2020-10-01 | BWBR0013131 | Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak

This commit is contained in:
Coornhert 2020-10-01 12:00:00 +00:00
parent ec1dab3a1c
commit affb9a6433

View file

@ -28,9 +28,9 @@ citeertitel: Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechts
### Artikel 2
**1.** Voor de toepasselijkheid van het krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde, uitgezonderd de artikelen 5 en 6g van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren onderscheidenlijk de artikelen 5, 6, 6g en 8e van datzelfde besluit, wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd tot voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak gedurende zijn benoemingsduur als rechterlijk lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak onder «salaris» respectievelijk «bezoldiging» verstaan: het salaris dat hij overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie onderscheidenlijk artikel 86, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie ontvangt, respectievelijk het salaris in laatstvermelde zin, vermeerderd met de toelagen die bij of krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn aangewezen als tot de bezoldiging behorende toelagen waarop hij aanspraak heeft. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd tot voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak wordt in artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren in plaats van «op grond van artikel 6, 8d of 8e» gelezen: op grond van artikel 8d.
**1.** Voor de toepasselijkheid van het krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde, uitgezonderd artikel 5 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren onderscheidenlijk de artikelen 5, 6 en 8e van datzelfde besluit, wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd tot voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak gedurende zijn benoemingsduur als rechterlijk lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak onder «salaris» respectievelijk «bezoldiging» verstaan: het salaris dat hij overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie onderscheidenlijk artikel 86, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie ontvangt, respectievelijk het salaris in laatstvermelde zin, vermeerderd met de toelagen die bij of krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn aangewezen als tot de bezoldiging behorende toelagen waarop hij aanspraak heeft. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd tot voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak wordt in artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren in plaats van «op grond van artikel 6, 8d of 8e» gelezen: op grond van artikel 8d.
**2.** Voor de toepasselijkheid van het bij en krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde, uitgezonderd de artikelen 7, 13, 14, 15 en 17, eerste en zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en de artikelen 5, 6, 6g en 8e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die na het verstrijken van een benoeming als voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur een toelage als bedoeld in artikel 16, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie ontvangt, onder «salaris» en «bezoldiging» mede die toelage verstaan, met dien verstande dat in artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren in plaats van «op grond van artikel 6, 8d of 8e» wordt gelezen: op grond van artikel 8d.
**2.** Voor de toepasselijkheid van het bij en krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde, uitgezonderd de artikelen 7, 13, 14, 15 en 17, eerste en zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en de artikelen 5, 6 en 8e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die na het verstrijken van een benoeming als voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur een toelage als bedoeld in artikel 16, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie ontvangt, onder «salaris» en «bezoldiging» mede die toelage verstaan, met dien verstande dat in artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren in plaats van «op grond van artikel 6, 8d of 8e» wordt gelezen: op grond van artikel 8d.
### Artikel 3