2019-01-01 | BWBR0034271 | Besluit vergoedingen Kernenergiewet

This commit is contained in:
Coornhert 2019-01-01 12:00:00 +00:00
parent 48df294303
commit b28627c93f

View file

@ -27,7 +27,7 @@ b. meerdere technische of organisatorische processen van een inrichting als bedo
### Artikel 2
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet voor het vervoer van splijtstoffen, genoemd in bijlage I van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen bedraagt € 3.680 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 3.480.
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet voor het vervoer van splijtstoffen, genoemd in bijlage I van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen bedraagt € 3.680 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 3.680.
### Artikel 3
@ -35,15 +35,15 @@ Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet voor de verlening van een vergunning voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet, bedraagt:
a. € 6.624 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 6.264 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet;
b. € 3.680 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 3.480 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet.
a. € 6.624 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 6.624 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet;
b. € 3.680 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 3.680 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet.
**2.**
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning aan een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet bedraagt:
a. € 16.928 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 16.008 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet;
b. € 8.648 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 8.178 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet.
a. € 16.928 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 16.928 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet;
b. € 8.648 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 8.648 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet.
### Artikel 4
@ -51,17 +51,17 @@ b. € 8.648 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 8.178 indien bij de voor
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor de oprichting van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
a. € 755.280 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 717.900 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 377.640 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 358.950 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 251.760 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 239.300 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
a. € 755.280 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 766.800 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 377.640 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 383.400 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 251.760 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 255.600 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
**2.**
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor de oprichting van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
a. € 3.776.400 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 3.589.500 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 1.888.200 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 1.794.750 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 1.007.040 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 957.200 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
a. € 3.776.400 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 3.834.000 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 1.888.200 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 1.917.000 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 1.007.040 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 1.022.400 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
### Artikel 5
@ -69,17 +69,17 @@ c. € 1.007.040 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 957.200 indien het e
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
a. € 251.760 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 239.300 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 251.760 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 239.300 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 125.880 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 119.650 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
a. € 251.760 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 255.600 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 251.760 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 255.600 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 125.880 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 127.800 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
**2.**
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
a. € 1.258.800 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 1.196.500 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 755.280 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 717.900 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 377.640 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 358.950 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
a. € 1.258.800 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 1.278.000 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 755.280 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 766.800 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 377.640 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 383.400 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
### Artikel 6
@ -87,17 +87,17 @@ c. € 377.640 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 358.950 indien het een
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het buiten gebruik stellen of het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
a. € 125.880 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 119.650 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 62.940 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 59.825 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 31.470 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 29.912 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
a. € 125.880 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 127.800 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 62.940 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 63.900 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 31.470 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 31.950 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
**2.**
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor het buiten gebruik stellen of ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
a. € 62.940 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 59.825 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 31.470 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 29.912 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 31.470 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 29.912 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
a. € 62.940 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 63.900 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 31.470 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 31.950 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 31.470 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 31.950 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
### Artikel 7
@ -105,17 +105,17 @@ c. € 31.470 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 29.912 indien het een a
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een wijziging van een vergunning als bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, en 6, eerste lid, bedraagt:
a. € 13.984 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 13.224 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
b. € 6.624 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 6.264 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
c. € 53.728 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 50.808 indien het een gecompliceerd besluit betreft.
a. € 13.984 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 13.984 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
b. € 6.624 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 6.624 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
c. € 53.728 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 53.728 indien het een gecompliceerd besluit betreft.
**2.**
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een wijziging van een vergunning als bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, en 6, eerste lid, bedraagt:
a. € 27.232 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 25.752 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
b. € 14.352 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 13.572 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
