
||||
|
||||
De gevraagde gegevens moeten, in goed leesbare letters met een hoogte van ten minste 6 mm, ingehakt of ingeslagen zijn.
|
||||
|
||||
De metalen plaat moet een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm hebben. Zij moet op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats zijn bevestigd.
|
||||
De metalen plaat moet een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm hebben. Zij moet op het achterschip aan stuurboordszijde op een goed zichtbare plaats zijn bevestigd.
|
||||
|
||||
De overeenstemming tussen de gegevens op de plaat, met uitzondering van de letter R, met die in het certificaat van onderzoek van de duwbak moet worden bevestigd door een Commissie van Deskundigen door middel van het aanbrengen op de plaat van een stempel.
|
||||
De overeenstemming tussen de gegevens op de plaat met die in het certificaat van onderzoek van de duwbak moet worden bevestigd door een Commissie van Deskundigen door middel van het aanbrengen op de plaat van een stempel.
|
||||
|
||||
De in bijlage 13, lid 1.1, 1.2 en 1.3 van dit reglement genoemde bescheiden moeten dan worden bewaard door de eigenaar van de duwbak.
|
||||
De in het eerste lid, onder *a*, *e* en *f*, genoemde bescheiden moeten dan worden bewaard door de eigenaar van de duwbak.
|
||||
|
||||
De aanwezigheid van de in bijlage 13, lid 5.4 van dit reglement bedoelde bescheiden is evenwel niet vereist, wanneer op de metalen plaat tevens het nummer van de typegoedkeuring van de motoren wordt vermeld.
|
||||
**3.** Op schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden, bedoeld in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, waar een stuurhut of een woning ontbreekt, is de aanwezigheid van de in het eerste lid, onder *a*, *e* en *f*, bedoelde bescheiden niet vereist. Deze bescheiden moeten echter in ieder geval steeds in de nabijheid van de bouwwerkzaamheden voor handen zijn. Op schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden moet een door de bevoegde autoriteit afgegeven verklaring betreffende de duur en de geografische begrenzing van de bouwwerkzaamheden, waar het schip mag worden gebruikt, aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Op schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden, bedoeld in artikel 1.01, lid 1.24 van ES-TRIN, waar een stuurhut of een woning ontbreekt, is de aanwezigheid van de in bijlage 13, lid 1.1, 1.2 en 1.3 van dit reglement bedoelde bescheiden niet vereist. Deze bescheiden moeten echter in ieder geval steeds in de nabijheid van de bouwwerkzaamheden voorhanden zijn. Op schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden moet een door de bevoegde autoriteit afgegeven verklaring betreffende de duur en de geografische begrenzing van de bouwwerkzaamheden, waar het schip mag worden gebruikt, aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De verplichting een vaartijdenboek aan boord te hebben zoals bedoeld in bijlage 13, lid 2.2 van dit reglement, geldt niet voor sleep- en duwboten die uitsluitend in havens verkeren, noch voor duwbakken, overheidsvaartuigen en pleziervaartuigen zonder bemanning.
|
||||
**4.** De bescheiden en andere documenten als bedoeld in het eerste lid moeten op verzoek van de ambtenaren van de bevoegde autoriteit worden overhandigd.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.11
|
||||
|
||||
**1.** Aan boord van een schip, met uitzondering van een klein schip en een duwbak, moet een bijgewerkt exemplaar van dit reglement, met inbegrip van de op grond van artikel 1.22a uitgevaardigde voorschriften, aanwezig zijn. Een exemplaar dat via een elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden, is eveneens toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** Aan boord van een schip dat overeenkomstig artikel 4.05 is uitgerust met een scheepsstation, moet een exemplaar van het Handboek voor de radiocommunicatie in de binnenvaart, Algemeen deel en Regionaal deel Rijn/Moezel, aanwezig zijn. Een exemplaar dat via een elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden, is eveneens toegestaan.
|
||||
Aan boord van een schip, met uitzondering van een klein schip en een duwbak, moet een bijgewerkt exemplaar van dit reglement, met inbegrip van de op grond van artikel 1.22, derde lid, uitgevaardigde voorschriften, aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -274,7 +228,7 @@ De aanwezigheid van de in bijlage 13, lid 5.4 van dit reglement bedoelde beschei
|
|||
|
||||
### Artikel 1.13
|
||||
|
||||
**1.** Een schip mag verkeerstekens (boeien, drijvers, bakens, waarschuwingsvlotten met verkeerstekens, enz.) niet gebruiken om daaraan te meren of daaraan te verhalen, niet beschadigen en niet ongeschikt voor hun bestemming maken.
|
||||
**1.** Een schip mag geen verkeerstekens (boeien, drijvers, bakens, enz.) gebruiken om daaraan te meren of daaraan te verhalen, ze niet beschadigen en ze niet ongeschikt voor hun bestemming maken.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een schip of een drijvend voorwerp een verkeersteken heeft verplaatst of een inrichting heeft beschadigd, die deel uitmaakt van het stelsel van verkeerstekens van de vaarweg, moet de schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
|
|
@ -316,7 +270,7 @@ Indien een schip of een drijvend voorwerp een kunstwerk (sluis, brug, krib, enz.
|
|||
|
||||
### Artikel 1.19
|
||||
|
||||
Een schipper is verplicht aan een verkeersaanwijzing gevolg te geven die hem door de ambtenaren van de bevoegde autoriteit ter verzekering van de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart wordt gegeven. Dit geldt ook in geval van een grensoverschrijdende achtervolging.
|
||||
De schipper moet gevolg geven aan de verkeersaanwijzingen die hem door de ambtenaren van de bevoegde autoriteit ter verzekering van de veiligheid of de goede orde.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.20
|
||||
|
||||
|
|
@ -344,12 +298,7 @@ Een dergelijk transport is slechts toegestaan met een bijzondere vergunning die
|
|||
|
||||
**2.** Deze voorschriften kunnen met name verband houden met werken die in de vaarweg worden uitgevoerd, met militaire oefeningen, met openbare evenementen in de zin van artikel 1.23 of met de gesteldheid van de vaarweg. Krachtens deze voorschriften kan op bepaalde gedeelten, waar bijzondere voorzorgsmaatregelen worden vereist en die door tonnen, bakens of andere tekens of door het opstellen van waarschuwingsposten zijn aangeduid, het varen des nachts of het varen met schepen met te grote diepgang worden verboden.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.22a
|
||||
|
||||
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren, wanneer het noodzakelijk wordt geacht om:
|
||||
|
||||
a. in dringende gevallen afwijkingen van dit reglement toe te laten dan wel;
|
||||
b. proefnemingen mogelijk te maken, waarbij de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden aangetast.
|
||||
**3.** Het eerste lid betreft eveneens de voorschriften die kunnen worden vastgesteld, wanneer het nodig blijkt maatregelen van orde voor de scheepvaart te nemen in afwachting van een wijziging van dit reglement of bij wijze van proef. Deze voorschriften hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren. Zij treden in alle Oeverstaten op hetzelfde tijdstip in werking en worden onder dezelfde voorwaarden buiten werking gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.23
|
||||
|
||||
|
|
@ -359,25 +308,6 @@ Voor het houden van sportevenementen, festiviteiten te water en andere evenement
|
|||
|
||||
Dit reglement is eveneens van toepassing op wateroppervlakten die deel uit maken van havens en van laad- en losplaatsen, onverminderd de bijzondere voorschriften voor de scheepvaart die voor deze havens en laad- en losplaatsen zijn vastgesteld in verband met de plaatselijke omstandigheden en de eisen van het laden en het lossen.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.25
|
||||
|
||||
Voorschriften, toestemmingen en vergunningen kunnen door de bevoegde autoriteiten van voorwaarden en voorbehouden worden voorzien.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.26
|
||||
|
||||
**1.** De bevoegde autoriteit kan, bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur, op grond van een aanbeveling van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart ontheffing van dit reglement verlenen voor een schip waarop taken van de bemanning worden geautomatiseerd of voor een schip dat op afstand wordt bestuurd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Deze aanbeveling legt de minimumeisen vast om te waarborgen dat het schip:
|
||||
|
||||
a. geen afbreuk doet aan de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer,
|
||||
b. beschikt over een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan dat van de andere schepen die op de Rijn varen.
|
||||
|
||||
De bevoegde autoriteit kan aanvullende eisen stellen in de ontheffing.
|
||||
|
||||
**3.** De bevoegde autoriteit vermeldt de ontheffingen als bedoeld in het eerste lid en de eisen als bedoeld in het tweede lid in het certificaat van onderzoek van het schip of in het overeenkomstig het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn als gelijkwaardig erkende certificaat.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 2. Kentekens en diepgangsschalen van schepen; meting
|
||||
|
||||
### Artikel 2.01
|
||||
|
|
@ -392,7 +322,9 @@ De naam moet aan beide zijden van het schip en tevens, met uitzondering van een
|
|||
b. de thuishaven of de plaats van teboekstelling.
|
||||
|
||||
De naam van de thuishaven of de plaats van teboekstelling moet worden aangebracht hetzij aan beide zijden van het schip hetzij aan de achterzijde en moet worden gevolgd door de letter of lettercombinatie die het land aanduidt, waarin deze thuishaven of deze plaats van teboekstelling is gelegen;
|
||||
c. het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer), dat uit acht Arabische cijfers bestaat, waarbij de eerste drie cijfers het land en de instelling, die dat uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) heeft toegekend, aanduiden. Dit kenteken behoeft slechts te worden gevoerd door schepen waaraan een uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) is toegekend. Het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) wordt aangebracht op de wijze als bepaald in onderdeel a.
|
||||
c. het officiële scheepsnummer, dat uit 7 Arabische cijfers bestaat, eventueel gevolgd door een kleine letter, waarbij de eerste twee cijfers het land en de instelling, die het officiële scheepsnummer heeft toegekend, aanduiden. Dit kenteken behoeft slechts te worden gevoerd door de hierboven bedoelde schepen, waarvan de thuishaven of de plaats van teboekstelling in één der Oeverstaten of België is gelegen, met uitzondering van drijvende werktuigen, veerponten, sport- of pleziervaartuigen en passagiersschepen, alsmede schepen van de toezichthoudende ambtenaren en brandweerboten.
|
||||
|
||||
Het officiële scheepsnummer wordt aangebracht op de wijze, voorgeschreven onder *a*.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -405,7 +337,7 @@ b. indien het is bestemd voor het vervoer van passagiers, het ten hoogste toegel
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De kentekens overeenkomstig het eerste en tweede lid moeten zijn aangebracht in goed leesbare en onuitwisbare Latijnse letters en Arabische cijfers. De hoogte van de tekens voor de naam en het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) moet ten minste 20 cm en voor de overige aanduidingen ten minste 15 cm bedragen.
|
||||
Bovenvermelde kentekens moeten zijn aangebracht in Latijnse letters en Arabische cijfers. Zij moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn. De hoogte van de tekens moet voor de naam en het officiële scheepsnummer ten minste 20 cm en voor de overige aanduidingen ten minste 15 cm bedragen.
|
||||
|
||||
De breedte van de tekens en de stamdikte moeten in goede verhouding tot de hoogte staan. De tekens moeten in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond worden aangebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -432,35 +364,15 @@ Een binnenschip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, met uitzondering v
|
|||
|
||||
### Artikel 2.04
|
||||
|
||||
**1.** Een schip, met uitzondering van een klein schip, moet zijn voorzien van merken die het vlak van de grootste inzinking aangeven. Bij een zeeschip treedt de zomerzoetwateruitwatering in de plaats van het inzinkingsmerk. In de artikelen 4.04, 4.05 en 22.09 van ES-TRIN is vastgelegd op welke wijze de grootste inzinking wordt vastgesteld en de inzinkingsmerken worden aangebracht.
|
||||
**1.** Een schip, met uitzondering van een klein schip, moet zijn voorzien van merken die het vlak van de grootste inzinking aangeven. Bij een zeeschip treedt de zomerzoetwateruitwatering in de plaats van het inzinkingsmerk. In het Reglement onderzoek schepen op de Rijn is aangegeven op welke wijze de grootste inzinking wordt vastgesteld en de inzinkingsmerken worden aangebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Een schip waarvan de diepgang 1 m kan bereiken, met uitzondering van een klein schip, moet van diepgangsschalen zijn voorzien. In de artikelen 4.06 en 22.09 van ES-TRIN is vastgelegd op welke wijze zij worden aangebracht.
|
||||
**2.** Een schip waarvan de diepgang 1 m kan bereiken, met uitzondering van een klein schip, moet van diepgangsschalen zijn voorzien. In het Reglement onderzoek schepen op de Rijn is aangegeven op welke wijze zij worden aangebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.05
|
||||
|
||||
**1.** Een scheepsanker moet van onuitwisbare kentekens zijn voorzien. Deze moeten ten minste bestaan uit het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) van het schip.
|
||||
**1.** Een scheepsanker moet van onuitwisbare kentekens zijn voorzien, die ten minste moeten bestaan uit hetzij het nummer van het certificaat van onderzoek van het schip waartoe het behoort en de letters van de Commissie van Deskundigen die dat certificaat heeft afgegeven, hetzij de naam en de woonplaats van de eigenaar van het schip. Indien een anker wordt gebruikt op een ander schip van dezelfde eigenaar, kunnen de oorspronkelijke kentekens worden gehandhaafd.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid blijven het nummer van het certificaat van onderzoek van het schip en de letters van de Commissie van deskundigen of de naam en de woonplaats van de eigenaar van het schip toegestaan bij ankers die zich op 30 november 2019 aan boord van een schip bevinden.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het nummer van het certificaat van onderzoek wijzigt, is het in het tweede lid bepaalde niet meer van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op de ankers van zeeschepen, van kleine schepen en van schepen die slechts bij uitzondering de Rijn bevaren.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.06
|
||||
|
||||
**1.** Schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken, moeten een kenteken voeren.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Dit kenteken moet rechthoekig zijn, met de vermelding «LNG» in witte letters op een rode ondergrond, met een witte rand met een breedte van ten minste 5 centimeter.
|
||||
|
||||
De afmeting van de langste zijde van de rechthoek moet ten minste 60 centimeter bedragen.
|
||||
|
||||
De letters moeten een hoogte van ten minste 20 centimeter hebben. De breedte van de letters en de stamdikte moeten in goede verhouding tot de hoogte staan.
|
||||
|
||||
**3.** Het kenteken moet op een geschikte en goed zichtbare plaats zijn aangebracht.
|
||||
|
||||
**4.** Het teken moet zo nodig worden verlicht om 's nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de ankers van zeeschepen, van kleine schepen en van schepen die slechts bij uitzondering de Rijn bevaren.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen
|
||||
|
||||
|
|
@ -492,13 +404,18 @@ b. een gekoppeld samenstel, waarvan de grootste lengte meer dan 140 m bedraagt,
|
|||
|
||||
### Artikel 3.02
|
||||
|
||||
**1.** Voor zover niet anders bepaald, moeten de lichten naar alle zijden uitstralen en ononderbroken licht van gelijkmatige sterkte geven.
|
||||
**1.** Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de bij dit reglement voorgeschreven lichten naar alle zijden uitstralen en ononderbroken licht van gelijkmatige sterkte geven.
|
||||
|
||||
**2.** Navigatielantaarns, evenals hun behuizing en toebehoren, moeten voldoen aan de eisen van artikel 7.05, eerste lid, van ES-TRIN.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** De lichten moeten voor wat betreft hun horizontale uitstraling, kleur en sterkte voldoen aan de eisen van het onderhavige reglement.
|
||||
Een schip mag slechts de navigatielantaarns gebruiken,
|
||||
|
||||
**4.** De nachtverlichting van stilliggende schepen die niet zijn uitgerust met een motor hoeft niet aan het gestelde in het tweede lid en het derde lid te voldoen. Bij goed zicht en tegen een donkere achtergrond dient de zichtbaarheid daarvan echter ongeveer 1000 m te bedragen.
|
||||
a. waarvan de lantaarnhuizen, de uitrusting en de lichtbronnen het keurmerk dragen, voorgeschreven in de Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart, en
|
||||
b. waarvan de lichten voor wat betreft hun horizontale uitstraling, kleur en sterkte in overeenstemming zijn met dit reglement.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**3.** De lichten van stilliggende schepen die niet zijn uitgerust met een motor behoeven niet aan het gestelde in het tweede lid te voldoen. Bij goed zicht en tegen een donkere achtergrond dient de zichtbaarheid daarvan echter ongeveer 1000 m te bedragen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.03
|
||||
|
||||
|
|
@ -568,9 +485,7 @@ c. een heklicht op het achterschip.
|
|||
|
||||
**2.** Een alleenvarend motorschip met een lengte van meer dan 110 m moet des nachts bovendien op het achterschip een tweede toplicht voeren op een grotere hoogte dan het toplicht op het voorschip.
|
||||
|
||||
**3.** Een snel schip moet tijdens de vaart, zowel des nachts als des daags, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, voeren: twee gele krachtige snelle flikkerlichten. Deze flikkerlichten moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en zo hoog worden gevoerd dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Dit artikel is niet van toepassing op kleine schepen en op veerponten. Voor kleine schepen geldt artikel 3.13 en voor veerponten artikel 3.16.
|
||||
**3.** Dit artikel is niet van toepassing op kleine schepen en op veerponten. De bepalingen van toepassing op kleine schepen zijn vermeld in artikel 3.13 en die van toepassing op veerponten in artikel 3.16.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.09
|
||||
|
||||
|
|
@ -630,7 +545,7 @@ b. het heklicht, voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid onder c. Indien ech
|
|||
|
||||
**5.** Op de reden behoeven slepen, die slechts uit een motorschip en één gesleepte lengte bestaan, de bij dit artikel voorgeschreven dagtekens niet te voeren.
|
||||
|
||||
**6.** Dit artikel geldt noch voor kleine schepen die uitsluitend kleine schepen slepen, noch voor gesleepte kleine schepen; voor deze kleine schepen geldt artikel 3.13, tweede en derde lid.
|
||||
**6.** Dit artikel is niet van toepassing op kleine schepen die slechts kleine schepen slepen of op het slepen van kleine schepen. De bepalingen van toepassing op deze kleine schepen zijn vermeld in artikel 3.13, tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -642,15 +557,15 @@ a. i. drie toplichten op het voorschip van het voorste schip of van het meest li
|
|||
ii. een toplicht op het voorste schip van elk ander schip dat van voren over de volle breedte zichtbaar is, voor zover mogelijk 3 m lager dan het bovenste toplicht bedoeld onder i.
|
||||
|
||||
De masten waaraan deze toplichten worden gevoerd moeten zijn geplaatst in de lengte-as van het schip waarop zij zich bevinden;
|
||||
b. boordlichten zo ver mogelijk naar achteren op het breedste gedeelte van het duwstel, ten hoogste 1 m vanaf de zijkanten van het duwstel en ten minste 2 m boven het wateroppervlak;
|
||||
b. boordlichten op het breedste gedeelte van het duwstel, zo dicht mogelijk bij de duwboot, ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het duwstel en ten minste 2 m boven het wateroppervlak;
|
||||
c. i. drie heklichten op het achterschip van de duwboot, in een horizontale lijn loodrecht op de lengte-as, telkens ongeveer 1,25 m uit elkaar en op een zodanige hoogte dat zij niet door één van de andere schepen van het duwstel aan het gezicht kunnen worden onttrokken;
|
||||
ii. een heklicht op het achterschip van elk ander schip dat van achteren over de volle breedte zichtbaar is. Indien echter behalve de duwboot meer dan twee schepen van achteren zichtbaar zijn, moet dit heklicht alleen door de schepen aan de buitenzijden worden gevoerd.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** Een duwstel dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen moet des nachts de heklichten bedoeld in het eerste lid, onder c.i, voeren op de duwboot aan stuurboord. De andere duwboot moet des nachts het heklicht bedoeld in het eerste lid, onder c.ii, voeren.
|
||||
**2.** Een duwstel dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen moet de heklichten bedoeld in het eerste lid, onder *c.*i, voeren op de duwboot aan stuurboord. De andere duwboot moet het heklicht bedoeld in het eerste lid, onder *c.*ii, voeren.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is eveneens van toepassing op duwstellen die des nachts worden gesleept. De heklichten bedoeld in het eerste lid, onder c.i, dienen echter geel in plaats van wit te zijn.
|
||||
**3.** Het eerste lid is eveneens van toepassing op duwstellen die des nachts worden gesleept. De heklichten bedoeld in het eerste lid, onder *c.*i, dienen echter geel in plaats van wit te zijn.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -730,7 +645,7 @@ een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, en op een plaats wa
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een varend schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, overeenkomstig ADN nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:
|
||||
Een varend schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10.500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, voeren:
|
||||
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
|
|
@ -745,7 +660,7 @@ Dit teken moet op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Een varend schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, overeenkomstig ADN nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:
|
||||
Een varend schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10.500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, voeren:
|
||||
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
|
|
@ -758,7 +673,7 @@ Deze tekens moeten in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongevee
|
|||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een varend schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, overeenkomstig ADN nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:
|
||||
Een varend schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10.500, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, voeren:
|
||||
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
|
|
@ -775,7 +690,7 @@ Deze tekens moeten in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongevee
|
|||
|
||||
**6.** Een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat verschillende gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet de tekens voeren voorgeschreven voor de gevaarlijke stof, die het grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.
|
||||
|
||||
**7.** Een schip, dat geen tekens als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet voeren maar in het bezit is van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in het ADN, nr. 1.16.1.1.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig geschut wil worden met een schip dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, bij nadering van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
|
||||
**7.** Een schip, dat in het bezit is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADNR, Rn 10.282 (Bijlage B1) of Rn 210.282 (Bijlage B2), en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig geschut wil worden met een schip dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, bij nadering van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.
|
||||
|
||||
**8.** De sterkte van de in dit artikel voorgeschreven blauwe lichten dient ten minste gelijk te zijn aan die van blauwe gewone lichten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -886,9 +801,9 @@ Hij moet het groene licht bedoeld in artikel 3.16, eerste lid onder b, alsmede d
|
|||
|
||||
### Artikel 3.23
|
||||
|
||||
Onverminderd de bijzondere voorwaarden die overeenkomstig artikel 1.21 kunnen worden opgelegd, moeten drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen bij het stilliggen des nachts van alle zijden zichtbare witte gewone lichten voeren, in voldoende aantal om hun omtrekken van de zijde van het vaarwater herkenbaar te maken.
|
||||
Onverminderd de bijzondere voorwaarden die op grond van artikel 1.21 kunnen worden gesteld, moeten een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen des nachts voeren:
|
||||
|
||||
De in de eerste volzin voorgeschreven lichten hoeven niet te worden gevoerd, wanneer aan de voorwaarden van artikel 3.20, derde lid, onderdeel b of c, is voldaan.
|
||||
witte gewone rondom schijnende lichten, in voldoend aantal om hun omtrek aan de zijde van het vaarwater aan te duiden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.24
|
||||
|
||||
|
|
@ -911,16 +826,16 @@ gele drijvers, in voldoend aantal om de plaats daarvan aan te geven.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een in bedrijf zijnd drijvend werktuig en een schip, dat in het vaarwater werken uitvoert dan wel peilingen of metingen verricht, moeten tijdens het stilliggen voeren:
|
||||
Een in bedrijf zijnd drijvend werktuig en een schip, dat in de rivier werken uitvoert dan wel peilingen of metingen verricht, moeten tijdens het stilliggen voeren:
|
||||
|
||||
a. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:
|
||||
|
||||
- des nachts:
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
twee groene heldere of gewone lichten;
|
||||
- des daags:
|
||||
-. des daags:
|
||||
|
||||
het aanwijzingsbord E.1 (bijlage 7) of
|
||||
het aanwijzingsbord E.1 ( bijlage 7) of
|
||||
|
||||
twee groene ruiten,
|
||||
|
||||
|
|
@ -929,42 +844,42 @@ in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;
|
|||
en zo nodig:
|
||||
b. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:
|
||||
|
||||
- des nachts:
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
een rood helder of gewoon licht,
|
||||
een rood licht,
|
||||
|
||||
op dezelfde hoogte als het bovenste van de onder a voorgeschreven groene lichten en van dezelfde lichtsterkte als die lichten;
|
||||
- des daags:
|
||||
op dezelfde hoogte als het bovenste van de onder *a* voorgeschreven groene lichten en van dezelfde lichtsterkte als die lichten;
|
||||
-. des daags:
|
||||
|
||||
het verbodsbord A.1 (bijlage 7), op dezelfde hoogte als het onder a voorgeschreven bord,
|
||||
het verbodsbord A.1 ( bijlage 7), op dezelfde hoogte als het onder *a* voorgeschreven bord,
|
||||
|
||||
of
|
||||
|
||||
een rode bol, op dezelfde hoogte als de bovenste van de onder a voorgeschreven ruiten;
|
||||
een rode bol, op dezelfde hoogte als de bovenste van de onder *a* voorgeschreven ruiten;
|
||||
|
||||
of, in het geval dat deze schepen tevens tegen hinderlijke waterbeweging beschermd moeten worden:
|
||||
c. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:
|
||||
|
||||
- des nachts:
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
een rood helder of gewoon licht en een wit helder of gewoon licht, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het rode licht boven;
|
||||
- des daags:
|
||||
-. des daags:
|
||||
|
||||
een vlag waarvan de bovenste helft rood en de onderste helft wit is, dan wel twee vlaggen boven elkaar, de bovenste rood en de onderste wit;
|
||||
|
||||
en zo nodig:
|
||||
d. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:
|
||||
|
||||
- des nachts:
|
||||
-. des nachts:
|
||||
|
||||
een rood licht, op dezelfde hoogte als het onder c voorgeschreven rode licht en van dezelfde lichtsterkte als dit licht;
|
||||
- des daags:
|
||||
een rood licht, op dezelfde hoogte als het onder *c* voorgeschreven rode licht en van dezelfde lichtsterkte als dit licht;
|
||||
-. des daags:
|
||||
|
||||
een rode vlag, op dezelfde hoogte als de aan de andere zijde gevoerde roodwitte vlag of de rode vlag.
|
||||
|
||||
Deze tekens moeten zijn aangebracht op een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. De vlaggen mogen worden vervangen door borden van dezelfde kleur.
|
||||
|
||||
**2.** Een vastgevaren of gezonken schip moet des nachts de bij het eerste lid, onder c en d, voorgeschreven tekens voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop de tekens niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten, op boeien of op een andere doelmatige wijze zijn geplaatst.
|
||||
**2.** Een vastgevaren of gezonken schip moet des nachts de bij het eerste lid, onder *c* en *d*, voorgeschreven tekens voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop de tekens niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten, op boeien of op een andere doelmatige wijze zijn geplaatst.
|
||||
|
||||
**3.** De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de verplichting tot het voeren van de bij het eerste lid, onder *a* en *b*, voorgeschreven tekens.
|
||||
|
||||
|
|
@ -999,11 +914,11 @@ een gele drijver voorzien van een radarreflector.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.27
|
||||
|
||||
Een schip van toezichthoudende ambtenaren mag om zich kenbaar te maken zowel des nachts als des daags een blauw flikkerlicht tonen. Hetzelfde geldt voor een brandweerboot die hulp biedt of daartoe op weg is en voor een reddingsvaartuig bij een reddingsoperatie met toestemming van de bevoegde autoriteit.
|
||||
Een schip van toezichthoudende ambtenaren mag om zich kenbaar te maken zowel des nachts als des daags een blauw flikkerlicht tonen. Hetzelfde geldt voor een brandweerboot die hulp biedt of daartoe op weg is.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.28
|
||||
|
||||
Een varend schip dat in of nabij het vaarwater werkzaamheden, peilingen of metingen uitvoert mag, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, met toestemming van de bevoegde autoriteit, zowel des nachts als des daags, tonen:
|
||||
Een varend schip dat in of nabij het vaarwater werkzaamheden, peilingen of metingen uitvoert mag, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, met toestemming van de bevoegde autoriteit, tonen:
|
||||
|
||||
een geel helder of gewoon rondom schijnend flikkerlicht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1046,24 +961,27 @@ een rode vlag of ieder ander geschikt voorwerp waarmee in het rond wordt gezwaai
|
|||
|
||||
### Artikel 3.31
|
||||
|
||||
**1.** Indien op grond van wettelijke voorschriften de toegang aan boord voor onbevoegden is verboden, moet dit verbod worden aangeduid door: één of meer ronde witte symbolen met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in zwart, de afbeelding van een afwerende hand. Deze symbolen moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. De doorsnede van deze symbolen moet ongeveer 0,60 m bedragen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Deze symbolen moeten zo nodig worden verlicht om des nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
|
||||
Indien op grond van wettelijke voorschriften de toegang aan boord voor onbevoegden is verboden, moet dit verbod worden aangeduid door:
|
||||
|
||||
**3.** De symbolen die overeenkomstig de op 30 november 2011 geldende versie van het Rijnvaartpolitiereglement waren voorgeschreven, mogen tot en met 30 november 2015 worden gebruikt.
|
||||
één of meer ronde witte borden met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in zwart, de afbeelding van een voetganger.
|
||||
|
||||
Deze borden moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. In afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer 0,60 m bedragen.
|
||||
|
||||
**2.** Deze borden moeten zo nodig worden verlicht om des nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.32
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien het op grond van wettelijke voorschriften aan boord is verboden:
|
||||
Indien op grond van wettelijke voorschriften het roken aan boord is verboden, moet dit verbod worden aangeduid door:
|
||||
|
||||
a) te roken;
|
||||
b) onbeschermd licht of vuur te gebruiken, moet dit verbod worden aangeduid door één of meer ronde witte symbolen met een rode rand en een rode diagonale balk en met de afbeelding van een brandende lucifer.
|
||||
één of meer ronde witte borden met een rode rand en een rode diagonale balk en met de afbeelding van een rokende sigaret.
|
||||
|
||||
Deze symbolen moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. De doorsnede van deze symbolen moet ongeveer 0,60 m bedragen.
|
||||
Deze borden moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. In afwijking van artikel 3.03, derde lid, moet de doorsnede van deze borden ongeveer 0,60 m bedragen.
|
||||
|
||||
**2.** Deze symbolen moeten zo nodig worden verlicht om des nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
|
||||
**2.** Deze borden moeten zo nodig worden verlicht om des nachts duidelijk zichtbaar te zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.33
|
||||
|
||||
|
|
@ -1079,13 +997,7 @@ Het bord moet aan beide zijden wit zijn, met een rode rand, een rode diagonale b
|
|||
|
||||
**3.** Dit artikel is niet van toepassing op een schip, duwstel of een gekoppeld samenstel bedoeld in artikel 3.21.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.34
|
||||
|
||||
Een schip dat gebruikt wordt bij het duiken, voert, naast de door de andere bepalingen van dit reglement voorgeschreven tekens, als bijkomend teken:
|
||||
|
||||
een ten minste 1 m hoge van niet buigzaam materiaal vervaardigde replica van de seinvlag «A» van de Internationale Code voor tekens, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat het dag en nacht van alle zijden zichtbaar is.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 4. Geluidsseinen van schepen; marifoon; informatie- en navigatieapparatuur
|
||||
### Hoofdstuk 4. Geluidsseinen van schepen; marifoon; radar
|
||||
|
||||
#### Paragraaf I. Geluidsseinen ( Bijlage 6)
|
||||
|
||||
|
|
@ -1098,7 +1010,7 @@ Indien in dit reglement andere geluidsseinen zijn voorzien dan klokslagen of ree
|
|||
a. aan boord van een motorschip, met uitzondering van een klein schip, door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie die voldoende hoog is opgesteld en vrij staat naar voren en voor zover mogelijk ook naar achteren;
|
||||
b. aan boord van een schip, niet zijnde een motorschip, en een klein schip, door middel van een geschikte geluidsinstallatie, scheepstoeter of hoorn.
|
||||
|
||||
**2.** Een motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit lid is niet van toepassing op een klein schip en geldt niet voor klokslagen.
|
||||
**2.** Een motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit lid is niet van toepassing op een klein schip en geldt niet voor het drietonig sein bedoeld in artikel 6.32, derde lid onder *a*, gegeven door met behulp van radar afvarende schepen, of voor klokslagen of reeksen klokslagen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij een varend duwstel of gekoppeld samenstel mogen de geluidsseinen slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of het gekoppeld samenstel bevindt en, in het geval van een sleep, slechts door het motorschip aan de kop van de sleep.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1126,19 +1038,25 @@ b. aan boord van een schip, niet zijnde een motorschip, en een klein schip, door
|
|||
|
||||
### Artikel 4.05
|
||||
|
||||
**1.** Ieder scheepsstation aan boord van een schip of een drijvende inrichting moet zijn uitgerust en worden gebruikt in overeenstemming met de bepalingen van het Handboek voor de radiocommunicatie in de binnenvaart.
|
||||
**1.** Iedere zich aan boord van een schip of van een drijvende inrichting bevindende marifooninstallatie moet in overeenstemming zijn met de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart en worden gebruikt overeenkomstig de voorschriften van deze regeling. Deze voorschriften worden vermeld in het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart.
|
||||
|
||||
**2.** Bij marifoonverkeer tussen scheepsstations moet de taal van het land worden gebruikt waar zich het scheepsstation bevindt waarmee het gesprek wordt aangevangen. Bij marifoonverkeer tussen een scheepsstation en een walstation moet de taal van het land worden gebruikt waar zich het walstation bevindt. In geval van communicatieproblemen bij marifoonverkeer tussen scheepsstations of tussen scheepsstations en walstations moet de Duitse taal worden gebruikt.
|
||||
**2.** De kanalen van de marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, het schip–schip verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten mogen slechts worden gebruikt voor mededelingen die zijn voorgeschreven of toegelaten in dit reglement, dan wel die krachtens de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart zijn toegelaten.
|
||||
|
||||
**3.** De kanalen van de marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, het marifoonverkeer schip-schip, de nautische informatie en het marifoonverkeer schip-havenautoriteiten, mogen slechts worden gebruikt voor mededelingen die zijn voorgeschreven of toegelaten in dit Reglement of zijn toegelaten krachtens het Handboek voor de radiocommunicatie in de binnenvaart.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
**4.** Een motorschip, met uitzondering van een klein schip, mag slechts varen indien het is uitgerust met een marifooninstallatie die naar behoren functioneert en geschikt is voor het marifoonverkeer schip-schip, de nautische informatie en het marifoonverkeer schip-havenautoriteiten. Met deze marifooninstallatie moet gelijktijdig op twee kanalen kunnen worden uitgeluisterd.
|
||||
Een motorschip, met uitzondering van een klein schip, mag slechts varen indien het is uitgerust met een marifooninstallatie geschikt voor de kanalen voor het schip - - schip verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten die goed functioneert.
|
||||
|
||||
**5.** Een varend motorschip, met uitzondering van een klein schip, moet de marifooninstallatie op ontvangst hebben ingeschakeld op het voor het marifoonverkeer schip-schip toegewezen kanaal, tenzij in geval van bijzondere met redenen omklede omstandigheden op een ander kanaal uitgeluisterd moet worden, en moet op de voor het marifoonverkeer schip-schip en de nautische informatie toegewezen kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke inlichtingen geven. De marifooninstallatie moet de kanalen voor het marifoonverkeer schip-schip en de nautische informatie gelijktijdig op ontvangst hebben ingeschakeld.
|
||||
Met deze marifooninstallatie moet gelijktijdig op twee kanalen kunnen worden uitgeluisterd.
|
||||
|
||||
**6.** Teken B.11 in bijlage 7 wijst op een door de bevoegde autoriteit opgelegde verplichting dat gebruik moet worden gemaakt van de marifoon.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
#### Paragraaf III. Informatie- en navigatieapparatuur
|
||||
Een varend motorschip, met uitzondering van een klein schip, moet de marifooninstallatie op ontvangst hebben ingeschakeld op het voor het schip- schip verkeer aangewezen kanaal, tenzij in een bepaald geval bij uitzondering het uitluisteren op een ander kanaal verantwoord is, en moet op de voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische informatie aangewezen kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke inlichtingen geven.
|
||||
|
||||
Het moet de kanalen voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische informatie gelijktijdig op ontvangst hebben ingeschakeld.
|
||||
|
||||
**5.** Teken B.11 ( bijlage 7) geeft aan dat een schip gebruik moet maken van de marifoon overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf III. Radar
|
||||
|
||||
### Artikel 4.06
|
||||
|
||||
|
|
@ -1146,82 +1064,14 @@ b. aan boord van een schip, niet zijnde een motorschip, en een klein schip, door
|
|||
|
||||
Een schip mag slechts gebruik maken van radar indien:
|
||||
|
||||
a. het is uitgerust met een radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van de draaiing van het schip overeenkomstig artikel 7.06, eerste lid, van ES-TRIN. Dit is ook van toepassing op Inland ECDIS-apparaten die gebruik kunnen maken van Inland ECDIS met geïntegreerd radarbeeld voor het voeren van het schip (navigatiemodus). De apparatuur moet goed functioneren en van een type zijn dat voor de Rijn is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van één van de Rijnoeverstaten of van België. Een niet vrij-varende veerpont behoeft echter niet te zijn uitgerust met een aanwijzer van de snelheid van draaiing; en
|
||||
b. zich aan boord een persoon bevindt die houder is van de overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn geldige specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar. Bij goed zicht mag echter van radar gebruik worden gemaakt teneinde hiermede te oefenen, ook zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
|
||||
a. het is uitgerust met een voor de behoeften van de binnenvaart geschikte radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van draaiing van het schip, die goed functioneren en die van een type zijn dat voor de Rijn is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van één van de Oeverstaten of van België. Een niet vrij-varende veerpont behoeft echter niet te zijn uitgerust met een aanwijzer van de snelheid van draaiing;
|
||||
b. het is uitgerust met een geluidsinstallatie die geschikt is voor het geven van een driemaal herhaalde reeks van drie tonen van verschillende toonhoogte die zonder onderbreking op elkaar volgen en in totaal ongeveer twee seconden duren. Elke reeks van drie tonen moet beginnen met de laagste en eindigen met de hoogste toon (drietonig sein). De frequenties van de drie tonen moeten liggen tussen 165 Hz en 297 Hz. Tussen de hoogste en de laagste toon moet een interval liggen van ten minste twee hele tonen. Deze bepaling geldt niet voor kleine schepen en veerponten;
|
||||
c. zich aan boord een persoon bevindt, die houder is van een diploma, afgegeven krachtens het Reglement betreffende het verlenen van diploma’s voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn. Onverminderd artikel 1.09, derde lid, mag des daags bij goed zicht van radar worden gebruik gemaakt teneinde hiermede te oefenen, zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.
|
||||
|
||||
Een klein schip moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip - - schip verkeer, die goed functioneert.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een duwstel en voor een gekoppeld samenstel is het eerste lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of van het gekoppeld samenstel bevindt.
|
||||
|
||||
**3.** Een varend snel schip moet gebruik maken van radar.
|
||||
|
||||
**4.** Een klein schip dat radar gebruikt, moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip-schip verkeer, die goed functioneert en voor ontvangst is ingeschakeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.07
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een schip moet zijn uitgerust met een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van ES-TRIN. Het Inland AIS-apparaat moet goed functioneren. De eerste volzin geldt niet voor de volgende schepen:
|
||||
|
||||
a. schepen van duwstellen en gekoppelde samenstellen, met uitzondering van het schip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen zorgt;
|
||||
b. kleine schepen, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
1°. schepen van de politie die met een radarapparaat zijn uitgerust; en
|
||||
2°. schepen, die van een certificaat overeenkomstig het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn of een krachtens dit reglement als gelijkwaardig erkend certificaat zijn voorzien;
|
||||
c. duwbakken zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging;
|
||||
d. drijvende werktuigen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het Inland AIS-apparaat moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
||||
|
||||
a. het Inland AIS-apparaat moet permanent ingeschakeld zijn;
|
||||
b. het Inland AIS-apparaat moet op vol vermogen zenden; dit geldt niet voor tankschepen met de vaarstatus op «afgemeerd»;
|
||||
c. op elk schip of samenstel mag op elk moment slechts één Inland AIS-apparaat gebruikt worden om gegevens over te dragen;
|
||||
d. de gegevens die in het Inland AIS-apparaat zijn ingevoerd en daarmee worden overgedragen moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.
|
||||
|
||||
**2a.**
|
||||
|
||||
Het tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing:
|
||||
|
||||
a. indien de schepen zich in een overnachtingshaven als bedoeld in artikel 14.11, eerste lid, bevinden;
|
||||
b. indien de bevoegde autoriteit een uitzondering voor vaarwateren die bouwkundig van de vaargeul zijn gescheiden, heeft toegestaan;
|
||||
c. voor schepen van de politie, ingeval het verzenden van AIS-gegevens het uitvoeren van politieopdrachten in gevaar kan brengen.
|
||||
|
||||
**3.** Schepen die met een Inland AIS-apparaat moeten zijn uitgerust, uitgezonderd veerponten, dienen aanvullend te zijn uitgerust met een Inland ECDIS-apparaat in de informatiemodus of een daarmee vergelijkbaar apparaat voor de weergave van elektronische binnenvaartkaarten dat met het Inland AIS-apparaat moet zijn verbonden en dienen dit samen met een actuele elektronische binnenvaartkaart te gebruiken. Het Inland ECDIS-apparaat in de informatiemodus moet voldoen aan de bepalingen van deel I van ES-RIS. Het vergelijkbare apparaat voor de weergave van elektronische kaarten en de elektronische binnenvaartkaart moeten voldoen aan de Minimumeisen voor apparaten voor de weergave van elektronische binnenvaartkaarten met het oog op het gebruik van Inland AIS-gegevens aan boord van schepen (Besluit 2024-I-10).
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Er moeten minstens de volgende gegevens overeenkomstig de bepalingen van deel II van ES-RIS worden gezonden:
|
||||
|
||||
a. User Identifier (Maritime Mobile Service Identity, MMSI);
|
||||
b. naam van het schip;
|
||||
c. scheeps- of samensteltype overeenkomstig de bepalingen van deel II van ES-RIS;
|
||||
d. Uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of, voor zeeschepen voor zover geen ENI werd toegekend, het IMO-nummer;
|
||||
e. lengte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m;
|
||||
f. breedte over alles van het schip of het samenstel met de nauwkeurigheid van 0,1 m;
|
||||
g. positie (WGS 84);
|
||||
h. snelheid over de grond;
|
||||
i. koers over de grond;
|
||||
j. tijd van de elektronische positiebepaling;
|
||||
k. vaarstatus overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
l. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
m. oproepcode.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De schipper moet de volgende gegevens bij wijzigingen onmiddellijk actualiseren:
|
||||
|
||||
a. lengte over alles met de nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
b. breedte over alles met de nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
c. scheeps- of samensteltype overeenkomstig de bepalingen van deel II van ES-RIS;
|
||||
d. vaarstatus overeenkomstig bijlage 11;
|
||||
e. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 11.
|
||||
|
||||
**6.** Een klein schip dat AIS gebruikt, mag uitsluitend een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van ES-TRIN, een krachtens de IMO-voorschriften type-goedgekeurd AIS-apparaat van klasse A of een AIS-apparaat van klasse B gebruiken. AIS-apparatuur van klasse B moet aan de dienovereenkomstige eisen van Aanbeveling ITU-R.M 1371, aan Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PbEU L 153) alsmede aan de internationale norm IEC 62287-1 of 2 (inclusief DSC kanaalmanagement) voldoen. Het AIS-apparaat moet goed functioneren en de in het AIS-apparaat ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.
|
||||
|
||||
**7.** Een klein schip waaraan geen uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) is toegekend, hoeft de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, niet over te dragen.
|
||||
|
||||
**8.** Een klein schip dat AIS gebruikt, moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip-schip verkeer, die goed functioneert en voor ontvangst is ingeschakeld.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 5. Verkeerstekens van de vaarweg
|
||||
|
||||
### Artikel 5.01
|
||||
|
|
@ -1240,13 +1090,13 @@ e. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid
|
|||
|
||||
#### Paragraaf I. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.01
|
||||
### Artikel
|
||||
|
||||
Een snel schip moet voor elk ander schip uitwijken.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.02
|
||||
|
||||
**1.** Een alleenvarend klein schip en een sleep of een gekoppeld samenstel dat uitsluitend uit kleine schepen bestaat is verplicht aan een ander schip met inbegrip van een snel schip de ruimte te laten, die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en om te manoeuvreren.
|
||||
**1.** Een klein schip en een sleep of een gekoppeld samenstel dat uitsluitend uit kleine schepen bestaat is verplicht aan een ander schip de ruimte te laten, die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en om te manoeuvreren. Het mag niet verlangen, dat dit te zijnen gerieve uitwijkt.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 6.04, 6.05, 6.07, 6.08, eerste lid, 6.10, 6.11 en 6.12 , met uitzondering van het teken B.1 ( bijlage 7), zijn niet van toepassing op of ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kleine schepen, slepen en gekoppelde samenstellen. Een schip, niet zijnde een klein schip, behoeft de artikelen 6.09, tweede lid, 6.13, 6.14 en 6.16 niet in acht te nemen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kleine schepen, slepen en gekoppelde samenstellen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1273,7 +1123,7 @@ c. ingeval een schip dat over stuurboordsboeg ligt aan zijn loefzijde een schip
|
|||
|
||||
Een klein zeilschip moet een ander klein zeilschip aan loef voorbijlopen. Loef is aan de zijde tegenover het gezette grootzeil.
|
||||
|
||||
**5.** Een klein schip mag niet zodanig opkruisen, dat het een klein schip, dat zijn stuurboordswal houdt, dwingt uit te wijken.
|
||||
**5.** Een klein schip mag niet zodanig het vaarwater opkruisen, dat het een klein schip, dat zijn stuurboordswal houdt, dwingt uit te wijken.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf II. Ontmoeten en voorbijlopen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1338,9 +1188,9 @@ In dit geval moet het afvarende schip tijdig de volgende seinen geven:
|
|||
|
||||
**4.** Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het afvarende schip door het opvarende schip niet is begrepen, moet het afvarende schip de bij het tweede lid voorgeschreven geluidsseinen herhalen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.06
|
||||
### Artikel
|
||||
|
||||
De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing op het ontmoeten van een snel schip en een ander schip, noch op het ontmoeten van snelle schepen onderling. Snelle schepen moeten onderling echter via marifoon het voorbijvaren afspreken.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.07
|
||||
|
||||
|
|
@ -1359,7 +1209,7 @@ d. wanneer een opvarend samenstel een engte reeds is binnengevaren, moet een afv
|
|||
|
||||
### Artikel 6.08
|
||||
|
||||
**1.** Bij het naderen van door het teken A.4 (bijlage 7) aangeduide vakken is het ontmoeten en voorbijlopen verboden. Dit verbod kan tot een schip of een samenstel van een bepaalde lengte of breedte worden beperkt. In dat geval worden de lengte of de breedte op een rechthoekig wit teken aangeduid, dat onder het teken A.4 is bevestigd. Voor het overige zijn de voorschriften van artikel 6.07, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Bij het naderen van door het teken A.4 ( bijlage 7) aangeduide vakken is artikel 6.07 van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1433,7 +1283,11 @@ Indien daardoor een ander schip zou worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelhe
|
|||
a. "één lange stoot gevolgd door één korte stoot", zo het over stuurboord wil keren, of
|
||||
b. "één lange stoot gevolgd door twee korte stoten", zo het over bakboord wil keren.
|
||||
|
||||
**3.** Het andere schip moet dan, voorzover nodig en mogelijk, zijn koers of zijn snelheid wijzigen om het keren zonder gevaar te kunnen doen geschieden.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het andere schip moet dan, voorzover nodig en mogelijk, zijn koers of zijn snelheid wijzigen om het keren zonder gevaar te kunnen doen geschieden.
|
||||
|
||||
In het bijzonder ten opzichte van een schip dat wil opdraaien moet het ertoe medewerken, dat dit tijdig kan geschieden.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1456,11 +1310,11 @@ Een schip mag zich niet in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep bege
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een schip mag slechts een haven of een nevenvaarweg uitvaren en een hoofdvaarweg invaren of oversteken, dan wel een haven of een nevenvaarwater invaren, nadat het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
|
||||
Een schip mag slechts een haven of een nevenvaarweg uitvaren en een hoofdvaarwater invaren of oversteken, dan wel een haven of een nevenvaarwater invaren, nadat het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
|
||||
|
||||
Een afvarend schip, dat is genoodzaakt op te draaien om een haven of een nevenvaarweg in te varen, moet voorrang verlenen aan een opvarend schip dat eveneens deze haven of deze nevenvaarweg wil invaren.
|
||||
|
||||
Nevenvaarwegen kunnen worden aangeduid door één der tekens E.9 of E.10 (bijlage 7).
|
||||
Nevenvaarwegen kunnen worden aangeduid door één der tekens E.9 of E.10 ( bijlage 7).
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1476,7 +1330,7 @@ Het andere schip moet dan zo nodig zijn koers of zijn snelheid wijzigen.
|
|||
|
||||
**3.** Indien bij de uitmonding van een haven of van een nevenvaarweg één der tekens B.9*a* of B.9*b* ( bijlage 7) is geplaatst, mag een schip, dat de haven of de nevenvaarweg uitvaart, de hoofdvaarweg slechts opvaren of oversteken, indien een ander schip daardoor niet wordt genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen.
|
||||
|
||||
**4.** Een rood licht, teken A.1 (bijlage 7), in combinatie met een witte pijl (bijlage 7, afdeling II, onder 2.*c*), betekent dat het invaren van de haven of de nevenvaarweg, gelegen in de richting die door de punt van de pijl wordt aangeduid, verboden is.
|
||||
**4.** Een rood licht, teken A.1 ( bijlage 7), in combinatie met een witte pijl ( bijlage 7, afdeling II, onder 2.*c*), betekent dat het invaren van de haven of de nevenvaarweg, gelegen in de richting die door de punt van de pijl wordt aangeduid, verboden is.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.17
|
||||
|
||||
|
|
@ -1516,7 +1370,7 @@ e. in een vak van de vaarweg, aangeduid door het teken A.9 ( bijlage 7).
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 1.04 geldt het eerste lid, tweede volzin, onder b en c, niet ten opzichte van een klein schip.
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 1.04 geldt het eerste lid, onder *b* en *c*, niet ten opzichte van een klein schip.
|
||||
|
||||
**3.** Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip, dat de tekens, voorgeschreven bij artikel 3.25, eerste lid onder c, voert en bij het voorbijvaren van schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, die de tekens, voorgeschreven bij artikel 3.29, eerste lid, voeren, zijn snelheid verminderen, zoals bij het eerste lid is voorgeschreven. Het moet bovendien zo ver mogelijk daarvan verwijderd blijven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1528,7 +1382,7 @@ e. in een vak van de vaarweg, aangeduid door het teken A.9 ( bijlage 7).
|
|||
|
||||
Behalve bij werkzaamheden, of bij het bieden van hulp aan een in nood verkerend schip, mag een motorschip slechts worden gebruikt om te slepen, te duwen of voor de voortbeweging van een gekoppeld samenstel te dienen, voor zover zulks is vermeld in het certificaat van onderzoek.
|
||||
|
||||
Wanneer in een duwstel of een gekoppeld samenstel één of meer schepen worden meegevoerd, mogen deze schepen zich zowel aan bakboordzijde als aan stuurboordzijde van het motorschip bevinden dat dient voor het voortbewegen van het samenstel.
|
||||
Het motorschip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen van een gekoppeld samenstel dient moet zich aan stuurboordszijde van dit samenstel bevinden. Wanneer echter één of meer duwbakken gekoppeld worden voortbewogen, mag één hiervan zich aan stuurboordszijde van het samenstel bevinden.
|
||||
|
||||
**3.** Een passagiersschip dat passagiers aan boord heeft mag niet gekoppeld varen. Het mag niet slepen of zich laten slepen, behalve ingeval het verhalen van een beschadigd schip zulks noodzakelijk maakt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1536,12 +1390,7 @@ Wanneer in een duwstel of een gekoppeld samenstel één of meer schepen worden m
|
|||
|
||||
**1.** Indien de bevoegde autoriteit door een algemeen teken A.1 ( bijlage 7) te kennen geeft dat de scheepvaart is gestremd, moet een schip vóór dit teken stilhouden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Op gedeelten van de vaarweg waar het teken:
|
||||
|
||||
a. A.1a (bijlage 7) is geplaatst, mag een schip met uitzondering van een klein schip zonder motor niet varen;
|
||||
b. A.12 (bijlage 7) is geplaatst, mag een motorschip niet varen.
|
||||
**2.** Een schip en een drijvend voorwerp, met uitzondering van een klein schip niet zijnde een motorschip, mogen niet varen op gedeelten van de vaarweg aangeduid door het teken A.1*a* ( bijlage 7).
|
||||
|
||||
### Artikel 6.22a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1646,13 +1495,9 @@ f. moet een klein schip op enige afstand ligplaats nemen van een ander schip.
|
|||
|
||||
**9.** Een schip of een samenstel dat de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, voert, wordt afzonderlijk geschut.
|
||||
|
||||
**10.** Schepen en samenstellen die het kenteken, bedoeld in artikel 2.06, voeren mogen de sluis niet binnenvaren indien er vloeibaar aardgas (LNG) vrijkomt buiten de LNG-installatie, of indien verwacht kan worden dat er vloeibaar aardgas (LNG) buiten de LNG-installatie zal vrijkomen tijdens het schutten.
|
||||
**10.** Een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, wordt niet tegelijk met een passagiersschip geschut.
|
||||
|
||||
**11.** Een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, wordt niet tegelijk met een passagiersschip geschut.
|
||||
|
||||
**12.** Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis, tijdens het schutten en bij het verlaten van de sluis moet een snel schip zijn snelheid zodanig verminderen, dat elke schade aan de sluis, aan andere schepen of drijvende werktuigen, alsmede elk gevaar voor personen aan boord van andere schepen of drijvende werktuigen dan wel aan de wal, ten gevolge van hinderlijke waterbeweging wordt vermeden.
|
||||
|
||||
**13.**
|
||||
**11.**
|
||||
|
||||
Het sluispersoneel kan, teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan te verzekeren, verkeersaanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1705,25 +1550,37 @@ b. schepen waaraan de bevoegde autoriteit dat recht uitdrukkelijk heeft verleend
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
#### Paragraaf VI. Slecht zicht; gebruik van radar
|
||||
#### Paragraaf VI. Slecht zicht; varen op radar
|
||||
|
||||
### Artikel 6.30
|
||||
|
||||
**1.** Bij slecht zicht moeten alle schepen gebruik maken van radar.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Elk schip moet bij slecht zicht een snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden. Het moet aan de andere schepen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke inlichtingen geven.
|
||||
Een varend schip moet bij slecht zicht een snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden.
|
||||
|
||||
**3.** Een schip moet bij het gaan stilliggen bij slecht zicht de vaargeul zoveel mogelijk vrij maken.
|
||||
Het moet voorop een uitkijk hebben, die zich òf binnen gezichts- of gehoorafstand van de schipper van het schip of van het samenstel bevindt, òf een spreekverbinding met hem heeft. Op een samenstel behoeft alleen het schip aan de kop van het samenstel de uitkijk te hebben.
|
||||
|
||||
**4.** Een klein schip mag bij slecht zicht slechts varen indien het op kanaal 10 of op het daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen andere kanaal uitluistert.
|
||||
**2.** Bij slecht zicht mag een schip slechts de vaart voortzetten indien het met een marifooninstallatie voor de kanalen voor het schip–schipverkeer is uitgerust en het op kanaal 10 of op het daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen andere kanaal uitluistert. Het moet aan de andere schepen de nodige inlichtingen ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart geven.
|
||||
|
||||
**5.** Een schip en een samenstel, die geen gebruik van radar kunnen maken, moeten bij slecht zicht onverwijld een ligplaats opzoeken.
|
||||
**3.** Een schip moet gaan stilliggen, wanneer in verband met de mate van beperking van het zicht, met de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen of met de plaatselijke omstandigheden de vaart niet zonder gevaar kan worden voortgezet. Bovendien moet, indien in een sleep geen visueel kontakt tussen de gesleepte lengten en het motorschip aan de kop van de sleep meer mogelijk is, de sleep op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan stilliggen.
|
||||
|
||||
**4.** Teneinde te beoordelen of de vaart al dan niet zodner gevaar kan worden voortgezet en teneinde de aan te houden snelheid te bepalen mag een schip dat gebruik maakt van radar de waarneming met radar in aanmerking nemen. Het moet hierbij rekening houden met de vermindering van het zicht die andere schepen ondervinden.
|
||||
|
||||
**5.** Het vierde lid is niet van toepassing op een afvarende sleep.
|
||||
|
||||
**6.** Een schip moet bij het stilliggen het vaarwater zoveel mogelijk vrij maken.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.31
|
||||
|
||||
**1.** Een schip dat in de vaargeul of in de nabijheid daarvan stilligt moet bij slecht zicht op de marifoon uitluisteren. Zodra het via de marifoon hoort dat andere schepen naderen dan wel zodra en zolang het van een naderend schip het geluidssein, voorgeschreven bij artikel 6.32, tweede lid, onder d, of artikel 6.33, onder b, hoort, moet het via de marifoon zijn positie opgeven.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Een schip als bedoeld in het eerste lid, dat geen gebruik van marifoon kan maken moet, zodra en zolang het van een naderend schip het geluidssein, voorgeschreven bij artikel 6.32, tweede lid, onder d, of artikel 6.33, onder b, hoort, als mistsein «één reeks klokslagen» geven. Het schip moet dit sein herhalen met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
|
||||
Een schip of een drijvend voorwerp dat bij slecht zicht in het vaarwater of in de nabijheid daarvan buiten havens en in het bijzonder daartoe door de bevoegde autoriteit bestemde plaatsen stilligt moet des daags, zodra en zolang het van een n aderend schip één der seinen, voorgeschreven bij de artikelen 6.32, derde lid onder *a*, 6.32, vierde lid, of 6.33, eerste lid, hoort, geven:
|
||||
|
||||
a. indien het zich (stroomafwaarts gezien) aan de linkerzijde van het vaarwater bevindt: "één reeks klokslagen";
|
||||
b. indien het zich (stroomafwaarts gezien) aan de rechterzijde van het vaarwater bevindt: "twee reeksen klokslagen";
|
||||
c. indien het niet zeker is, of het zich aan de linker- dan wel aan de rechterzijde van het vaarwater bevindt: "drie reeksen klokslagen". Dit sein moet eveneens des nachts worden gegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Het schip moet deze seinen herhalen met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op andere schepen van een duwstel dan de duwboot. Bij een gekoppeld samenstel zijn zij slechts op één schip van het samenstel van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1731,41 +1588,41 @@ b. schepen waaraan de bevoegde autoriteit dat recht uitdrukkelijk heeft verleend
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een schip mag slechts op radar varen indien een persoon die houder is van een overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn geldig kwalificatiecertificaat schipper, alsmede van de specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar en in voorkomend geval een specifieke vergunning die wordt vereist voor het varen op Rijngedeelten die zijn ingedeeld als trajecten met specifieke risico’s, en een tweede persoon die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend in de stuurhut bevinden.
|
||||
Een schip mag slechts op radar varen indien zowel een persoon die houder is van het Rijnpatent dan wel een ander bewijs van vaarbekwaamheid erkend volgens het Reglement Rijnpatenten voor het te bevaren riviergedeelte alsmede van een diploma, afgegeven krachtens het Reglement betreffende het verlenen van diploma's voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn, als een tweede persoon die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend in de stuurhut bevinden.
|
||||
|
||||
Indien in het certificaat van onderzoek is aangetekend dat het schip is uitgerust met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, hoeft de tweede persoon zich niet voortdurend in de stuurhut te bevinden.
|
||||
Indien in het certificaat van onderzoek is aangetekend dat het schip is uitgerust met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, behoeft de tweede persoon zich niet voortdurend in de stuurhut te bevinden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** Een op radar varend schip, duwstel en gekoppeld samenstel behoeven voorop geen uitkijk zoals voorgeschreven in artikel 6.30, eerste lid, te hebben, indien de schipper in staat is de vaart veilig voort te zetten.
|
||||
|
||||
Bij het ontmoeten en het voorbijvaren moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen:
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
a. een in opvaart op radar varend schip moet, zodra het op het scherm tegemoet komende schepen bemerkt dan wel het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn, per marifoon aan die schepen zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en met hen het voorbijvaren afspreken;
|
||||
b. een in afvaart op radar varend schip echter dat op het scherm een schip bemerkt, waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden en dat zich via de marifoon niet heeft gemeld, moet via de marifoon dit schip op de gevaarlijke situatie wijzen en het voorbijvaren afspreken;
|
||||
c. elk op radar varend schip dat via de marifoon wordt opgeroepen moet per marifoon antwoorden en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven. Het moet dan met de tegemoet komende schepen het voorbijvaren afspreken; een klein schip mag evenwel slechts aangeven naar welke zijde het uitwijkt;
|
||||
d. Wanneer met de van de andere kant komende schepen geen marifooncontact tot stand komt moet het op radar varend schip:
|
||||
Een in afvaart op radar varend schip moet, zodra het op het scherm een schip waarneemt waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden of wanneer het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn:
|
||||
|
||||
– «één lange stoot» geven en dit sein zo dikwijls als nodig is herhalen, en
|
||||
– de snelheid verminderen en zo nodig stilhouden.
|
||||
a. het in artikel 4.06, eerste lid onder *b*, bedoelde drietonige sein geven en dit sein zo dikwijls als nodig is herhalen. Deze bepaling is niet van toepassing op kleine schepen;
|
||||
b. de snelheid verminderen en zo nodig kop vóór stilhouden of opdraaien.
|
||||
|
||||
Dit geldt eveneens voor elk op radar varend schip dat met een schip, dat in of in de nabijheid van de vaargeul stilligt, geen marifooncontact tot stand kan brengen.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en het tweede lid gelden ingeval van een duwstel en een gekoppeld samenstel alleen voor het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een in opvaart op radar varend schip moet, zodra het het sein bedoeld in het derde lid, onder *a*, hoort, of op het scherm een schip waarneemt, waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden, of wanneer het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn, "één lange stoot" geven en per marifoon aan de van de andere kant komende schepen zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven, en of het al dan niet het blauwe bord en het witte flikkerlicht bedoeld in artikel 6.04 toont. Een klein schip mag evenwel slechts zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en naar welke zijde het uitwijkt.
|
||||
|
||||
Een in afvaart op radar varend schip moet per marifoon antwoorden en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en de hem aangewezen weg bevestigen of aangeven naar welke zijde het uitwijkt.
|
||||
|
||||
**5.** Het eerste, derde en vierde lid gelden ingeval van een sleep, een duwstel en een gekoppeld samenstel alleen voor het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.33
|
||||
|
||||
Een schip en een samenstel, die geen gebruik van radar kunnen maken en die een ligplaats moeten opzoeken, moeten tijdens de vaart naar deze ligplaats de volgende bepalingen in acht nemen:
|
||||
**1.** Een alleenvarend schip en een schip aan boord waarvan zich de schipper van een samenstel bevindt, die bij slecht zicht varen zonder gebruik te maken van radar, moeten als mistsein geven: "één lange stoot". Dit sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
|
||||
|
||||
a. zij moeten zoveel mogelijk de zijde van de vaargeul aanhouden;
|
||||
b. een alleenvarend schip en een schip aan boord waarvan zich de schipper van een samenstel bevindt, moeten als mistsein «één lange stoot» geven. Dit sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste een minuut. Het moet voorop een uitkijk hebben, die zich of binnen gezichts- of gehoorsafstand van de schipper bevindt of een spreekverbinding met hem heeft. Bij een samenstel behoeft alleen het voorste schip een uitkijk te hebben;
|
||||
c. zodra het schip via marifoon door een ander schip wordt aangeroepen, moet het per marifoon antwoorden en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en aangeven dat het niet op radar vaart en op weg is naar een ligplaats. Het moet daarna met het andere schip het voorbijvaren afspreken;
|
||||
d. zodra het schip het mistsein van een ander schip hoort, waarmee geen marifooncontact tot stand komt, moet het:
|
||||
|
||||
– indien het zich in de nabijheid van een oever bevindt, deze oever aanhouden en daar, zo nodig, gaan stilliggen, totdat het voorbijvaren heeft plaatsgevonden;
|
||||
– indien het zich niet in de nabijheid van een oever bevindt, de vaargeul zoveel mogelijk en zo snel mogelijk vrijmaken.
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een klein schip.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.34
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Een niet op radar varend schip moet, zodra het het drietonige sein bedoeld in artikel 6.32, derde lid onder *a*, hoort:
|
||||
|
||||
a. indien het zich in de nabijheid van een oever bevindt: deze oever aanhouden en, zo nodig, gaan stilliggen, totdat het voorbijvaren heeft plaatsgevonden;
|
||||
b. indien het zich niet in de nabijheid van een oever bevindt, in het bijzonder wanneer het zich van de ene naar de andere oever begeeft: het vaarwater zoveel mogelijk en zo snel mogelijk vrijmaken.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats nemen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1775,16 +1632,10 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**2.** Waar de scheepvaart ten gevolge van de gesteldheid van het vaarwater minder dan 40 m uit de oever moet varen, mag slechts één rij schepen langs de oever ligplaats nemen.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd de door de bevoegde autoriteit opgelegde bijzondere voorwaarden, moeten drijvende inrichtingen een zodanige ligplaats innemen, dat de vaargeul vrij blijft voor de scheepvaart.
|
||||
**3.** Onverminderd de door de bevoegde autoriteit opgelegde bijzondere voorwaarden, moeten drijvende inrichtingen een zodanige ligplaats innemen, dat het vaarwater vrij blijft voor de scheepvaart.
|
||||
|
||||
**4.** Een schip, een samenstel en een drijvend voorwerp die stilliggen, zomede een drijvende inrichting, moeten zodanig zijn verankerd of gemeerd, dat zij door verandering van hun positie geen gevaar of hinder voor andere schepen kunnen vormen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met wind en verandering van de waterstand, alsmede met zuiging en golfslag.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het van of aan boord gaan mag uitsluitend via veilige wegen gebeuren. Indien geschikte voorzieningen aan de wal aanwezig zijn mogen geen andere voorzieningen worden gebruikt. Indien er een afstand tussen het schip en de wal is, moeten loopplanken als bedoeld in artikel 13.02, derde lid, onderdeel d, van ES-TRIN zijn uitgelegd en op veilige wijze zijn bevestigd; de relingen van de loopplanken moeten zijn geplaatst.
|
||||
|
||||
Indien de bijboot voor het van of aan boord gaan wordt gebruikt, met een hoogteverschil tussen de bijboot en het dek, moet een geschikte, veilige voorziening aanwezig zijn voor het aan of van boord gaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.02
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1801,7 +1652,7 @@ g. in het traject van een veerpont;
|
|||
h. in de route van schepen die aan een aanlegplaats willen aanleggen of van daar vertrekken;
|
||||
i. op plaatsen om te keren, aangeduid door het teken E.8 ( bijlage 7);
|
||||
k. evenwijdig aan een schip dat het bord bedoeld in artikel 3.33 voert, binnen de afstand die op de witte driehoek van dit bord in meters is aangegeven;
|
||||
l. in een door het teken A.5.1 (bijlage 7) aangeduid vak, waarvan de breedte op het teken in meters is aangegeven. De breedte is vanaf het teken te rekenen.
|
||||
l. in een vak aangeduid door het teken A.5.1 ( bijlage 7), binnen de afstand te rekenen vanaf het teken, die daarop in meters is aangegeven.
