2002-07-01 | BWBR0002682 | Wet verontreiniging oppervlaktewateren
This commit is contained in:
parent
d94677e7ec
commit
b2b7339027
1 changed files with 58 additions and 35 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet verontreiniging oppervlaktewateren
|
|||
bwb_id: BWBR0002682
|
||||
type: wet
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1970-12-01'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2002-07-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0002682
|
||||
citeertitel: Wet verontreiniging oppervlaktewateren
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -16,7 +16,7 @@ citeertitel: Wet verontreiniging oppervlaktewateren
|
|||
|
||||
**1.** Het is verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.
|
||||
|
||||
**2.** Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een lozing met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten. Deze uitzondering geldt niet voor lozingen waarbij door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen in oppervlaktewateren worden gebracht en voor lozingen vanuit door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soorten van inrichtingen, voor lozingen van ten minste een door Ons bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid verontreinigende stoffen of afvalwater, alsmede voor lozingen met behulp van een werk, niet zijnde een voorziening als bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat is aangesloten op een zuiveringtechnisch werk, in beheer bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam voor het zuiveren van afvalwater.
|
||||
**2.** Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een lozing met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten. Deze uitzondering geldt niet voor lozingen waarbij door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen in oppervlaktewateren worden gebracht en voor lozingen vanuit door Ons bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soorten van inrichtingen, voor lozingen van ten minste een door Ons bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen hoeveelheid verontreinigende stoffen of afvalwater, alsmede voor lozingen met behulp van een werk, niet zijnde een voorziening als bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, dat is aangesloten op een inrichting voor het zuiveren van afvalwater, in beheer bij een waterschap of gemeente of in exploitatie bij een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap is belast met de zuivering van stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 15a.
|
||||
|
||||
**3.** Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen Wij mede bepalen dat ten aanzien van alle of van bepaalde oppervlaktewateren het brengen op welke wijze ook van daarbij aan te geven soorten van stoffen als bedoeld in het eerste lid in oppervlaktewateren is verboden. Voorzover hierin door Ons niet bij algemene maatregel van bestuur is voorzien, kunnen provinciale staten bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk te brengen in oppervlaktewateren, als bedoeld in artikel 3, tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -55,9 +55,7 @@ Het is verboden afvalstoffen waarop de EEG-verordening overbrenging van afvalsto
|
|||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**1.** Indien uit enig oppervlaktewater verontreinigd of schadelijk water in een ander oppervlaktewater wordt geloosd hetzij door natuurlijke afstroming, hetzij op kunstmatige wijze, kan het met betrekking tot het ontvangende water uit hoofde van artikel 3 bevoegde gezag aan het openbaar lichaam, dat belast is met de zorg voor de goede hoedanigheid van het lozende water bij daartoe strekkende beschikking een verklaring van ongenoegzaamheid bekendmaken.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de kwaliteit van een oppervlaktewater waarvoor een verklaring van ongenoegzaamheid is bekendgemaakt, genoegzaam is verbeterd, dan wel de uitvoering van de daartoe tot stand te brengen werken op genoegzame wijze is ter hand genomen, wordt deze verklaring op verzoek van het openbaar lichaam waaraan zij is bekendgemaakt, ingetrokken.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2a
|
||||
|
||||
|
|
@ -113,15 +111,21 @@ c. de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt.
|
|||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk II. De vergunning; de verklaring
|
||||
## Hoofdstuk II. De vergunning
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk, de territoriale wateren hieronder begrepen, wordt voorzover die oppervlaktewateren niet bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid bedoeld zijn aangewezen, een vergunning als in artikel 1, eerste en derde lid bedoeld verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken, en een verklaring als in artikel 2 bedoeld bekendgemaakt of ingetrokken door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden tot de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk mede gerekend de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen door anderen beheerde oppervlaktewateren die met de oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk in open verbinding staan. Over een voordracht voor een zodanige algemene maatregel van bestuur stelt Onze Minister de kwaliteitsbeheerders van de betrokken oppervlaktewateren in de gelegenheid hun oordeel te geven.
|
||||
**1.** Ten aanzien van oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk, de territoriale wateren hieronder begrepen, wordt voorzover die oppervlaktewateren niet bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als in het tweede lid bedoeld zijn aangewezen, een vergunning als in artikel 1, eerste en derde lid bedoeld verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden tot de oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk mede gerekend de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen door anderen beheerde oppervlaktewateren die met de oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk in open verbinding staan. Over een voordracht voor een zodanige algemene maatregel van bestuur stelt Onze Minister de besturen van de waterschappen die het bevoegde gezag zijn voor de betrokken oppervlaktewateren in de gelegenheid hun oordeel te geven.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van andere dan in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren, alsmede ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren, welke daartoe na overleg met gedeputeerde staten bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, wordt een vergunning als in artikel 1, eerste en derde lid bedoeld verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken, of een verklaring als in artikel 2 bedoeld bekendgemaakt of ingetrokken, behoudens voorzover aan artikel 6, eerste lid, toepassing is gegeven, door gedeputeerde staten van de provincie waarin deze oppervlaktewateren zijn gelegen.
|
||||
**2.** Ten aanzien van andere dan de in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren, alsmede ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde oppervlaktewateren welke daartoe na overleg met gedeputeerde staten bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken door de besturen van de waterschappen waarbij die oppervlaktewateren in beheer zijn onderscheidenlijk door de besturen van de waterschappen in het gebied waarvan de bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewateren zijn gelegen.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een lozing in de zin van artikel 1, tweede lid, ten aanzien waarvan een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, is vereist, plaatsvindt na zuivering in een inrichting in beheer bij een provincie of bij een openbaar lichaam ten aanzien waarvan artikel 6, eerste lid, toepassing heeft gevonden, wordt de vergunning verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken door die provincie of door dat openbaar lichaam, na overleg met het met betrekking tot het ontvangende water bevoegde gezag. Bij wijziging of intrekking van de vergunning geschiedt de toekenning van schadevergoeding, als bedoeld in artikel 9 door en ten laste van laatstbedoeld gezag.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Ten aanzien van een lozing in de zin van artikel 1, tweede lid, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, is vereist, wordt die vergunning verleend, geweigerd, gewijzigd of ingetrokken:
|
||||
|
||||
– indien de lozing plaats vindt na zuivering in een inrichting in beheer bij een waterschap: door het bestuur van dat waterschap dan wel , indien dat waterschap door een ander waterschap met die zuivering is belast, door het bestuur van dat andere waterschap na overleg met het bestuur van eerstbedoeld waterschap
|
||||
– indien de lozing plaats vindt na zuivering in een inrichting in exploitatie bij een rechtspersoon, die door het bestuur van een waterschap met die zuivering is belast: door het bestuur van dat waterschap
|
||||
– indien de lozing plaats vindt na zuivering in een inrichting buiten de hiervoor bedoelde gevallen: door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap als het ingevolge het eerste onderscheidenlijk tweede lid voor het ontvangende oppervlaktewater bevoegde gezag.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
|
|
@ -137,9 +141,7 @@ Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen vastgesteld met betrekk
|
|||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.** Provinciale staten kunnen in de verordeningen, bedoeld in het eerste lid van artikel 5, de bevoegdheid tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning geheel of gedeeltelijk toekennen, alsmede de uitvoering en handhaving van die verordeningen geheel of gedeeltelijk opdragen aan besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders, van gemeenten en van bepaalde andere openbare lichamen.
|
||||
|
||||
**2.** Openbare lichamen, aan de besturen waarvan provinciale staten de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid hebben toegekend, kunnen bij verordening nadere regelen stellen met betrekking tot de uitoefening van deze bevoegdheid. Deze verordeningen worden door tussenkomst van gedeputeerde staten toegezonden aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
|
|
@ -263,15 +265,17 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IIB. Inventarisatie en metingen
|
||||
## Hoofdstuk IIb. Inventarisatie en metingen
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
Voor de oppervlaktewateren, met betrekking tot welke hij uit hoofde van artikel 3, eerste lid, het bevoegde gezag is, stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, en voor andere dan de in artikel 3, eerste lid, bedoelde oppervlaktewateren stellen gedeputeerde staten van de provincie waarin die wateren zijn gelegen een inventarisatie op - of, indien artikel 6, eerste lid, toepassing heeft gevonden ten aanzien van een of meer openbare lichamen, doen gedeputeerde staten door die openbare lichamen een inventarisatie opstellen - van het brengen in oppervlaktewater van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen, een en ander volgens bij die maatregelen te stellen regelen. Deze inventarisatie wordt ten minste eens in de drie jaren herzien. Gedeputeerde staten stellen Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de uitkomst van de door hen opgestelde inventarisatie, onderscheidenlijk van de inventarisatie die zij hebben doen opstellen, ter beschikking.
|
||||
**1.** Voor de oppervlaktewateren met betrekking tot welke Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ingevolge artikel 3, eerste lid, het bevoegde gezag is, stelt deze een inventarisatie op van het brengen in oppervlaktewateren van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen stoffen, een en ander volgens bij die maatregel te stellen regels. Deze inventarisatie wordt tenminste eens in de drie jaar herzien.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van oppervlaktewateren voor welke besturen van waterschappen het bevoegde gezag zijn, met dien verstande dat gedeputeerde staten de inventarisatie doen opstellen door die besturen en de uitkomst van die inventarisatie ter beschikking stellen van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 14a
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt iedere twee jaar een rapport op, waarin de stand van zaken wordt beschreven met betrekking tot lozingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, vanuit een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam voor het zuiveren van afvalwater.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt iedere twee jaar een rapport op, waarin de stand van zaken wordt beschreven met betrekking tot lozingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, vanuit een inrichting voor het zuiveren van afvalwater, in beheer bij een waterschap of gemeente dan wel in exploitatie bij een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap is belast met de zuivering van stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 15a.
|
||||
|
||||
**2.** Van de vaststelling van het rapport wordt mededeling gedaan in de *Staatscourant*.
|
||||
|
||||
|
|
@ -281,6 +285,18 @@ Voor de oppervlaktewateren, met betrekking tot welke hij uit hoofde van artikel
|
|||
|
||||
Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen omtrent het verrichten van metingen van de waterkwaliteit in oppervlaktewateren.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IIc. Zuivering stedelijk afvalwater
|
||||
|
||||
### Artikel 15a
|
||||
|
||||
**1.** Zuivering van stedelijk afvalwater geschiedt in een inrichting voor de zuivering van rioolwater in beheer bij een waterschap dan wel in exploitatie bij een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met die zuivering is belast.
|
||||
|
||||
**2.** Voor het in dit artikel bepaalde wordt onder stedelijk afvalwater verstaan huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater, gebracht in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.15, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in beheer van een gemeente.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid kunnen het bestuur van het betrokken waterschap en het bestuur van een betrokken gemeente op voorstel van één van beide besturen besluiten, dat de zuivering van daarbij aangewezen stedelijk afvalwater in die gemeente, vanaf een daarbij te bepalen tijdstip, geschiedt in een inrichting voor de zuivering van rioolwater in beheer bij die gemeente. Een besluit als bedoeld in de vorige volzin kan slechts worden genomen op grond dat zulks aantoonbaar doelmatiger is voor de zuivering van stedelijk afvalwater.
|
||||
|
||||
**4.** Het bestuur van het waterschap en het bestuur van de betrokken gemeente beslissen op een voorstel als bedoeld in het derde lid, binnen één jaar na de dag waarop het door het bestuur van de betrokken gemeente dan wel door het bestuur van het waterschap is ontvangen. Bij gebreke van overeenstemming binnen die termijn beslissen, de beide besturen gehoord, gedeputeerde staten.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Beroep op de administratieve rechter
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
|
@ -312,20 +328,20 @@ Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt ve
|
|||
a. de Algemene wet: de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
|
||||
b. het hoofd: het hoofd van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren;
|
||||
c. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;
|
||||
d. bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte;
|
||||
d. bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering;
|
||||
e. riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die bij een gemeente in beheer is;
|
||||
f. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;
|
||||
g. kwaliteitsbeheerder: het openbaar lichaam waarvan een orgaan bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge deze wet;
|
||||
h. rijkswater: oppervlaktewater ten aanzien waarvan het Rijk kwaliteitsbeheerder is;
|
||||
i. afvoeren: direct of indirect brengen in oppervlaktewater, waarvoor de kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is;
|
||||
i. afvoeren: direct of indirect brengen als bedoeld in artikel 18, eerste lid;
|
||||
j. ingenomen water: geleverd drink- en industriewater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;
|
||||
k. heffing: heffing als bedoeld in artikel 18, eerste lid;
|
||||
k. stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook als bedoeld in artikel 1, eerste lid;
|
||||
l. drinkwater: water als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Waterleidingwet;
|
||||
m. waterleidingbedrijf: een bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Waterleidingwet.
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk, is bevoegd ter bestrijding van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het afvoeren van stoffen.
|
||||
**1.** Een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk, is bevoegd ter bestrijding van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor de kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is.
|
||||
|
||||
**2.** Onder de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren worden mede geacht te zijn begrepen, de verschuldigde heffingen en de verschuldigde verontreinigingsheffing rijkswateren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -345,9 +361,14 @@ a. gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt als ge
|
|||
b. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
|
||||
c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Degene bij wie een riolering of een zuiveringtechnisch werk in beheer is kan indien daarop geen voorafgaande zuivering plaatsvindt slechts voor de met behulp daarvan afgevoerde stoffen aan een heffing onderworpen worden voorzover hij die zelf op die riolering of dat zuiveringtechnisch werk heeft gebracht. Indien stoffen met behulp van een zuiveringtechnisch werk waarop voorafgaande zuivering plaatsvindt worden afgevoerd, kan slechts degene bij wie een riolering of een zuiveringtechnisch werk in beheer is voor die stoffen aan een heffing onderworpen worden.
|
||||
**5.** Indien stoffen door middel van een zuiveringtechnisch werk waarop geen voorafgaande zuivering plaatsvindt of door middel van een riolering worden afgevoerd kan de kwaliteitsbeheerder de beheerder van dat werk slechts voor de stoffen die de beheerder zelf op dat werk heeft gebracht aan een heffing onderwerpen.
|
||||
|
||||
**6.** Indien stoffen met behulp van een zuiveringtechnisch werk dat bij een kwaliteitsbeheerder in beheer is worden afgevoerd kan in afwijking van het vijfde lid slechts die kwaliteitsbeheerder voor die stoffen aan een heffing onderworpen worden.
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De kwaliteitsbeheerder kan voor de stoffen die door middel van een zuiveringtechnisch werk worden afgevoerd slechts de beheerder van dat werk aan een heffing onderwerpen indien:
|
||||
|
||||
a. op dat werk voorafgaande zuivering plaatsvindt; of
|
||||
b. dat werk in beheer is bij een andere kwaliteitsbeheerder.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
|
|
@ -386,7 +407,7 @@ Door vernummering vervallen.
|
|||
|
||||
**2.** Meting, bemonstering en analyse geschieden door de heffingplichtige gedurende elk etmaal van het kalenderjaar overeenkomstig het door de kwaliteitsbeheerder krachtens het derde lid bepaalde.
|
||||
|
||||
**3.** Nadere regels omtrent meting, bemonstering en analyse worden gegeven bij belastingverordening van de kwaliteitsbeheerder.
|
||||
**3.** Nadere regels omtrent meting, bemonstering, analyse en berekening worden gegeven bij belastingverordening van de kwaliteitsbeheerder.
|
||||
|
||||
**4.** Op aanvraag van de gebruiker staat de kwaliteitsbeheerder onder nader te stellen voorwaarden toe dat voor het aantal etmalen dat meting, bemonstering en analyse geschieden, wordt afgeweken van het tweede lid indien door de gebruiker aannemelijk wordt gemaakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -398,10 +419,10 @@ Door vernummering vervallen.
|
|||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
De kwaliteitsbeheerder kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen indien door de gebruiker:
|
||||
De kwaliteitsbeheerder kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen indien door de heffingplichtige:
|
||||
|
||||
a. zonder de in het vierde lid bedoelde toestemming niet is voldaan aan de in het tweede lid genoemde verplichting;
|
||||
b. niet is voldaan aan de in het eerste lid genoemde verplichting en bepaling van de vervuilingswaarde overeenkomstig de artikelen 21, eerste, derde, of vijfde lid of van artikel 22, eerste lid of vierde lid niet mogelijk is;
|
||||
b. niet is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting en de bepaling op basis van artikel 21, eerste, derde of zesde lid of van artikel 22, eerste of vierde lid, van de vervuilingswaarde niet mogelijk is dan wel bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 22, vierde lid, van de vervuilingswaarde wel mogelijk is en door de heffingplichtige gedurende het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in artikel 22, vierde lid, is gedaan;
|
||||
c. niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in het vierde lid bedoelde toestemming;
|
||||
d. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in overeenstemming met het daaromtrent door de kwaliteitsbeheerder krachtens het derde lid bepaalde.
|
||||
|
||||
|
|
@ -411,13 +432,17 @@ d. meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in overeens
|
|||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 20, eerste lid, bedraagt de vervuilingswaarde van de stoffen, die in een kalenderjaar vanuit een bedrijfsruimte worden afgevoerd drie vervuilingseenheden indien door de heffingplichtige aannemelijk gemaakt is, dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en één vervuilingseenheid indien door de heffingplichtige aannemelijk gemaakt is dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen, die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.
|
||||
|
||||
**4.** Indien in de loop van een kalenderjaar het gebruik van een woonruimte door een gebruiker aanvangt of eindigt wordt deze voor een evenredig gedeelte van het op basis van het eerste lid bepaalde aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van artikel 20, eerste lid, bedraagt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar vanuit een bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, waarbinnen in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf onder een permanente opstand van glas of van kunststof het telen van gewassen plaatsvindt, worden afgevoerd drie vervuilingseenheden per hectare permanente opstand.
|
||||
**5.** In afwijking van artikel 20, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het zesde lid.
|
||||
|
||||
**6.** Indien toepassing van het vijfde lid met betrekking tot een bedrijfsruimte leidt tot een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt de vervuilingswaarde met betrekking tot die bedrijfsruimte bepaald met toepassing van het derde lid in plaats van het vijfde lid.
|
||||
**6.** De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.
|
||||
|
||||
**7.** Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het vijfde lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel van een deel daarvan door de gebruiker aanvangt of eindigt wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het zesde lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.
|
||||
|
||||
**8.** Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op basis van het zesde of zevende lid van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 21a
|
||||
|
||||
|
|
@ -459,7 +484,7 @@ B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in het derde lid o
|
|||
|
||||
De onderstaande tabel bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en afvalwatercoëfficiënten:
|
||||
|
||||
| Klasse | Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per ^3 ingenomen water | Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m^3 ingenomen water in het heffingsjaar | |
|
||||
| Klasse | Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per m^3 ingenomen water | Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m^3 ingenomen water in het heffingsjaar | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| | ondergrens | bovengrens | |
|
||||
| 1 | > 0 | 0,0013 | 0,0010 |
|
||||
|
|
@ -478,13 +503,13 @@ De onderstaande tabel bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en afvalwater
|
|||
| 14 | > 0,27 | 0,42 | 0,33 |
|
||||
| 15 | > 0,42 | | 0,5 |
|
||||
|
||||
**4.** Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte meer dan 1000 bedraagt en door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de berekening van dit aantal overeenkomstig het eerste lid niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening van dit aantal overeenkomstig artikel 20, eerste lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte meer dan 1000 bedraagt en door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de berekening van dit aantal overeenkomstig het eerste lid niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening van dit aantal overeenkomstig artikel 20, eerste lid, is het eerste lid op verzoek van de heffingplichtige van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
**1.** Onder de naam verontreinigingsheffing rijkswateren vindt een heffing plaats ter bestrijding van de kosten van het Rijk van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van rijkswater.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 17, 19, 20, 21 derde, vijfde en zesde lid en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op de verontreinigingsheffing rijkswateren.
|
||||
**2.** De artikelen 17, 19, 20, 21 derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op de verontreinigingsheffing rijkswateren.
|
||||
|
||||
**3.** De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in rijkswater.
|
||||
|
||||
|
|
@ -523,9 +548,9 @@ b. voor de groep van stoffen kwik, cadmium en arseen: 0,006.
|
|||
|
||||
**12.** Het elfde lid vindt geen toepassing met betrekking tot de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.
|
||||
|
||||
**13.** Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een woonruimte door een gebruiker aanvangt of eindigt, is deze voor een evenredig gedeelte van het op basis van het twaalfde lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen.
|
||||
**13.** Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een woonruimte door een gebruiker aanvangt of eindigt, is deze voor een evenredig gedeelte van het op basis van het elfde lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan de verontreinigingsheffing rijkswateren onderworpen.
|
||||
|
||||
**14.** Nadere regels met betrekking tot meting, bemonstering en analyse en de in artikel 20, zevende lid, bedoelde correctie worden voor de verontreinigingsheffing rijkswateren gegeven bij algemene maatregel van bestuur.
|
||||
**14.** Nadere regels met betrekking tot meting, bemonstering, analyse en berekening en de in artikel 20, zevende lid, bedoelde correctie worden voor de verontreinigingsheffing rijkswateren gegeven bij algemene maatregel van bestuur.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
|
|
@ -567,9 +592,7 @@ b. monsters te nemen van het afvalwater dat direct of indirect in rijkswater wor
|
|||
|
||||
**10.** Artikel 55 van de Algemene wet is met betrekking tot de omvang van de geleverde hoeveelheid drinkwater van overeenkomstige toepassing op waterleidingbedrijven.
|
||||
|
||||
**11.** Voor de toepassing van de artikelen 9, vierde lid, en 18, derde lid, van de Algemene wet, wordt met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld het vervallen van het recht tot strafvordering op de voet van artikel 74 en 74a van het Wetboek van Strafrecht.
|
||||
|
||||
**12.** Het hoofd neemt ten aanzien van de verontreinigingsheffing rijkswateren het besluit, bedoeld in artikel 20, vierde lid.
|
||||
**11.** Het hoofd neemt ten aanzien van de verontreinigingsheffing rijkswateren het besluit, bedoeld in artikel 20, vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue