2017-12-23 | BWBR0040407 | Besluit experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie

This commit is contained in:
Coornhert 2017-12-23 12:00:00 +00:00
parent 48f80ab5a2
commit b035dd3f0a

View file

@ -0,0 +1,250 @@
---
titel: Besluit experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie
bwb_id: BWBR0040407
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2017-12-23'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0040407
citeertitel: Besluit experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie
---
# Besluit experiment instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie
## Hoofdstuk 1. Algemeen
### Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- *deelnemende instelling:* instelling voor hoger onderwijs die op grond van artikel 10 is geselecteerd voor deelname aan het experiment;
- *instelling voor hoger onderwijs:* instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
- *instellingsaccreditatie:* instellingsaccreditatie, verleend op grond van artikel 11;
- *instellingsbestuur:* instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
- *instellingstoets kwaliteitszorg:* instellingstoets kwaliteitszorg als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
- *kwaliteitsaspecten I:*
a. voor zover het een deelnemende instelling betreft waaraan een instellingstoets kwaliteitszorg is verleend de aspecten van kwaliteit, genoemd in artikel 5a.13f, eerste lid, onder a en c, van de wet;
b. voor zover het een deelnemende instelling betreft waaraan geen instellingstoets kwaliteitszorg is verleend de aspecten van kwaliteit, genoemd in artikel 5a.8, tweede lid, onder a en c, van de wet;
- *kwaliteitsaspecten II:*
a. voor zover het een deelnemende instelling betreft waaraan een instellingstoets kwaliteitszorg is verleend de aspecten van kwaliteit, genoemd in artikel 5a.13f, eerste lid, onder b en d, van de wet;
b. voor zover het een deelnemende instelling betreft waaraan geen instellingstoets kwaliteitszorg is verleend de aspecten van kwaliteit, genoemd in artikel 5a.8, tweede lid, onder b, d, e, f en g, van de wet;
- *medezeggenschapsraad:* gezamenlijke vergadering als bedoeld in artikel 9.30a, 10.16b, of 11.13 van de wet, universiteitsraad als bedoeld in artikel 9.31 of 11.13 van de wet, of medezeggenschapsraad als bedoeld in artikel 10.17 van de wet;
- *NVAO:* accreditatieorgaan als bedoeld in artikel 5a.2, eerste lid, van de wet;
- *Onze Minister:* Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- *wet:*
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
## Hoofdstuk 2. Doel, duur en inhoud van het experiment
### Paragraaf 2.1. Doel en duur van het experiment
### Artikel 2
Het doel van het experiment is te onderzoeken of de introductie van instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie voor de deelnemende instellingen voor hoger onderwijs leidt tot:
a. het versterken van de kwaliteitscultuur binnen de instelling voor hoger onderwijs;
b. meer eigenaarschap voor studenten en docenten;
c. een doelmatiger accreditatiestelsel, met minder ervaren lasten, minder administratieve lasten en hogere baten.
### Artikel 3
Onverminderd artikel 10, vijfde lid, vangt het experiment aan op 1 september 2018 en eindigt op 30 september 2024.
### Paragraaf 2.2. Afwijkingen van de
### Artikel 4
In afwijking van artikel 5a.2, tweede lid, van de wet, is artikel 13 van toepassing.
### Artikel 5
**1.** Het accreditatieorgaan werkt in afwijking van artikel 5a.2a van de wet voor de verlening van de accreditatie in het kader van dit experiment volgens de wijze beschreven in de bijlage bij dit besluit. Voor zover in bijlage 1, behorende bij dit besluit, geen afwijking is beschreven, is het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a van de wet, van toepassing.
**2.** Voor de beoordeling van de kwaliteitsaspecten II wordt in afwijking van artikel 5a.2a van de wet ten minste voldaan aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 2, behorende bij dit besluit.
### Artikel 6
Indien aan een instellingsbestuur instellingsaccreditatie is verleend worden de opleidingen aan die instelling, in afwijking van de artikelen 5a.8 tot en met 5a.10 of 5a.13f van de wet, bij accreditatie beoordeeld op grond van paragraaf 2.5.
### Artikel 7
In afwijking van de artikelen 9.30a, tweede lid, 9.33, eerste lid, 10.16b, tweede lid, 10.20, eerste lid, respectievelijk 11.13, eerste lid, van de wet, zijn op de deelname aan het experiment de artikelen 9, eerste lid, onder a, en 12, tweede lid, van toepassing.
### Paragraaf 2.3. Aanvraag en selectie deelname aan het experiment
### Artikel 8
**1.** Een aanvraag tot deelname aan het experiment wordt uiterlijk 8 weken na de datum van inwerkingtreding van dit besluit door het instellingsbestuur ingediend bij Onze Minister.
**2.** Een aanvraag die na deze datum wordt ingediend, kan uitsluitend door Onze Minister worden gehonoreerd indien minder dan zes instellingen voor hoger onderwijs zijn toegelaten tot deelname aan het experiment en indien niet meer dan een jaar is verstreken na 1 september 2018. Volledige aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst.
### Artikel 9
**1.**
Onze Minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur goedkeuren dat een instelling voor hoger onderwijs deelneemt aan het experiment, indien:
a. het instellingsbestuur:
1°. van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs, instemming van de medezeggenschapsraad heeft verkregen voor deelname aan het experiment, of
2°. van een niet-bekostigde instelling voor hoger onderwijs, voldoende draagvlak voor het experiment onder studenten en docenten aantoont;
b. de opleidingen waarmee het instellingsbestuur wenst deel te nemen aan het experiment zijn geaccrediteerd;
c. het instellingsbestuur beschrijft op welke wijze de met dit besluit geboden innovatieruimte ten aanzien van de kwaliteitsaspecten II wordt benut; en
d. voor zover aan een opleiding van het instellingsbestuur in de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag tot deelname aan het experiment een herstelperiode als bedoeld artikel 5a.12a, eerste lid, van de wet is verleend en na afloop van die herstelperiode in alle gevallen opnieuw accreditatie is verleend, of de aanvraag tot het verlenen van accreditatie is ingetrokken.
**2.** Een instelling voor hoger onderwijs waaraan geen instellingstoets kwaliteitszorg is verleend, kan slechts deelnemen aan het experiment, indien de instelling voor hoger onderwijs in de periode van zes jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag tot deelname aan het experiment voor alle opleidingen aan die instelling het oordeel goed of excellent, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, onder d, van de wet, heeft verkregen voor het bedoelde in artikel 5a.8, tweede lid, onder g, van de wet.
**3.** Een instelling voor hoger onderwijs waaraan een instellingstoets kwaliteitszorg is verleend, kan slechts deelnemen aan het experiment indien aan die instellingstoets kwaliteitszorg geen voorwaarden zijn gesteld als bedoeld in artikel 5a.13e, vierde lid, van de wet.
### Artikel 10
**1.** Onze Minister vraagt advies aan de NVAO alvorens op de aanvraag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, te beslissen.
**2.** De NVAO toetst of aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 9, is voldaan. Ten aanzien van de voorwaarde, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, wordt uitsluitend getoetst of de beschrijving aanwezig is.
**3.** Aan het experiment nemen ten hoogste zes instellingen voor hoger onderwijs deel.
**4.** Indien meer dan zes aanvragen tot deelname aan het experiment kunnen worden goedgekeurd, weegt de NVAO de diversiteit van instellingen voor hoger onderwijs mee in het advies en indien nodig de resterende looptijd van de verleende instellingstoets kwaliteitszorg.
**5.** Onze Minister kan besluiten af te zien van de aanvang van het experiment indien er onvoldoende aanvragen zijn ingediend of de aanvragen zijn onvoldoende divers om de doeltreffendheid en de effecten van het experiment te meten.
### Paragraaf 2.4. Verlening instellingsaccreditatie
### Artikel 11
**1.** Aan een instelling voor hoger onderwijs die is toegelaten tot deelname aan het experiment wordt van rechtswege een instellingsaccreditatie verleend.
**2.** De instellingsaccreditatie vervalt met ingang van 1 oktober 2024. De instellingsaccreditatie blijft van toepassing voor een aanvraag tot verlening van accreditatie die bij de NVAO is ingediend indien de visitaties zijn gestart op een tijdstip voor de vervaldatum, genoemd in de eerste volzin.
**3.** Artikel 5a.9, negende lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing op de verlening van accreditatie op grond van paragraaf 2.5.
### Paragraaf 2.5. Lichtere opleidingsaccreditatie
### Artikel 12
**1.** Het instellingsbestuur deelt binnen een redelijke termijn na het verkrijgen van instellingsaccreditatie aan de NVAO mede met welke opleidingen zij deelneemt aan het experiment.
**2.**
Het instellingsbestuur besluit niet tot wijziging van de aan de NVAO gemelde opleidingen, voordat het instellingsbestuur:
a. van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs, instemming van de medezeggenschapsraad heeft verkregen voor de wijziging, of
b. van een niet-bekostigde instelling voor hoger onderwijs, voldoende draagvlak onder studenten en docenten heeft aangetoond voor de wijziging.
**3.** Een wijziging van de deelnemende opleidingen wordt onverwijld medegedeeld aan de NVAO.
### Artikel 13
**1.** Het instellingsbestuur van een deelnemende instelling kan een commissie van deskundigen samenstellen ter beoordeling van een opleiding op de kwaliteitsaspecten II.
**2.** Het instellingsbestuur kan besluiten de commissie, bedoeld in het eerste lid, ook de kwaliteitsaspecten I te laten beoordelen. In dat geval is artikel 5a.2, tweede lid, tweede volzin, van de wet van toepassing op die beoordeling en is in afwijking van artikel 5bijlage 1, onder 1 en 2, niet van toepassing.
**3.** Het instellingsbestuur kan besluiten de opleidingen waarmee de instelling deelneemt aan dit experiment, in afwijking van artikel 5a.2, lid 3a, niet door de NVAO in te laten delen in visitatiegroepen. Indien het instellingsbestuur dat besluit, geeft de deelnemende instelling op andere wijze vorm aan de beoordeling van de vergelijkbaarheid van de opleidingen voor de kwaliteitsaspecten I.
### Artikel 14
**1.** Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie voor een opleiding van een deelnemende instelling worden uitsluitend de kwaliteitsaspecten I door de NVAO beoordeeld.
**2.** De kwaliteitsaspecten II worden op een door de deelnemende instelling te bepalen wijze beoordeeld, daarbij is het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a van de wet, niet van toepassing op de opleidingsbeoordeling, met uitzondering van het bepaalde in bijlage 1, behorende bij dit besluit.
**3.** De kwaliteitsaspecten II worden niet door de NVAO beoordeeld.
**4.** De opleidingen worden ten minste eens in de zes jaar op een door de deelnemende instelling te bepalen moment beoordeeld op de kwaliteitsaspecten II. De beoordeling vindt ten minste een maal plaats gedurende de experimenteerperiode, bedoeld in artikel 3, en vindt niet later plaats dan twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van het laatste besluit tot verlening van accreditatie of wanneer de verleende accreditatie is verlengd niet later dan ten hoogste drie jaar na afloop van de geldigheidsduur van het laatste besluit tot verlening van accreditatie.
### Artikel 15
Indien een instellingsbestuur met een gereglementeerde opleiding als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of een opleiding die opleidt tot een gereglementeerd beroep als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties deelneemt aan het experiment, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat bij de beoordeling van de opleiding de conformiteit met de wettelijke beroepsvereisten wordt beoordeeld.
### Artikel 16
**1.** De aanbevelingen uit het rapport van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, worden binnen zeven dagen na vaststelling van dat rapport bekendgemaakt binnen de onderwijsgemeenschap.
**2.** Het rapport wordt binnen redelijke termijn na de vaststelling, respectievelijk na de beoordeling van de kwaliteitsaspecten I door de NVAO, op een algemeen toegankelijke wijze bekend gemaakt.
### Artikel 17
Accreditatie van opleidingen wordt verleend overeenkomstig artikel 5a.9 van de wet.
### Artikel 18
De deelnemende instelling voldoet aan de volgende verplichtingen:
a. het ten behoeve van de evaluatie leveren van de daartoe benodigde gegevens aan Onze Minister of aan de onafhankelijke deskundige bedoeld in artikel 24, derde lid.
b. het desgevraagd aan Onze Minister verstrekken van nadere informatie over de deelname aan het experiment;
c. het verlenen van medewerking aan de monitoring van het experiment, waaronder deelname aan de studiedag die wordt georganiseerd drie jaar na de aanvang van de experimenteerperiode.
### Paragraaf 2.6. Beëindiging deelname aan het experiment
### Artikel 19
**1.** Indien een opleiding van een deelnemende instelling als onvoldoende wordt beoordeeld op het kwaliteitsaspect, bedoeld in artikel 5a.13f, eerste lid, onder c, onderscheidenlijk artikel 5a.8, tweede lid, onder c, van de wet, is paragraaf 2.5 niet langer van toepassing op deze opleiding.
**2.** De opleiding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de NVAO beoordeeld op de kwaliteitsaspecten II.
**3.** De beoordeling, bedoeld in het tweede lid vindt plaats binnen een redelijke termijn en voor deze beoordeling is een indeling in een visitatiegroep, in afwijking van artikel 5a.2, lid 3a, van de wet, niet verplicht.
**4.** Na de herstelperiode, bedoeld in artikel 5a.12a van de wet, wordt de opleiding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend door de NVAO herbeoordeeld op de aspecten van kwaliteit die als onvoldoende zijn beoordeeld.
### Artikel 20
Onze Minister kan de instellingsaccreditatie, na advies van de Inspectie van het onderwijs, intrekken in het belang van de kwaliteit van het onderwijs.
### Artikel 21
Een aanvraag tot het intrekken van instellingsaccreditatie, bedoeld in artikel 20, kan worden ingediend bij Onze Minister door:
a. de medezeggenschapsraad van een bekostigde deelnemende instelling nadat de geschillencommissie, bedoeld in artikel 9.39, eerste lid, artikel 10.26, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 11.16, eerste lid, van de wet, uitspraak heeft gedaan over een geschil met betrekking tot het experiment; of
b. een representatieve vertegenwoordiging van de onderwijsgemeenschap van een niet-bekostigde deelnemende instelling.
### Artikel 22
De instellingsaccreditatie wordt door Onze Minister ingetrokken indien aan een deelnemende instelling gedurende de experimenteerperiode, bedoeld in artikel 3, niet opnieuw een instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend of aan de verlening van een instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden als bedoeld in artikel 5a.13e, zesde lid, van de wet zijn gesteld.
### Artikel 23
**1.** Een aanvraag tot verlening van accreditatie die bij de NVAO is ingediend wordt beoordeeld op grond van dit besluit indien de visitaties zijn gestart op een tijdstip voordat de instellingsaccreditatie op grond van artikel 20, 21 of 22 wordt ingetrokken.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister in het belang van de kwaliteit van het onderwijs besluiten dat de opleidingsaccreditatie niet langer op grond van dit besluit wordt beoordeeld.
## Hoofdstuk 3. Evaluatie
### Artikel 24
**1.** Onze Minister evalueert uiterlijk in 2022 het experiment.
**2.** Bij de evaluatie wordt in ieder geval onderzocht of de wijze waarop instellingsaccreditatie is vormgegeven doelmatig is, mede in relatie tot de administratieve lasten die het gevolg zijn van de deelname aan het experiment.
**3.** Onze Minister kan zich in het kader van de evaluatie laten bijstaan door een van Onze Minister onafhankelijke deskundige.
**4.** Onze Minister betrekt de Inspectie van het onderwijs en de NVAO bij de evaluatie van het experiment.
### Artikel 25
Onze Minister evalueert het experiment in ieder geval op basis van de volgende aspecten:
a. de kwaliteitscultuur binnen de deelnemende instelling, waarbij in ieder geval wordt onderzocht op welke wijze;
1°. de geboden experimenteerruimte ten aanzien van de invulling van de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het interne kwaliteitszorgsysteem en op het accreditatieproces;
2°. de geboden experimenteerruimte om verschillende panels in te richten voor de kwaliteitsaspecten I en de kwaliteitsaspecten II van invloed is geweest op het accreditatieproces;
3°. de deelnemende instellingen uitwerking hebben gegeven aan onderlinge vergelijkbaarheid van de kwaliteitsaspecten I;
4°. de deelnemende instellingen vorm hebben geven aan openbaarmaking van het rapport, bedoeld in artikel 16;
5°. door de deelnemende instellingen uitwerking is gegeven aan de overige ruimte die het experiment biedt om het accreditatieproces in te richten;
b. het eigenaarschap van studenten en docenten, waarbij in ieder geval wordt onderzocht op welke wijze de geboden experimenteerruimte van invloed is geweest op de rol en het vertrouwen van studenten en docenten in het accreditatieproces;
c. de doelmatigheid van instellingsaccreditatie met lichtere opleidingsaccreditatie, waarbij in ieder geval wordt onderzocht welk effect de instellingsaccreditatie heeft op;
1°. de administratieve lasten in het accreditatieproces;
2°. de lasten en de ervaren lasten van studenten en docenten in het accreditatieproces;
3°. de baten van het accreditatieproces.
## Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
### Artikel 26
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 oktober 2024, met dien verstande dat dit besluit van toepassing blijft op een op grond van dit besluit verleende accreditatie.
## Bijlage 1. , behorende bij
In afwijking van en in aanvulling op het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a van de wet, geldt voor de verlening van accreditatie in het kader van dit experiment de volgende werkwijze.
## Bijlage 2. behorende bij