|
||||
|
||||
**2.** Op een gedeelte van de vaarweg waar het ligplaats nemen is verboden ingevolge het eerste lid, onder *a* tot en met *d*, mogen schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen evenwel ligplaats nemen op de bijzondere ligplaatsen, aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7 ( bijlage 7), met inachtneming van de artikelen 7.03 tot en met 7.06.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1809,14 +1660,12 @@ l. in een door het teken A.5.1 (bijlage 7) aangeduid vak, waarvan de breedte op
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet ankeren en geen gebruik maken van spudpalen:
|
||||
Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, mogen niet ankeren:
|
||||
|
||||
a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling ankeren is verboden;
|
||||
b. in een vak aangeduid door het teken A.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
b. in een vak aangeduid door het teken A.6 ( bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren en het gebruik van spudpalen ingevolge het eerste lid, onder a, verboden zijn, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel ankeren in een vak aangeduid door het teken E.6 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
|
||||
**3.** Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren en het gebruik van spudpalen ingevolge het eerste lid, onder a, verboden zijn, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel spudpalen gebruiken, in een vak aangeduid door het teken E.6.1 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
**2.** Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren ingevolge het eerste lid, onder *a*, is verboden, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel ankeren, in een vak aangeduid door het teken E.6 ( bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.04
|
||||
|
||||
|
|
@ -1827,7 +1676,7 @@ Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet aan de o
|
|||
a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling meren is verboden;
|
||||
b. in een vak aangeduid door het teken A.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Op een gedeelte van de vaarweg waar het meren aan de oever ingevolge het eerste lid, onder *a*, is verboden, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel meren in een vak aangeduid door één der tekens E.7 of E.7.1 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
**2.** Op een gedeelte van de vaarweg waar het meren aan de oever ingevolge het eerste lid, onder *a*, is verboden, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel meren in een vak aangeduid door het teken E.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
|
||||
|
||||
**3.** Het is verboden bij meren of verhalen gebruik te maken van bomen, relingen, palen, perceelsafscheidingen, zuilen, metalen ladders, leuningen enz.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1847,10 +1696,6 @@ b. in een vak aangeduid door het teken A.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaar
|
|||
|
||||
**2.** Op de ligplaatsen moeten de schepen, indien geen andere voorschriften zijn vastgesteld, langszijde van elkaar en zo dicht mogelijk bij de oever aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, ligplaats nemen.
|
||||
|
||||
**3.** Op ligplaatsen waar het teken B.12 (bijlage 7) is geplaatst, zijn alle schepen verplicht zich aan een bedrijfsklare walstroomaansluiting aan te sluiten en moet de volledige behoefte aan elektrische energie tijdens het stilliggen daaruit worden gedekt. Uitzonderingen van de in de eerste volzin bedoelde verplichting kunnen op een toegevoegd rechthoekig wit bord, dat onder het teken B.12 is aangebracht, worden aangegeven.
|
||||
|
||||
**4.** Het derde lid is niet van toepassing op schepen die tijdens het stilliggen uitsluitend van een energievoorziening gebruikmaken, die geen geluid alsmede geen schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes veroorzaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.07
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1866,45 +1711,19 @@ c. 100 m indien één van hen de tekens, bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voe
|
|||
De verplichting bedoeld in het eerste lid, onder *a*, geldt niet:
|
||||
|
||||
a. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;
|
||||
b. voor een schip dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADN, nr. 1.16.1.1.1, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
|
||||
b. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADNR, Rn 10.282 (Bijlage B1) of Rn 210.282 (Bijlage B2), en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen in bijzondere gevallen uitzonderingen toestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.08
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een ter zake kundige bewaker moet zich voortdurend bevinden aan boord:
|
||||
|
||||
a. van een stilliggend schip dat het kenteken, bedoeld in artikel 2.06 voert,
|
||||
b. van een stilliggend schip dat een teken als bedoeld in artikel 3.14 voert en
|
||||
c. van een stilliggend passagiersschip wanneer er passagiers aan boord zijn.
|
||||
**1.** Aan boord van een stilliggend schip dat is geladen met stoffen, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10.500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen leveren, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter aan een schip, dat in een haven stilligt, van deze verplichting ontheffing verlenen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De ter zake kundige bewaking wordt verzekerd door een bemanningslid dat
|
||||
Een ander stilliggend schip, alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.
|
||||
|
||||
a. bij schepen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, houder is van een kwalificatiecertificaat overeenkomstig artikel 15.02 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn,
|
||||
b. bij schepen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, houder is van een verklaring van deskundigen overeenkomstig artikel 14.01 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Aan boord van een stilliggend schip dat het kenteken, bedoeld in artikel 2.06 voert is de aanwezigheid van een ter zake kundige bewaker niet vereist indien
|
||||
|
||||
a. vloeibaar aardgas (LNG) aan boord van het schip niet als brandstof wordt verbruikt,
|
||||
b. de operationele gegevens van de LNG-installatie van het schip op afstand worden uitgelezen en
|
||||
c. het schip onder toezicht is gesteld van een persoon die, zo nodig, snel kan ingrijpen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Aan boord van een stilliggend schip als bedoeld in artikel 3.14 is de aanwezigheid van een ter zake kundige bewaker niet vereist indien
|
||||
|
||||
a. het schip in een havenbekken stilligt, en indien
|
||||
b. de bevoegde autoriteit het schip van de verplichting als bedoeld in het eerste lid heeft vrijgesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Een ander stilliggend schip alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.
|
||||
|
||||
**6.** Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor de inzet van de bewaker dan wel voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.
|
||||
Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1941,7 +1760,7 @@ c. de zeeschipbak naast een normale duwbak is gekoppeld en er een verschil is va
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** De kop van een duwstel als bedoeld in het eerste lid moet zijn voorzien van ankers die in overeenstemming zijn met artikel 13.01 van ES-TRIN.
|
||||
**2.** De kop van een duwstel als bedoeld in het eerste lid moet zijn voorzien van ankers die in overeenstemming zijn met het Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
|
||||
|
||||
**3.** De bevoegde autoriteit kan voor korte afstanden, op de gekanaliseerde Rijn, alsmede op het Grand Canal d’Alsace, voor duwstellen met een grootste lengte van 86 m met ten hoogste twee zeeschipbakken uitzonderingen toestaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2042,41 +1861,15 @@ e. zolang er zich passagiers aan boord bevinden moet des nachts ieder uur een ro
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
### Artikel 8.11
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Alvorens te beginnen met het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) dient de schipper van het schip dat moet bunkeren zich ervan te vergewissen dat:
|
||||
|
||||
a. de voorgeschreven brandbestrijdingsmiddelen te allen tijde operationeel zijn en
|
||||
b. tussen het schip en de kade de voorgeschreven middelen aanwezig zijn voor de evacuatie van personen aan boord van het schip dat moet bunkeren.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) moeten alle toegangen en alle openingen van ruimten toegankelijk vanaf het dek en alle openingen van ruimten naar de buitenlucht, gesloten zijn.
|
||||
|
||||
Deze bepaling is niet van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. aanzuigopeningen van in bedrijf zijnde motoren;
|
||||
b. ventilatieopeningen van machinekamers indien de motoren in bedrijf zijn;
|
||||
c. ventilatieopeningen voor een ruimte met een overdrukinstallatie en
|
||||
d. ventilatieopeningen van een airconditioningsinstallatie, indien deze openingen zijn voorzien van een gasdetectie-installatie.
|
||||
|
||||
Toegangen en openingen mogen slechts indien noodzakelijk voor korte tijd met toestemming van de schipper worden geopend.
|
||||
|
||||
**3.** Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) dient de schipper zich er voortdurend van te vergewissen dat het rookverbod aan boord en in de bunkerzone wordt nageleefd. Het rookverbod is eveneens van toepassing op elektronische sigaretten en andere soortgelijke apparaten. Dit rookverbod is niet van toepassing in de accommodatieruimten en het stuurhuis, indien daarvan de ramen, deuren, schijnlichten en luiken gesloten zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Na het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) moeten alle, vanaf het dek toegankelijke ruimten ontlucht worden.
|
||||
|
||||
## Deel II. Bijzondere bepalingen van toepassing op bepaalde riviergedeelten
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 9. Bijzondere vaarregels en bijzondere regels voor het ligplaats nemen
|
||||
|
||||
### Artikel 9.01
|
||||
|
||||
**1.** Een schip mag een ander schip niet voorbijlopen tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,53) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel. Dit verbod geldt niet voor een klein schip of voor een schip dat daartoe van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen.
|
||||
**1.** Een schip mag een ander schip niet voorbijlopen tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,64) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel. Dit verbod geldt niet voor een klein schip of voor een schip dat daartoe van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen.
|
||||
|
||||
**2.** Een motorschip, een sleep en een duwstel in de opvaart moeten tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,53) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel met een snelheid van tenminste 4 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.
|
||||
**2.** Een motorschip, een sleep en een duwstel in de opvaart moeten tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,64) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel met een snelheid van tenminste 4 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens Hafenbecken 1 (km 169,95) in te varen, moet een afvarend schip op stroom opdraaien en het mag eerst invaren wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan overzien.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2120,7 +1913,7 @@ b. om dwingende redenen van veiligheid verplicht is te gaan stilliggen.
|
|||
|
||||
|
||||
|
||||
**10.** Een schip met een breedte van meer dan 11,45 m mag geen gebruik maken van de kleine sluizen van de sluiscomplexen te Ottmarsheim, Fessenheim, Vogelgrün, Rhinau, Gerstheim en Straatsburg.
|
||||
**10.** Een schip met een grotere lengte dan 95 m mag geen gebruik maken van de kleine sluis van het sluiscomplex te Kembs. Schepen met een grotere breedte dan 11,45 m mogen geen gebruik maken van de kleine sluizen van de andere sluiscomplexen van het Grand Canal d’Alsace en de gekanaliseerde Rijn.
|
||||
|
||||
**11.** Op het Grand Canal d’Alsace en de gekanaliseerde Rijn tot km 294,00 mag de ten minste voorgeschreven hoogte van de lichten en dagtekens, bedoeld in de artikelen 3.08, 3.09, 3.10, 3.13, 3.14, 3.15 en 3.29 zoveel worden verminderd als nodig is om onder kunstwerken te kunnen doorvaren, waarbij alle maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat de verschillende lichten en dagtekens zichtbaar blijven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2165,14 +1958,13 @@ Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het afvarende schip door het opvarende
|
|||
|
||||
### Artikel 9.05
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander samenstel:
|
||||
|
||||
a. tussen de sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en Mannheim (km 412,35);
|
||||
b. tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00);
|
||||
c. tussen de uitmonding van het kanaal Wesel-Datteln (km 813,20) en de spoorbrug bij Wesel (km 815,28).
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** Een schip met een lengte van meer dan 110 m en een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander schip met een lengte van meer dan 110 m of met een ander samenstel tussen de uitmonding van het kanaal Wesel–Datteln (km 813,20) en de voormalige spoorbrug bij Wesel (km 815,28).
|
||||
|
||||
### Artikel 9.06
|
||||
|
||||
|
|
@ -2181,9 +1973,10 @@ b. tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00);
|
|||
Een schip mag varen:
|
||||
|
||||
a. op de Lampertheimer Altrhein vanaf de monding tot Altrhein – km 4,75;
|
||||
b. op de hoofdtak van de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein vanaf de monding tot Altrhein – km 9,80.
|
||||
b. op de hoofdtak van de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein vanaf de monding tot Altrhein – km 9,80; en
|
||||
c. op de Ginsheimer Altrhein vanaf de monding tot Altrhein – km 1,50.
|
||||
|
||||
**2.** Een schip mag, ten opzichte van de oever gemeten, op de Lampertheimer Altrhein niet sneller varen dan 5 km per uur en op de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein niet sneller dan 12 km per uur. Dit geldt niet voor kleine schepen zonder motor.
|
||||
**2.** Een schip mag, ten opzichte van de oever gemeten, op de Lampertheimer Altrhein niet sneller varen dan 5 km per uur en op de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein en de Ginsheimer Altrhein niet sneller dan 12 km per uur. Dit geldt niet voor kleine schepen zonder motor.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2202,50 +1995,77 @@ Tussen Iffezheim (km 334,00) en Karlsruhe (km 360,00), onafhankelijk van de wate
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Geisenheim – Rhens
|
||||
|
||||
Tussen Geisenheim (km 524,00) en Rhens (km 582,00) is het windsurfen verboden.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Lorch – St. Goar
|
||||
Lorch - St. Goar
|
||||
|
||||
a. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip de linkeroever en een afvarend schip de rechteroever houden.
|
||||
b. Een opvarend schip of een afvarend schip als bedoeld in artikel 9.04, vierde lid, mag onder de in artikel 9.04, derde of vierde lid, genoemde voorwaarden verlangen, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. In dat geval moeten geluidsseinen worden gegeven en dagtekens worden getoond overeenkomstig artikel 9.04, vijfde lid. Artikel 6.05 is niet van toepassing.
|
||||
c. De schipper van een schip of een samenstel met een lengte van meer dan 110 m moet zich overeenkomstig artikel 12.03, tweede lid en zesde lid, onder b, melden.
|
||||
b. Een opvarend schip of een afvarend schip als bedoeld in artikel 9.04, vierde lid, mag onder de in artikel 9.04, derde of vierde lid, genoemde voorwaarden verlangen, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. In dat geval moeten geluidsseinen worden gegeven en dagtekens worden getoond overeenkomstig artikel 9.04, vijfde lid.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
||||
Artikel 6.05 is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Monding van de Moezel
|
||||
|
||||
Tussen km 592,05 en km 593,55 moet een opvarend schip dat niet de Moezel wil invaren ten minste 80 m uit de linkeroever blijven.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Duisburg-Ruhrort
|
||||
|
||||
a. Alvorens de havens van Hochfeld, de buitenhaven van Duisburg, de Parallelhaven van Duisburg, het havenkanaal van Ruhrort en de voorhaven van Ruhrort in te varen, moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan overzien.
|
||||
b. Tussen km 775,50 en km 785,50 is zeilen zonder vergunning overeenkomstig artikel 1.23 verboden.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Wesel
|
||||
|
||||
Alvorens het kanaal Wesel-Datteln in te varen moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de kanaalmond kan overzien.
|
||||
|
||||
**7.** Met uitzondering van het derde lid, onder b, en het vijfde lid, onder b, is dit artikel niet van toepassing op of ten aanzien van kleine schepen.
|
||||
**6.** Met uitzondering van het vierde lid, onder *b*, is dit artikel niet van toepassing op of ten aanzien van kleine schepen.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.08
|
||||
|
||||
Tussen Bingen (km 530,00) en St. Goar (km 556,00) mag ’s nachts een schip slechts varen indien het gebruik maakt van marifoon op kanaal 10 (schip-schip) of kanaal 04, en moet een afvarend schip gebruik maken van radar.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.09
|
||||
|
||||
**1.** Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten duwstellen en gekoppelde samenstellen met een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van meer dan 22,90 m, zodra zij een riviervak naderen waarin zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet te zien zijn, op het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal hun samenstelling en positie opgeven en deze gegevens zo dikwijls als nodig is herhalen.
|
||||
**1.** Tussen Bingen (km 530,00) en St. Goar (km 556,00) mag van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang een schip slechts varen indien het gebruik maakt van marifoon op kanaal 10, en moet een afvarend schip gebruik maken van radar.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Afvarende duwstellen en gekoppelde samenstellen met een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van meer dan 22,90 m mogen opvarende duwstellen, gekoppelde samenstellen of schepen met een lengte van meer dan 110 m niet ontmoeten in de riviervakken tussen:
|
||||
Een opvarend schip moet zijn koers zodanig kiezen dat het voorbijvaren van de Bankeck (van km 555,60 tot km 555,20) en van de Betteck (van km 553,60 tot km 553,30) geen afvarend schip kan ontmoeten.
|
||||
|
||||
Indien het ontmoeten op andere wijze niet vermeden kan worden, moet het benedenstrooms van de Bankeck dan wel van de Betteck stilhouden totdat het afvarende schip de Bankeck dan wel de Betteck is voorbijgevaren.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Een opvarend schip moet op de marifoon uitluisteren.
|
||||
|
||||
Bij het naderen van de Bankeck en van de Betteck moet het echter de afvarende schepen oproepen en hun verzoeken hun categorie, hun naam, hun positie en hun vaarrichting op te geven. Indien zich geen afvarend schip meldt, mag het de Bankeck dan wel de Betteck niet voorbijvaren dan nadat het op kanaal 10 een lage toon met een tijdsduur van één seconde heeft ontvangen. Deze toon dient ter controle van het op juiste wijze functioneren van de marifoon op het riviergedeelte tussen Oberwesel en St. Goar.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een afvarend schip moet gebruik maken van radar.
|
||||
|
||||
Artikel 6.32, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Bij het voorbijvaren van de Ochsenturm (km 550,57), van de bovenstroomse splitsingston bij de Geisenrücken (km 552,00) en van de Betteck (km 553,61) moet het zijn categorie, zijn naam, zijn positie en zijn vaarrichting opgeven. Het moet dezelfde inlichtingen geven, wanneer het daartoe door een opvarend schip wordt opgeroepen. Na iedere melding moet het opnieuw op de marifoon uitluisteren.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang is het verboden te varen met een schip dat de tekens moet voeren bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid.
|
||||
|
||||
De bevoegde autoriteit kan uitzonderingen toestaan. Hij stelt daarbij de ten behoeve van de veiligheid noodzakelijke voorwaarden vast.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.09
|
||||
|
||||
**1.** Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten duwstellen, waarvan de afmetingen meer bedragen dan die genoemd in artikel 11.02, eerste lid, zodra zij een riviervak naderen waarin zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet te zien zijn, per marifoon op kanaal 10 hun samenstelling en positie opgeven en deze gegevens zo dikwijls als nodig is herhalen.
|
||||
|
||||
**2.** Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten de in het eerste lid bedoelde duwstellen zowel op kanaal 10 als op een per riviervak door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal uitluisteren.
|
||||
|
||||
**3.** 3. Tussen het Spijksche Veer (km 857,40) en Gorinchem (km 952,50) is het samenstellen of ontkoppelen van de in het eerste lid bedoelde duwstellen niet toegestaan, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het ontmoeten van afvarende duwstellen, waarvan de afmetingen meer bedragen dan die genoemd in artikel 11.02, eerste lid, en opvarende duwstellen, waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m, is verboden in de riviervakken tussen
|
||||
|
||||
km 575,50 en km 578,50 (Oberspay),
|
||||
|
||||
|
|
@ -2257,48 +2077,35 @@ km 720,50 en km 723,00 (Benrath),
|
|||
|
||||
km 740,00 en km 744,00 (Düsseldorf) en
|
||||
|
||||
km 784,50 en km 786,50 (Baerl)
|
||||
km 784,50 en km 786,50 (Baerl).
|
||||
|
||||
In verband daarmede zijn op deze duwstellen en gekoppelde samenstellen de volgende bepalingen van toepassing:
|
||||
In verband daarmede zijn op deze duwstellen de volgende bepalingen van toepassing:
|
||||
|
||||
a. Bij het naderen van het betreffende riviervak moeten deze duwstellen zich regelmatig melden op kanaal 10 en op dit kanaal uitluisteren. Tijdens het doorvaren van het vak dient voortdurend te worden uitgeluisterd;
|
||||
b. Een opvarend duwstel moet, indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende riviervak stilhouden totdat het afvarende duwstel het vak is doorgevaren;
|
||||
c. Wanneer een opvarend duwstel het betreffende riviervak reeds is binnengevaren, moet het afvarende duwstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat het opvarende duwstel het vak is doorgevaren.
|
||||
|
||||
a. bij het naderen van het betreffende riviervak moeten deze duwstellen en gekoppelde samenstellen zich regelmatig melden op marifoonkanaal 10;
|
||||
b. een opvarend duwstel, gekoppeld samenstel of een schip met een lengte van meer dan 110 m moet, indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel of gekoppeld samenstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende riviervak stilhouden totdat de afvaart het vak is doorgevaren;
|
||||
c. wanneer een opvarend duwstel, een opvarend gekoppeld samenstel of een opvarend schip met een lengte van meer dan 110 m het betreffende riviervak reeds is binnengevaren, moet een afvarend duwstel en een afvarend gekoppeld samenstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat de opvaart het vak is doorgevaren.
|
||||
|
||||
**3.** Tussen het Spijksche Veer (km 857,40) en Gorinchem (km 952,50) mogen de in het eerste lid bedoelde duwstellen en gekoppelde samenstellen slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.10
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Een varend multifunctioneel schip:
|
||||
Een varend multifunctioneel schip van het Duitse leger moet des nachts de lichten bedoeld in artikel 3.08, eerste lid, voeren en ongeveer 1 m boven het toplicht als bijkomend teken, dat ook des daags moet worden gevoerd:
|
||||
|
||||
a. van het Franse leger tussen Basel (km 168,39) en Lauterburg (km 352,00), en
|
||||
b. van het Duitse leger tussen de sluizen te Iffezheim (km 334,00) en het Spijksche Veer (km 857,40);
|
||||
|
||||
moet des nachts de lichten, bedoeld in artikel 3.08, eerste lid, voeren en ongeveer 1 m boven het toplicht als bijkomend teken, dat ook overdag moet worden gevoerd: een geel gewoon of helder rondom schijnend flikkerlicht.
|
||||
een geel gewoon of helder rondom schijnend flikkerlicht.
|
||||
|
||||
**2.** Een schip als bedoeld in het eerste lid wordt als klein schip aangemerkt. De artikelen 6.02 en 6.02*a*, eerste en derde lid, zijn van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.11
|
||||
|
||||
Een schip dat bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer (km. 857,40) vaart, moet zoveel mogelijk zijn stuurboordswal houden. De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
### Artikel 9.12
|
||||
Een schip dat bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) vaart moet zijn stuurboordswal houden.
|
||||
|
||||
**1.** Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mag tussen de Boven-Rijn en de Waal tussen km 857,77 en km 952,50, met inbegrip van de overnachtingshavens en aangrenzende wateroppervlakten voor zover dit rijkswateren zijn, geen ligplaats nemen. Op het grensgedeelte van km 857,77 tot km 865,50 geldt dit verbod voor het gedeelte tussen de rechteroever en de rivier-as.
|
||||
Artikel 4.06, eerste lid onder *b*, is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is op de bovenstaande vaarwegen, de aangrenzende wateroppervlakten en in de havens het ligplaats nemen op de daartoe aangeduide ligplaatsen toegestaan.
|
||||
|
||||
**3.** In bijzondere gevallen kan de bevoegde autoriteit het ligplaats nemen ook op niet daartoe aangeduide plaatsen toestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.13
|
||||
|
||||
**1.** Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mag tussen het Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek tussen km 867,46 en km 989,20, met inbegrip van de aangrenzende wateroppervlakten voor zover dit Rijkswateren zijn, geen ligplaats nemen.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is op de bovenstaande vaarwegen, de aangrenzende wateroppervlakten en in de havens het ligplaats nemen op de daartoe aangeduide ligplaatsen toegestaan.
|
||||
|
||||
**3.** In bijzondere gevallen kan de bevoegde autoriteit het ligplaats nemen ook op niet daartoe aangeduide plaatsen toestaan.
|
||||
**2.** Een op radar varend schip in afvaart moet in plaats van het drietonige sein, bedoeld in artikel 6.32, derde lid onder *a*, "één lange stoot" geven.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 10. Beperking van de scheepvaart bij hoogwater en laagwater
|
||||
|
||||
|
|
@ -2306,14 +2113,15 @@ Een schip dat bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer (km. 857,40
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Tussen de Mittlere Rheinbrücke te Basel (km 166,53) en de sluis te Kembs (km 179,10), alsmede tussen de sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en het Spijksche Veer (km 857,40), gelden bij hoogwater, indien de waterstand zich tussen hoogwaterpeil I en II bevindt, voor de scheepvaart de volgende beperkingen:
|
||||
Tussen de Mittlere Rheinbrücke te Basel (km 166,64) en de sluis te Kembs (km 179,10), alsmede tussen de sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en het Spijksche Veer (km 857,40), gelden bij hoogwater, indien de waterstand zich tussen hoogwaterpeil I en II bevindt, voor de scheepvaart de volgende beperkingen:
|
||||
|
||||
a. een schip, met uitzondering van een klein schip niet zijnde een motorschip, moet in afvaart zoveel mogelijk het midden van de rivier en in opvaart zoveel mogelijk het middelste derde gedeelte van de breedte van de rivier houden; als breedte van de rivier geldt de afstand tussen de oeverlijnen. Tijdens het varen, met inbegrip van het voorbijlopen, mogen zich ten hoogste twee eenheden naast elkaar bevinden;
|
||||
b. daar waar de plaatselijke omstandigheden het noodzakelijk maken dichter bij de oever te varen dan onder *a* is aangegeven moeten de in dat onderdeel bedoelde schepen desalniettemin zo ver mogelijk uit de oevers blijven en hun snelheid verminderen;
|
||||
c. artikel 9.04 blijft van toepassing. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip in het middelste derde gedeelte van de rivier zó dicht de linkeroever aanhouden, dat het ontmoeten met een afvarend schip zonder gevaar bakboord op bakboord kan geschieden;
|
||||
d. onverminderd artikel 6.20 mag een schip ten opzichte van de oever niet sneller varen dan 20 km per uur, met uitzondering van de afvaart in het gebergtegedeelte tussen Bingen (km 528,50) en St. Goar (km 556,00), waar de maximale snelheid van het schip ten opzichte van de oever niet meer mag bedragen dan 24 km per uur;
|
||||
c. artikel 9.04 is van toepassing. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip in het middelste derde gedeelte van de rivier zó dicht de linkeroever aanhouden, dat het ontmoeten met een afvarend schip zonder gevaar bakboord op bakboord kan geschieden;
|
||||
d. onverminderd artikel 6.20 mag een schip ten opzichte van de oever niet sneller varen dan 20 km per uur;
|
||||
e. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I mag een schip slechts op de betreffende riviervakken varen, indien het is uitgerust met een marifooninstallatie. De marifooninstallatie moet voor ontvangst zijn ingeschakeld op de voor de nautische informatie aangewezen kanalen. Dit geldt niet voor kleine schepen die door middel van spierkracht worden voortbewogen.
|
||||
f. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I is het verboden te varen met een snel schip.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** Een schip mag in het bij het derde lid genoemde vak niet varen, indien de waterstand het hoogwaterpeil II voor dat vak bereikt heeft of overschrijdt. Dit is niet van toepassing op het oversteken van de vaarweg.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2321,12 +2129,14 @@ f. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I is het verboden te varen met een
|
|||
|
||||
De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- en afvaart en de bij dat peil genoemde vakken zijn:
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
| **Traject** | **Op- en afvaart Hoogwaterpeil ** | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| | **I** | **II** |
|
||||
| Basel (km 166,53) | | |
|
||||
| | Basel-Rheinhalle | |
|
||||
| Basel – Sluizen Kembs | 7,00 | 8,20 |
|
||||
| Basel (km 166,64) ______________________________________________________ | | |
|
||||
| | Rheinfelden | |
|
||||
| Basel-Sluizen Kembs | 3,50 | 4,50 |
|
||||
| | | |
|
||||
| Kembs (km 179,10) _____________________________________________________ | | |
|
||||
| | | |
|
||||
|
|
@ -2335,8 +2145,8 @@ De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- e
|
|||
| Sluizen te Iffezheim-Germersheim | 6,20 | 7,50 |
|
||||
| Germersheim (km 384,00) _______________________________________________ | | |
|
||||
| | Speyer | |
|
||||
| Germersheim-Mannheim-Rheinau | 6,20 | 7,30 |
|
||||
| Mannheim-Rheinau (km 410,50) | | |
|
||||
| Germersheim-Mannheim/Rheinau | 6,20 | 7,30 |
|
||||
| Mannheim-Rheinau (km 412,00) __________________________________________ | | |
|
||||
| | Mannheim | |
|
||||
| Mannheim/Rheinau-Mannheim/Sandhofen | 6,50 | 7,60 |
|
||||
| Mannheim-Sandhofen (km 431,50) _______________________________________ | | |
|
||||
|
|
@ -2363,10 +2173,10 @@ De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- e
|
|||
| Bad Breisig-Mondorf | 4,90 | 6,80 |
|
||||
| Mondorf (km 660,00) ____________________________________________________ | | |
|
||||
| | Köln | |
|
||||
| Mondorf-Dormagen | 6,20 | 8,30 |
|
||||
| Dormagen (km 716,00) __________________________________________________ | | |
|
||||
| Mondorf-Baumberg | 6,20 | 8,30 |
|
||||
| Baumberg (km 716,00) __________________________________________________ | | |
|
||||
| | Düsseldorf | |
|
||||
| Dormagen-Krefeld | 7,10 | 8,80 |
|
||||
| Baumberg-Krefeld | 7,10 | 8,80 |
|
||||
| Krefeld (km 763,00) ____________________________________________________ | | |
|
||||
| | Duisburg-Ruhrort | |
|
||||
| Krefeld-Orsoy | 9,30 | 11,30 |
|
||||
|
|
@ -2378,19 +2188,12 @@ De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- e
|
|||
| Rees-Spijksche Veer | 7,00 | 8,70 |
|
||||
| Spijksche Veer (km 857,40) ______________________________________________ | | |
|
||||
|
||||
**4.** De bevoegde autoriteiten kunnen tussen Basel en de sluizen te Kembs aan individuele schepen, indien deze bepaalde voorwaarden vervullen, de vaart op dit riviergedeelte tot aan een waterstand van 8,50 m aan de peilschaal te Basel-Rheinhalle toestaan, wanneer de waterstand reeds gedurende meer dan drie dagen boven het peil van 8,20 m heeft gelegen en de voorspellingen aangeven, dat de waterstand ook de volgende twee dagen nog boven dit peil zal liggen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Tussen de sluizen te Kembs van het Grand Canal d’Alsace en de sluizen te Iffezheim (km 334,00) wordt de scheepvaart bij hoogwater als volgt geregeld:
|
||||
|
||||
a. tussen de meest bovenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Kembs en de meest bovenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Vogelgrün gelden voor de scheepvaart geen beperkingen bij hoogwater. De bevoegde autoriteit kan echter, om concentraties van schepen in de voorhavens van de sluizen te Kembs en Vogelgrün te vermijden, de schepen over de voorhavens van de verschillende sluizen verdelen;
|
||||
b. tussen de sluizen te Vogelgrün en de sluizen te Iffezheim:
|
||||
|
||||
– worden de sluizen op een sluispand gestremd, wanneer op het benedenhoofd van de telkens bovenstrooms gelegen sluis het zichtbaar aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden;
|
||||
– is de vaart voor kleine schepen op een sluispand verboden, wanneer op het benedenhoofd van de telkens bovenstrooms gelegen sluis het zichtbaar aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden.
|
||||
|
||||
Echter kan de bevoegde autoriteit aan individuele schepen en samenstellen voor het gedeelte vanaf benedenstrooms van de sluis te Vogelgrün tot benedenstrooms van de sluis te Straatsburg tot een maximale waterstand van 0,40 m boven het hoogwaterpeil II de vaart en het schutten toestaan, wanneer de waterstand reeds gedurende meer dan drie opeenvolgende dagen voornamelijk boven het hoogwaterpeil II heeft gelegen en de voorspellingen aangeven, dat de waterstand ook de volgende twee dagen nog boven dit hoogwaterpeil zal liggen;
|
||||
b. wanneer, tussen de sluizen te Vogelgrün en de sluizen te Iffezheim, op de benedenhoofden van de sluizen het hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden, worden de sluizen van het desbetreffende pand buiten gebruik gesteld;
|
||||
c. op het riviervak tussen de zuidelijke voorhaven (km 291,30) en de noordelijke voorhaven (km 295,50) van de haven van Straatsburg wordt de scheepvaart, indien de hoogst bevaarbare waterstand wordt bereikt, als volgt gestremd:
|
||||
|
||||
-. voor de afvaart door middel van een bij km 291,30 aangebracht rood licht (teken A.1, bijlage 7);
|
||||
|
|
@ -2406,117 +2209,131 @@ Een sleep die uit niet meer dan twee schepen bestaat mag tussen Bingen (km 529,1
|
|||
|
||||
### Artikel 11.01
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** De lengte van een schip mag niet meer bedragen dan 110 m, behoudens bijzondere toestemming verleend door de bevoegde autoriteit van het te bevaren riviergedeelte.
|
||||
|
||||
De grootste lengte van een schip mag niet meer bedragen dan 135 m en de grootste breedte mag niet meer bedragen dan 22,80 m. De breedte van een schip mag niet meer bedragen dan:
|
||||
|
||||
a. 17,70 m op het riviergedeelte tussen Bingen (kmr 528,50) en St. Goar (kmr 556,00) en
|
||||
b. 15 m op het riviergedeelte tussen Pannerden (kmr 867,46) en het Lekkanaal (kmr 949,40).
|
||||
|
||||
**2.** De voor het betreffende riviergedeelte bevoegde autoriteiten mogen met betrekking tot de breedte een vergunning afgeven voor het bevaren van dat gedeelte.
|
||||
|
||||
**3.** Een schip met een lengte van meer dan 110 m mag slechts varen, wanneer zich aan boord een persoon bevindt, die houder is van de overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn geldige specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een schip, met uitzondering van een passagiersschip, met een lengte van meer dan 110 m, mag alleen dan bovenstrooms van Mannheim varen indien het aan de vereisten van artikel 28.04, tweede lid, van ES-TRIN voldoet. Een passagiersschip met een lengte van meer dan 110 m kan alleen dan bovenstrooms van Mannheim varen indien het aan de vereisten van artikel 28.04, derde lid, van ES-TRIN voldoet.
|
||||
|
||||
De door de bevoegde autoriteiten voor het te bevaren riviergedeelte tussen Bazel en Mannheim reeds verleende vergunningen voor schepen met een lengte tussen 110 m en 135 m, die op 30 september 2001 geldig waren, blijven onder de voorwaarden die in verband met de veiligheid gesteld zijn, op het betreffende riviergedeelte van kracht.
|
||||
|
||||
**5.** Een passagiersschip kan alleen dan benedenstrooms van Emmerich (km 855) varen indien het aan de vereisten van artikel 13.01, tweede lid, onderdeel b, van ES-TRIN voldoet.
|
||||
**6.** Abusievelijk wordt door Stb. 1998/559 lid 6 i.p.v. 2 vervangen. De breedte van een schip mag niet meer bedragen dan 22,80 m, en op het riviergedeelte tussen Pannerden (km 867,46) en het Lekkanaal (km 949,40) niet meer dan 17,70 m, behoudens bijzondere toestemming van de bevoegde autoriteit voor het te bevaren riviergedeelte.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.02
|
||||
|
||||
**1.** Een duwstel en een gekoppeld samenstel mogen de in het tweede en derde lid genoemde afmetingen niet overschrijden. Zij mogen slechts met de toegelaten afmetingen varen indien deze zijn vermeld in het certificaat van onderzoek met opgave van de toegelaten formatie en de toegelaten belading voor de van toepassing zijnde vaarrichting.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** De bevoegde autoriteit kan duwstellen en gekoppelde samenstellen met grotere afmetingen, dan die welke volgens het derde lid zijn toegelaten, met ander wijzen van aandrijving en vermogen en bij andere waterstanden bij wijze van proef voor het te bevaren gedeelte toelaten.
|
||||
Een duwstel mag de hierna genoemde afmetingen niet overschrijden:
|
||||
|
||||
| Nr. | Traject | Lengte in m | Breedte in m |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| I | Basel (km 166,64) – sluizen te Iffezheim (km 334,00) zowel in op- als in afvaart | | |
|
||||
| | a. sluizen te Kembs: | | |
|
||||
| | grote sluis ....................................................... | 180 | 22,90 |
|
||||
| | kleine sluis ....................................................... | 95 | 22,90 |
|
||||
| | | | |
|
||||
| | b. sluizen te Ottmarsheim, Fessenheim, Vogelgrün, | | |
|
||||
| | Marckolsheim en Rheinau: | | |
|
||||
| | grote sluis ....................................................... | 183* | 22,80 |
|
||||
| | kleine sluis ....................................................... | 183* | 11,45 |
|
||||
| | | | |
|
||||
| | c. sluizen te Gerstheim en Straatsburg: | | |
|
||||
| | grote sluis ....................................................... | 185 | 22,90 |
|
||||
| | kleine sluis ....................................................... | 185 | 11,45 |
|
||||
| | | | |
|
||||
| | d. sluizen te Gambsheim en Iffezheim ................. | 270 | 22,90 |
|
||||
| II | Sluizen te Iffezheim (km 334,00) – Karlsruhe (km 359,80) zowel in op- als in afvaart ...................... | 186,50 | 22,90 |
|
||||
| III | Karlsruhe (km 359,80) – Lorch (km 540,20) | | |
|
||||
| | a. zowel in op- als in afvaart ............................... | 186,50 | 22,90 |
|
||||
| | b. in afvaart bovendien ...................................... | 153 | 34,35*** |
|
||||
| IV | Lorch (km 540,20) – St. Goar (km 556,00) | | |
|
||||
| | a. in opvaart .................................................... | 186,50 | 22,90 |
|
||||
| | b. in afvaart ..................................................... | 110*** | 22,90 |
|
||||
| V | St. Goar (km 556,00) – Gorinchem (km 952,50) | | |
|
||||
| | a. zowel in op- als in afvaart ............................... | 186,50 | 22,90 |
|
||||
| | b. in afvaart bovendien ...................................... | 153 | 34,35*** |
|
||||
| VI | Pannerdensch Kanaal (km 867,46) – Lekkanaal (km 949,40) | | |
|
||||
| | zowel in op- als afvaart ...................................... | 110** | 17,70 |
|
||||
| VII | Lekkanaal (km 949,40) – Krimpen (km 989,20) | | |
|
||||
| | zowel in de op- als de afvaart hetzij ..................... | 116,50 | 22,90 |
|
||||
| | hetzij .............................................................. | 140 | 17,70 |
|
||||
| | dan wel met een kopbesturing van voldoende | | |
|
||||
| | vermogen ........................................................ | 186,50 | 12,00** |
|
||||
| | * De bevoegde autoriteit kan een lengte tot 185 m toelaten. In dat geval is art. 6.28, zevende lid onder a en e, niet van toepassing. | | |
|
||||
| | ** De bevoegde autoriteit kan duwstellen met grotere afmetingen toelaten. | | |
|
||||
| | *** De langszij van de duwboot gekoppelde duwbakken mogen niet geladen zijn. | | |
|
||||
|
||||
**2.** 2. De bevoegde autoriteit van het te bevaren gedeelte kan bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur duwstellen toelaten met grotere afmetingen dan die welke in de tabel van het eerste lid zijn vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Voor de betreffende riviergedeelten zijn in op- en afvaart de volgende afmetingen van toepassing:
|
||||
Benedenstrooms van de sluizen te Iffezheim tot Gorinchem mag de lengte van een duwstel met ten hoogste 6,50 m worden vergroot en mag de breedte van de duwboot op 15 m worden gebracht, mits
|
||||
|
||||
| | Gedeelte | Lengte in m | Breedte in m |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| 3.1 | Bazel (km 166,53) t/m sluizen Iffezheim (km 334,00) | | |
|
||||
| | a) Sluizen Kembs | | |
|
||||
| | aa) westelijke sluiskolk | 180 | 22,90 |
|
||||
| | bb) oostelijke sluiskolk | 186,50 | 22,90 |
|
||||
| | b) Sluizen Ottmarsheim | | |
|
||||
| | aa) grote sluis | 183 | 22,80 |
|
||||
| | bb) kleine sluis | 183 | 11,45 |
|
||||
| | c) Sluizen Fessenheim, Vogelgrün, Marckolsheim en Rhinau | | |
|
||||
| | aa) grote sluis | 183 | 22,80 |
|
||||
| | bb) kleine sluis | 183 | 11,45 |
|
||||
| | Deze lengte mag met toestemming van de bevoegde autoriteit worden verhoogd tot 185 m. In dit geval is artikel 6.28, zevende lid, onder a en e, niet van toepassing. | | |
|
||||
| | d) Sluizen Gerstheim en Straatsburg | | |
|
||||
| | aa) grote sluis | 185 | 22,90 |
|
||||
| | bb) kleine sluis | 185 | 11,45 |
|
||||
| | e) Sluizen Gambsheim en Iffezheim | 270 | 22,90 |
|
||||
| | De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten | | |
|
||||
| 3.2 | a) Sluizen Iffezheim (km 334,00) t/m Lorch (km 540,20) | 193 | 22,90 |
|
||||
| | b) Karlsruhe (km 359,80) t/m/ Lorch (km 540,20) | 153 | 34,35 |
|
||||
| | | | |
|
||||
| | bovendien | | |
|
||||
| | | | |
|
||||
| | Alleen de afvaart en bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van 1,20 m en meer, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij een lagere waterstand uitdrukkelijk heeft toegelaten. Voor zover de duwboot langszijde daarvan vastgemaakte duwbakken meevoert, moeten deze onbeladen zijn. | | |
|
||||
| 3.3 | Lorch (km 540,20) t/m St. Goar (km 556,00) | | |
|
||||
| | a) In opvaart | 186,50 | 22,90 |
|
||||
| | b) In afvaart | 116,50 | 22,90 |
|
||||
| | De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten. | | |
|
||||
| | c) Bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub tussen 0,85 m en hoogwaterpeil I bovendien voor duwstellen: | | |
|
||||
| | aa) in opvaart | 193 | 22,90 |
|
||||
| | bb) in afvaart | 193 | 12,50 |
|
||||
| | d) Onderdeel c geldt slechts indien het duwstel beschikt over | | |
|
||||
| | aa) bij een breedte tot en met 12,50 m: | | |
|
||||
| | aaa) een meerschroefsaandrijving en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 360 kW, of | | |
|
||||
| | bbb) een eenschroefsaandrijving en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 500 kW, waarbij ten minste de helft van het vermogen aan de kop of het samenstel of op de voorste duwbakken aanwezig is; | | |
|
||||
| | bb) bij een breedte van meer dan 12,50 m:0 | | |
|
||||
| | een meerschroefsaandrijving met twee van elkaar onafhankelijke aandrijvingen en een of meer vanuit de stuurstand bedienbare boegbesturingsinstallaties met een vermogen van in totaal ten minste 500 kW, waarbij ten minste de helft van het vermogen aan de kop of het samenstel of op de voorste duwbakken aanwezig is; | | |
|
||||
| | cc) bij een lengte van meer dan 186,50 m in de afvaart: | | |
|
||||
| | een meerschroefsaandrijving en, bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van meer dan 3,50 m, over een specifiek vermogen van ten minste 0,5 kW per ton lading. | | |
|
||||
| 3.4 | a) St. Goar (km 556,00) t/m Gorinchem (km 952,50) | 193 | 22,90 |
|
||||
| | b) in afvaart | 153 | 34,35 |
|
||||
| | | | |
|
||||
| | bovendien | | |
|
||||
| | | | |
|
||||
| | c) Onderdeel b geldt op het gedeelte: | | |
|
||||
| | aa) St. Goar (km 556,00) t/m Rolandswerth (km 641,80) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Kaub van 1,20 m en meer; | | |
|
||||
| | bb) Rolandswerth (km 641,80) tot en met het Spijksche Veer (km 857,40) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Ruhrort van 2,10 m en meer; | | |
|
||||
| | cc) het Spijksche Veer (km 857,40) tot en met Gorinchem (km 952,50) alleen bij een waterstand op de peilschaal bij Lobith van 8,50 m en meer, | | |
|
||||
| | tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij een lagere waterstand uitdrukkelijk heeft toegelaten. | | |
|
||||
| | Voor zover de duwboot langszijde daarvan vastgemaakte duwbakken meevoert, moeten deze onbeladen zijn. | | |
|
||||
| 3.5 | Bad Salzig (km 564,30) t/m Gorinchem (km 952,50) onverminderd de bepalingen van lid 3.4 voor duwstellen: | | |
|
||||
| | a) in opvaart (lange formatie) | 269,50 | 22,90 |
|
||||
| | b) in afvaart (brede formatie) | 193 | 34,35 |
|
||||
| | c) In de gevallen van de onderdelen a en b mag een duwstel: | | |
|
||||
| | aa) niet meer dan zes duwbakken bevatten. In afvaart mogen ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer hebben. Zeeschipbakken mogen slechts langszijde van andere duwbakken vastgemaakt worden meegevoerd; vier zeeschipbakken achter elkaar gelden daarbij als één duwbak; | | |
|
||||
| | bb) slechts varen, indien aan de kop van het samenstel een vanuit de stuurstand van de duwboot bedienbare boegbesturingsinstallatie beschikbaar is. | | |
|
||||
| | d) Op het riviergedeelte Bad Salzig (km 564,30) tot en met het Spijksche Veer (km 857,40) mag een duwstel bovendien slechts varen, indien de waterstand op de peilschaal bij Ruhrort tussen 2,75 m en 7,15 m is gelegen, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij andere waterstanden uitdrukkelijk heeft toegelaten. | | |
|
||||
| | e) Op het riviergedeelte Spijksche Veer (km 857,40) tot en met Gorinchem (km 952,50) mag, tenzij de bevoegde autoriteit de vaart bij andere waterstanden uitdrukkelijk heeft toegelaten, een duwstel bovendien slechts varen | | |
|
||||
| | aa) indien de waterstand op de peilschaal bij Lobith tussen 8,50 m en 13,50 m is gelegen; | | |
|
||||
| | bb) indien het geen gevaarlijke stoffen vervoert, voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring volgens het ADN is vereist; | | |
|
||||
| | cc) met een duwboot met een lengte van niet meer dan 40 m, indien bovendien: | | |
|
||||
| | aaa) het maximale vermogen van de aandrijving van de duwboot niet groter is dan 4.500 kW; | | |
|
||||
| | bbb) in de lange formatie ten minste vier duwbakken een diepgang hebben van 2,50 m of meer. In afvaart in de brede formatie mag op dit gedeelte ook zonder boegbesturingsinstallatie worden gevaren, indien ten minste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst. | | |
|
||||
| 3.6 | a) Pannerden (km 867,46) t/m/ lekkanaal (km 949,40) | 135 | 15 |
|
||||
| | b) voor duwstellen met een lengte van meer dan 110 m en een boegbesturingsinstallatie van voldoende vermogen. Tussen IJsselkop (km 878,60) en Arnhem (km 885,00) is het verboden voorbij te lopen en te ontmoeten. | 186,50 | 11,45 |
|
||||
| | De bevoegde autoriteit kan een grotere lengte toelaten. Voorts bedragen de ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen varend op het Amsterdam-Rijnkanaal die de Lek bij Wijk bij Duurstede oversteken 200 m (lengte) en 23,00 m (breedte). | | |
|
||||
| 3.7 | Lekkanaal (km 949,40) t/m Krimpen (km 989,20) | | |
|
||||
| a) korte formatie | 116, 50 | 22,90 | |
|
||||
| | b) lange formatie | 193 | 11,45 |
|
||||
| | De bevoegde autoriteit kan grotere afmetingen toelaten. | | |
|
||||
- de duwboot niet langer is dan 40 m,
|
||||
- de lengte van het duwstel, dat zich vóór de duwboot bevindt, niet langer is dan 153 m.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een duwstel mag niet breder zijn dan 22,90 m op de navolgende gedeelten:
|
||||
|
||||
a. op het gedeelte Karlsruhe (km 359,80) - Lorch (km 540,00) en St. Goar (km 556,00) - Rolandswerth (km 641,80), indien de waterstand aan de peilschaal te Kaub minder bedraagt dan 1,20 m;
|
||||
b. op het gedeelte Rolandswerth (km 641,80) - Spijksche Veer (km 857,40), indien de waterstand aan de peilschaal te Ruhrort minder bedraagt dan 2,10 m;
|
||||
c. in de afvaart op het gedeelte Spijksche Veer (km 857,40) - Gorinchem (km 952,50), indien de waterstand aan de peilschaal te Lobith minder bedraagt dan 9,50 m.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De bevoegde autoriteit kan de vaart bij lagere waterstanden toelaten.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.03
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 11.02 zijn voor een duwstel op het riviergedeelte tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) de hierna genoemde afmetingen
|
||||
|
||||
| Samenstelling | Grootste afmeting | |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| | Lengte in m | Breedte in m |
|
||||
| Brede formatie | 193 | 34,35 |
|
||||
| Lange formatie | 269,50 | 22,90 |
|
||||
|
||||
onder de volgende voorwaarden toegelaten:
|
||||
|
||||
a. De in dit lid genoemde ten hoogste toegelaten afmetingen moeten zijn vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwboot.
|
||||
b. De duwboot mag niet langer zijn dan 40 m.
|
||||
c. Het duwstel mag niet meer dan zes duwbakken en geen zeeschipbakken bevatten.
|
||||
d. In afvaart mag slechts in brede formatie worden gevaren. Daarbij dienen de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:
|
||||
|
||||
-. ten minste twee aan de kop van het duwstel geplaatste duwbakken moeten zijn uitgerust met een vanuit de stuurhut van de duwboot bedienbare passieve kopbesturing. De koproeren van ieder van deze duwbakken moeten een effectieve oppervlakte van ten minste 2 m2 hebben. De bevoegde autoriteit kan kopbesturingen met een overeenkomstig effect toelaten;
|
||||
-. ten hoogste vier duwbakken mogen een diepgang van 1,50 m of meer hebben.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Ter aanvulling op het eerste lid moet op het riviergedeelte Bad Salzig (km 564,30) - Spijkse Veer (km 857,40) het volgende in acht worden genomen:
|
||||
|
||||
a. De vaart mag slechts worden aangevangen bij een waterstand aan de peilschaal te Ruhrort tussen 2,75 m en 6,00 m. De bevoegde autoriteit kan de vaart bij andere waterstanden toelaten.
|
||||
b. Er mag niet worden gevaren op riviervakken waar de waterstand het hoogwaterpeil I heeft bereikt.
|
||||
c. In afvaart in brede formatie mag ook zonder koproeren worden gevaren indien ten minste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer hebben.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Ter aanvulling op het eerste lid moet op het riviergedeelte Spijksche Veer (km 857,40) - Gorinchem (km 952,50) het volgende in acht worden genomen:
|
||||
|
||||
a. De vaart mag slechts worden aangevangen bij een waterstand aan de pelschaal te Lobith tussen 9,50 m en 13,50 m. De bevoegde autoriteit kan de vaart bij andere waterstanden toelaten.
|
||||
b. Het maximale vermogen van de duwboot mag niet groter zijn dan 4500 kW.
|
||||
c. In opvaart mag slechts in lange formatie worden gevaren.
|
||||
d. In lange formatie moeten ten minste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben. De bevoegde autoriteit kan andere samenstellingen en een geringere diepgang toelaten.
|
||||
e. In afvaart in brede formatie mag ook zonder koproeren worden gevaren indien ten minste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en ten minste twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst.
|
||||
f. Gevaarlijke stoffen, voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADNR vereist is, mogen niet worden vervoerd.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
### Artikel 11.04
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
In afwijking van artikel 11.02, eerste lid, bedragen de ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen varend op het Amsterdam-Rijnkanaal die de Lek bij Wijk bij Duurstede oversteken 193 m (lengte) en 22,90 m (breedte).
|
||||
|
||||
### Artikel 11.05
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
De afmetingen van een hecht samenstel van schepen dat geen duwstel is mag de ten hoogste toegelaten afmetingen van een duwstel voorgeschreven bij artikel 11.02, eerste en tweede lid, niet overschrijden.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 12. Riviergedeelten waar een meldplicht geldt dan wel waar de scheepvaart door waarschuwingsposten wordt geregeld
|
||||
|
||||
|
|
@ -2524,164 +2341,156 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De schipper van de volgende schepen en samenstellen moet zich, alvorens de in het derde lid bedoelde riviergedeelten binnen te varen, elektronisch melden overeenkomstig de bepalingen van deel IV van ES-RIS:
|
||||
De schipper van een schip als bedoeld in het ADNR, van een schip met een lengte van meer dan 110 m, van een samenstel, van een zeeschip of van een bijzonder transport als bedoeld in artikel 1.21 moet zich, alvorens de in het vijfde lid bedoelde riviergedeelten binnen te varen, melden op het aangegeven marifoonkanaal met opgave van de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. schip dat goederen vervoert waarop het ADN van toepassing is;
|
||||
b. tankschepen, met uitzondering van bunkerschepen en bilgeboten zoals gedefinieerd onder 1.2.1 van het reglement dat als bijlage bij het ADN is gevoegd;
|
||||
c. schip dat containers vervoert;
|
||||
d. schip met een lengte van meer dan 110 m;
|
||||
e. hotelschip;
|
||||
f. zeeschip;
|
||||
g. schip dat een LNG-installatie aan boord heeft;
|
||||
h. bijzonder transport als bedoeld in artikel 1.21.
|
||||
a. soort schip;
|
||||
b. naam van het schip;
|
||||
c. positie, vaarrichting;
|
||||
d. officieel scheepsnummer, IMO-nummer voor zeeschepen;
|
||||
e. laadvermogen;
|
||||
f. lengte en breedte van het schip;
|
||||
g. soort, lengte en breedte van het samenstel;
|
||||
h. diepgang, indien de bevoegde autoriteit hierom vraagt;
|
||||
i. route;
|
||||
j. haven waar is geladen;
|
||||
k. haven waar wordt gelost;
|
||||
l. soort lading (naam en hoeveelheid van stoffen); bij gevaarlijke stoffen: klasse, cijfer en, voor zover bekend, stofnummer of klasse en VN-nummer;
|
||||
m. 0, 1, 2, 3 blauwe lichten/kegels;
|
||||
n. aantal personen aan boord.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde gegevens, met uitzondering van die genoemd onder c en h, mogen ook vanaf een andere plaats of door een andere persoon tijdig schriftelijk of telefonisch aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld. In ieder geval moet de schipper het tijdstip van in- en uitvaren met zijn schip of samenstel van het meldplichtig riviergedeelte melden.
|
||||
|
||||
Bij de in het eerste lid bedoelde aanmelding moeten worden vermeld:
|
||||
**3.** Indien het schip zijn reis in een der in het vijfde lid genoemde riviergedeelten gedurende meer dan twee uren onderbreekt, moet de schipper het begin en het einde van deze onderbreking melden.
|
||||
|
||||
a. naam van het schip, bij samenstellen van alle schepen van het samenstel;
|
||||
b. uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) en IMO-nummer voor zeeschepen van het schip, bij samenstellen van alle schepen van het samenstel;
|
||||
c. type vaartuig of samenstel, bij samenstellen type vaartuig voor alle schepen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde berichten;
|
||||
d. laadvermogen van het schip, bij samenstellen van alle schepen van het samenstel;
|
||||
e. lengte en breedte van het schip, bij samenstellen lengte en breedte van het samenstel en van alle schepen van het samenstel;
|
||||
f. aanwezigheid van een LNG-installatie aan boord;
|
||||
g. voor een schip dat goederen vervoert waarop het ADN van toepassing is:
|
||||
|
||||
aa. de VN-nummers of de nummers van de gevaarlijke goederen;
|
||||
bb. de officiële benaming voor het vervoer van de gevaarlijke goederen;
|
||||
cc. de klasse, de classificatiecode en eventueel de verpakkingsgroep van de gevaarlijke goederen;
|
||||
dd. de totale hoeveelheid van de gevaarlijke goederen, waarop deze gegevens betrekking hebben;
|
||||
ee. het aantal blauwe lichten/kegels;
|
||||
h. voor een schip dat goederen vervoert waarop het ADN niet van toepassing is en die niet in containers worden vervoerd: soort en hoeveelheid lading;
|
||||
i. aantal containers aan boord naar grootte en beladingstoestand (beladen of onbeladen) en de respectievelijke plaats van containers overeenkomstig het stuwplan en containertype;
|
||||
j. containernummer van de containers met gevaarlijke goederen;
|
||||
k. totaal aantal personen aan boord en voor zover van toepassing het aantal passagiers;
|
||||
l. positie, vaarrichting;
|
||||
m. diepgang, indien de bevoegde autoriteit hierom vraagt;
|
||||
n. route met opgave van de vertrek- en bestemmingshaven;
|
||||
o. haven waar is geladen;
|
||||
p. haven waar wordt gelost.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De riviergedeelten bedoeld in het bovenvermelde eerste lid, die worden aangeduid door het teken B.11 met het onderbord «Meldplicht» zijn de volgende:
|
||||
|
||||
a. van Bazel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,53) tot Gorinchem (km 952,50); en
|
||||
b. van Pannerden (km 867,50) tot Krimpen aan de Lek (km 989,20).
|
||||
|
||||
**4.** Indien het schip zijn reis in een van de in het derde lid genoemde riviergedeelten gedurende meer dan twee uur onderbreekt, moet de schipper het begin en het einde van deze onderbreking elektronisch melden.
|
||||
|
||||
**5.** De in het tweede lid, onderdeel a en c bedoelde gegevens moeten eveneens per marifoon op het aangegeven kanaal worden verstrekt bij het passeren van de sluizen en van de meldplaatsen die door het teken B.11 zijn aangeduid. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, moet de schipper het type schip of samenstel melden overeenkomstig bijlage 12.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De in het tweede lid bedoelde gegevens, met uitzondering van die genoemd onder l en m, mogen ook vanaf een andere plaats of door een andere persoon elektronisch aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld.
|
||||
|
||||
In ieder geval moet de schipper zich per marifoon melden op het daarvoor aangegeven kanaal op het moment dat hij met zijn schip of samenstel het riviergedeelte waarvoor de meldplicht geldt, binnenvaart of verlaat.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de in het tweede lid bedoelde gegevens tijdens het bevaren van het riviergedeelte waarvoor de meldplicht geldt, worden gewijzigd, moet dit de bevoegde autoriteit onmiddellijk elektronisch worden meegedeeld.
|
||||
|
||||
**8.** Indien de reis is beëindigd, dient te schipper dit zo snel mogelijk elektronisch te melden.
|
||||
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
De bevoegde autoriteit kan:
|
||||
|
||||
– voor bunkerschepen en bilgeboten zoals gedefinieerd onder 1.2.1 van het reglement dat als bijlage bij het ADN is gevoegd, evenals voor dagtochtschepen een meldplicht vaststellen en wat deze inhoudt;
|
||||
– bij afgifte van een bijzondere vergunning voor bijzondere transporten zoals bepaald in artikel 1.21 een uitzondering op de meldplicht zoals bedoeld in het eerste lid toestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 12.02
|
||||
|
||||
**1.** Het riviergedeelte dat door de districtscentrale Oberwesel wordt gewaarschuwd (riviergedeelte met waarschuwingsposten), bevindt zich in de sector van km 548,50 tot km 555,43 (bijlage 9).
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In het riviergedeelte Oberwesel–St. Goar zijn de volgende waarschuwingsposten opgesteld:
|
||||
|
||||
Post A: km 550,57, linkeroever, bij de Ochsenturm te Oberwesel;
|
||||
|
||||
Post B: km 552,80, linkeroever, bij de Kammereck;
|
||||
|
||||
Post C: km 553,61, linkeroever, bij de Betteck;
|
||||
|
||||
Post D: km 554,34, linkeroever, tegenover de Loreley («Die Lützelsteine»);
|
||||
|
||||
Post E: km 555,43, linkeroever, bij Die Bank.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De nadering van afvaart, met uitzondering van kleine schepen, wordt aan de opvaart aangekondigd door de waarschuwingsposten A, C, D en E.
|
||||
|
||||
Op de betreffende gedeelten toont elke waarschuwingspost zijn lichttekens aan de opvaart, op boven elkaar geplaatste borden als volgt:
|
||||
|
||||
| Bord | Nr. van het gedeelte | Bovenstroomse grens van het gedeelte | Benedenstroomse grens van het gedeelte |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| Post A: bij de Ochsenturm | | | |
|
||||
| Boven | 1 | km 548,50 | km 549,50 |
|
||||
| Onder | 2 | km 549,50 | km 550,57 |
|
||||
| Post C: bij de Betteck | | | |
|
||||
| Boven | 3 | km 550,57 | km 551,30 |
|
||||
| Midden | 4 | km 551,30 | km 552,40 |
|
||||
| Onder | 5 | km 552,40 | km 553,60 |
|
||||
| Post D: tegenover Loreley («Die Lützelsteine») | | | |
|
||||
| Boven | 4 | km 551,30 | km 552,40 |
|
||||
| Midden | 5 | km 552,40 | km 553,61 |
|
||||
| Onder | 6 | km 553,61 | km 554,34 |
|
||||
| Post E: bij Die Bank | | | |
|
||||
| Boven | 6 | km 553,61 | km 554,34 |
|
||||
| Onder | 7 | km 554,34 | km 555,43 |
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De door de waarschuwingsposten gegeven tekens hebben voor de betreffende gedeelten de volgende betekenis:
|
||||
|
||||
a) drie witte lichtstrepen in de vorm van een driehoek (fig. 1): op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één samenstel met een lengte van meer dan 110 m.
|
||||
b) twee witte lichtstrepen in de vorm van een dak (fig. 2): op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één samenstel met een lengte van niet meer dan 110 m, of één schip met een lengte van meer dan 110 m of met een breedte van meer dan 15 m.
|
||||
c) een naar rechts neigende witte lichtstreep (fig. 3): op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één schip met een lengte van niet meer dan 110 m.
|
||||
d) een horizontale witte lichtstreep (fig. 4): op het gedeelte bevindt zich geen afvaart.
|
||||
**4.** Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens tijdens het bevaren van het meldplichtige riviergedeelte worden gewijzigd, moet dit aan de bevoegde autoriteit onmiddellijk worden medegedeeld.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De waarschuwingsposten kunnen bovendien de volgende tekens geven:
|
||||
Op de riviergedeelten:
|
||||
|
||||
a) op post A:
|
||||
a. van Basel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,64) tot Lauterburg (km 352,00),
|
||||
b. van Lauterburg (km 352,00) tot Gorinchem (km 952,50), en
|
||||
c. van Pannerden (km 876,50) tot Krimpen aan de Lek (989,20),
|
||||
|
||||
aa) een alleen voor de afvaart zichtbaar wit licht: aan de afvaart wordt aangeduid dat de waarschuwingspost in bedrijf is.
|
||||
bb) aanvullend een alleen voor de afvaart zichtbaar wit knipperlicht: een samenstel met een lengte van meer dan 110 m vaart bij de Tauberwerth (gedeelte 3) stroomopwaarts.
|
||||
b) op post B:
|
||||
die worden aangeduid door het teken B.11 met het onderbord «Meldplicht», geldt de in het eerste lid bedoelde meldplicht onder de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
een alleen voor de afvaart zichtbaar wit knipperlicht: een opvarend gekoppeld samenstel of een duwstel, waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt, vaart om de Betteck heen.
|
||||
– Op het gedeelte bedoeld onder a behoeven zich slechts samenstellen als bedoeld in het ADNR te melden.
|
||||
– Op het gedeelte bedoeld onder b moeten behalve samenstellen als bedoeld in het ADNR slechts samenstellen met een lengte van meer dan 140 m en een breedte van meer dan 15 m en op het gedeelte bedoeld onder c slechts samenstellen met een lengte van meer dan 110 m of een breedte van meer dan 12 m worden gemeld.
|
||||
– Op de gedeelten bedoeld onder b en c moeten de gegevens genoemd in het eerste lid, onder a, b en d, eveneens worden verstrekt bij het passeren van de overige verkeersposten, districtscentrales en sluizen, evenals aan de met het teken B.11 aangeduide meldpunten.
|
||||
|
||||
**6.** Wanneer de afvaart moet stilhouden, wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten boven elkaar op de posten A of B aangeduid. Wanneer de opvaart moet stilhouden, wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten boven elkaar op de posten D of E aangeduid.
|
||||
**6.** De bevoegde autoriteit kan voor bunkerschepen een andere meldplicht vaststellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 12.03
|
||||
### Artikel 12.02
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de Bankeck (km 555,60 tot km 555,20), bij de Betteck (km 553,61 tot km 553,30) en bij de Jungferngrund (km 551,20 tot km 550,60) is het in bepaalde verkeerssituaties verboden te ontmoeten. Het verbod tot ontmoeten geldt:
|
||||
In het riviergedeelte Oberwesel-St. Goar zijn de volgende waarschuwingsposten opgesteld:
|
||||
|
||||
a) voor een opvarend schip of samenstel met een lengte van niet meer dan 110 m, met uitzondering van een klein schip, indien op post A, C of E in het onderste veld een lichtsein overeenkomstig artikel 12.02, vierde lid, onder a, aan dit schip of samenstel wordt getoond,
|
||||
b) voor een opvarend schip met een lengte van meer dan 110 m, indien op post A, C of E in het onderste veld een lichtsein overeenkomstig artikel 12.02, vierde lid, onder a of b, aan dit schip wordt getoond,
|
||||
c) voor een opvarend samenstel met een lengte van meer dan 110 m, indien op post A, C of E in het onderste veld een lichtsein overeenkomstig artikel 12.02, vierde lid, onder a, b of c, aan dit samenstel wordt getoond.
|
||||
Post A:
|
||||
|
||||
Bij een verbod tot ontmoeten als bedoeld in de eerste volzin moet een opvarend schip beneden de Bankeck, de Betteck dan wel de Tauberwerth stilhouden, tot de afvarende schepen respectievelijk km 555,60, km 553,60 dan wel km 551,20 zijn voorbijgevaren.
|
||||
km 550,57, linkeroever,
|
||||
|
||||
**2.** Een opvarend schip, met uitzondering van een klein schip, moet bij het naderen van de Bankeck, de Betteck dan wel de Tauberwerth de afvarende schepen via de marifoon oproepen en hun verzoeken hun categorie, hun naam, hun positie en hun vaarrichting op te geven.
|
||||
bij de Ochsenturm te Oberwesel;
|
||||
|
||||
**3.** Na overschrijding van het hoogwaterpeil I op de peilschaal bij Kaub (4,60 m) geldt voor alle schepen en samenstellen, met uitzondering van kleine schepen, bij de Bankeck (km 555,60 tot km 555,20), bij de Betteck (km 553,60 tot km 553,30) en bij de Jungferngrund (km 551,20 tot km 550,60) een verbod tot ontmoeten en voorbijlopen.
|
||||
Post B:
|
||||
|
||||
**4.** Een afvarend schip met een breedte van 15 m en meer moet bij km 548,00 op kanaal 18 «Oberwesel Wahrschau» oproepen en zijn categorie, zijn naam, zijn positie, zijn breedte en zijn vaarrichting opgeven.
|
||||
km 552,80, linkeroever,
|
||||
|
||||
**5.** Een schip, met uitzondering van een klein schip, dat binnen het riviergedeelte dat met waarschuwingsposten geregeld wordt aanlegt of afvaart dan wel keert en weer terug vaart, moet dit per marifoon op kanaal 18 meedelen aan de districtscentrale via de oproepcode «Oberwesel Wahrschau».
|
||||
bij de Kammereck;
|
||||
|
||||
Post C:
|
||||
|
||||
km 553,61, linkeroever,
|
||||
|
||||
bij de Betteck;
|
||||
|
||||
Post D:
|
||||
|
||||
km 554,34, linkeroever,
|
||||
|
||||
tegenover de Loreley;
|
||||
|
||||
Post E:
|
||||
|
||||
km 555,43, linkeroever,
|
||||
|
||||
bij Die Bank.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De nadering van afvaart, met uitzondering van kleine schepen, wordt aan de opvaart aangekondigd door de waarschuwingsposten C, D en E. Op de betreffende gedeelten toont elke waarschuwingspost zijn tekens aan de opvaart, op boven elkaar geplaatste borden als volgt:
|
||||
|
||||
| Bord | Nr. van het gedeelte | Begin en einde van het gedeelte | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| Post C | | | |
|
||||
| boven | 1 | km 550,57 | km 551,30 |
|
||||
| midden | 2 | km 551,30 | km 552,11 |
|
||||
| onder | 3 | km 552,11 | km 554,34 |
|
||||
| | | | |
|
||||
| Post D | | | |
|
||||
| boven | 1 | km 550,57 | km 551,30 |
|
||||
| midden | 2 | km 551,30 | km 552,11 |
|
||||
| onder | 3 | km 552,11 | km 554,34 |
|
||||
| | | | |
|
||||
| Post E | | | |
|
||||
| boven | 3 | km 552,11 | km 554,34 |
|
||||
| onder | 4 | km 554,34 | km 555,43 |
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De door de waarschuwingsposten gegeven tekens hebben voor de betreffende gedeelten de volgende betekenis:
|
||||
|
||||
a. drie witte lichtstrepen in de vorm van een driehoek:
|
||||
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één gekoppeld samenstel of één duwstel waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt.
|
||||
|
||||
fig. 1
|
||||
b. twee witte lichtstrepen in de vorm van een dak:
|
||||
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één gekoppeld samenstel of één duwstel waarvan de lengte niet meer dan 110 m bedraagt of één sleep.
|
||||
|
||||
fig. 2
|
||||
c. een naar rechts neigende witte lichtstreep:
|
||||
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één alleenvarend schip.
|
||||
|
||||
fig. 3
|
||||
d. een horizontale witte lichtstreep:
|
||||
|
||||
Op het gedeelte bevindt zich geen afvaart.
|
||||
|
||||
fig. 4
|
||||
|
||||
Het teken van figuur 1 wordt getoond, indien in afvaart, tegelijk met een gekoppeld samenstel of een duwstel waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt, een gekoppeld samenstel of een duwstel waarvan de lengte niet meer dan 110 m bedraagt, een sleep of een alleenvarend schip nadert. Het teken van figuur 2 wordt getoond, indien in afvaart, tegelijk met een gekoppeld samenstel of een duwstel waarvan de lengte niet meer dan 110 m bedraagt of een sleep, een alleenvarend schip nadert.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De waarschuwingsposten kunnen bovendien de volgende tekens geven:
|
||||
|
||||
a. op post A een alleen voor de afvaart zichtbaar wit licht:
|
||||
|
||||
Aan de afvaart wordt aangeduid, dat de opvaart is gewaarschuwd.
|
||||
b. op post B een alleen voor de afvaart zichtbaar wit licht:
|
||||
|
||||
Een opvarend gekoppeld samenstel of een duwstel, waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt, vaart om de Betteck heen.
|
||||
c. op post E:
|
||||
|
||||
- een alleen voor de opvaart zichtbaar wit licht:
|
||||
|
||||
Tussen Die Bank en de Loreley bevinden zich opvarend ten minste twee duwstellen of een duwstel en een gekoppeld samenstel of twee gekoppelde samenstellen.
|
||||
- een alleen voor de opvaart zichtbaar wit flikkerlicht:
|
||||
|
||||
Een afvarend passagiersschip wil in St. Goar aanleggen.
|
||||
|
||||
**5.** Afvarende passagiersschepen die in St. Goar willen aanleggen moeten tussen de Kammereck en St. Goar op het voorschip een blauw-witte vlag voeren.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Is de waarschuwingspost buiten bedrijf, gelden, behalve voor een klein schip, de volgende voorschriften:
|
||||
Wanneer de afvaart moet stilhouden, wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten boven elkaar op de posten A of B aangeduid.
|
||||
|
||||
a) De voorschriften onder het eerste en het tweede lid gelden voor alle opvarende schepen en samenstellen.
|
||||
|
||||
Indien er zich geen afvarend schip meldt, mag een opvarend schip de Bankeck, de Betteck dan wel de Jungferngrund niet voorbijvaren dan nadat het op kanaal 10 een lage toon met een tijdsduur van één seconde heeft ontvangen. Deze toon dient ter controle van het op juiste wijze functioneren van de marifoon op het riviergedeelte tussen Oberwesel en St. Goar.
|
||||
b) Een afvarend schip moet bij het voorbijvaren van km 548,50 boven de haven van Oberwesel, van de bovenstroomse splitsingston bij de Geisenrücken (km 552,00) en van de Betteck (km 553,60) zijn categorie, zijn naam, zijn positie en zijn vaarrichting opgeven. Het moet dezelfde inlichtingen geven wanneer het daartoe door een opvarend schip wordt opgeroepen. Na iedere melding moet het opnieuw op de marifoon uitluisteren.
|
||||
Wanneer de opvaart moet stilhouden, wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten boven elkaar op de posten D of E aangeduid.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 13. Bijzondere voorschriften met betrekking tot de vaart met kanaalspitsen op het riviergedeelte Basel tot de sluizen te Iffezheim
|
||||
|
||||
|
|
@ -2689,7 +2498,7 @@ b) Een afvarend schip moet bij het voorbijvaren van km 548,50 boven de haven van
|
|||
|
||||
**1.** Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen die afmetingen hebben van niet meer dan 38,50 m lengte en 5,05 m breedte en die gewoonlijk het Rijn-Rhônekanaal bevaren.
|
||||
|
||||
**2.** Dit hoofdstuk is van toepassing op de in het eerste lid bedoelde schepen tussen Basel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,53) en de meest benedenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Iffezheim (km 335,92).
|
||||
**2.** Dit hoofdstuk is van toepassing op de in het eerste lid bedoelde schepen tussen Basel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,64) en de meest benedenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Iffezheim (km 335,92).
|
||||
|
||||
### Artikel 13.02
|
||||
|
||||
|
|
@ -2742,25 +2551,25 @@ b. voor laad- of loswerkzaamheden op de daartoe bestemde plaatsen. De toegang na
|
|||
|
||||
### Artikel 14.02
|
||||
|
||||
**1.** De rede strekt zich voor Basel uit aan de rechteroever van km 167,82 tot km 169,99.
|
||||
**1.** De rede strekt zich voor Basel uit aan de linkeroever van km 167,75 tot km 168,40 en aan de rechteroever van km 167,75 tot km 169,80.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd aan de rechteroever:
|
||||
|
||||
a. ligplaats «Uferplatz – GMS 1 en 2» van km 167,88 (onder Dreirosenbrücke) tot km 168,09;
|
||||
b. ligplaats «Rheinquai-Wiesemündung» van km 169,19 tot km 169,33;
|
||||
c. ligplaats «Rheinquai-Dreiländereck» van km 169,61 tot km 169,72. Deze ligplaats mag worden gebruikt van 1 november tot 15 maart; buiten deze periode slechts op aanwijzing van de havenmeester.
|
||||
a. ligplaats «Uferplatz» van km 167,85 (Dreirosenbrücke) tot km 168,04;
|
||||
b. ligplaats «Rheinquai-Wiesemündung» van km 169,20 tot km 169,34;
|
||||
c. ligplaats «Rheinquai-Dreiländereck» van km 169,60 tot km 169,71. Deze ligplaats mag worden gebruikt van 1 november tot 15 maart; buiten deze periode slechts op aanwijzing van de havenmeester.
|
||||
|
||||
**3.** Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd aan de rechteroever: ligplaats «Oberer Klybeckquai – TMS 1 en 2» van km 168,09 tot km 168,33.
|
||||
**3.** Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd aan de rechteroever: ligplaats «Oberer Klybeckquai» van km 168,05 tot km 168,36.
|
||||
|
||||
**4.** Schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid te voeren, mogen slechts ligplaats nemen met toestemming van de Zwitserse Rijnhavens. De ligplaatsen worden van geval tot geval door de havenmeester aangewezen.
|
||||
**4.** Schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, te voeren, mogen slechts ligplaats nemen met toestemming van de Rheinschiffahrtsdirektion Basel. De ligplaatsen worden van geval tot geval door de havenmeester aangewezen.
|
||||
|
||||
**5.** De op borden op de oever aangeduide breedten der ligplaatsen gelden slechts bij waterstanden aan de peilschaal van Basel-Rheinhalle van minder dan 7 m.
|
||||
**5.** De op borden op de oever aangeduide breedten der ligplaatsen gelden slechts bij waterstanden aan de peilschaal van Rheinfelden van minder dan 3,50 m.
|
||||
|
||||
### Artikel 14.03
|
||||
|
||||
**1.** De rede strekt zich voor Mannheim uit aan de rechteroever van km 412,50 tot km 417,16 en van km 423,50 tot km 431,80 en voor Ludwigshafen aan de linkeroever van km 419,72 tot km 424,83 en van km 425,50 tot km 431,90.
|
||||
**1.** De rede strekt zich voor Mannheim uit aan de rechteroever van km 412,35 tot km 417,15 en van km 423,50 tot km 431,80 en voor Ludwigshafen aan de linkeroever van km 419,77 tot km 431,90.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2768,21 +2577,25 @@ Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voere
|
|||
|
||||
a. ligplaatsen aan de rechteroever:
|
||||
|
||||
i. voor Mannheim-Rheinau:
|
||||
i. voor Mannheim-Rheinau,
|
||||
|
||||
van km 413,10 tot km 414,25;
|
||||
van km 413,30 tot km 414,25,
|
||||
|
||||
van km 414,56 tot km 414,90;
|
||||
van km 414,56 tot km 414,90 en
|
||||
|
||||
van km 415,50 tot km 416,75;
|
||||
ii. voor Mannheim:
|
||||
ii. voor Mannheim,
|
||||
|
||||
van km 423,50 tot km 424,00;
|
||||
van km 423,50 tot km 424,00,
|
||||
|
||||
van km 425,36 tot km 427,00;
|
||||
van km 424,76 tot km 425,00, uitsluitend voor schepen die aldaar willen laden of lossen,
|
||||
|
||||
van km 428,93 tot km 429,42;
|
||||
b. ligplaats aan de linkeroever voor Ludwigshafen van km 425,50 tot km 426,20.
|
||||
van km 425,00 tot km 427,00,
|
||||
|
||||
van km 428,72 tot km 429,60 en
|
||||
|
||||
van km 429,80 tot km 430,30;
|
||||
b. ligplaats aan de linkeroever voor Ludwigshafen van km 424,83 tot km 426,20.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2790,19 +2603,13 @@ Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid,
|
|||
|
||||
a. ligplaatsen aan de rechteroever:
|
||||
|
||||
van km 413,10 tot km 413,40;
|
||||
van km 413,00 tot km 413,30,
|
||||
|
||||
van km 430,20 tot km 430,70;
|
||||
van km 430,30 tot km 431,10;
|
||||
b. ligplaats aan de linkeroever van km 421,60 tot km 422,00.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren, is gereserveerd:
|
||||
|
||||
ligplaats aan de rechteroever van km 430,75 tot km 431,10.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Voor schepen die bij BASF A.G. willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd:
|
||||
|
||||
ligplaats aan de linkeroever van km 426,20 tot km 431,47.
|
||||
|
|
@ -2841,23 +2648,27 @@ van km 497,48 tot km 497,80.
|
|||
|
||||
Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd de ligplaatsen:
|
||||
|
||||
van km 527,55 tot km 527,97 en van km 528,20 tot km 528,50.
|
||||
van km 524,90 tot km 525,60,
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
van km 527,55 tot km 527,97 en
|
||||
|
||||
Voor alle schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
van km 528,20 tot km 528,50.
|
||||
|
||||
van km 526,50 tot km 526,70, langs de havendam in het vaarwater van Kempten. Twee schepen mogen langszijde van elkaar ligplaats nemen.
|
||||
**3.** Voor de duwvaart, die niet verplicht is een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
van km 526,20 tot km 526,60, langs de havendam in het vaarwater van Kempten.
|
||||
|
||||
Voor alle schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
**4.** Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
|
||||
van km 526,71 tot km 527,30, langs de havendam in het vaarwater van Kempten.
|
||||
van km 526,90 tot km 527,30, langs de havendam in het vaarwater van Kempten.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Voor alle schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
Voor de duwvaart, die verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14 , eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
|
||||
van km 526,70 tot km 526,90, langs de havendam in het vaarwater van Kempten.
|
||||
|
||||
6. Voor schepen, die verplicht zijn de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
|
||||
van km 524,20 tot km 524,70, langs de Ilmenaue.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2935,41 +2746,39 @@ van km 613,80 tot km 614,00.
|
|||
|
||||
### Artikel 14.09
|
||||
|
||||
**1.** De rede strekt zich voor Wesseling uit aan de linkeroever van km 668,90 tot km 672,80 voor Köln-Godorf.
|
||||
**1.** De rede strekt zich voor Wesseling uit aan de linkeroever van km 667,93 tot km 672,30.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14 te voeren en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, zijn gereserveerd de ligplaatsen:
|
||||
Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren en die te Wesseling willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
|
||||
van km 669,65 tot km 670,10,
|
||||
|
||||
van km 670,34 tot km 670,45,
|
||||
|
||||
van km 670,60 tot km 670,75,
|
||||
|
||||
van km 670,85 tot km 671,00.
|
||||
van km 670,33 tot km 671,80.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
Voor de ledige duwvaart, die niet verplicht is een teken bedoeld in artikel 3.14 voeren, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
|
||||
van km. 671,00 tot km 671,35.
|
||||
van km 669,90 tot km 670,20.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
|
||||
van km 671,65 tot km 671,80.
|
||||
van km 669,00 tot km 669,30.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
**5.** De ligplaats van km 667,93 tot km 668,03 is slechts bestemd voor schepen die aan de laadinrichting voor ureum van de Union Kraftstoff willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost.
|
||||
|
||||
Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14 te voeren en voor schepen die verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, zijn gereserveerd de ligplaatsen:
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Aires de stationnement,
|
||||
Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren en die aan de laadbrug van de Union Kraftstoff willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
|
||||
van km 668,80 tot km 669,20,
|
||||
van km 668,45 tot km 668,95.
|
||||
|
||||
van km 672,30 tot km 672,80.
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Voor schepen van de rederij Braunkohle is gereserveerd de ligplaats:
|
||||
|
||||
van km 669,59 tot km 669,90.
|
||||
|
||||
### Artikel 14.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -3040,7 +2849,7 @@ van km 790,58 tot km 791,00.
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Voor schepen die bij de ligplaats «Hochfeld» willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd:
|
||||
Voor schepen die bij de Niederrheinische Hütte A.G. of bij de Duisburger Kupferhütte willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd:
|
||||
|
||||
aan de rechteroever, de ligplaats
|
||||
|
||||
|
|
@ -3126,48 +2935,139 @@ van km 786,20 tot km 786,60.
|
|||
|
||||
### Artikel 14.11
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** De rede strekt zich voor Emmerich uit van km 847,60 tot km 853,13.
|
||||
|
||||
In de overnachtingshavens te Spijk (km 859,80), Lobith (km 863,40), IJzendoorn (km 907,80), Haaften (km 936,00) en Bergambacht (km 976,90), is het zonder toestemming van de bevoegde autoriteit, verboden:
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
a. schepen te laden of te lossen en in Bergambacht bovendien te bunkeren;
|
||||
b. goederen of andere voorwerpen op de oever of op een aanlegsteiger te plaatsen;
|
||||
c. tanks te ontgassen;
|
||||
d. passagiers aan boord te nemen of aan de wal te zetten;
|
||||
e. met drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen in te varen;
|
||||
f. in te varen met schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid te voeren;
|
||||
g. langer dan 3 x 24 uur aaneengesloten ligplaats te nemen op de openbare ligplaatsen;
|
||||
h. na het verlaten van de haven binnen twaalf uren opnieuw ligplaats te nemen in dezelfde overnachtingshaven;
|
||||
i. met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen;
|
||||
j. met samenstellen langer dan 135 m aan de aanlegsteigers, en in Bergambacht aan de aanlegplaatsen, af te meren.
|
||||
Voor de opvaart, en voor de in het vijfde lid van het verbod tot ligplaats nemen uitgezonderde afvaart, zijn gereserveerd:
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, is het in de overnachtingshaven te Spijk toegestaan in te varen met schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid te voeren.
|
||||
a. aan de linkeroever:
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel i, is het in de overnachtingshaven te Spijk toegestaan met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen aan steiger 10.
|
||||
i. ligplaats 1,
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel j, is het in de overnachtingshaven te Spijk toegestaan met samenstellen langer dan 135 m aan steiger 10 af te meren.
|
||||
van km 847,70 tot km 847,90, voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, te voeren;
|
||||
ii. ligplaats 2,
|
||||
|
||||
**5.** De schipper moet zowel het innemen van de ligplaats in de overnachtingshaven als het vertrek daaruit onmiddellijk melden aan de verkeerspost Nijmegen (overnachtingshavens Spijk en Lobith), Tiel (overnachtingshavens IJzendoorn en Haaften) of Dordrecht (overnachtingshaven Bergambacht).
|
||||
van km 848,00 tot km 848,30, voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren;
|
||||
iii. ligplaats 3,
|
||||
|
||||
**6.** De bevoegde autoriteit kan aanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
|
||||
van km 848,60 tot km 850,40, uitsluitend voor samenstellen met inbegrip van die welke verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren;
|
||||
iv. ligplaats 4,
|
||||
|
||||
van km 850,40 tot km 851,60, uitsluitend voor alleenvarende schepen met inbegrip van die welke verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren;
|
||||
v. ligplaats 5,
|
||||
|
||||
van km 851,90 tot km 853,13, uitsluitend voor samenstellen en alleenvarende schepen die van de vereenvoudigde douanebehandeling (groene klaring) gebruik willen maken, voor zover de douanebehandeling niet tijdens de vaart plaatsvindt, met inbegrip van die welke verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren;
|
||||
b. aan de rechteroever:
|
||||
|
||||
aan de steigers tussen km 851,80 en km 852,50, uitsluitend voor alleenvarende schepen, met uitzondering van de schepen genoemd in het vierde lid, onder b.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd artikel 7.07 moeten op de ligplaatsen aan de linkeroever de samenstellen en alleenvarende schepen een zijdelingse afstand van ten minste 6 m ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de oever bewaren.
|
||||
|
||||
**4.** a. Aan de steigers tussen km 851,80 en km 852,50 (tweede lid, onder b) mogen niet meer dan vier schepen langszijde van elkaar ligplaats nemen. Schepen die wel aan de steiger mogen aanleggen, maar aldaar geen plaats vinden, moeten zich naar de ligplaatsen 4 of 5 begeven.
|
||||
b. Aan de steigers mag een schip, dat verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste, tweede of derde lid, te voeren, dan wel uitstekende deklading heeft of leeg is, geen ligplaats nemen.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het is de afvaart verboden op de rede van Emmerich ligplaats te nemen, met uitzondering van schepen die:
|
||||
|
||||
a. te Emmerich willen laden of lossen,
|
||||
b. zijn toegelaten voor het vervoer van passagiers, of
|
||||
c. de haven van Kleef als bestemming hebben.
|
||||
|
||||
### Artikel 14.12
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** De rede strekt zich voor Lobith uit aan de rechteroever van km 857,77 tot km 867,43 tussen de lijn die de koppen der kribben verbindt en het midden van de rivier, met inbegrip van het riviergedeelte bij km 862,70, dat wordt aangeduid als "douanehaven", en de overnachtingshaven bij km 863,40.
|
||||
|
||||
In de vluchthaven te Emmerich (km 851,78) is het zonder toestemming van de bevoegde autoriteit verboden:
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
a. met drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen in te varen;
|
||||
b. in te varen met schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste, tweede of derde lid, te voeren;
|
||||
c. langer dan 3 x 24 uur aaneengesloten ligplaats te nemen;
|
||||
d. na het verlaten van de haven binnen twaalf uren opnieuw ligplaats te nemen in dezelfde haven;
|
||||
e. ligplaats te nemen met een bak die is gescheiden van een samenstel.
|
||||
Voor schepen en samenstellen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:
|
||||
|
||||
**2.** De bevoegde autoriteit kan aanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
|
||||
a. ligplaats aan de steigers,
|
||||
|
||||
van km 861,43 tot km 862,93, uitsluitend voor schepen en samenstellen, die overeenkomstig het zesde lid van deze steigers gebruik maken;
|
||||
b. ligplaats aan de jachtensteiger in de "douanehaven" (bij km 862,70), voor afvarende kleine schepen, die bestemd zijn of gebruikt worden voor de recreatievaart.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**3.** Voor schepen en samenstellen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd: ligplaats 1, van km 864,03 tot km 864,38.
|
||||
|
||||
**4.** De breedte van de in het derde lid genoemde ligplaats strekt zich uit rivierwaarts van de lijn die de koppen der kribben aan de rechteroever verbindt tot op 100 m uit die lijn.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Voor de vaart op de rede zijn de volgende bepaling van toepassing:
|
||||
|
||||
a. Op de rede is opvaart slechts toegestaan voor zover dit noodzakelijk is voor de vaart naar of van een ligplaats, de overnachtingshaven of de los- en laadplaatsen.
|
||||
b. Op de rede is het bunkeren en provianderen van varende schepen en samenstellen slechts toegestaan, indien geen hinder of gevaar voor de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart kan ontstaan.
|
||||
c. Het gaande houden is op de rede slechts toegestaan, indien geen hinder of gevaar voor de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart kan ontstaan.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Aan de steigers zijn de volgende bepalingen van toepassing:
|
||||
|
||||
a. In geval op een steiger door borden is aangegeven dat deze voor bepaalde schepen is gereserveerd (b.v. passagiersschepen, opvaart, afvaart), mogen aan deze steiger geen andere schepen ligplaats nemen.
|
||||
b. Het is verboden ligplaats te nemen aan een buiten gebruik gestelde steiger. De bevoegde autoriteit kan, met toestemming van de eigenaar van de steiger, van deze bepaling ontheffing verlenen.
|
||||
|
||||
Een buiten gebruik gestelde steiger wordt als volgt aangeduid:
|
||||
|
||||
- des nachts: door een gewoon rood licht;
|
||||
- des daags: door een rode vlag.
|
||||
c. Aan de steigers mogen geen ligplaats nemen:
|
||||
|
||||
i. schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14 te voeren;
|
||||
ii. schepen met een grotere lengte dan op de betreffende steiger is aangegeven;
|
||||
iii. schepen met overstekende deklast;
|
||||
iv. schepen die, door hun opbouw of hun lading, het zich naar de steiger begeven van personen of het uitzicht van vertrekkende schepen kunnen bemoeilijken.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen aan de steigers bijzondere regels vaststellen.
|
||||
|
||||
Bovendien kunnen ambtenaren van de bevoegde autoriteit aanwijzingen geven waarbij dit lid wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
In de overnachtingshaven te Lobith (km 863,40) zijn de volgende bepalingen van toepassing:
|
||||
|
||||
a. In de overnachtingshaven is het, zonder toestemming van de bevoegde autoriteit, verboden:
|
||||
|
||||
i. schepen te laden of te lossen;
|
||||
ii. goederen of andere voorwerpen op de oever of op een aanlegsteiger te plaatsen;
|
||||
iii. tanks te ontgassen;
|
||||
iv. passagiers aan boord te nemen of aan de wal te zetten;
|
||||
v. schepen zonder bewaking aan boord te laten stilliggen;
|
||||
vi. met drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen in te varen;
|
||||
vii. in te varen met schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, te voeren;
|
||||
viii. langer dan drie opeenvolgende dagen ligplaats te nemen en daaraan aansluitend binnen twaalf uren wederom ligplaats te nemen;
|
||||
ix. met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen
|
||||
b. De schipper moet zowel het innemen van de ligplaats in de overnachtingshaven als het vertrek daaruit onmiddellijk melden aan de verkeerspost Nijmegen.
|
||||
|
||||
De ambtenaren van de bevoegde autoriteit kunnen aanwijzingen geven waarbij dit lid wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
### Artikel 14.13
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In de overnachtingshavens te IJzendoorn (km 907,80) en Haaften (km 936,00) is het, zonder toestemming van de bevoegde autoriteit, verboden:
|
||||
|
||||
a. schepen te laden of te lossen;
|
||||
b. goederen of andere voorwerpen op de oever of op een aanlegsteiger te plaatsen;
|
||||
c. tanks te ontgassen;
|
||||
d. passagiers aan boord te nemen of aan de wal te zetten;
|
||||
e. schepen zonder bewaking aan boord te laten stilliggen;
|
||||
f. met drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen in te varen;
|
||||
g. in te varen met schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, te voeren;
|
||||
h. langer dan drie opeenvolgende dagen ligplaats te nemen en daaraan aansluitend binnen twaalf uren wederom ligplaats te nemen;
|
||||
i. met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** De schipper moet zowel het innemen van de ligplaats in de overnachtingshaven als het vertrek daaruit onmiddellijk melden aan de verkeerspost Tiel.
|
||||
|
||||
**3.** De ambtenaren van de bevoegde autoriteit kunnen aanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
## Deel III. Milieubepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -3175,29 +3075,78 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 15.01
|
||||
|
||||
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De begripsbepalingen van artikel 1 van het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI) en van de artikelen 5.01 en 8.01 van bijlage 2 zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
|
||||
Algemeen
|
||||
|
||||
a. *afval/afvalwater:* deze worden onderscheiden in scheepsbedrijfsafval en afval van de lading;
|
||||
b. *scheepsbedrijfsafval:* afval en afvalwater, die bij het gebruik en het onderhoud van het schip ontstaan;
|
||||
c. *afval van de lading:* afval en afvalwater, die in verband met de lading aan boord van het schip ontstaan;
|
||||
d. *toegelaten inrichting voor het ontvangen van afval:* een schip als bedoeld in artikel 1.01, onder a, dan wel een inrichting aan land, voorzien van een door de bevoegde autoriteit verleende vergunning voor de ontvangst van scheepsbedrijfsafval en van afval van de lading;
|
||||
e. *eenheidstransport:* transport, waarbij tijdens opeenvolgende reizen in het laadruim of de ladingtank van het schip dezelfde lading of lading, waarvan het laadruim of de ladingtank niet behoeft te worden schoongemaakt, wordt vervoerd.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
**2.** De toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn in het CDNI geregeld.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Scheepsbedrijfsafval
|
||||
|
||||
a. *afgewerkt vet:* gebruikt vet, dat na het vrijkomen uit de naven, lagers en smeerinrichtingen ontstaat, en overigens niet meer bruikbaar vet;
|
||||
b. *afgewerkte olie:* gebruikte en overigens niet meer bruikbare motor-, transmissie- en hydroliekolie;
|
||||
c. *overig olie- of vethoudend afval:* oude filters (gebruikte olie- en luchtfilters), oude lappen (verontreinigde poetslappen en poetskatoen), vaten (lege, verontreinigde blikken), verpakkingsmateriaal;
|
||||
d. *bilgewater:* oliehoudend water uit de bilge van de machinekamer, de voor- en achterpiek, de kofferdammen en de ruimten tussen zijwand en beunwand;
|
||||
e. *huishoudelijk afvalwater:* afvalwater uit de keuken, eet- en wasruimten (douche, wastafel) en bijkeuken evenals uit de toiletten;
|
||||
f. *huisvuil:* huishoudelijk organisch en anorganisch afval (bijv. etensresten, papier, glas en soortgelijk keukenafval), in ieder geval zonder resten van het overig gedefiniëerde scheepsbedrijfsafval;
|
||||
g. *zuiveringsslib:* restanten, die bij gebruik van een waterzuiveringsinstallatie aan boord van het schip ontstaan;
|
||||
h. *van olie gescheiden water:* het water dat uit bilgewater wordt afgescheiden door voorzieningen aan boord van een toegelaten bilgeboot;
|
||||
i. *slops:* een pompbaar of niet pompbaar mengsel bestaande uit lading en waswaterrestanten, roest en slib;
|
||||
j. *overig klein chemisch afval:* scheepsbedrijfsafval, met uitzondering van het onder *a* tot en met *g* en onder *i* bedoelde afval.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Afval van de lading
|
||||
|
||||
a. *restlading:* vloeibare lading, die na het lossen, zonder een efficiënt-stripping systeem als bedoeld in het ADNR, in de ladingtank en in het leidingsysteem achterblijft, evenals droge lading die na het lossen, zonder gebruik van een bezem, veegmachine of een vacuümreiniger, in het laadruim achterblijft. Verpakking en stuwmateriaal behoren tot de lading;
|
||||
b. *ladingrestanten:* vloeibare lading, die niet met behulp van een efficiënt-stripping systeem als bedoeld in het ADNR uit de ladingtank of het leidingsysteem kan worden verwijderd, evenals droge lading die niet met behulp van een veegmachine of een bezem uit het laadruim kan worden verwijderd;
|
||||
c. *overslagresten:* droge en eventueel vloeibare lading, die bij overslag buiten het laadruim op het schip achterblijft (bijv. in het gangboord);
|
||||
d. *ongereinigd laadruim/ladingtank:* een laadruim of ladingtank waarin zich nog restlading bevindt;
|
||||
e. *bezemschoon laadruim:* een laadruim, waaruit de restlading is verwijderd (bijv. door gebruikmaking van een veegmachine of een bezem) en waarin zich nog ladingrestanten bevinden;
|
||||
f. *gestripte ladingtank:* een ladingtank, waaruit de restlading is verwijderd (bijv door een efficiënt-stripping systeem als bedoeld in het ADNR) en waarin nog slechts ladingrestanten aanwezig zijn;
|
||||
g. *vacuümschoon laadruim:* een laadruim, waaruit de restlading door middel van vacuümtechniek is verwijderd en dat beduidend minder ladingrestanten bevat dan een bezemschoon laadruim;
|
||||
h. *schoonmaken:* het verwijderen van restlading uit de laadruimen en ladingtanks met behulp van de daarvoor geschikte middelen (bijv. een bezem, een veegmachine, vacuümtechniek, efficiënt stripping) waardoor de schoonmaakstandaard,
|
||||
|
||||
"bezemschoon laadruim" of
|
||||
|
||||
"vacuümschoon laadruim" of
|
||||
|
||||
"gestripte ladingtank"
|
||||
|
||||
wordt verkregen, evenals
|
||||
|
||||
het verwijderen van overslagrestanten van gedeelten buiten het laadruim;
|
||||
i. *wassen:* het verwijderen van ladingrestanten uit een bezemschoon of vacuümschoon laadruim dan wel uit een gestripte ladingtank door middel van gebruik van stoom of water;
|
||||
j. *gewassen laadruim/ladingtank:* een laadruim of ladingtank, die na reiniging met water geschikt is voor elke soort lading;
|
||||
k. *waswater:* water, dat bij het wassen van een bezemschoon of vacuümschoon laadruim dan wel van een gestripte ladingtank ontstaat. Hieronder wordt eveneens begrepen het ballast- en regenwater dat uit het laadruim of de ladingtank komt.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.02
|
||||
|
||||
De schipper, de overige bemanning en andere personen aan boord moeten de door de omstandigheden vereiste waakzaamheid betonen om verontreiniging van de vaarweg te vermijden, de hoeveelheid afvalstoffen en afvalwater die aan boord ontstaan zo veel mogelijk te beperken en vermenging van verschillende afvalsoorten zo veel mogelijk te voorkomen.
|
||||
De schipper, de overige bemanning en andere personen aan boord moeten de door de omstandigheden vereiste waakzaamheid betonen om verontreiniging van de vaarweg te vermijden en de hoeveelheid afvalstoffen en afvalwater die aan boord ontstaan zo veel mogelijk te beperken.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.03
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden vanaf schepen afgewerkte olie, bilgewater, afgewerkt vet en overige oliehoudende afvalstoffen dan wel slops, huisvuil, zuiveringsslib, overig klein chemisch afval, delen van de lading alsmede afval van de lading te lozen of te water te doen geraken.
|
||||
**1.** Het is verboden vanaf schepen afgewerkte olie, bilgewater, afgewerkt vet en overige oliehoudende afvalstoffen dan wel slops, huisvuil en overig klein chemisch afval te lozen of te water te doen geraken.
|
||||
|
||||
**2.** Uitzonderingen op dit verbod zijn slechts toegelaten overeenkomstig het CDNI.
|
||||
|
||||
**3.** Indien afval of afvalwater als bedoeld in het eerste lid per ongeluk vrijkomt of dreigt vrij te komen, moet de schipper, onverminderd de bepalingen van het CDNI, onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven.
|
||||
**2.** Indien afval of afvalwater als bedoeld in het eerste lid per ongeluk vrijkomt of dreigt vrij te komen, moet de schipper onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.04
|
||||
|
||||
**1.** De schipper moet er voor zorgen dat de in artikel 15.03, eerste lid, genoemde afvalstoffen, met uitzondering van delen van de lading, alsmede afval van de lading, aan boord gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs en het bilgewater in de bilge van de machinekamer wordt verzameld. De verzamelreservoirs moeten aan boord zó opgeslagen worden dat daaruit lekkende stoffen gemakkelijk en tijdig opgemerkt en het lekken gestopt kan worden.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De schipper moet er voor zorgen dat de in artikel 15.03, eerste lid, genoemde afvalstoffen aan boord gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs en het bilgewater in de bilge van de machinekamer wordt verzameld.
|
||||
|
||||
De verzamelreservoirs moeten aan boord zó opgeslagen worden dat daaruit lekkende stoffen gemakkelijk en tijdig opgemerkt en het lekken gestopt kan worden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -3205,96 +3154,31 @@ Het is verboden:
|
|||
|
||||
a. los aan dek staande verzamelreservoirs te gebruiken voor de opslag van afgewerkte olie;
|
||||
b. afvalstoffen aan boord te verbranden;
|
||||
c. reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de machinekamer te doen geraken. Van dit verbod zijn uitgezonderd reinigingsmiddelen die verwerking van het bilgewater door een inrichting voor het ontvangen van afval niet bemoeilijken.
|
||||
c. reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de machinekamer te doen geraken. Van dit verbod zijn uitgezonderd reinigingsmiddelen die verwerking van het bilgewater door een toegelaten inrichting voor het ontvangen van afval niet bemoeilijken.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
### Artikel 15.05
|
||||
|
||||
**1.** Elk gemotoriseerd schip, indien het gasolie gebruikt, moet een geldig olie-afgifteboekje aan boord hebben, dat door de bevoegde autoriteit volgens het model van bijlage 10 wordt verstrekt. Dit afgifteboekje moet aan boord worden bewaard. Na het verkrijgen van een nieuw olie-afgifteboekje moet het voorgaande boekje gedurende tenminste zes maanden na de laatste daarin vermelde datum van afgifte aan boord worden bewaard.
|
||||
**1.** Een schip met een machinekamer als bedoeld in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, met uitzondering van een klein schip, moet een geldig olie-afgifteboekje aan boord hebben, dat door de bevoegde autoriteit volgens het model van bijlage 10 wordt verstrekt. Dit afgifteboekje moet aan boord worden bewaard. Na het verkrijgen van een nieuw olie-afgifteboekje moet het voorgaande boekje gedurende tenminste zes maanden na de laatste daarin vermelde datum van afgifte aan boord worden bewaard.
|
||||
|
||||
**2.** Olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval, slops en overig klein chemisch afval moeten met regelmatige, van de staat en van het gebruik van het schip afhankelijke, tussenpozen bij de door de bevoegde autoriteiten toegelaten inrichtingen voor het ontvangen van afval tegen ontvangstbewijs worden afgegeven. Het bewijs bestaat uit een aantekening door de ontvangstinrichting in het olie-afgifteboekje.
|
||||
**2.** De in artikel 15.03, eerste lid, genoemde afvalstoffen, met uitzondering van huisvuil, moeten met regelmatige, van de staat en van het gebruik van het schip afhankelijke, tussenpozen tegen ontvangstbewijs worden afgegeven bij de door de bevoegde autoriteit toegelaten inrichting voor het ontvangen van afval. Het bewijs bestaat uit een aantekening door bedoelde inrichting in het olie-afgifteboekje.
|
||||
|
||||
**3.** Een schip dat op grond van voorschriften die gelden buiten de Rijn andere bescheiden over de afgifte van afvalstoffen aan boord heeft, moet in deze andere bescheiden een bewijs van de afgifte van afvalstoffen buiten de Rijn kunnen leveren. Als een dergelijk bewijs geldt ook het oliejournaal op basis van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen (MARPOL-verdrag).
|
||||
|
||||
**4.** Huisvuil en zuiveringsslib moeten bij de daarvoor bestemde inzamelplaatsen worden afgegeven.
|
||||
**4.** Huisvuil moet bij de daarvoor bestemde inzamelplaatsen worden afgegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.06
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De schipper moet bij het bunkeren van brandstof en smeerstoffen ervoor zorgen dat:
|
||||
|
||||
a. de hoeveelheid die wordt gebunkerd binnen de afleesbare standen van de peilinrichting blijft;
|
||||
b. ingeval van afzonderlijk vullen van de tanks de afsluiters in de verbindingsleidingen tussen tanks gesloten zijn;
|
||||
c. het bunkeren onder toezicht geschiedt; en,
|
||||
d. een inrichting overeenkomstig artikel 8.05, tiende lid, van ES-TRIN wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De schipper moet er voorts voor zorgen, dat de personen van het bunkerstation en van het schip die voor het bunkeren verantwoordelijk zijn, voordat zij met het bunkeren beginnen, de volgende punten zijn overeengekomen:
|
||||
|
||||
a. het verzekerd zijn van het goede functioneren van het systeem, bedoeld in artikel 8.05, elfde lid van ES-TRIN alsmede het aanwezig zijn van een spreekverbinding tussen het schip en het bunkerstation;
|
||||
b. de te bunkeren hoeveelheid per tank en de vulsnelheid, vooral met het oog op mogelijke problemen met het ontluchten van de tank;
|
||||
c. de volgorde waarin de tanks worden gevuld;
|
||||
d. de snelheid van het schip, wanneer varend wordt gebunkerd.
|
||||
|
||||
**3.** De schipper van een bunkerboot mag met het bunkeren pas beginnen wanneer de overeenstemming over de punten bedoeld in het tweede lid is vastgesteld.
|
||||
(niet overgenomen)
|
||||
|
||||
### Artikel 15.07
|
||||
|
||||
**1.** De bepalingen van artikel 15.06, eerste lid, onderdeel a en b, en het tweede lid, onderdeel a en e, zijn niet van toepassing bij het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG).
|
||||
|
||||
**2.** Het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) tijdens het varen, de overslag en het aan of van boord gaan van passagiers is niet toegestaan.
|
||||
|
||||
**3.** Het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) mag uitsluitend plaatsvinden op een door de bevoegde autoriteit daarvoor aangewezen plaats.
|
||||
|
||||
**4.** In de bunkerzone mogen uitsluitend aanwezig zijn: bemanningsleden van het schip dat moet bunkeren, medewerkers van het bunkerstation, of personen die daarvoor toestemming hebben gekregen van de bevoegde autoriteit.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Alvorens met het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) te beginnen, dient de schipper van het schip dat moet bunkeren zich ervan te vergewissen dat:
|
||||
|
||||
a. het schip dat moet bunkeren zodanig ligt afgemeerd dat de kabels, en met name de elektrische kabels en de aardverbindingen, alsook de slangen, niet door trek vervormd kunnen worden, en dat de schepen bij gevaar snel losgemaakt kunnen worden;
|
||||
b. de schipper of een door hem/haar met de verantwoording belaste persoon, en de verantwoordelijke medewerker van het bunkerstation, een controlelijst voor het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) voor schepen die het kenteken dragen, bedoeld in artikel 2.06, overeenkomstig de door de CCR vastgelegde standaard, hebben ingevuld en ondertekend, en dat alle vragen van deze lijst met «ja» zijn beantwoord. Niet-relevante vragen kunnen geschrapt worden. Indien niet alle vragen positief kunnen worden beantwoord, is bunkeren slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit toegestaan;
|
||||
c. alle vereiste toestemmingen zijn verkregen.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De controlelijst als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b) moet:
|
||||
|
||||
a. in tweevoud worden ingevuld,
|
||||
b. beschikbaar zijn in ten minste één taal die begrijpelijk is voor de personen bedoeld in het voornoemde vijfde lid, onderdeel b, en
|
||||
c. drie maanden aan boord van het schip worden bewaard.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) dient de schipper zich er voortdurend van te vergewissen dat:
|
||||
|
||||
a. alle maatregelen ter vermijding van lekkage van vloeibaar aardgas (LNG) zijn genomen;
|
||||
b. druk en temperatuur van de brandstoftank vloeibaar aardgas (LNG) in normale bedrijfsomstandigheden blijven;
|
||||
c. de vulstand van de brandstoftank vloeibaar aardgas tussen de toegestane niveaus blijft;
|
||||
d. maatregelen betreffende de aarding tussen het schip dat moet bunkeren en het bunkerstation overeenkomstig de in de gebruiksaanwijzing voorziene methode, zijn getroffen.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG),
|
||||
|
||||
a. moet het schip dat moet bunkeren, ter aanvulling van het kenteken voorzien in artikel 2.06, een voor andere schepen goed zichtbaar bord voeren, dat aangeeft dat geen ligplaats genomen mag worden op een afstand van minder dan 10 meter, conform artikel 3.33. De lengte van de zijde van het vierkante bord moet ten minste 60 cm bedragen;
|
||||
b. moet het schip dat moet bunkeren, ter aanvulling van het kenteken voorzien in artikel 2.06, op een plaats die voor andere schepen goed zichtbaar is, het bord A.9 voeren, dat aangeeft dat het verboden is hinderlijke waterbeweging te veroorzaken (bijlage 7). De afmeting van de langste zijde moet ten minste 60 centimeter bedragen;
|
||||
c. ‘s nachts moeten deze borden zodanig zijn verlicht, dat ze aan beide zijden van het schip duidelijk zichtbaar zijn.
|
||||
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
Na het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) is het volgende vereist:
|
||||
|
||||
a. volledige lediging van de leidingen voor het bunkeren van vloeibaar aardgas tot aan de brandstoftank van het vloeibaar aardgas (LNG);
|
||||
b. sluiten van de afsluiters, ontkoppelen van de slangen en verbindingen tussen het schip en het bunkerstation voor vloeibaar aardgas (LNG);
|
||||
c. mededeling aan de bevoegde autoriteit dat het bunkeren beëindigd is.
|
||||
(niet overgenomen)
|
||||
|
||||
### Artikel 15.08
|
||||
|
||||
**1.** Bij het nalossen alsmede bij de afgifte en inname van afval van de lading, dient de schipper de bepalingen van deel B van de Uitvoeringsregeling van het CDNI na te komen.
|
||||
|
||||
**2.** Ieder schip dat op de Rijn is gelost, moet voor elk lossen een geldige losverklaring aan boord hebben overeenkomstig het in Aanhangsel IV van Bijlage 2 van het CDNI opgenomen model. Behoudens de in het CDNI vermelde uitzonderingen, dient de verklaring ten minste zes maanden na afgifte aan boord te worden bewaard.
|
||||
Van het verbod in artikel 15.03, eerste lid, is uitgezonderd het lozen in de vaarweg door toegelaten bilgeboten van van olie gescheiden water, indien de maximaal aanwezige olieresten in het afgescheiden water constant en zonder voorafgaande verdunning voldoen aan de nationale voorschriften.
|
||||
|
||||
### Artikel 15.09
|
||||
|
||||
|
|
@ -3340,6 +3224,8 @@ Een reeks klokslagen moet ongeveer vier seconden duren. In plaats daarvan kunnen
|
|||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
## Bijlage 7. Verkeerstekens van de vaarweg
|
||||
|
||||
*Opmerking vooraf:*
|
||||
|
|
@ -3352,39 +3238,30 @@ Een reeks klokslagen moet ongeveer vier seconden duren. In plaats daarvan kunnen
|
|||
|
||||
## Bijlage 9
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
(vervallen)
|
||||
|
||||
## Bijlage 10. Modele de carnet de controle des huiles usees
|
||||
## Bijlage 10. Model van het olie-afgifteboekje
|
||||
|
||||
**MODELE DE CARNET DE CONTROLE DES HUILES USEES**
|
||||
**(Article 15.05 RPNR ; annexe 2, appendice I CDNI1)**
|
||||
( Artikel 15.05)
|
||||
|
||||
**MUSTER FÜR DAS ÖLKONTROLLBUCH**
|
||||
**(§ 15.05 RheinSchPV; Anlage 2, Anhang I CDNI1)**
|
||||
**CARNET DE CONTRÔLE DES HUILES USÉES**
|
||||
****
|
||||
|
||||
**MODEL VOOR HET OLIE-AFGIFTEBOEKJE**
|
||||
**(Artikel 15.05 RPR; bijlage 2, aanhangsel I CDNI1)**
|
||||
|
||||
**CARNET DE CONTROLE DES HUILES USEES**
|
||||
|
||||
**ÖLKONTROLLBUCH**
|
||||
**ÖlKONTROLLBUCH**
|
||||
****
|
||||
|
||||
**OLIE-AFGIFTEBOEKJE**
|
||||
****
|
||||
|
||||
1 Convention relative à la collecte, au dépôt et à la réception des déchets survenant en navigation rhénane et intérieure (CDNI)
|
||||
|
||||
Übereinkommen über die Sammlung, Abgabe und Annahme von Abfällen in der Rhein- und Binnenschifffahrt (CDNI)
|
||||
|
||||
Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI)
|
||||
|
||||
*Page/Seite/Bladzijde 1*
|
||||
Page/Seite/Blz. 1
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
*Page/Seite/Bladzijde 2*
|
||||
Page/Seite/Blz. 2
|
||||
|
||||
Page/Seite/Blz. 3
|
||||
|
||||
|
||||
*Page 3 et suivantes/Seite 3 und folgende/Bladzijde 3 en volgende*
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
|
@ -3392,16 +3269,16 @@ Cachet et signature de la station de réception
|
|||
|
||||
Stempel und Unterschrift der Annahmestelle
|
||||
|
||||
Ondertekening en stempel van de ontvangstinrichting
|
||||
Handtekening en stempel van de ontvangstinrichting
|
||||
|
||||
^1 Quantités estimées/Mengen geschätzt/Hoeveelheden geschat
|
||||
|
||||
^2 Toutes les stations de réception ne sont pas obligées ou autorisées de recevoir ces déchets/Nicht alle Annahmestellen sind verplichtet oder berechtigt, diese Abfälle abzunehmen/Niet alle ontvangstinrichtingen zijn verplicht of gerechtigd dit afval in te nemen.
|
||||
|
||||
## Bijlage 11
|
||||
|
||||
## Bijlage 12. als bedoeld in
|
||||
(vervallen)
|
||||
|
||||
## Bijlage 13. Lijst van scheepsbescheiden en andere documenten die overeenkomstig
|
||||
## Bijlage 12
|
||||
|
||||
In de kolom «Rechtsgrondslag» in de volgende tabel wordt naar de volgende voorschriften, overeenkomsten en administratieve overeenkomst verwezen:
|
||||
|
||||
In de voorlaatste kolom van de navolgende tabel staat of het toegestaan is dat de scheepsbescheiden en andere documenten aan boord in elektronisch formaat overgelegd mogen worden of niet.
|
||||
|
||||
In de laatste kolom, «elektronisch formaat» van de navolgende tabel staat in welk elektronisch formaat de scheepsbescheiden en andere documenten overgelegd mogen worden. Het elektronische formaat PDF in de navolgende tabel komt overeen met het PDF-formaat dat is vastgelegd in de internationale norm ISO 32000-1: 2008. Het elektronische PDF/A-formaat in het onderstaande overzicht komt overeen met het formaat dat is gedefinieerd in de internationale norm ISO 190051: 2005.
|
||||
(vervallen)
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue