diff --git a/wet/wet-op-de-ruimtelijke-ordening/BWBR0002375/README.md b/wet/wet-op-de-ruimtelijke-ordening/BWBR0002375/README.md index fe9bdfa8e41..97b2ef1dab9 100644 --- a/wet/wet-op-de-ruimtelijke-ordening/BWBR0002375/README.md +++ b/wet/wet-op-de-ruimtelijke-ordening/BWBR0002375/README.md @@ -45,33 +45,37 @@ b. een wetgevingsprogramma gericht op harmonisatie en coördinatie van ruimtelij **1.** De Ministerraad stelt voor bepaalde aspecten van het nationale ruimtelijke beleid plannen vast. Deze plannen kunnen bestaan uit structuurschetsen, structuurschema’s of nota's, die van belang zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid, zoals nader bepaald bij algemene maatregel van bestuur. Indien een onderdeel van een zodanig plan een concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de vaststelling van andere plannen op grond van deze wet in acht genomen. De in het eerste volzin bedoelde plannen worden voorbereid door Onze Ministers, wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen. Van het voornemen een plan voor te bereiden doen Onze Ministers mededeling aan de Staten-Generaal. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister aan de VROM-raad, ingesteld bij de Wet op de VROM-raad. In het plan wordt vermeld voor welke tijdsduur het geldt. -**2.** Met betrekking tot de voorbereiding van het plan is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat het ontwerp gedurende ten hoogste twaalf weken ter inzage ligt en gedurende die periode desgevraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren kan worden ingezien. Op verzoek wordt binnen die termijn een kosteloze mondelinge toelichting verstrekt. Een ieder kan gedurende de termijn van terinzageligging schriftelijk zijn zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar maken aan de eerstverantwoordelijke van Onze Ministers als bedoeld in het eerste lid. +**2.** -**3.** Over het ontwerp plegen Onze in het eerste lid bedoelde Ministers overleg met de besturen van provincies, gemeenten en waterschappen alsmede met die van de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde openbare lichamen, voor zover deze daarvoor in aanmerking komen. Bedoeld overleg vindt plaats tot uiterlijk twaalf weken na de termijn van terinzageligging bedoeld in het tweede lid. +Op de voorbereiding van het plan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: -**4.** Onze in het eerste lid bedoelde Ministers kunnen de VROM-raad verzoeken advies uit te brengen over het ontwerp. De raad brengt zijn advies uit binnen een door Onze bedoelde Ministers te bepalen termijn, die ten hoogste twaalf weken na de in het tweede lid bedoelde terinzageligging beloopt. +a. daaraan toepassing wordt gegeven door de eerstverantwoordelijke van Onze Ministers als bedoeld in het eerste lid; +b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; +c. de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen twaalf weken bedraagt. -**5.** Onze in het eerste lid bedoelde Ministers zenden het ontwerp gelijktijdig met de in het tweede lid bedoelde terinzagelegging aan de Staten-Generaal. +**3.** Onze in het eerste lid bedoelde Ministers kunnen de VROM-raad verzoeken advies uit te brengen over het ontwerp. De raad brengt zijn advies uit binnen een door Onze bedoelde Ministers te bepalen termijn, die ten hoogste twaalf weken na de in het tweede lid, onder c, bedoelde termijn beloopt. -**6.** Het plan wordt uiterlijk negen maanden na de terinzagelegging, bedoeld in het tweede lid, aan de instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal onderworpen. De motivering van het plan vermeldt in elk geval op welke wijze door de Ministerraad bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met opvattingen als bedoeld in het tweede lid, uitkomsten van het bestuurlijk overleg, bedoeld in het derde lid, en het advies, bedoeld in het vierde lid. +**4.** Onze in het eerste lid bedoelde Ministers zenden het ontwerp gelijktijdig met de terinzagelegging aan de Staten-Generaal. -**7.** Alvorens omtrent instemming te besluiten stelt de Tweede Kamer Onze in het eerste lid bedoelde Ministers in de gelegenheid het plan te wijzigen. De Tweede Kamer zendt het plan, voor zover zij daarmee heeft ingestemd, onverwijld naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer besluit tot verlening of tot onthouding van instemming met het plan, zoals het daar ligt. De Eerste Kamer wordt geacht te hebben ingestemd met het plan, indien zij niet binnen vier weken na ontvangst van het plan uitdrukkelijk tot behandeling ervan besluit. +**5.** Het plan wordt uiterlijk negen maanden na de terinzagelegging aan de instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal onderworpen. De motivering van het plan vermeldt in elk geval op welke wijze door de Ministerraad bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met overeenkomstig artikel 3:15 naar voren gebrachte zienswijzen, uitkomsten van bestuurlijk overleg en het advies, bedoeld in het derde lid. -**8.** De bekendmaking van het plan waarmee beide Kamers hebben ingestemd geschiedt door terinzagelegging op door Onze in het eerste lid bedoelde Ministers te bepalen plaatsen. Voorafgaand aan de bekendmaking wordt in de Staatscourant en in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen aangekondigd op welke plaatsen en vanaf welk tijdstip het plan ter inzage zal liggen. +**6.** Alvorens omtrent instemming te besluiten stelt de Tweede Kamer Onze in het eerste lid bedoelde Ministers in de gelegenheid het plan te wijzigen. De Tweede Kamer zendt het plan, voor zover zij daarmee heeft ingestemd, onverwijld naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer besluit tot verlening of tot onthouding van instemming met het plan, zoals het daar ligt. De Eerste Kamer wordt geacht te hebben ingestemd met het plan, indien zij niet binnen vier weken na ontvangst van het plan uitdrukkelijk tot behandeling ervan besluit. -**9.** Het plan treedt in werking met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig het achtste lid ter inzage is gelegd. +**7.** De bekendmaking van het plan waarmee beide Kamers hebben ingestemd geschiedt door terinzagelegging op door Onze in het eerste lid bedoelde Ministers te bepalen plaatsen. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. + +**8.** Het plan treedt in werking met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig het achtste lid ter inzage is gelegd. ### Artikel 2b -**1.** Een planologische kernbeslissing kan geheel of gedeeltelijk worden herzien of ingetrokken. Artikel 2*a*, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. +**1.** Een planologische kernbeslissing kan geheel of gedeeltelijk worden herzien of ingetrokken. Artikel 2a, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. -**2.** Uiterlijk één jaar voor de geldingsduur van een plan verstrijkt, delen Onze in artikel 2*a*, eerste lid, bedoelde Ministers aan de Staten-Generaal mede of en in hoeverre zij voornemens zijn toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister aan de VROM-raad. +**2.** Uiterlijk één jaar voor de geldingsduur van een plan verstrijkt, delen Onze in artikel 2a, eerste lid, bedoelde Ministers aan de Staten-Generaal mede of en in hoeverre zij voornemens zijn toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister aan de VROM-raad. -**3.** Bij de mededeling aan de Staten-Generaal van het voornemen tot herziening of intrekking doen Onze in artikel 2*a*, eerste lid, bedoelde Ministers de Staten-Generaal weten of en in hoeverre zij bij de herziening of intrekking toepassing zullen geven aan het bepaalde in artikel 2*a*, tweede, derde, vierde of vijfde lid. +**3.** Bij de mededeling aan de Staten-Generaal van het voornemen tot herziening of intrekking doen Onze in artikel 2a, eerste lid, bedoelde Ministers de Staten-Generaal weten of en in hoeverre zij bij de herziening of intrekking toepassing zullen geven aan het bepaalde in artikel 2a, tweede, derde of vierde lid. **4.** Voor zover de herziening of intrekking een concrete beleidsbeslissing betreft is het derde lid niet van toepassing. -**5.** Ten aanzien van een herziening of intrekking is artikel 2*a*, zesde tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien het ontwerp van een besluit tot herziening of intrekking niet ter inzage is gelegd, de toezending van dat besluit aan Staten-Generaal onverwijld na vaststelling door de Ministerraad geschiedt. +**5.** Ten aanzien van een herziening of intrekking is artikel 2a, vijfde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien het ontwerp van een besluit tot herziening of intrekking niet ter inzage is gelegd, de toezending van dat besluit aan Staten-Generaal onverwijld na vaststelling door de Ministerraad geschiedt. ### Artikel 2c @@ -99,33 +103,35 @@ De in deze wet voorziene algemene maatregelen van bestuur treden niet eerder in **1.** Provinciale staten kunnen voor één of meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien. Indien een onderdeel van een zodanig plan een concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de uitwerking of afwijking bedoeld in het tiende lid of bij de vaststelling van gemeentelijke of regionale plannen als bedoeld in de hoofdstukken IV of IVA van deze wet in acht genomen. Provinciale staten geven bij het plan aan in hoeverre het voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, het provinciale waterhuishoudingsbeleid of het provinciale verkeers- en vervoersbeleid en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het geldende provinciale milieubeleidsplan, het geldende provinciale waterhuishoudingsplan of het geldende provinciale verkeers- en vervoersplan te herzien. Een streekplan strekt tot grondslag aan aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, vijfde lid. -**2.** Gedeputeerde staten zijn met de voorbereiding belast. Hierbij horen zij de provinciale planologische commissie en plegen zij overleg met alle bij het plan betrokken andere bestuursorganen. +**2.** Gedeputeerde staten zijn met de voorbereiding belast. Hierbij horen zij de provinciale planologische commissie. -**3.** Het ontwerp voor een streekplan ligt gedurende vier weken voor een ieder ter inzage op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het plan betrekking heeft. Tevens kunnen gedurende die periode de stukken desgevraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren worden ingezien. Op verzoek wordt binnen die termijn een kosteloze mondelinge toelichting verstrekt. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt. +**3.** -**4.** Van de terinzagelegging geven gedeputeerde staten tevoren kennis in de Staatscourant en in een of meer in de provincie verspreide dag- of nieuwsbladen of op een andere geschikte wijze. Burgemeester en wethouders van elke gemeente op wier gebied het plan betrekking heeft, maken de terinzagelegging bovendien in een of meer in de gemeente verspreide dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen op zodanige wijze dat het daarmee beoogde doel zo goed mogelijk wordt bereikt, bekend. De kennisgevingen en bekendmakingen houden mededeling in van de mogelijkheid tot het naar voren brengen van bedenkingen. +Op de voorbereiding van het streekplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: -**5.** Gedurende de in het derde lid genoemde termijn kan een ieder schriftelijk zijn bedenkingen omtrent het ontwerp inbrengen. Provinciale staten stellen belanghebbenden en degenen die tijdig hun bedenkingen hebben ingebracht in de gelegenheid tot een gedachtenwisseling over het ontwerp. Van de gedachtenwisseling wordt een verslag gemaakt dat binnen twee weken aan de aanwezigen wordt toegezonden. +a. de terinzagelegging tevens geschiedt ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het plan betrekking heeft; +b. aan artikel 3:12 van die wet tevens toepassing wordt gegeven door burgemeester en wethouders van elke gemeente op wier gebied het plan betrekking heeft; +c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. -**6.** Binnen vier maanden na afloop van de in het derde lid genoemde termijn stellen provinciale staten het streekplan vast. Zij kunnen hun beslissing éénmaal voor ten hoogste acht weken verdagen. Voor zover bij de vaststelling van het plan wijzigingen worden aangebracht ten opzichte van het ontwerp en de gewijzigde vaststelling een concrete beleidsbeslissing betreft, wordt Onze Minister tevoren in de gelegenheid gesteld alsnog daartegen bedenkingen in te brengen. +**4.** Binnen vier maanden na afloop van de in het derde lid genoemde termijn stellen provinciale staten het streekplan vast. Zij kunnen hun beslissing éénmaal voor ten hoogste acht weken verdagen. Voor zover bij de vaststelling van het plan wijzigingen worden aangebracht ten opzichte van het ontwerp en de gewijzigde vaststelling een concrete beleidsbeslissing betreft, wordt Onze Minister tevoren in de gelegenheid gesteld alsnog daarover zienswijzen naar voren te brengen. -**7.** Voor zover het ontwerp van een streekplan zijn grondslag vindt in een in een planologische kernbeslissing opgenomen concrete beleidsbeslissing is het vijfde lid niet van toepassing. +**5.** Voor zover het ontwerp van een streekplan zijn grondslag vindt in een in een planologische kernbeslissing opgenomen concrete beleidsbeslissing is het vijfde lid niet van toepassing. -**8.** Behoudens indien toepassing kan worden gegeven aan artikel 4b, eerste lid, wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan binnen twee weken na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. Het vierde lid, eerste en tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. +**6.** Behoudens indien toepassing kan worden gegeven aan artikel 4b, eerste lid, wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan binnen twee weken na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede het derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing. -**9.** Besluiten tot vaststelling van een streekplan worden terstond na dagtekening aan Onze Minister medegedeeld door toezending van een afschrift. Indien in het streekplan een concrete beleidsbeslissing is opgenomen gaat het afschrift vergezeld van een exemplaar van het streekplan. +**7.** Besluiten tot vaststelling van een streekplan worden terstond na dagtekening aan Onze Minister medegedeeld door toezending van een afschrift. Indien in het streekplan een concrete beleidsbeslissing is opgenomen gaat het afschrift vergezeld van een exemplaar van het streekplan. -**10.** Bij een streekplan wordt bepaald, in hoeverre gedeputeerde staten volgens bij het plan aan te geven regelen het plan moeten uitwerken en binnen bij het plan te bepalen grenzen van het plan mogen afwijken. De uitwerking of afwijking kan geen concrete beleidsbeslissing inhouden. +**8.** Bij een streekplan wordt bepaald, in hoeverre gedeputeerde staten volgens bij het plan aan te geven regelen het plan moeten uitwerken en binnen bij het plan te bepalen grenzen van het plan mogen afwijken. De uitwerking of afwijking kan geen concrete beleidsbeslissing inhouden. -**11.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving en inrichting van streekplannen. +**9.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving en inrichting van streekplannen. ### Artikel 4b **1.** Voor zover in het streekplan een concrete beleidsbeslissing is opgenomen kan Onze Minister binnen vier weken na de toezending van het afschrift van het besluit tot vaststelling van het streekplan provinciale staten schriftelijk mededelen dat hij overweegt ten aanzien van die concrete beleidsbeslissing toepassing te geven aan artikel 6. -**2.** Onze Minister geeft slechts toepassing aan het eerste lid, indien hij op grond van artikel 4a, vijfde of zesde lid, bedenkingen tegen die concrete beleidsbeslissing heeft ingebracht wegens kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid. +**2.** Onze Minister geeft slechts toepassing aan het eerste lid, indien hij op grond van artikel 4a, derde of vierde lid, zienswijzen over die concrete beleidsbeslissing naar voren heeft gebracht wegens kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid. -**3.** Indien Onze Minister geen toepassing geeft aan het eerste lid, wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan met ingang van de zesde week na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. Artikel 4a, vierde lid, eerste en tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. +**3.** Indien Onze Minister geen toepassing geeft aan het eerste lid, wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan met ingang van de zesde week na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede artikel 4a, derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing. **4.** Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid, zendt hij gelijktijdig een afschrift van zijn mededeling aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. @@ -153,9 +159,9 @@ De in deze wet voorziene algemene maatregelen van bestuur treden niet eerder in **4.** Provinciale staten zijn verplicht, bij de herziening van een streekplan dit plan in overeenstemming te brengen met de in het tweede lid bedoelde aanwijzingen. Voor zover deze aanwijzingen betrekking hebben op een gebied waarvoor geen streekplan is vastgesteld, bestaat een overeenkomstige verplichting zodra provinciale staten tot vaststelling van een streekplan overgaan. -**5.** Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede lid, kan deze gedurende de in artikel 4a, derde lid, bedoelde termijn van terinzageligging van het ontwerp voor het streekplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, als onderdeel van zijn bedenkingen omtrent dat ontwerp bij provinciale staten of, indien toepassing wordt gegeven aan het zesde lid, bij Onze Minister inbrengen. +**5.** Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het streekplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen. -**6.** Indien provinciale staten niet voldoen aan een verplichting, als bedoeld in het eerste en vierde lid, gaat Onze Minister op kosten van de provincie over tot het vaststellen of herzien van een streekplan. In dit geval is artikel 4*a*, derde, vijfde en zevende lid, van toepassing. Het tweede en vierde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat Onze Minister in de plaats treedt van provinciale staten en gedeputeerde staten. +**6.** Indien provinciale staten niet voldoen aan een verplichting, als bedoeld in het eerste en vierde lid, gaat Onze Minister op kosten van de provincie over tot het vaststellen of herzien van een streekplan. In dit geval is artikel 4a, derde lid, van toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van provinciale staten en gedeputeerde staten. **7.** Een streekplan dat ingevolge het zesde lid is tot stand gekomen of herzien, wordt geacht te zijn vastgesteld door provinciale staten. @@ -165,7 +171,7 @@ De in deze wet voorziene algemene maatregelen van bestuur treden niet eerder in ### Artikel 6a -Het gemeentebestuur betrekt de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan dan wel bij de voorbereiding van toepassing van artikel 19, eerste lid, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening. +Vervallen ### Afdeling 2. Structuurplannen @@ -177,13 +183,14 @@ Het gemeentebestuur betrekt de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een ### Artikel 8 -**1.** Het ontwerp voor een structuurplan ligt gedurende vier weken voor een ieder ter inzage ter gemeentesecretarie. Gedurende deze periode kunnen de stukken desgevraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren worden ingezien. Op verzoek wordt binnen die termijn een kosteloze mondelinge toelichting verstrekt. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt. Burgemeester en wethouders geven tevoren kennis van de terinzagelegging in de Staatscourant en in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. +Op de voorbereiding van het structuurplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: -**2.** Een ieder kan gedurende de termijn van terinzageligging schriftelijk zijn zienswijze omtrent het ontwerp naar voren brengen. Degenen die een zienswijze naar voren hebben gebracht worden in de gelegenheid gesteld tot het geven van een mondelinge toelichting. +a. burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant plaatsen; +b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. ### Artikel 9 -De vaststelling van het structuurplan wordt bekendgemaakt door het besluit tot vaststelling samen met het structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter gemeentesecretarie. Artikel 8, eerste lid, vijfde volzin, is van overeenkomstige toepassing. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het structuurplan mededeling gedaan aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. +De vaststelling van het structuurplan wordt bekendgemaakt door het besluit tot vaststelling samen met het structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter gemeentesecretarie. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede artikel 8, onderdeel a, zijn van overeenkomstige toepassing. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het structuurplan mededeling gedaan aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. ### Afdeling 3. Bestemmingsplannen @@ -276,11 +283,10 @@ Bij een bestemmingsplan kan ten aanzien van bepaalde werken uit te voeren in bep **3.** -Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling bedoeld in artikel 17 is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat +Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: -a. de aanvraag gedurende twee weken ter inzage ligt, -b. gedurende de termijn van terinzageligging een ieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kenbaar kan maken, en -c. burgemeester en wethouders binnen vier weken na afloop van de termijn van terinzageligging beslissen. +a. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; +b. in afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. ### Artikel 18a @@ -311,15 +317,14 @@ b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij **4.** -Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling, bedoeld in artikel 19, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat: +Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: -a. de aanvraag gedurende vier weken ter inzage ligt, -b. gedurende de termijn van terinzageligging een ieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kenbaar kan maken, en, -c. indien geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist, burgemeester en wethouders binnen vier weken na afloop van de termijn van terinzageligging beslissen. +a. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; +b. in afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, indien geen verklaring van geen bezwaar is vereist. -**5.** De gemeenteraad beslist of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging, genoemd in het vierde lid, onder a, omtrent het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar. +**5.** De gemeenteraad beslist of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging omtrent het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar. -**6.** Indien tot aanvraag van de verklaring van geen bezwaar wordt besloten, wordt deze binnen twee weken nadien met de aanvraag om vrijstelling en de in voorkomend geval ingebrachte zienswijzen aan gedeputeerde staten gezonden. +**6.** Indien tot aanvraag van de verklaring van geen bezwaar wordt besloten, wordt deze binnen twee weken nadien met de aanvraag om vrijstelling en de in voorkomend geval naar voren gebrachte zienswijzen aan gedeputeerde staten gezonden. **7.** Alvorens het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 19, eerste lid, of in voorkomend geval tweede lid, te nemen, horen gedeputeerde staten de inspecteur. @@ -329,7 +334,7 @@ c. indien geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist, b **10.** Onze Minister kan gedurende acht weken na verzending aan de inspecteur van de mededeling, bedoeld in het negende lid, het besluit van gedeputeerde staten vervangen door een eigen besluit inhoudende weigering van de verklaring. Alvorens te besluiten hoort hij de Rijksplanologische Commissie en gedeputeerde staten. Indien Onze Minister binnen die termijn geen besluit heeft bekendgemaakt dan wel zoveel eerder als hij heeft medegedeeld van vervanging af te zien, treedt het besluit van gedeputeerde staten in werking. Gedeputeerde staten doen daarvan mededeling aan de gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders. -**11.** De gemeenteraad beslist, of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling binnen twee weken na de inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten. Burgemeester en wethouders zenden afschrift van het besluit omtrent vrijstelling aan de inspecteur van de ruimtelijke ordening. +**11.** In afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, beslist de gemeenteraad of beslissen in voorkomend geval burgemeester en wethouders omtrent het verlenen van vrijstelling binnen twee weken na de inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten. Burgemeester en wethouders zenden afschrift van het besluit omtrent vrijstelling aan de inspecteur van de ruimtelijke ordening. **12.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven die in acht moeten worden genomen alvorens vrijstelling mag worden verleend. @@ -367,12 +372,10 @@ De bekendmaking van een voorbereidingsbesluit geschiedt door terinzagelegging va **1.** -Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat +Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: -a. burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12, tevens in de Staatscourant plaatsen, -b. het ontwerp gedurende vier weken ter inzage ligt gedurende welke periode het ontwerp tevens desgevraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren kan worden ingezien, -c. een ieder gedurende de termijn van terinzageligging schriftelijk zijn zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar kan maken, en -d. de gemeenteraad degenen die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt in de gelegenheid stelt tot het geven van een nadere mondelinge toelichting. +a. burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant plaatsen; +b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. **2.** Worden in het ontwerp van een bestemmingsplan ingevolge artikel 13, eerste lid, gronden aangewezen ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht, dan geschiedt daarvan, onverminderd het eerste lid, afzonderlijke kennisgeving aan degenen die in de kadastrale registratie staan vermeld als eigenaar van die gronden of rechthebbende op een beperkt recht waaraan die gronden onderworpen zijn. @@ -382,19 +385,17 @@ Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een concr ### Artikel 25 -Binnen acht weken of, indien over het ontwerp tijdig een zienswijze kenbaar is gemaakt, binnen vier maanden na afloop van de in artikel 23 genoemde termijn beslist de gemeenteraad omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. +Binnen acht weken of, indien over het ontwerp tijdig een zienswijze naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn beslist de gemeenteraad omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. ### Artikel 26 -Het bestemmingsplan wordt zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van vier weken. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing. +Het bestemmingsplan wordt zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 27 -**1.** Degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar heeft gemaakt, alsmede een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest overeenkomstig artikel 23 zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar te maken, kan gedurende de in artikel 26 genoemde termijn van terinzageligging bij gedeputeerde staten schriftelijk bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan. +**1.** Degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, alsmede een belanghebbende aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet overeenkomstig artikel 23 juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, kan gedurende de in artikel 26 genoemde termijn van terinzageligging bij gedeputeerde staten bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan. -**2.** Voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, kan een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn bij gedeputeerde staten daartegen schriftelijk bedenkingen inbrengen. - -**3.** Gedeputeerde staten stellen degenen die overeenkomstig het eerste of het tweede lid tijdig bedenkingen hebben ingebracht in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting. +**2.** Voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, kan een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn bij gedeputeerde staten daartegen bedenkingen inbrengen. ### Artikel 28 @@ -476,9 +477,9 @@ Vervallen ### Artikel 34 -**1.** Ten aanzien van de herziening van een structuurplan zijn de artikelen 6*a*, 8 en 9 van overeenkomstige toepassing. +**1.** Ten aanzien van de herziening van een structuurplan zijn de artikelen 8 en 9 van overeenkomstige toepassing. -**2.** Ten aanzien van de herziening van een bestemmingsplan zijn de artikelen 6*a*, 21-31 van overeenkomstige toepassing. +**2.** Ten aanzien van de herziening van een bestemmingsplan zijn de artikelen 21-31 van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 35 @@ -501,7 +502,7 @@ b. samenwerkingsgebied: een samenwerkingsgebied als bedoeld in de Kaderwet bestu ### Artikel 36b -Indien een samenwerkingsgebied mede betrokken is bij een plan als bedoeld in de artikelen 2*a* of 4*a*, wordt het bestuur van het desbetreffende regionaal openbaar lichaam mede betrokken bij het bij de totstandkoming van dat plan voorgeschreven overleg als bedoeld in die artikelen. +Vervallen ### Afdeling 2. Regionaal structuurplan @@ -515,7 +516,7 @@ Indien een samenwerkingsgebied mede betrokken is bij een plan als bedoeld in de **1.** Op de voorbereiding van een regionaal structuurplan is artikel 8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het ontwerp ter inzage ligt ter secretarie van het regionaal openbaar lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft en dat burgemeester en wethouders worden vervangen door het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam. -**2.** Binnen acht weken of, indien tegen het ontwerp een zienswijze naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de termijn voor terinzageligging van het ontwerp, stelt het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam het regionaal structuurplan vast. +**2.** Binnen acht weken of, indien over het ontwerp een zienswijze naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de termijn voor terinzageligging van het ontwerp, stelt het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam het regionaal structuurplan vast. ### Artikel 36e @@ -525,7 +526,7 @@ Indien een samenwerkingsgebied mede betrokken is bij een plan als bedoeld in de ### Artikel 36f -De bekendmaking van een besluit als bedoeld in artikel 36*e*, tweede lid, geschiedt door het besluit tezamen met het regionaal structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter secretarie van het regionaal openbaar lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. Voorafgaand aan de bekendmaking wordt door het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam in de *Staatscourant* en in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen aangekondigd op welke plaatsen en vanaf welk tijdstip het besluit en het regionaal structuurplan ter inzage zullen liggen. +De bekendmaking van een besluit als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, geschiedt door het besluit tezamen met het regionaal structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter secretarie van het regionaal openbaar lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede artikel 4a, derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 36g @@ -559,11 +560,11 @@ Bij of krachtens algemeen maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gege **7.** Het algemeen bestuur is verplicht bij de herziening van het regionaal structuurplan dit plan in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid. Voor zover die aanwijzingen betrekking hebben op een gebied, waarvoor geen regionaal structuurplan is vastgesteld, bestaat een overeenkomstige verplichting zodra het algemeen bestuur tot vaststelling van een regionaal structuurplan overgaat. -**8.** Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid kan deze gedurende de in artikel 36d, eerste lid, bedoelde termijn van terinzageligging van het ontwerp voor het regionaal structuurplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, als onderdeel van zijn zienswijze omtrent dat ontwerp bij het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam of, indien toepassing wordt gegeven aan het negende lid, bij Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten kenbaar maken. +**8.** Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het regionaal structuurplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen. **9.** Indien het algemeen bestuur niet voldoet aan een verplichting, als bedoeld in het eerste of vierde lid, gaat Onze Minister onderscheidenlijk gaan gedeputeerde staten op kosten van het algemeen bestuur over tot het vaststellen of herzien van een regionaal structuurplan. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft het algemeen bestuur tot de vaststelling of herziening bevoegd. -**10.** In het geval bedoeld in het negende lid zijn de artikelen 36*c* tot en met 36*f* van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat Onze Minister in de plaats treedt onderscheidenlijk gedeputeerde staten in de plaats treden van het algemeen en het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam. +**10.** In het geval bedoeld in het negende lid zijn de artikelen 36c tot en met 36f van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat Onze Minister in de plaats treedt onderscheidenlijk gedeputeerde staten in de plaats treden van het algemeen en het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam. **11.** Een regionaal structuurplan dat ingevolge het negende lid is tot stand gekomen of herzien, staat gelijk aan een door het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam vastgesteld regionaal structuurplan. @@ -610,7 +611,7 @@ Voor zover een gemeente, waarvan grondgebied begrepen is in een regionaal struct **7.** De gemeenteraden zijn verplicht binnen een jaar na dagtekening van een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien en dat in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid. -**8.** Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid, en tegen aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze gedurende de in artikel 23 bedoelde termijn van terinzageligging van het ontwerp voor het bestemmingsplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, als onderdeel van zijn zienswijze omtrent dat ontwerp bij de gemeenteraad of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 38, derde of vierde lid, bij Onze Minister of gedeputeerde staten, kenbaar maken. +**8.** Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het bestemmingsplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen. ### Artikel 38 @@ -628,14 +629,14 @@ kunnen Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten binnen een jaar na af **3.** -Indien Onze Minister overgaat tot de vaststelling of herziening, zijn de artikelen 6*a*, 21 tot en met 26, 28, zevende lid, en 31*a* van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: +Indien Onze Minister overgaat tot de vaststelling of herziening, zijn de artikelen 21 tot en met 26, 28, zevende lid, en 31a van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: a. Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders; b. Onze Minister, alvorens te besluiten, de Rijksplanologische Commissie hoort. **4.** -Indien gedeputeerde staten overgaan tot de vaststelling of herziening, zijn de artikelen 6*a*, 21 tot en met 27, 28, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, 30 en 31*a*, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: +Indien gedeputeerde staten overgaan tot de vaststelling of herziening, zijn de artikelen 21 tot en met 27, 28, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, 30 en 31a, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat: a. gedeputeerde staten in de plaats treden van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders; b. gedeputeerde staten, alvorens te besluiten, de provinciale planologische commissie horen; @@ -693,18 +694,9 @@ b. in de Staatscourant. ### Artikel 39d -**1.** +**1.** Op de voorbereiding van het rijksprojectbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. -Op de voorbereiding van het rijksprojectbesluit is de in paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat: - -a. in afwijking van artikel 3:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de termijn voor het inbrengen van bedenkingen vier weken bedraagt; -b. Onze projectminister kan besluiten om artikel 3:25 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing te verklaren. - -**2.** De artikelen 3:19, tweede lid, onderdeel a, en 3:21 van de Algemene wet bestuursrecht zijn tevens van overeenkomstige toepassing. - -**3.** Ter uitvoering van artikel 3:30, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voert Onze projectminister over het voornemen tot het nemen van een rijksprojectbesluit overleg met de besturen van de provincies, gemeenten en waterschappen in het gebied waarop het rijksprojectbesluit betrekking heeft. - -**4.** Voor zover een ontwerp van een rijksprojectbesluit als bedoeld in het eerste lid zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben. +**2.** Voor zover een ontwerp van een rijksprojectbesluit als bedoeld in het eerste lid zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, kunnen zienswijzen daarop geen betrekking hebben. ### Artikel 39e @@ -712,7 +704,7 @@ Indien paragraaf 3 van deze afdeling op het project van toepassing is, kan desa ### Artikel 39f -**1.** In afwijking van artikel 3:33, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het rijksprojectbesluit vastgesteld binnen dertien weken na afloop van de termijn voor het inbrengen van bedenkingen tegen het ontwerp. +**1.** Het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld binnen dertien weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. **2.** De vaststelling van het rijksprojectbesluit kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd. @@ -758,22 +750,17 @@ Het rijksprojectbesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen tien jaar **1.** -Op de voorbereiding van de besluiten, bedoeld in artikel 39i, eerste lid, is de in de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat: +Op de voorbereiding van de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: -a. de in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde mededeling tevens wordt gedaan aan Onze projectminister; -b. de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze projectminister, die zorg draagt voor de in artikel 3:19, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde toezending; -c. de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in ieder geval worden gedaan in de Staatscourant; -d. Onze projectminister de mededelingen, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor verschillende ontwerpen kan samenvoegen in één mededeling, welke wordt gedaan door Onze projectminister; -e. in afwijking van artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht de besluiten worden genomen binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn; -f. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze projectminister; -g. de in de artikelen 3:23, tweede lid, 3:24, derde lid, en 3:25, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde toezending tevens geschiedt aan Onze projectminister; -h. Onze projectminister beslist over de toepassing van artikel 3:29 van de Algemene wet bestuursrecht. +a. de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze projectminister, die zorg draagt voor de in artikel 3:13, eerste lid, van die wet bedoelde toezending; +b. Onze projectminister ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten gezamenlijk toepassing kan geven aan de artikelen 3:11, eerste lid, en 3:12 van die wet; +c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder; +d. in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden genomen binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn; +e. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze projectminister. -**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de voorbereiding van de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde ambtshalve te nemen besluiten. +**2.** Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een projectbesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben. -**3.** Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een projectbesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben. - -**4.** Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit. +**3.** Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit. ### Artikel 39l @@ -787,7 +774,7 @@ h. Onze projectminister beslist over de toepassing van artikel 3:29 van de Algem ### Artikel 39m -De in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten alsmede de in artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde overwegingen worden gelijktijdig door Onze projectminister bekendgemaakt. Onze projectminister doet mededeling van deze besluiten in de Staatscourant. +De in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten worden gelijktijdig door Onze projectminister bekendgemaakt. #### Paragraaf 4. Gelijktijdige toepassing @@ -839,23 +826,23 @@ Voor zover het verzoek van gedeputeerde staten geen grondslag vindt in of redeli a. indien door of namens provinciale staten de wens te kennen wordt gegeven dat zij over het voornemen in het openbaar willen beraadslagen en die beraadslagingen binnen die termijn zijn beëindigd, dan wel b. indien binnen die termijn te kennen wordt gegeven dat van beraadslagingen wordt afgezien. -Voor zover het verzoek van Onze Minister geen grondslag vindt in een plan als bedoeld in artikel 2*a*, negende lid, dan wel in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, tweede lid, stelt hij de Tweede Kamer vier weken tevoren in kennis van zijn voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing. +Voor zover het verzoek van Onze Minister geen grondslag vindt in een plan als bedoeld in artikel 2a, achtste lid, dan wel in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, tweede lid, stelt hij de Tweede Kamer vier weken tevoren in kennis van zijn voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing. **3.** Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na ontvangst van het verzoek met de bijbehorende aanvraag besluiten burgemeester en wethouders omtrent medewerking aan het verzoek tot het verlenen van vrijstelling. -**4.** Indien burgemeester en wethouders besluiten tot medewerking aan het verzoek, leggen zij binnen twee weken na dagtekening van hun besluit het verzoek tot het verlenen van vrijstelling met de bijbehorende aanvraag gedurende vier weken ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage. +**4.** Indien burgemeester en wethouders besluiten tot medewerking aan het verzoek, is op het te nemen besluit omtrent het verzoek tot verlenen van vrijstelling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De terinzagelegging vindt plaats binnen twee weken na dagtekening van het besluit tot medewerking aan het verzoek. -**5.** Burgemeester en wethouders geven van de nederlegging te voren in de *Staatscourant*, in een of meer dag- of nieuwsbladen, die in de gemeente verspreid worden, en voorts op de gebruikelijke wijze kennis. Afschrift van de kennisgeving wordt gezonden aan gedeputeerde staten en de inspecteur. Indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, wordt tevens een afschrift gezonden aan Onze Minister. +**5.** Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens in de Staatscourant. Afschrift van de kennisgeving wordt gezonden aan gedeputeerde staten en de inspecteur. Indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, wordt tevens een afschrift gezonden aan Onze Minister. -**6.** De kennisgeving houdt mededeling in van de bevoegdheid voor een ieder om gedurende de termijn van terinzageligging schriftelijk bedenkingen tegen het verlenen van vrijstelling naar voren te brengen bij burgemeester en wethouders. +**6.** Zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder. -**7.** Binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging, genoemd in het vierde lid, besluiten burgemeester en wethouders omtrent het verzoek tot het verlenen van vrijstelling. Gedeputeerde staten of Onze Minister kunnen deze termijn op verzoek van burgemeester en wethouders eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. +**7.** In afwijking van artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht besluiten burgemeester en wethouders omtrent het verzoek tot het verlenen van vrijstelling binnen acht weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. In afwijking van artikel 3:18, tweede lid, van die wet kunnen gedeputeerde staten of Onze Minister deze termijn op verzoek van burgemeester en wethouders eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. **8.** Indien burgemeester en wethouders niet tijdig hebben besloten omtrent medewerking als bedoeld in het derde lid, dan wel hun medewerking weigeren of, indien de termijn voor terinzagelegging wordt overschreden, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van vrijstelling. Het vierde tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing. **9.** Indien burgemeester en wethouders niet binnen de in het zevende lid genoemde termijn besluiten dan wel bij hun besluit ingevolge het zevende lid geen vrijstelling verlenen, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van de vrijstelling binnen vier weken na afloop van die termijn, dan wel na eerdere kennisgeving van dat besluit. Burgemeester en wethouders dragen onverwijld de desbetreffende stukken over aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister. -**10.** Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit op het verzoek om vrijstelling wordt daarvan mededeling gedaan aan degenen die bedenkingen naar voren hebben gebracht, aan gedeputeerde staten en de inspecteur en, indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, tevens aan Onze Minister. Indien gedeputeerde staten of Onze Minister hebben besloten tot verlening van vrijstelling, handelen zij overeenkomstig, met dien verstande dat gedeputeerde staten of Onze Minister tevens mededeling doen van het besluit door toezending van een afschrift aan burgemeester en wethouders alsmede aan provinciale staten onderscheidenlijk de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Afschrift van het besluit ligt zo spoedig mogelijk voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage. Het vijfde lid, eerste volzin, is van toepassing. +**10.** Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit op het verzoek om vrijstelling wordt daarvan mededeling gedaan aan degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht, aan gedeputeerde staten en de inspecteur en, indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, tevens aan Onze Minister. Indien gedeputeerde staten of Onze Minister hebben besloten tot verlening van vrijstelling, handelen zij overeenkomstig, met dien verstande dat gedeputeerde staten of Onze Minister tevens mededeling doen van het besluit door toezending van een afschrift aan burgemeester en wethouders alsmede aan provinciale staten onderscheidenlijk de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Afschrift van het besluit ligt zo spoedig mogelijk voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage. Het vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 40a @@ -877,13 +864,11 @@ a. indien de desbetreffende beschikking bij of krachtens een wet is vereist en O b. de in artikel 40 voorgeschreven procedure, met inbegrip van de daarbij aangegeven termijnen, in de plaats treedt van de bij de desbetreffende regeling voorgeschreven procedure voor het tot stand brengen van die beschikking, c. ten aanzien van de inhoud van de beschikking in acht genomen wordt hetgeen daarover bij of krachtens de wet is bepaald; bepalingen, die - al dan niet krachtens de wet - bij of krachtens een regeling van een provincie, gemeente of waterschap daaromtrent zijn vastgesteld, kunnen om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten, voor zover het toepassen daarvan een onevenredige belemmering met zich zou brengen voor de verwezenlijking van het project. -**2.** In gevallen waarin met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking, als bedoeld in het eerste lid, afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, is - in afwijking van het eerste lid, onder *b* - de in die afdeling voorgeschreven procedure voor het tot stand brengen van die beschikking van toepassing. +**2.** Indien ten behoeve van een zelfde project een of meer beschikkingen vereist zijn, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, of in het eerste lid van dit artikel, worden de aanvragen om de betrokken beschikkingen te zamen, overeenkomstig de in artikel 40 voorgeschreven procedure, behandeld. -**3.** Indien ten behoeve van een zelfde project een of meer beschikkingen vereist zijn, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, of in het eerste lid van dit artikel, worden de aanvragen om de betrokken beschikkingen te zamen, overeenkomstig de in artikel 40 voorgeschreven procedure, dan wel in een geval als bedoeld in het tweede lid, overeenkomstig de daar bedoelde procedure, behandeld. +**3.** Het bestuursorgaan dat het verzoek om medewerking aan de verwezenlijking van het betrokken project heeft gedaan, kan, indien dat met het oog op de samenhang tussen de onderscheidene beschikkingen ter verwezenlijking van het project geboden is, en artikel 40, achtste of negende lid, niet wordt toegepast, aan het in eerste aanleg bevoegde orgaan een bindende aanwijzing geven ter zake van de inhoud van een zodanige beschikking. Deze aanwijzing wordt niet gegeven dan na overleg met het betrokken orgaan. -**4.** Het bestuursorgaan dat het verzoek om medewerking aan de verwezenlijking van het betrokken project heeft gedaan, kan, indien dat met het oog op de samenhang tussen de onderscheidene beschikkingen ter verwezenlijking van het project geboden is, en artikel 40, achtste of negende lid, niet wordt toegepast, aan het in eerste aanleg bevoegde orgaan een bindende aanwijzing geven ter zake van de inhoud van een zodanige beschikking. Deze aanwijzing wordt niet gegeven dan na overleg met het betrokken orgaan. - -**5.** Een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid wordt vermeld in de beschikking ter zake waarvan zij wordt gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking. +**4.** Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid wordt vermeld in de beschikking ter zake waarvan zij wordt gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking. ### Artikel 41a @@ -958,12 +943,7 @@ In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergu a. een werk of werkzaamheid ten aanzien waarvan artikel 17 wordt toegepast; b. een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid. -**9.** - -Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening, bedoeld in het achtste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat - -a. de aanvraag gedurende vier weken ter inzage ligt, en -b. gedurende de termijn van terinzageligging een ieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kenbaar kan maken. +**9.** Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening, bedoeld in het achtste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. **10.** Onverminderd het zesde en zevende lid, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het vierde lid, de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet strijdt met het in voorbereiding zijnde ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht, alsmede van beschermd landschap, natuurgebied, rijksbufferzone en archeologische vindplaats strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben. @@ -1081,17 +1061,11 @@ Vervallen ### Artikel 54 -**1.** - -Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op: - -a. een concrete beleidsbeslissing, opgenomen in een planologische kernbeslissing of in een streekplan; -b. een besluit van Onze Minister als bedoeld in artikel 29, zesde lid; -c. een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 33, tweede lid. +**1.** Afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op een besluit van Onze Minister als bedoeld in artikel 29, zesde lid. **2.** -Bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan beroep worden ingesteld tegen: +Een belanghebbende kan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen: a. een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan; b. een besluit inzake goedkeuring van een besluit van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad tot uitwerking of tot wijziging van een bestemmingsplan; @@ -1101,26 +1075,25 @@ e. een besluit van Onze Minister tot vervanging van het besluit van gedeputeerde f. een besluit omtrent een verzoek tot vergoeding van hogere kosten ten gevolge van het opnemen van bepalingen in een bestemmingsplan op verzoek of krachtens wettelijke bepaling; g. een besluit omtrent een verzoek om vergoeding van hogere kosten ten gevolge van het verlenen van vrijstelling of aanhouding van bouw- of aanlegvergunning op verzoek van een ander openbaar lichaam; h. een besluit van gedeputeerde staten omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 33, tweede lid; -i. een besluit van gedeputeerde staten tot onthouding van goedkeuring aan het regionaal structuurplan of de herziening hiervan; -j. een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 40; -k. een beschikking als bedoeld in artikel 41, eerste lid; -l. een rijksprojectbesluit; -m. een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, voorzover dat besluit geen grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een rijksprojectbesluit. +i. een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 40; +j. een beschikking als bedoeld in artikel 41, eerste lid; +k. een rijksprojectbesluit; +l. een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, voorzover dat besluit geen grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een rijksprojectbesluit. **3.** De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op: a. de beroepen, bedoeld in het tweede lid, onder d en e, binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn; -b. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder l, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen; -c. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder m, binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift; -d. op een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder l en m, indien gelijktijdig beroep is ingesteld, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen. +b. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder k, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen; +c. een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder l, binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift; +d. op een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder k en l, indien gelijktijdig beroep is ingesteld, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen. **4.** Indien het beroep een bestemmingsplan of een herziening daarvan betreft waarin ingevolge artikel 13, eerste lid, onderdelen zijn aangewezen ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht, wordt het beroep behandeld vóór andere ingestelde beroepen als bedoeld in het derde lid. -**5.** Indien tegen een beschikking als bedoeld in artikel 41 een beroep anders dan ingevolge het tweede lid, onder k, openstaat, blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing. +**5.** Indien tegen een beschikking als bedoeld in artikel 41 een beroep anders dan ingevolge het tweede lid, onder j, openstaat, blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing. -**6.** Indien tegen een rijksprojectbesluit tevens een beroep anders dan overeenkomstig het tweede lid, onder l, kan worden ingesteld, blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing, met uitzondering van de bepaling waarin is aangegeven wie het beroep kan instellen. +**6.** Indien tegen een rijksprojectbesluit tevens een beroep anders dan overeenkomstig het tweede lid, onder k, kan worden ingesteld, blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing. **7.** Bij het beroep tegen een rijksprojectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op de concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, waarop dat besluit berust. @@ -1194,50 +1167,15 @@ Vervallen ### Artikel 56 -**1.** - -In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan beroep worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing of een herziening of intrekking daarvan als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder a, - -a. door degene die tijdig zijn zienswijzen omtrent het ontwerp van de concrete beleidsbeslissing kenbaar heeft gemaakt of zijn bedenkingen daartegen heeft ingebracht; -b. voor zover bij de vaststelling van de concrete beleidsbeslissing daarin wijziging is aangebracht ten opzichte van het ontwerp, door een ieder; -c. door een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig zienswijzen of bedenkingen, als bedoeld onder a, in te brengen. +**1.** Voor de toepassing van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht op een beroep als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder d en e, wordt het inbrengen van bedenkingen overeenkomstig artikel 27, eerste of tweede lid, aangemerkt als het naar voren brengen van zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht. **2.** -In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan beroep als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder d en e, worden ingesteld: - -a. voor zover het besluit strekt tot goedkeuring: - -1°. door degene, die zich tijdig op grond van artikel 27, eerste of tweede lid, tot gedeputeerde staten heeft gewend of -2°. door een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest zich overeenkomstig artikel 27, eerste of tweede lid, tot gedeputeerde staten te wenden, en -3°. in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder e, tevens door gedeputeerde staten; -b. voor zover het besluit strekt tot onthouding van goedkeuring, door een ieder. - -**3.** - -In afwijking van artikel 8.1 van de Algemene wet Bestuursrecht, kan beroep als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder h, worden ingesteld: - -a. voor zover het besluit strekt tot verlening van vrijstelling: - -1°. door degene die zich tijdig op grond van artikel 33, derde lid, tot gedeputeerde staten heeft gewend of -2°. door een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest zich overeenkomstig artikel 23, eerste lid, onder c, tot gedeputeerde staten te wenden; -b. voor zover het besluit strekt tot weigering van vrijstelling, door een ieder. - -**4.** - -In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend beroep worden ingesteld door: +In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld door uitsluitend: a. het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam tegen een besluit van gedeputeerde staten tot onthouding van goedkeuring aan een regionaal structuurplan of een herziening daarvan; b. het in eerste aanleg bevoegde gezag tegen een besluit houdende een aanwijzing krachtens artikel 41, vierde lid. -**5.** - -In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan beroep als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder l, worden ingesteld door: - -a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het rijksprojectbesluit; -b. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp zijn aangebracht; -c. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het rijksprojectbesluit. - ### Artikel 56a In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de beroepstermijn aan: @@ -1246,7 +1184,7 @@ a. in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder b, met ingang van d b. in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder d, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig artikel 28, zesde lid of artikel 29, derde lid; c. in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder e, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van Onze Minister overeenkomstig artikel 29, zevende lid; d. in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder f, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van gedeputeerde staten overeenkomstig artikel 28, zesde lid; -e. in een geval als bedoeld in artikel 56, vierde lid, onder b, met ingang van de dag na die waarop de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, is gegeven; +e. in een geval als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onder b, met ingang van de dag na die waarop de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, is gegeven; f. voor beroepen tegen een of meer concrete beleidsbeslissingen of een herziening daarvan, in een planologische kernbeslissing die de grondslag vormt voor een rijksprojectbesluit of voor een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het rijksprojectbesluit of de herziening daarvan dan wel tegen een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van de planologische kernbeslissing of de herziening daarvan een daarop berustend rijksprojectbesluit onderscheidenlijk een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken; g. voor een beroep tegen een rijksprojectbesluit dat de grondslag vormt voor een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van het rijksprojectbesluit een daarop berustend besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken; dit onderdeel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in onderdeel f.