c. € 90.528 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 85.608 indien het een gecompliceerd besluit betreft.
a. € 27.232 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 27.232 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
b. € 14.352 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 14.352 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
c. € 90.528 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 90.528 indien het een gecompliceerd besluit betreft.
**3.**
@ -130,24 +130,24 @@ b. een wijziging van meerdere technische of organisatorische processen van een i
Het bedrag dat jaarlijks verschuldigd is voor de periode vanaf het moment waarop een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet in bedrijf is gegaan tot het moment waarop de vergunningen op grond van artikel 15, onderdeel b, zijn ingetrokken bedraagt:
a. € 668.932 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 634.145 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 36.708 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 35.895 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
c. € 236.348 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 227.335 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
d. € 178.204 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 167.510 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a, b en c genoemd.
a. € 668.932 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 677.340 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 36.708 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 38.340 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
c. € 236.348 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 242.820 indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
d. € 178.204 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 178.920 indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a, b en c genoemd.
**2.**
Het bedrag dat verschuldigd is voor de beoordeling van het document waarin de houder van een vergunning op grond van artikel 15, onder b, van de wet ten minste eens in de tien jaar aan de Autoriteit verslag doet inzake de nucleaire veiligheid van de onder zijn beheer zijnde kerninstallatie bedraagt:
a. € 600.944 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 574.320 indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 320.344 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 299.125 indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting met een capaciteit van ten minste 10 megawatt waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 185.472 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 179.475 indien het een beoordeling betreft van een verslag betreft ten behoeve van een andere inrichting dan in onderdelen a en b genoemd.
a. € 600.944 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 613.440 indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 320.344 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 319.500 indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting met een capaciteit van ten minste 10 megawatt waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 185.472 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 191.700 indien het een beoordeling betreft van een verslag betreft ten behoeve van een andere inrichting dan in onderdelen a en b genoemd.
### Artikel 9
**1.** De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden met € 13.248 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 12.528 verhoogd indien een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet worden gemaakt.
**1.** De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden met € 13.248 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 13.248 verhoogd indien een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet worden gemaakt.
**2.** De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden met € 14.784 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 15.372 verhoogd indien daarbij de Commissie voor de milieueffectrapportage, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, een advies moet gegeven.
**2.** De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden met € 14.784 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 15.661 verhoogd indien daarbij de Commissie voor de milieueffectrapportage, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, een advies moet gegeven.
**3.** Indien een extern advies wordt gevraagd worden de bedragen, bedoeld in de artikelen 4, 5, 6, 7, eerste lid, onderdeel c, tweede lid, onderdeel c, en 8, tweede lid, met de kosten van het externe advies verhoogd.
@ -155,21 +155,21 @@ c. € 185.472 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 179.475 indien het een
De bedragen, bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden verhoogd met:
a. € 250 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 260 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede of vierde lid, van de wet;
b. € 20.000 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 20.795 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet;
c. € 10.000 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 10.398 indien van het ontwerp van het te nemen en van het genomen besluit op basis van een wettelijk voorschrift kennis is gegeven in het buitenland;
d. € 10.000 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 10.398 indien op basis van een wettelijk voorschrift een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is gemaakt en een kennisgeving als bedoeld in artikel 7.27, vierde lid, van de Wet milieubeheer in Nederland is geplaatst;
e. € 5.000 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 5.199 indien op basis van een wettelijk voorschrift een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is gemaakt en een kennisgeving als bedoeld in artikel 7.27, vierde lid, van de Wet milieubeheer in het buitenland is geplaatst.
a. € 250 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 264 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede of vierde lid, van de wet;
b. € 20.000 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 21.186 indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet;
c. € 10.000 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 10.593 indien van het ontwerp van het te nemen en van het genomen besluit op basis van een wettelijk voorschrift kennis is gegeven in het buitenland;
d. € 10.000 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 10.593 indien op basis van een wettelijk voorschrift een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is gemaakt en een kennisgeving als bedoeld in artikel 7.27, vierde lid, van de Wet milieubeheer in Nederland is geplaatst;
e. € 5.000 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 5.296 indien op basis van een wettelijk voorschrift een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is gemaakt en een kennisgeving als bedoeld in artikel 7.27, vierde lid, van de Wet milieubeheer in het buitenland is geplaatst.
### Artikel 10
**1.** Het bedrag dat verschuldigd is voor een inschrijving of de verlenging van een inschrijving in het register voor stralingsartsen als bedoeld in artikel 7.22, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 500 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 520.
**1.** Het bedrag dat verschuldigd is voor een inschrijving of de verlenging van een inschrijving in het register voor stralingsartsen als bedoeld in artikel 7.22, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 500 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 529.
**2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor een inschrijving of de verlenging van een inschrijving in het register als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 500 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 520.
**2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor een inschrijving of de verlenging van een inschrijving in het register als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 500 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 529.
**3.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een erkenning van een instelling voor een opleiding op het gebied van stralingsbescherming als bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 1.500 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 1.560.
**3.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een erkenning van een instelling voor een opleiding op het gebied van stralingsbescherming als bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 1.500 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 1.589.
**4.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een erkenning als bedoeld in artikel 7.15, tweede lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 5.000 van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019: € 5.199.
**4.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een erkenning als bedoeld in artikel 7.15, tweede lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 5.000 van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020: € 5.296.
### Artikel 11