2010-01-01 | BWBR0011453 | Wet studiefinanciering 2000

This commit is contained in:
Coornhert 2010-01-01 12:00:00 +00:00
parent c13f3b0e44
commit b2bd5a18a1

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet studiefinanciering 2000
bwb_id: BWBR0011453
type: wet
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2004-06-30'
datum_inwerkingtreding: '2010-01-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0011453
citeertitel: Wet studiefinanciering 2000
---
@ -39,13 +39,11 @@ b. voor wat betreft de hoofdstukken 5 en 10 het examen, bedoeld in artikel 7.10a
**hoger onderwijs**: wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs als bedoeld in paragraaf 2.3 en in artikel 2.14,
**IB-Groep**: Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank,
**lening**: rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift, onverminderd omzetting, bedoeld in artikel 10.8,
**masteropleiding**: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die is geaccrediteerd als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of die de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t, van die wet, met positief gevolg heeft ondergaan,
**onderwijsnummer**: door de IB-Groep uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt,
**onderwijsnummer**: door Onze Minister uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt,
**Onze Minister**: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
@ -53,13 +51,13 @@ b. voor wat betreft de hoofdstukken 5 en 10 het examen, bedoeld in artikel 7.10a
a. assistentopleiding en basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
b. andere opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel f, van die wet, waarvan bij ministeriële regeling is aangegeven dat deze voor de toepassing van deze wet wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2, en
c. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan de IB-Groep heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,
c. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,
**opleiding niveau 3 of 4**:
a. vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
b. andere opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel f, van die wet, waarvan bij ministeriële regeling is aangegeven dat deze voor de toepassing van deze wet wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4, en
c. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan de IB-Groep heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4,
c. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4,
**ouder**: natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van de artikelen 197 tot en met 232 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
@ -69,15 +67,19 @@ c. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan de IB-Groe
**prestatiebeurs**: rentedragende lening die onder voorwaarden kan worden omgezet in een gift, waarbij de rente teniet gaat, niet zijnde de rentedragende lening die niet kan worden omgezet in een gift,
**reisrecht**: recht om te reizen als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid,
**reisvoorziening**: voorziening als bedoeld in artikel 3.7 en paragraaf 3.7,
**RSR**: Regisseur Studenten Reisrecht, de rechtspersoon die in opdracht van het vervoerbedrijf tot taak heeft de digitale administratie van de OV-chipkaart voor studerenden te voeren,
**specialistenopleiding**: specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
**student**: degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde een extraneus,
**studerende**: deelnemer of student,
**studiefinanciering**: door de IB-Groep verstrekte toekenning in verband met het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs of in het hoger onderwijs waarop uitsluitend op grond van deze wet aanspraak bestaat,
**studiefinanciering**: door Onze Minister verstrekte toekenning in verband met het volgen van een opleiding in het beroepsonderwijs of in het hoger onderwijs waarop uitsluitend op grond van deze wet aanspraak bestaat,
**studiefinancieringstijdvak**: kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste 1 kalendermaand is,
@ -96,6 +98,8 @@ c. opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan de IB-Groe
**veronderstelde ouderlijke bijdrage**: bedrag dat verondersteld wordt door de ouders bijgedragen te worden waarmee de aanvullende beurs van de studerende wordt verminderd,
**vervoerbedrijf**: rechtspersoon die op grond van een overeenkomst met de Staat als partij of als derde verantwoordelijk is voor de uitvoering van het reisrecht,
**voltijdse opleiding**: opleiding in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met uitzondering van deeltijds onderwijs,
**vreemdeling**: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000,
@ -122,7 +126,7 @@ Vervallen
### Artikel 1.5
**1.** Indien bij controle door de IB-Groep blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, maakt de IB-Groep dit aan hem bekend en stelt hem in de gelegenheid de afwijking te herstellen.
**1.** Indien bij controle door Onze Minister blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, maakt Onze Minister dit aan hem bekend en stelt hem in de gelegenheid de afwijking te herstellen.
**2.** Indien een uitwonende studerende de afwijking niet binnen 4 weken na de bekendmaking herstelt, wordt met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, de aan hem toegekende beurs omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende, tenzij hem van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
@ -136,11 +140,11 @@ Vervallen
**1.**
De IB-Groep gebruikt het burgerservicenummer of onderwijsnummer van een studerende of debiteur ter zake van de uitvoering van deze wet slechts:
Onze Minister gebruikt het burgerservicenummer of onderwijsnummer van een studerende of debiteur ter zake van de uitvoering van deze wet slechts:
a. in contacten met die studerende of debiteur,
b. in contacten met personen en instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie, en
c. teneinde de gegevens van die studerende of debiteur te vergelijken met de gegevens die over hem zijn opgenomen in het basisregister onderwijs, bedoeld in artikel 9a van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank, voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet.
c. teneinde de gegevens van die studerende of debiteur te vergelijken met de gegevens die over hem zijn opgenomen in het basisregister onderwijs, bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht, voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet.
**2.** Het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de partner of ouder van een studerende of debiteur kan ter zake van de uitvoering van deze wet slechts worden gebruikt in contacten met die partner of ouder of met de desbetreffende studerende of debiteur, alsmede, voorzover het betreft de controle op de rechtmatigheid, in contacten met personen en instanties voorzover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of onderwijsnummer in een persoonsregistratie.
@ -204,7 +208,7 @@ b. een instelling die ten aanzien van de beroepsopleiding het in artikel 1.4.1 v
**1.** Een deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar.
**2.** De aanspraak op studiefinanciering van een deelnemer als bedoeld in artikel 2.4, die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen, stages of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, aan de IB-Groep heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
**2.** De aanspraak op studiefinanciering van een deelnemer als bedoeld in artikel 2.4, die gedurende een aaneengesloten periode van 8 weken geen lessen, stages of beroepspraktijkvorming heeft gevolgd, vervalt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de instelling de afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, aan Onze Minister heeft medegedeeld. De periode van 8 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
**3.** De aanspraak op studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een deelnemer de gegevens, bedoeld in artikel 4.19, niet verstrekt. Zolang hij deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert, herleeft de aanspraak.
@ -277,7 +281,7 @@ Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreve
a. waarvan het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar is met overeenkomstige Nederlandse opleidingen in de zin van de WEB en waarvan het afsluitend examen vergelijkbaar is met een afsluitend examen voor een opleiding in de zin van de WEB, en
b. die overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria.
**2.** De IB-Groep stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. De IB-Groep stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4.
**2.** Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister stelt tevens vast of de opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4. De opleiding wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4 indien deze vergelijkbaar is met een opleiding niveau 1 of 2 onderscheidenlijk een opleiding niveau 3 of 4.
**3.** Dit artikel is niet van toepassing op deelnemers die op grond van artikel 2.2, tweede lid, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen.
@ -293,7 +297,7 @@ a. is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederl
b. is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland die, onverminderd onderdeel a, overigens voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde criteria, en
c. ten minste 3 jaren van de 6 jaren voorafgaand aan diens inschrijving aan die opleiding in Nederland heeft gewoond en gedurende deze periode rechtmatig verblijf heeft gehad.
**3.** De IB-Groep stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Indien voor een vergelijkbare opleiding of vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in Nederland de prestatiebeurs voor meer dan 4 jaren wordt verstrekt stelt de IB-Groep voor de betreffende opleiding buiten Nederland de duur van de prestatiebeurs vast op de duur van de periode gedurende welke studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs voor die opleiding in Nederland. Indien de studielast van een vergelijkbare opleiding of vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in Nederland minder dan 4 jaren betreft, stelt de IB-Groep de studielast van de opleiding buiten Nederland vast op de studielast van die opleiding in Nederland.
**3.** Onze Minister stelt vast of een opleiding buiten Nederland voldoet aan de criteria, bedoeld in het tweede lid. Indien voor een vergelijkbare opleiding of vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in Nederland de prestatiebeurs voor meer dan 4 jaren wordt verstrekt stelt Onze Minister voor de betreffende opleiding buiten Nederland de duur van de prestatiebeurs vast op de duur van de periode gedurende welke studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs voor die opleiding in Nederland. Indien de studielast van een vergelijkbare opleiding of vergelijkbaar geheel van een bacheloropleiding en een masteropleiding in Nederland minder dan 4 jaren betreft, stelt Onze Minister de studielast van de opleiding buiten Nederland vast op de studielast van die opleiding in Nederland.
**4.** Het tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op het tweede lid. Het tweede en derde lid van artikel 2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn, voor de toepassing van de eerste volzin, tevens van overeenkomstige toepassing op personen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit.
@ -388,7 +392,7 @@ b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
**1.** Aan een studerende met een partner die financieel van hem afhankelijk is en die niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, wordt een toeslag voor een partner toegekend.
**2.** Uitsluitend als financieel afhankelijk wordt aangemerkt de partner die een toetsingsinkomen heeft dat naar de maatstaf van 1 januari 2008 minder bedraagt dan € 8 129,26 Per 1 januari 2009: € 8.317,86en die de verzorging heeft van een of meer kinderen die jonger zijn dan 12 jaar waarvoor op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag bestaat. Bij de bepaling van het toetsingsinkomen van de partner is artikel 8, derde, vijfde en zesde lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 3.17, derde tot en met zesde en tiende lid, van deze wet, van overeenkomstige toepassing.
**2.** Uitsluitend als financieel afhankelijk wordt aangemerkt de partner die een toetsingsinkomen heeft dat naar de maatstaf van 1 januari 2008 minder bedraagt dan € 8 129,26 Per 1 januari 2010: € 8.618,97en die de verzorging heeft van een of meer kinderen die jonger zijn dan 12 jaar waarvoor op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag bestaat. Bij de bepaling van het toetsingsinkomen van de partner is artikel 8, derde, vijfde en zesde lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 3.17, derde tot en met zesde en tiende lid, van deze wet, van overeenkomstige toepassing.
**3.** Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is opgenomen in artikel 3.18.
@ -412,17 +416,17 @@ b. een toeslag voor een één-oudergezin ingevolge artikel 3.5.
### Artikel 3.7
**1.**
**1.** Voor studerenden aan een opleiding binnen Nederland bestaat de reisvoorziening uit een reisrecht gedurende een bepaald deel van de week waarvoor de studerende geen bedrag of een lager bedrag verschuldigd is aan het vervoerbedrijf.
De reisvoorziening kan bestaan uit:
**2.**
a. een kaart voor het reizen waarvoor de studerende aan het openbaar vervoerbedrijf geen bedrag of een bedrag met korting verschuldigd is, een kaart voor het reizen waarvoor de studerende aan een particulier vervoerbedrijf geen bedrag of een laag tarief verschuldigd is, of een kaart waarin 2 of meer van deze elementen zijn gecombineerd,
b. een voorziening in geld, of
c. een combinatie van de onderdelen a en b.
Voor studerenden die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, respectievelijk artikel 5.3, tweede lid.
**2.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke van de in het eerste lid gegeven mogelijkheden van toepassing is.
In afwijking van de eerste volzin kan een studerende als bedoeld in de eerste volzin op aanvraag als reisvoorziening een reisrecht ontvangen.
**3.** Wanneer een reisvoorziening geheel of gedeeltelijk uit geld bestaat, wordt de hoogte van de bedragen die voor verschillende groepen van studerenden verschillend kunnen zijn, bepaald bij algemene maatregel van bestuur. De vorige volzin is niet van toepassing op het bedrag, bedoeld in artikel 3.25.
**3.** Voor studerenden voor wie geen burgerservicenummer kan worden gebruikt in het contact tussen Onze Minister en RSR, bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, respectievelijk artikel 5.3, tweede lid.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze van aanvraag en toekenning van de reisvoorziening in geld, bedoeld in het tweede en derde lid alsmede regels met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
### Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders
@ -438,7 +442,7 @@ c. een combinatie van de onderdelen a en b.
**2.** Vervallen.
**3.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 2008 gelijk aan € 15 928,16Per 1 januari 2009: € 16.819,47.. Indien een van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, blijkens die basisadministratie slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien voor een ouder voor de inkomstenbelasting  naast de algemene heffingskorting  de alleenstaande-ouderkorting of de aanvullende alleenstaande-ouderkorting van toepassing is, en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2008 gelijk is aan € 20 199,42Per 1 januari 2009: € 21.329,74..
**3.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 2008 gelijk aan € 15 928,16Per 1 januari 2010: € 16.887,67.. Indien een van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een studerende die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, blijkens die basisadministratie slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien voor een ouder voor de inkomstenbelasting  naast de algemene heffingskorting  de alleenstaande-ouderkorting of de aanvullende alleenstaande-ouderkorting van toepassing is, en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 2008 gelijk is aan € 20 199,42Per 1 januari 2010: € 21.416,23..
**4.** Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
@ -470,7 +474,7 @@ b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden
### Artikel 3.11
Voor de toepassing van de artikelen 3.9 en 3.10 wordt zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet kan worden bepaald, door de IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
Voor de toepassing van de artikelen 3.9 en 3.10 wordt zolang het toetsingsinkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet kan worden bepaald, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het desbetreffende toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
### Artikel 3.12
@ -517,7 +521,7 @@ Het verschil tussen het maximale bedrag van de aanvullende beurs en de voor een
### Artikel 3.17
**1.** Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2004 van € 12 148,per 1 januari 2009: € 13.215,83..
**1.** Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet van € 13 215,83.
**2.** Vervallen.
@ -541,7 +545,7 @@ b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar.
Voor de toepassing van het vijfde lid worden de volgende onderdelen van het toetsingsinkomen op verzoek van de studerende herleid tot maandbedragen door de desbetreffende bedragen te delen door 12:
a. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder a van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek die behaald is in het desbetreffende jaar,
a. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder a van de Wet inkomstenbelasting 2001,
b. de negatieve persoonsgebonden aftrekposten, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
c. de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel j, van de Wet inkomstenbelasting 2001,
d. het inkomen uit aanmerkelijk belang, bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en
@ -549,18 +553,19 @@ e. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de
**7.**
Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan de IB-Groep verschuldigd:
Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende toegekende bedragen aan:
a. een bedrag ter grootte van het meerinkomen, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan het bedrag van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende toegekende basisbeurs of aanvullende beurs, en
b. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.
a. basisbeurs,
b. aanvullende beurs, en
c. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.
**8.** Over de verschuldigde bedragen, bedoeld in het zevende lid, wordt rente berekend op de voet van de artikelen 6.3 en 6.4, met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de dag waarop de beschikking terzake is gegeven.
**9.** Indien een studerende voor 1 juni van een kalenderjaar aan de IB-Groep schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze studerende niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald.
**9.** Indien een studerende voor 1 juni van een kalenderjaar aan Onze Minister schriftelijk opgave doet van het bedrag aan meerinkomen in het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, is het achtste lid op deze studerende niet van toepassing, voor zover dat bedrag voor die datum door hem is betaald.
**10.** De vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, wordt in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de studerende toegekende prestatiebeurs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet.
**11.** Een aanvraag van de studerende aan de IB-Groep om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking met betrekking tot kalendermaanden na de datum van indiening van deze aanvraag.
**11.** Een aanvraag van de studerende aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.
### Paragraaf 3.5. Normbedragen
@ -572,18 +577,18 @@ De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand en zijn uitgedrukt in e
### Artikel 3.19
**1.** De IB-Groep kent studiefinanciering toe aan degene die daartoe een aanvraag heeft ingediend en die voldoet aan de voorschriften gegeven bij of krachtens deze wet.
**1.** Onze Minister kent studiefinanciering toe aan degene die daartoe een aanvraag heeft ingediend en die voldoet aan de voorschriften gegeven bij of krachtens deze wet.
**2.**
De IB-Groep besluit op een aanvraag om studiefinanciering:
Onze Minister besluit op een aanvraag om studiefinanciering:
a. indien de aanvraag is ingediend vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de studiefinanciering betrekking heeft: vóór 31 december van dat voorafgaande jaar, en
b. indien de aanvraag is ingediend na het in onderdeel a bedoelde tijdstip: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.
### Artikel 3.20
Indien het op basis van de verstrekte gegevens onmogelijk is het bedrag van de aanvullende beurs vast te stellen, kent de IB-Groep het gevraagde bedrag toe in de vorm van een lening.
Indien het op basis van de verstrekte gegevens onmogelijk is het bedrag van de aanvullende beurs vast te stellen, kent Onze Minister het gevraagde bedrag toe in de vorm van een lening.
### Artikel 3.21
@ -601,7 +606,7 @@ c. een toeslag voor een één-oudergezin,
wordt de verhoging van de studiefinanciering niet toegekend voor een periode gelegen voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.
**4.** Op aanvraag van de studerende onderbreekt of beëindigt de IB-Groep de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de studerende in zijn aanvraag aangeeft. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
**4.** Op aanvraag van de studerende onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de studerende in zijn aanvraag aangeeft. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
### Artikel 3.22
@ -611,64 +616,62 @@ Vervallen
### Artikel 3.23
Wanneer de reisvoorziening geheel of gedeeltelijk wordt verstrekt in de vorm van een kaart, zijn de artikelen 3.24 tot en met 3.30 van toepassing.
**1.** In afwijking van artikel 1.7 gebruikt Onze Minister het burgerservicenummer van een studerende ter zake van de toekenning van diens reisrecht in contacten met RSR.
**2.**
RSR gebruikt het burgerservicenummer van een studerende slechts:
a. ter vaststelling van de identiteit van een studerende wanneer deze zich tot het vervoerbedrijf wendt om zijn gegevens te laten koppelen aan een daarvoor bestemde OV-chipkaart als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, en
b. in contacten met Onze Minister.
### Artikel 3.24
**1.** In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank komt Onze Minister met een rechtspersoon overeen dat deze de verstrekking van de kaart uitvoert.
**2.** Bij toepassing van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de aanvraag voor de kaart om redenen van doelmatigheid bij de IB-Groep wordt ingediend.
Vervallen
### Artikel 3.25
**1.** De studerende die recht heeft op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland, ontvangt als reisvoorziening in plaats van een kaart het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid.
**2.** In afwijking van het eerste lid kan een studerende als bedoeld in het eerste lid, op zijn aanvraag als reisvoorziening een kaart ontvangen.
Vervallen
### Artikel 3.26
**1.** Bij ministeriële regeling worden regels gegeven met betrekking tot de periode van geldigheid van de kaarten en de wijze van verstrekking, verlenging of vernieuwing en met betrekking tot de omvang van de rechten die verbonden zijn aan de kaarten. Bij die regeling kunnen in aanvulling op dit artikel nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de keuze tussen kaarten en tot herziening van een gemaakte kaartkeuze.
**1.** Het reisrecht vangt aan op het moment dat de studerende het heeft geactiveerd op een daarvoor bestemde OV-chipkaart.
**2.** Een studerende die recht heeft op de reisvoorziening, kan in de periode van geldigheid van de kaart de gemaakte kaartkeuze een maal herzien, met dien verstande dat de herziening niet kan aanvangen in de maanden mei tot en met augustus en evenmin mogelijk is vanaf het tijdstip dat een duplicaat is aangevraagd.
**2.** Het reisrecht wordt naar keuze van de studerende toegekend als weekreisrecht of weekendreisrecht.
**3.** De herziening, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op de periode die voor de geldigheid van de kaart resteert.
**4.** Bij ministeriële regeling wordt een kostendekkend bedrag vastgesteld dat aan de studerende in rekening wordt gebracht bij de aanvraag van de herziening van de keuze.
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van verkrijgen van het reisrecht en de omvang van de aan de soorten reisrecht, bedoeld in het tweede lid, verbonden rechten. Daarbij worden tevens voorschriften vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop en de termijn waarbinnen de studerende de keuze tussen soorten reisrecht dient te maken en met betrekking tot de aanvraag tot herziening door de studerende van een gemaakte keuze in soorten reisrecht.
### Artikel 3.27
**1.**
De studerende is verplicht zijn kaart in te leveren op een door de verstrekker van de kaart aan te geven wijze uiterlijk op de vijfde werkdag nadat:
De studerende is verplicht het reisrecht te beëindigen door het deactiveren van het reisrecht, uiterlijk op de vijfde werkdag nadat:
a. zijn recht op studiefinanciering is beëindigd, of
b. zijn recht op een kaart op grond van artikel 3.25 of op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.
a. zijn aanspraak op studiefinanciering is beëindigd, of
b. zijn reisrecht op grond van artikel 3.7, tweede of derde lid, is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.
**2.** De studerende die een kaart die ten onrechte aan hem is toegekend, afhaalt, is verplicht deze kaart in te leveren voor de eerste dag waarop de kaart ten onrechte voor hem geldig is geworden.
**2.** Bij het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geactiveerd reisrecht, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister een bedrag van € 68, per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van het reisrecht. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met het einde van die maand.
**3.** Bij niet tijdig inleveren van de kaart is degene aan wie een kaart als bedoeld in het eerste en tweede lid, is verstrekt, aan de verstrekker van de kaart voor het nog resterende deel van de geldigheidsduur ervan, een bedrag van € 68,- per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van de kaart. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met het einde van die maand.
**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene aan wie het reisrecht is toegekend.
**4.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing met betrekking tot een periode ten aanzien waarvan degene aan wie de kaart is toegekend, aantoont dat het niet tijdig inleveren van de kaart hem op geen enkele wijze kan worden toegerekend. De verstrekker van de kaart kan regels geven met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor dit moet worden aangetoond.
**5.** Bij ministeriële regeling worden regels gegeven met betrekking tot de voorwaarden waaronder de studerende wordt vrijgesteld van de in het eerste en tweede lid bedoelde plicht om de kaart in te leveren indien in geval van diefstal of verlies geen duplicaat als bedoeld in artikel 3.28, is verstrekt. Daarbij wordt een kostendekkend bedrag vastgesteld dat aan de studerende voor administratiekosten in rekening wordt gebracht.
**4.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het derde lid, moet worden aangetoond.
### Artikel 3.28
**1.** Bij ministeriële regeling worden regels gegeven met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de wijze waarop duplicaten van de kaart kunnen worden verstrekt. Daarbij kan een kostendekkend bedrag worden vastgesteld dat de studerende voor het duplicaat verschuldigd is.
**2.** Aan het in het eerste lid bedoelde duplicaat zijn voor de studerende dezelfde rechten en plichten verbonden als aan de kaart, tenzij uit bepalingen gegeven bij of krachtens deze wet het tegendeel blijkt.
**3.** Een duplicaat is altijd van dezelfde kaartkeuze als de laatste kaart die met betrekking tot dat kaartjaar aan de studerende was verstrekt.
Vervallen
### Artikel 3.29
**1.** Wanneer een studerende ten onrechte over een periode geen kaart ontvangt, heeft hij over die periode jegens de verstrekker van de kaart aanspraak op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.27, derde lid, mits hij meer dan 3 maanden voor het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Indien het betreft een kaart als bedoeld in artikel 3.25, tweede lid, heeft hij slechts aanspraak op een vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een aanvraag om deze kaart heeft ingediend. De studerende vraagt de vergoeding aan, uiterlijk binnen 2 weken na de dag waarop hij op die aanvraag voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, uiterlijk binnen 2 weken na het ogenblik waarop voor het eerst zijn recht op studiefinanciering inging.
**1.** Wanneer een studerende door toedoen van Onze Minister over een periode ten onrechte niet over te activeren reisrecht beschikt, heeft hij over die periode jegens Onze Minister aanspraak op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.27, tweede lid, mits hij meer dan 3 maanden voor het begin van de desbetreffende kalendermaand, zowel de studiefinanciering heeft aangevraagd als alle benodigde gegevens voor het kunnen toekennen van studiefinanciering heeft verstrekt. Indien het betreft een reisrecht als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, heeft hij slechts aanspraak op een vergoeding als bedoeld in de vorige volzin, indien hij tevens binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn, een aanvraag om dit reisrecht heeft ingediend.
**2.** Over de periode waarvoor de studerende ten onrechte geen duplicaat als bedoeld in artikel 3.28, of geen andere kaart als gevolg van een herziene keuze als bedoeld in artikel 3.26, ontvangt, heeft hij jegens de verstrekker van de kaart per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand recht op een vergoeding ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.27, derde lid. De studerende vraagt de vergoeding aan, uiterlijk binnen 2 weken na de dag waarop hij op die aanvraag voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, uiterlijk binnen 2 weken na het ogenblik waarop het duplicaat verstrekt had moeten zijn.
**2.** De studerende vraagt de vergoeding aan binnen 2 weken na de dag waarop hij op de aanvraag voor het eerst studiefinanciering heeft toegekend gekregen of, indien dit later is, binnen 2 weken na de dag waarop voor het eerst zijn recht op studiefinanciering inging.
**3.** Gedurende de termijn die in de regeling, bedoeld in artikel 3.28, is gesteld voor de verstrekking van een duplicaat, alsmede gedurende de termijn die in de regeling, bedoeld in artikel 3.26, is gesteld voor het verstrekken van een andere kaart in geval van herziening van de keuze van de kaart, heeft de studerende geen recht op een vergoeding voor het feit dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van de kaart.
**3.**
**4.** De studerende heeft, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, geen recht op enige vergoeding indien van de kaart geen of slechts gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt.
De studerende heeft geen recht op enige vergoeding:
a. wegens het geen of slechts gedeeltelijk gebruik maken van het reisrecht, of
b. in geval van inname, verlies, diefstal, beschadiging of een defect van de OV-chipkaart, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid.
### Artikel 3.30
@ -716,11 +719,11 @@ b. dat de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen
**3.** Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de deelnemer voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
**4.** Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan de IB-Groep dat de deelnemer gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die deelnemer voor het einde van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, de datum daarvan.
**4.** Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister dat de deelnemer gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die deelnemer voor het einde van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, de datum daarvan.
**5.** De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.
**6.** Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan de IB-Groep zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in artikel 4.3, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
**6.** Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan Onze Minister zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in artikel 4.3, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.
#### Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs
@ -736,7 +739,7 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die in Nederland een
**3.** Indien aan de voorwaarden, bedoeld in deze paragraaf, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift.
**4.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02per 1 januari 2009 € 832,43. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
**4.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02per 1 januari 2010 € 853,16. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
**5.** Op aanvraag kan een deelnemer als bedoeld in artikel 3.4, gedurende de periode, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.4, derde lid.
@ -748,7 +751,7 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die in Nederland een
**2.** Het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet uitbetaald of verrekend.
**3.** Indien de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover de kaart is ingeleverd of niet is uitgereikt. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin de reisvoorziening in de vorm van een bedrag in geld is verstrekt of een vergoeding als bedoeld in artikel 3.25, is toegekend.
**3.** Indien de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisrecht niet op een OV-chipkaart is geactiveerd als bedoeld in artikel 3.26 of is beëindigd als bedoeld in artikel 3.27. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.7, tweede of derde lid, is toegekend.
### Artikel 4.9
@ -764,7 +767,7 @@ De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode van
**4.** Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 of een afsluitend examen van een specialistenopleiding wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs.
**5.** Omzetting vindt plaats per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de IB-Groep heeft vastgesteld dat een deelnemer heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid.
**5.** Omzetting vindt plaats per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin Onze Minister heeft vastgesteld dat een deelnemer heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid.
### Artikel 4.11
@ -772,11 +775,11 @@ Indien een deelnemer in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestat
### Artikel 4.12
De IB-Groep verlengt op aanvraag van de deelnemer de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de deelnemer blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
Onze Minister verlengt op aanvraag van de deelnemer de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de deelnemer blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
### Artikel 4.13
Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs 80% of meer arbeidsongeschikt wordt in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
### Artikel 4.14
@ -786,7 +789,7 @@ Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs 80
**3.** Indien een deelnemer als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de deelnemer bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
**4.** De IB-Groep stelt op aanvraag van de deelnemer vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de deelnemer is ingeschreven.
**4.** Onze Minister stelt op aanvraag van de deelnemer vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de deelnemer is ingeschreven.
### Artikel 4.15
@ -804,25 +807,25 @@ Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven
### Artikel 4.17
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan de IB-Groep heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2.
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2.
### Artikel 4.18
**1.** Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53per 1 januari 2009 € 832,43. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53per 1 januari 2010 € 853,16. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
### Artikel 4.19
**1.** Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door de IB-Groep te bepalen termijn aan de IB-Groep een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd.
**1.** Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd.
**2.** Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door de IB-Groep te bepalen termijn aan de IB-Groep een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten.
**2.** Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door Onze Minister te bepalen termijn aan Onze Minister een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten.
#### Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland
### Artikel 4.20
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan de IB-Groep heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4.
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding buiten Nederland als bedoeld in artikel 2.13a en waarvan Onze Minister heeft vastgesteld dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4.
### Artikel 4.21
@ -832,9 +835,9 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven
### Artikel 4.22
**1.** De deelnemer zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan de IB-Groep en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.
**1.** De deelnemer zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.
**2.** De omzetting, bedoeld in artikel 4.10, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt de IB-Groep de deelnemer daarvan in kennis.
**2.** De omzetting, bedoeld in artikel 4.10, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de deelnemer daarvan in kennis.
#### Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid
@ -856,7 +859,7 @@ Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 1996
**2.** Indien aan de voorwaarden, bedoeld in dit hoofdstuk, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift.
**3.** Studiefinanciering, met uitzondering van het collegegeldkrediet, wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.3, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2007 € 809,93 per 1 januari 2009 € 832,43. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
**3.** Studiefinanciering, met uitzondering van het collegegeldkrediet, wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.3, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2007 € 809,93 per 1 januari 2010 € 853,16. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.
**4.** De basislening en de aanvullende lening kunnen gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt. Het collegegeldkrediet kan gedurende de periode bedoeld in het eerste en derde lid worden verstrekt.
@ -870,7 +873,7 @@ Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op studenten die na 31 augustus 1996
**2.** Het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet uitbetaald of verrekend.
**3.** Indien de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover de kaart is ingeleverd of niet is uitgereikt. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin de reisvoorziening in de vorm van een bedrag in geld is verstrekt of een vergoeding als bedoeld in artikel 3.25, is toegekend.
**3.** Indien de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover het reisrecht niet op een OV-chipkaart is geactiveerd als bedoeld in artikel 3.26 of is beëindigd als bedoeld in artikel 3.27. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin een vergoeding als bedoeld in artikel 3.7, tweede of derde lid, is toegekend.
### Artikel 5.4
@ -910,7 +913,7 @@ b. deze student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinne
**9.** De duur van de prestatiebeurs wordt met 1 jaar verlengd indien het een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4b, tweede lid, van de WHW betreft.
**10.** De IB-Groep verlengt op aanvraag van de student de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
**10.** Onze Minister verlengt op aanvraag van de student de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.
### Paragraaf 5.2. Omzetting bij afsluitend examen
@ -936,9 +939,9 @@ b. deze student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding, voor een daarbinne
### Artikel 5.9
**1.** De omzetting, bedoeld in artikel 5.7, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, of de mededeling, bedoeld in artikel 9.5, derde lid. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt de IB-Groep de student daarvan in kennis.
**1.** De omzetting, bedoeld in artikel 5.7, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de verzending van de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d van de WHW, of de mededeling, bedoeld in artikel 9.5, derde lid. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt Onze Minister de student daarvan in kennis.
**2.** Een student die het examen, bedoeld in de artikelen 5.7 of 5.8, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan de IB-Groep en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
**2.** Een student die het examen, bedoeld in de artikelen 5.7 of 5.8, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.
**3.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de omzetting van de prestatiebeurs ingevolge artikel 5.7, vierde lid.
@ -972,7 +975,7 @@ Vervallen
### Artikel 5.15
Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs 80% of meer arbeidsongeschikt wordt in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs in staat wordt om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen in de zin van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.
### Artikel 5.16
@ -982,7 +985,7 @@ Indien een student op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs 80% o
**3.** Indien een student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
**4.** De IB-Groep stelt op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.
**4.** Onze Minister stelt op aanvraag van de student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de student is ingeschreven.
### Paragraaf 5.8. Tenietgaan rente
@ -992,15 +995,17 @@ Bij omzetting van een prestatiebeurs of een deel daarvan in een gift gaat de ove
## Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld
### Paragraaf 6.1. Algemeen
### Artikel 6.1
In dit hoofdstuk wordt onder lening mede verstaan de prestatiebeurs.
### Artikel 6.2
**1.** Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in artikel 6.19, verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
**1.** Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in artikel 6.17, verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.
**2.** De vanaf de dertiende maand waarvoor na het studiejaar 20002001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge de hoofdstukken 4 of 5 toegekende en niet in een gift omgezette aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
**2.** De vanaf de dertiende maand waarvoor na het studiejaar 20002001 aanspraak op studiefinanciering bestaat ingevolge hoofdstukken 4 en 5 toegekende en niet in gift om te zetten aanvullende beurs kan op aanvraag van de debiteur worden kwijtgescholden.
**3.**
@ -1012,7 +1017,7 @@ c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
**4.** De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat op het tijdstip van kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, teniet.
**5.** Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, is artikel 6.11, eerste en zevende lid, van overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 6.12 en 6.15 niet van toepassing.
**5.** Bij kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 6.10, eerste en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, en is artikel 6.12 niet van toepassing.
**6.** Indien de debiteur tevens een schuld uit een lening heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt die schuld voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als een schuld in de zin van dit hoofdstuk.
@ -1020,33 +1025,31 @@ c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
### Artikel 6.3
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het over de maand oktober van dat jaar gemiddeld effectief rendement van openbare leningen, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 3 tot 5 jaren.
**2.** Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking van het eerste lid, 1,65 procentpunt lager dan het in het eerste lid bedoelde rentepercentage.
Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 3 tot 5 jaren.
### Artikel 6.4
**1.** Over de aangegane leningen is, voor zover het niet betreft achterstallige schuld als bedoeld in artikel 6.8, rente verschuldigd overeenkomstig het tweede en derde lid. De renteberekening gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het bedrag aan lening bij de verstrekker van die lening is afgeschreven.
**2.** De rente over de door de studerende in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest en is verschuldigd over het bedrag van iedere terugbetaling afzonderlijk, met dien verstande dat ingeval de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, de op voet van deze bepaling berekende rente wordt bijgeschreven bij de hoofdsom.
**2.** De rente over de door de studerende in een studiefinancieringstijdvak opgenomen lening wordt berekend per dag op basis van samengestelde interest. Indien de terugbetaling niet binnen 2 weken na de vervaldatum is ontvangen, wordt de op voet van deze bepaling berekende rente bijgeschreven bij de hoofdsom.
**3.** In de periode die aan de terugbetalingsperiode vooraf gaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.
**3.** In de periode die aan de terugbetalingsperiode voorafgaat, wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elk kalenderjaar het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan dat jaar voorafgaande jaar is vastgesteld. In de terugbetalingsperiode wordt bij de berekening van de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor elke periode van 5 kalenderjaren na aanvang van de terugbetalingsperiode, het rentepercentage gehanteerd dat op grond van artikel 6.3 uiterlijk in december van het aan die periode voorafgaande jaar is vastgesteld.
**4.** Voor de berekening van de rente op de voet van het tweede lid wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.
**5.** Indien op grond van artikel 10.7, derde lid, de over een studiejaar toegekende studiefinanciering lening wordt, gaat de renteberekening in op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de datum waarop de vorm van de aan een studerende toegekende studiefinanciering onvoorwaardelijk is vastgesteld.
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vijfde lid.
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vijfde lid.
### Artikel 6.5
**1.** De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studerende te zijn.
**1.** De terugbetalingsperiode vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten.
**2.** De terugbetalingsperiode bestaat uit een aanloopfase en een aflosfase.
**3.** Indien de debiteur opnieuw een studerende wordt, wordt de terugbetalingsperiode geschorst.
**3.** Indien de debiteur gedurende de voor hem geldende diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel diplomatermijn hoger onderwijs opnieuw studiefinanciering geniet, of op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde termijn opnieuw studerende wordt zonder hiervoor studiefinanciering te genieten, wordt de terugbetalingsperiode geschorst. Voor debiteuren die niet op grond van onderscheidenlijk artikel 4.9 en artikel 5.5 onder een diplomatermijn vallen geldt, in afwijking van de eerste volzin, dat de terugbetaling wordt geschorst zolang de debiteur opnieuw studiefinanciering geniet, of op aanvraag van de debiteur indien hij binnen bovengenoemde termijn opnieuw studerende wordt zonder hiervoor studiefinanciering te genieten.
**4.** De schorsing, bedoeld in het derde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van de IB-Groep of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag.
**4.** De schorsing, bedoeld in het derde lid, wordt beëindigd indien de debiteur niet binnen 8 weken na de verzending van een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister of de debiteur nog studerende is, daarop heeft geantwoord. De beëindiging werkt terug tot de datum van verzending van het verzoek, of zoveel eerder als de debiteur ophield studerende te zijn. Een aanvraag om de terugbetaling wederom te schorsen wordt niet toegestaan voor een periode die gelegen is vóór de datum van indiening van de aanvraag. De schorsing wordt tevens beëindigd aan het einde van de diplomatermijn beroepsonderwijs dan wel de diplomatermijn hoger onderwijs.
### Artikel 6.6
@ -1056,9 +1059,11 @@ c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
### Artikel 6.7
**1.** De aflosfase beslaat behoudens toepassing van artikel 6.9, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase of zoveel minder maanden als er maandelijkse termijnen zijn berekend op grond van het tweede lid. Deze periode wordt verlengd indien artikel 6.15, tweede lid, van toepassing is.
**1.** De aflosfase beslaat behoudens toepassing van artikel 6.9, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het tweede lid.
**2.** Aan het begin van de aflosfase wordt een oorspronkelijke maandelijkse terugbetalingstermijn berekend door toepassing van artikel 6.9, tweede lid, onderdeel a, op basis van het bedrag aan opgebouwde studieschuld bij de start van de aanloopfase, vermeerderd met de in de aanloopfase over dat bedrag berekende rente. Daarbij wordt geen rekening gehouden met bedragen die, zonder opeisbaar te zijn, zijn terugbetaald in de aanloopfase. De duur van de aflosfase wordt berekend door het bedrag dat in de aanloopfase is terugbetaald te delen door de uitkomst van de eerste volzin. Het aldus verkregen getal wordt naar beneden afgerond en geeft aan het aantal oorspronkelijke maandelijkse termijnen dat in de aanloopfase is terugbetaald. De aflosfase wordt verminderd met het aantal oorspronkelijke maandelijkse termijnen.
**2.** Op aanvraag van de debiteur wordt de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opgeschort.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het tweede lid.
### Artikel 6.8
@ -1066,7 +1071,7 @@ c. tot welk tijdstip een aanvraag kan worden ingediend.
**2.** Over de achterstallige schuld is rente verschuldigd. Als rentepercentage wordt het percentage van de wettelijke rente gehanteerd. Deze rente wordt berekend per dag op basis van samengesteld interest, waarbij een maand wordt gesteld op 30 dagen en een jaar wordt gesteld op 360 dagen.
**3.** Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.7, bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in de artikelen 6.9 en 6.17 alsmede bij het teniet gaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.18, geen rekening gehouden.
**3.** Indien de debiteur achterstallig is bij de betaling wordt met deze achterstallige schuld bij de duur van de aflosfase, bedoeld in artikel 6.7, bij de vaststelling van de maandelijkse termijn, bedoeld in artikel 6.9 en 6.15, alsmede bij het tenietgaan van de schuld, bedoeld in artikel 6.16, geen rekening gehouden.
**4.** Artikel 6.4 is niet van toepassing.
@ -1082,51 +1087,43 @@ a. het eerste jaar van de aflosfase,
b. het vierde jaar van de aflosfase, en
c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
**3.** Onverminderd artikel 6.10, eerste lid, bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen ten minste € 545,-. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
**3.** Onverminderd toepassing van artikel 6.10 bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen ten minste € 545,. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
**4.** Rente en aflossing van de lening van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het buitenland woont. De artikelen 6.4 en 6.6 zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste volzin bedoelde debiteur besluit de IB-Groep dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regelen worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat betaling geschiedt door middel van een daartoe verleende doorlopende machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen afschrijven van een bank- of postbankrekening.
### Artikel 6.10
**1.** Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijn te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij de IB-Groep een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
**1.** Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is het totaal van zijn toetsingsinkomen en dat van zijn partner in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het draagkrachtinkomen.
**2.** De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.
**2.**
**3.** Indien de debiteur voor 1 oktober van enig jaar heeft gevraagd zijn draagkracht voor het daaropvolgend kalenderjaar vast te stellen, betaalt hij gedurende dat kalenderjaar het bedrag van zijn draagkracht. Indien een aanvraag om draagkrachtvaststelling is ingediend na 30 september van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft doch voor 1 januari van het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft, betaalt de debiteur niet eerder dan over de maand februari van het laatstbedoelde kalenderjaar het bedrag van zijn draagkracht. Indien de debiteur op of na 1 januari van enig jaar heeft gevraagd zijn draagkracht voor dat kalenderjaar vast te stellen, betaalt de debiteur met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij zijn aanvraag heeft ingediend, gedurende het resterende gedeelte van dat kalenderjaar het bedrag van zijn draagkracht, met dien verstande dat in dit geval het bedrag van zijn draagkracht wordt gedeeld door 12 en daarna wordt vermenigvuldigd met het resterende aantal kalendermaanden van dat kalenderjaar.
Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan:
**4.**
a. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met partner,
b. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur op wie de alleenstaande-ouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is, of
c. 84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren zonder partner.
De IB-Groep besluit op een aanvraag om draagkrachtvaststelling:
**3.** De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 12% van het inkomen boven de draagkrachtvrije voet.
a. indien de aanvraag is ingediend vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft: vóór 1 januari van dat kalenderjaar,
b. indien de aanvraag is ingediend na 30 september en vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop die aanvraag betrekking heeft: vóór 1 februari van dat kalenderjaar, en
c. indien de aanvraag is ingediend na het in onderdeel b bedoelde tijdstip: binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag.
**4.** Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, berekend op grond van artikel 6.9, betaalt de debiteur, in afwijking van dat artikel, het bedrag van zijn draagkracht.
**5.** Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijn.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel, wordt indien het toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert.
**6.** Het vierde lid is niet van toepassing indien het voor Onze Minister niet mogelijk is op grond van het vijfde lid bij benadering een bedrag vast te stellen.
### Artikel 6.11
**1.** Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
**1.** Voor een debiteur die in het peiljaar niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en die niet op grond van artikel 2.5, eerste lid, van die wet als zodanig is aangemerkt, kan artikel 6.10 slechts toepassing vinden als de debiteur daartoe bij Onze Minister een aanvraag indient.
**2.** Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien voor de debiteur voor de inkomstenbelasting naast de algemene heffingskorting de alleenstaande-ouderkorting of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting maar niet de alleenstaande-ouderkorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur naast de algemene heffingskorting voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn.
**2.** Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.
**3.** Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf.
**4.** Indien de debiteur of zijn partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander.
**5.** Indien de debiteur en zijn partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander.
**6.** De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.
**7.** Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door de IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen zo goed mogelijk benadert.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.
### Artikel 6.12
**1.**
Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.11 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien:
Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel 6.10 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien:
a. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of
b. sprake is van een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
@ -1138,45 +1135,39 @@ Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen versta
a. de vermindering niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en
b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de aanhef alsmede in onderdeel a.
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbare minimumloon over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van de IB-Groep het uiteindelijke belastbare minimumloon zo goed mogelijk benadert.
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het belastbaar minimumloon over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister het uiteindelijke belastbaar minimumloon benadert.
### Artikel 6.13
Indien voor de debiteur voor de inkomstenbelasting na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld naast de algemene heffingskorting de alleenstaande-ouderkorting of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing wordt, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.
Indien voor de debiteur voor de inkomstenbelasting na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld de alleenstaande-ouderkorting van toepassing wordt, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.
### Artikel 6.14
**1.** Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen 6.10 tot en met 6.13.
**1.**
**2.** Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijn, bedoeld in artikel 6.9, tweede lid, wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte.
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur op wie dit hoofdstuk van toepassing is is, wordt:
a. artikel 6.10, eerste en derde lid, slechts eenmaal toegepast op het totaal van het toetsingsinkomen voor beide partners samen;
b. de draagkracht per debiteur vastgesteld op basis van de verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide debiteuren afzonderlijk;
c. de draagkracht van de debiteur eerst aangewend voor de betaling van de eigen termijn op grond van artikel 6.9. Het bedrag aan resterende draagkracht van de debiteur wordt toegevoegd aan de draagkracht van de partner van wie de draagkracht zonder deze toevoeging lager is dan de voor hem op grond van artikel 6.9 vastgestelde termijn.
**2.** Indien de debiteur een partner heeft op wie hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt het op grond van artikel 6.10 berekende bedrag van de draagkracht van de debiteur verminderd met de op grond van artikel 10a.6 voor zijn partner vastgestelde terugbetalingstermijn, danwel de op grond van artikel 10a.7 berekende draagkracht van zijn partner. Indien de uitkomst negatief is wordt de draagkracht van de debiteur op nihil vastgesteld.
### Artikel 6.15
**1.** Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient.
**2.** Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar.
Indien een debiteur gedurende een kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan de termijn, bedoeld in artikel 6.9, tweede lid, wordt zijn termijn opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.
### Artikel 6.16
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijn. Ten aanzien van het bedrag dat aan draagkracht resteert is artikel 6.14, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 6.17
**1.** Indien een debiteur gedurende een kalenderjaar op grond van zijn draagkracht minder heeft betaald dan de termijn, bedoeld in artikel 6.9, tweede lid, wordt zijn termijn opnieuw vastgesteld per 1 januari van het jaar daaropvolgend. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.
**2.** Indien gedurende de aflosfase wijzigingen optreden in de hoogte van de oorspronkelijke maandelijkse terugbetalingstermijnen, bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, wordt de termijn van de debiteur opnieuw vastgesteld ingevolge dat artikel met ingang van de daaropvolgende maand. De gewijzigde termijn wordt vastgesteld op basis van het resterende aantal maanden van de aflosfase.
### Artikel 6.18
**1.** De schuld die resteert bij het einde van de aflosfase, gaat op dat ogenblik teniet.
**2.** De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur, gaat op dat ogenblik teniet.
### Artikel 6.19
### Artikel 6.17
**1.** Op het ogenblik van beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende wordt zijn schuld, ontstaan in het kader van de toepassing van deze wet, van rechtswege omgezet in een lening.
**2.** Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van artikel 7.1 een vordering ontstaat van de IB-Groep, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin, is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.
**2.** Indien na beëindiging van het recht op studiefinanciering van een studerende door een beschikking op grond van artikel 7.1 een vordering ontstaat van Onze Minister, wordt die vordering omgezet in een lening op de eerste dag van de maand na de herziening. Bij de berekening van de rente voor die vordering wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de studerende is opgehouden studerende te zijn. Indien de omzetting plaatsvindt in het kalenderjaar waarin de studerende ophoudt studerende te zijn, wordt het rentepercentage gehanteerd dat geldt met ingang van 1 januari van dat kalenderjaar. Artikel 6.4, derde lid, laatste volzin, is bij de berekening van rente van overeenkomstige toepassing.
**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een schuld uit een lening en een schuld, ontstaan door toepassing van artikel 3.27, derde lid, niet omgezet.
@ -1188,7 +1179,7 @@ Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is, wordt zijn draagkracht ee
**1.**
De IB-Groep kan een beschikking herzien waarbij:
Onze Minister kan een beschikking herzien waarbij:
a. studiefinanciering is toegekend,
b. de vorm van de studiefinanciering is vastgelegd,
@ -1196,8 +1187,11 @@ c. de termijn wordt vastgesteld of gewijzigd,
d. de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld,
e. de hoogte van de lening wordt vastgesteld of gewijzigd,
f. de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of gewijzigd,
g. de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, wordt vastgesteld of gewijzigd, of
h. de hoogte van het collegegeldkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd.
g. de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, wordt vastgesteld of gewijzigd,
h. de hoogte van het collegegeldkrediet wordt vastgesteld of gewijzigd,
i. een herziening van de keuze in een soort reisrecht is geweigerd,
j. een bedrag is vastgesteld dat de studerende verschuldigd is omdat hij het reisrecht niet tijdig heeft beëindigd, of
k. de aanvraag van een studerende, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, om als reisvoorziening een reisrecht te ontvangen, is toegekend of geweigerd.
**2.**
@ -1205,7 +1199,7 @@ Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:
a. een beschikking genomen is waarvan de studerende of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,
b. de situatie van langdurige afwezigheid, bedoeld in artikel 4.3, zich niet heeft voorgedaan,
c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de vorm van de studiefinanciering op grond van artikel 10.6, zevende lid, opnieuw wordt vastgesteld, de termijn te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, te hoog of te laag is vastgesteld, of de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
c. te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de vorm van de studiefinanciering op grond van artikel 10.6, zevende lid, opnieuw wordt vastgesteld, de termijn te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot het reisrecht is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
d. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet,
e. geen gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, omdat niet kon worden voldaan aan de voorwaarde genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b, en is gebleken dat gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b,
f. gevolg is gegeven aan de aanvraag van de ouders of een van hen, of van de studerende op grond van artikel 3.10 of de aanvraag van de debiteur op grond van artikel 6.12, en is gebleken dat niet gedurende 3 kalenderjaren is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.10, tweede lid, aanhef alsmede onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6.12, tweede lid, aanhef alsmede de onderdelen a en b, of
@ -1217,26 +1211,7 @@ g. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend
### Artikel 7.2
**1.**
De verstrekker van de kaart, bedoeld in artikel 3.7, kan een beschikking herzien waarbij:
a. een herziening van de keuze van de kaart is geweigerd,
b. in verband met het door de studerende niet tijdig inleveren van de kaart een door hem verschuldigd bedrag is vastgesteld,
c. een duplicaat als bedoeld in artikel 3.28, van die kaart is toegekend of geweigerd,
d. is vastgesteld dat de studerende die kaart of een duplicaat ervan, ten onrechte niet heeft ontvangen, of
e. de aanvraag van een studerende, bedoeld in artikel 3.25, om als reisvoorziening een kaart te ontvangen, is toegekend of geweigerd.
**2.**
Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:
a. een besluit genomen is waarvan degene jegens wie het besluit werd genomen, wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was,
b. een onjuist besluit werd genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,
c. betrokkene heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet, of
d. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.
**3.** Een herziening als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan, behoudens het geval van bedrog, slechts geschieden binnen 5 jaren na het einde van de periode waarop de voorziening in geld of de kaart betrekking heeft. Behoudens het geval van bedrog kan een herziening anders dan bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van de periode waarop de voorziening in geld of de kaart betrekking heeft.
Vervallen
### Artikel 7.3
@ -1244,7 +1219,7 @@ De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
### Artikel 7.4
**1.** Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of artikel 7.2, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de artikelen 3.27, derde lid, en 3.29, eerste en tweede lid.
**1.** Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag van de basisbeurs of aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend. Tevens vindt verrekening plaats van de bedragen, bedoeld in de artikelen 3.27, tweede lid, en 3.29, eerste lid.
**2.** Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
@ -1252,9 +1227,7 @@ De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
**4.** Indien na een voorlopige voorziening als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing in hoofdzaak daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag dat op grond van de voorlopige voorziening teveel is uitbetaald, door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
**5.** Indien de overeenkomst, bedoeld in artikel 3.24, met een andere rechtspersoon is gesloten dan de IB-Groep, worden bij ministeriële regeling nadere regels gegeven over de procedure met betrekking tot de verrekening.
**6.** De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde terugbetaling, voor zover artikel 6.19 niet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels.
**5.** De in het eerste tot en met vierde lid bedoelde terugbetaling, voor zover artikel 6.17 niet van toepassing is, en verrekening geschieden overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen redelijke terugbetalingsregels.
**7.** Artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op deze wet.
@ -1262,11 +1235,11 @@ De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van
### Artikel 8.1
**1.** Met betrekking tot de uitbetaling van de studiefinanciering en de verrekening van het toegekende bedrag aan studiefinanciering met de aan de IB-Groep verschuldigde onderwijsbijdrage, worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld.
**1.** Met betrekking tot de uitbetaling van de studiefinanciering en de verrekening van het toegekende bedrag aan studiefinanciering met de aan Onze Minister verschuldigde onderwijsbijdrage, worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld.
**2.** Indien een toegekend bedrag aan studiefinanciering 12 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die beschikking is gericht, verrekent de IB-Groep het toegekende bedrag aan studiefinanciering met het niet uitbetaalde bedrag.
**2.** Indien een toegekend bedrag aan studiefinanciering 12 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende beschikking is gegeven, niet kan worden uitbetaald als gevolg van nalatigheid van degene aan wie die beschikking is gericht, verrekent Onze Minister het toegekende bedrag aan studiefinanciering met het niet uitbetaalde bedrag.
**3.** De studerende kan bij de IB-Groep een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Door zijn aanvraag doet de studerende afstand van zijn recht om het bedrag van de verlaging van de lening alsnog te lenen. Indien aan de studerende een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.
**3.** De studerende kan bij Onze Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. De in de vorige volzin bedoelde aanvraag kan geen betrekking hebben op een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Door zijn aanvraag doet de studerende afstand van zijn recht om het bedrag van de verlaging van de lening alsnog te lenen. Indien aan de studerende een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft, als studiefinancieringsgenietende.
### Artikel 8.2
@ -1274,7 +1247,7 @@ In het studiejaar waarin een deelnemer de leeftijd van 18 jaren bereikt, wordt d
### Artikel 8.3
De IB-Groep vaardigt een dwangbevel uit aan de nalatige, indien een bij of krachtens deze wet verschuldigd bedrag geheel of gedeeltelijk niet tijdig is voldaan.
Onze Minister vaardigt een dwangbevel uit aan de nalatige, indien een bij of krachtens deze wet verschuldigd bedrag geheel of gedeeltelijk niet tijdig is voldaan.
## Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties
@ -1288,9 +1261,9 @@ Het toezicht door de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, heef
### Artikel 9.2
**1.** Een ieder is verplicht aan de IB-Groep of aan een daartoe door of vanwege de IB-Groep aangewezen persoon of instantie desgevraagd de ten behoeve van de uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen over zichzelf te geven.
**1.** Een ieder is verplicht aan Onze Minister of aan een daartoe door of vanwege Onze Minister aangewezen persoon of instantie desgevraagd de ten behoeve van de uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen over zichzelf te geven.
**2.** De inlichtingen worden verstrekt binnen een door de IB-Groep of door een in het eerste lid bedoelde persoon of instantie te stellen redelijke termijn.
**2.** De inlichtingen worden verstrekt binnen een door Onze Minister of door een in het eerste lid bedoelde persoon of instantie te stellen redelijke termijn.
**3.** Inlichtingen over zichzelf, voor zover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder studiefinanciering of tot verhoging van het bedrag van de terugbetalingstermijn worden steeds ongevraagd en schriftelijk verstrekt door de studerende onderscheidenlijk door de debiteur, onmiddellijk na het bekend worden van die gegevens.
@ -1305,7 +1278,7 @@ b. in afwijking van artikel 8:33, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
### Artikel 9.4
De rechtspersoon, bedoeld in artikel 3.24, verstrekt desgevraagd aan Onze Minister of aan de IB-Groep de voor de uitoefening van haar taak benodigde inlichtingen. Onze Minister of de IB-Groep kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
Vervallen
### Artikel 9.5
@ -1313,11 +1286,11 @@ De rechtspersoon, bedoeld in artikel 3.24, verstrekt desgevraagd aan Onze Minist
**2.** De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.
**3.** Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend de IB-Groep in kennis welke studenten de norm van 30 of 20 studiepunten niet hebben behaald.
**3.** Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend Onze Minister in kennis welke studenten de norm van 30 of 20 studiepunten niet hebben behaald.
**4.** De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan de IB-Groep verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.
**4.** De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het tweede lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan Onze Minister verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.
**5.** Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan de IB-Groep en gelijktijdig de student van die mededeling in kennis stelt.
**5.** Onze Minister kan voor instellingen of groepen van instellingen waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, bepalen dat de natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan die instelling uitgaat, voor het einde van de maand volgend op de maand waarin een student het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling doet aan Onze Minister en gelijktijdig de student van die mededeling in kennis stelt.
### Artikel 9.6
@ -1329,27 +1302,27 @@ Vervallen
### Artikel 9.6b
**1.** De IB-Groep kan de gegevens die bij haar bekend zijn als gevolg van de uitvoering van haar wettelijke taken verstrekken aan de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studerenden verantwoordelijke autoriteit van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
**1.** Onze Minister kan de gegevens die bij haar bekend zijn als gevolg van de uitvoering van haar wettelijke taken verstrekken aan de voor de verstrekking van een tegemoetkoming in de kosten voor toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud voor studerenden verantwoordelijke autoriteit van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
**2.** De in het eerste lid bedoelde verantwoordelijke autoriteit toont voor de verstrekking van gegevens aan dat de studerende ten laste van die autoriteit een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud heeft aangevraagd dan wel reeds ontvangt.
**3.** De IB-Groep kan, voor de uitvoering van de wet, inlichtingen over een studerende die studiefinanciering aanvraagt danwel reeds ontvangt, opvragen bij het bevoegd gezag van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waar de studerende een opleiding wil gaan volgen of volgt met studiefinanciering op grond van artikel 2.14, eerste lid.
**3.** Onze Minister kan, voor de uitvoering van de wet, inlichtingen over een studerende die studiefinanciering aanvraagt danwel reeds ontvangt, opvragen bij het bevoegd gezag van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waar de studerende een opleiding wil gaan volgen of volgt met studiefinanciering op grond van artikel 2.14, eerste lid.
### Artikel 9.6c
**1.** De IB-Groep kan, overeenkomstig artikel 9.6b, gegevens, die bij haar bekend zijn als gevolg van de uitvoering van haar wettelijke taken, uitwisselen met een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte indien deze staat een passend beschermingsniveau als bedoeld in artikel 76 van de Wet bescherming persoonsgegevens waarborgt.
**1.** Onze Minister kan, overeenkomstig artikel 9.6b, gegevens, die bij haar bekend zijn als gevolg van de uitvoering van haar wettelijke taken, uitwisselen met een staat die geen partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte indien deze staat een passend beschermingsniveau als bedoeld in artikel 76 van de Wet bescherming persoonsgegevens waarborgt.
**2.** Voor gegevensuitwisseling als bedoeld in artikel 9.6b met een staat die geen passend beschermingsniveau kan waarborgen, kan de IB-Groep een vergunning als bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens aanvragen bij Onze Minister van Justitie.
**2.** Voor gegevensuitwisseling als bedoeld in artikel 9.6b met een staat die geen passend beschermingsniveau kan waarborgen, kan Onze Minister een vergunning als bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens aanvragen bij Onze Minister van Justitie.
### Paragraaf 9.3. Administratieve sanctie
### Artikel 9.7
Indien een instelling als bedoeld in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.11, niet uiterlijk 1 november volgend op het einde van het studiejaar aan de IB-Groep de gegevens, bedoeld in artikel 7.9a van de WHW, of in de artikelen 9.5, derde lid, of 10.6, vierde lid, heeft verstrekt, ontstaat er een vordering van de IB-Groep op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag aan onvoorwaardelijk als gift vastgestelde studiefinanciering, bedoeld in de artikelen 10a.3, vijfde lid, of 10.7, dat aan de studenten aan die instelling is toegekend.
Indien een instelling als bedoeld in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.11, niet uiterlijk 1 november volgend op het einde van het studiejaar aan Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 7.9a van de WHW, of in de artikelen 9.5, derde lid, of 10.6, vierde lid, heeft verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag aan onvoorwaardelijk als gift vastgestelde studiefinanciering, bedoeld in de artikelen 10a.3, vijfde lid, of 10.7, dat aan de studenten aan die instelling is toegekend.
### Artikel 9.8
Indien een instelling als bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b, op enig moment in een studiejaar niet een administratie als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, voert of niet na afloop van de in de artikelen 4.3, 4.4 en 4.5 bedoelde periodes van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan de IB-Groep de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van de IB-Groep op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de deelnemers aan die instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.
Indien een instelling als bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b, op enig moment in een studiejaar niet een administratie als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, voert of niet na afloop van de in de artikelen 4.3, 4.4 en 4.5 bedoelde periodes van onafgebroken afwezigheid zonder geldige reden aan Onze Minister de vereiste gegevens verstrekt, ontstaat er een vordering van Onze Minister op de instelling ter grootte van 15% van het bedrag van als gift vastgestelde studiefinanciering dat aan de deelnemers aan die instelling in het studiejaar waarin deze in gebreke was, is toegekend.
### Artikel 9.9
@ -1359,7 +1332,7 @@ Vervallen
### Artikel 9.10
Hij die niet voldoet aan een van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 9.4 en 9.5, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.
Hij die niet voldoet aan een van de verplichtingen, bedoeld in artikel 9.5, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 6 maanden of geldboete van de derde categorie.
### Artikel 9.11
@ -1387,7 +1360,7 @@ In dit hoofdstuk wordt onder tempobeurs verstaan een voorwaardelijke gift die on
**2.** Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 5 jaren of het aantal jaren genoemd in artikel 10.5, verstrekt in de vorm van een tempobeurs. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift.
**3.** Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 2 jaren na de periode, bedoeld in het tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift. Het bedrag dat per maand gedurende deze periode kan worden geleend, bedraagt, in afwijking van de artikelen 3.2 en 3.3, naar de maatstaf van 1 januari 2007 € 809,93 per 1 januari 2009 € 832,43. De artikelen 3.13 en 3.18 zijn niet van toepassing.
**3.** Studiefinanciering met uitzondering van de reisvoorziening wordt gedurende 2 jaren na de periode, bedoeld in het tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een gift. Het bedrag dat per maand gedurende deze periode kan worden geleend, bedraagt, in afwijking van de artikelen 3.2 en 3.3, naar de maatstaf van 1 januari 2007 € 809,93 per 1 januari 2010 € 853,16. De artikelen 3.13 en 3.18 zijn niet van toepassing.
### Artikel 10.4
@ -1437,9 +1410,9 @@ a. artikel 7.4b, tweede lid, van de WHW,
b. artikel 18.16 van de WHW, of
c. artikel 18.20 van de WHW.
**6.** De IB-Groep verlengt op aanvraag van de student het aantal jaren tempobeurs, bedoeld in dit artikel, eenmalig met 12 maanden, indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren tempobeurs.
**6.** Onze Minister verlengt op aanvraag van de student het aantal jaren tempobeurs, bedoeld in dit artikel, eenmalig met 12 maanden, indien de student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren tempobeurs.
**7.** Indien een student gelijktijdig staat ingeschreven voor meer dan een studie, waaronder een studie als bedoeld in het derde, vierde of vijfde lid, wordt de periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, slechts verlengd nadat hij aan de IB-Groep een verklaring van het instellingsbestuur verstrekt waaruit blijkt dat de student 240 studiepunten heeft behaald van een studie die moet leiden tot verlenging. De verklaring, bedoeld in de eerste volzin, dient eveneens te worden verstrekt, indien de gelijktijdige inschrijving voor meer dan een studie aanvangt nadat reeds een verlenging is verleend op grond van het tweede, derde of vierde lid, en de inschrijving voor de studie op grond waarvan die verlenging is verleend niet wordt gestaakt.
**7.** Indien een student gelijktijdig staat ingeschreven voor meer dan een studie, waaronder een studie als bedoeld in het derde, vierde of vijfde lid, wordt de periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, slechts verlengd nadat hij aan Onze Minister een verklaring van het instellingsbestuur verstrekt waaruit blijkt dat de student 240 studiepunten heeft behaald van een studie die moet leiden tot verlenging. De verklaring, bedoeld in de eerste volzin, dient eveneens te worden verstrekt, indien de gelijktijdige inschrijving voor meer dan een studie aanvangt nadat reeds een verlenging is verleend op grond van het tweede, derde of vierde lid, en de inschrijving voor de studie op grond waarvan die verlenging is verleend niet wordt gestaakt.
### Artikel 10.6
@ -1451,9 +1424,9 @@ c. artikel 18.20 van de WHW.
**4.** De natuurlijke persoon van wie of het bestuur van de rechtspersoon waarvan een instelling uitgaat als bedoeld in artikel 2.10, alsmede als bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.9, voor zover het van een bijzondere instelling uitgaande opleidingen godgeleerdheid of opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt betreft, stelt aan het einde van elk studiejaar de studievoortgang, bedoeld in het eerste en tweede lid, van iedere aan de instelling ingeschreven student vast en stelt betrokkene voor 1 november van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van deze voortgang in kennis.
**5.** Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend de IB-Groep in kennis welke studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in het tweede of derde lid, niet hebben behaald. Op de verstrekking van die gegevens zijn de krachtens artikel 9.5, eerste lid, vastgestelde regels van toepassing.
**5.** Voorts stelt de natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, na het einde van elk studiejaar vóór 1 november daaropvolgend Onze Minister in kennis welke studenten de norm van de studievoortgang, bedoeld in het tweede of derde lid, niet hebben behaald. Op de verstrekking van die gegevens zijn de krachtens artikel 9.5, eerste lid, vastgestelde regels van toepassing.
**6.** De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan de IB-Groep verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.
**6.** De natuurlijke persoon of het bestuur, bedoeld in het vierde lid, stuurt gelijktijdig een afschrift aan de betrokkene van de gegevens die hij over de betrokkene aan Onze Minister verstrekt en geeft daarbij tevens aan wat de consequenties op grond van deze wet zijn voor de vorm van de studiefinanciering van betrokkene alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat.
**7.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de mogelijkheid om studiepunten, behaald in een voorafgaand studiejaar mee te laten tellen bij de beoordeling van de vraag of aan de norm, bedoeld in het tweede lid, is voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder studiepunten die in enig jaar zijn behaald, leiden tot herziening van een beschikking, inhoudende de onvoorwaardelijke vorm van de aan de student toegekende studiefinanciering op grond van artikel 10.7.
@ -1463,7 +1436,7 @@ c. artikel 18.20 van de WHW.
**2.** Ten aanzien van een student wordt de tempobeurs toegekend onder de voorwaarde dat de student over een studiejaar het in artikel 10.6, tweede lid, of het krachtens artikel 10.6, derde lid, vastgestelde resultaat behaalt.
**3.** Over het studiejaar waarin de student blijkens de mededeling aan de IB-Groep, bedoeld in artikel 10.6, vierde lid, tweede volzin, of de mededeling, bedoeld in artikel 7.9a, tweede lid, van de WHW, de norm van de studievoortgang niet heeft behaald, wordt met ingang van 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, de tempobeurs van rechtswege omgezet in lening. De IB-Groep maakt de omzetting zo spoedig mogelijk aan de student bekend. De tempobeurs van de studenten voor wie de IB-Groep niet een mededeling als bedoeld in de eerste volzin, heeft ontvangen, wordt op 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van rechtswege onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
**3.** Over het studiejaar waarin de student blijkens de mededeling aan Onze Minister, bedoeld in artikel 10.6, vierde lid, tweede volzin, of de mededeling, bedoeld in artikel 7.9a, tweede lid, van de WHW, de norm van de studievoortgang niet heeft behaald, wordt met ingang van 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, de tempobeurs van rechtswege omgezet in lening. Onze Minister maakt de omzetting zo spoedig mogelijk aan de student bekend. De tempobeurs van de studenten voor wie Onze Minister niet een mededeling als bedoeld in de eerste volzin, heeft ontvangen, wordt op 31 december van het kalenderjaar waarin het desbetreffende studiejaar is geëindigd, van rechtswege onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
**4.** Bij de beoordeling van de studievoortgang tellen de studiepunten mee die zijn behaald in opleidingen waarop artikel 10.6 van toepassing is. Bij de beoordeling van de studievoortgang tellen niet mee de studiepunten die zijn behaald als gevolg van een vrijstelling als bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onderdeel r, van de WHW.
@ -1471,7 +1444,7 @@ c. artikel 18.20 van de WHW.
**6.** In het studiejaar waarin de student, bedoeld in het tweede lid, een opleiding waarvoor de student staat ingeschreven, met goed gevolg afrondt, wordt de tempobeurs voor dat studiejaar onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
**7.** Indien een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, niet na het einde van elk studiejaar voor 1 november daaropvolgend aan de IB-Groep de gegevens, bedoeld in artikel 7.9a van de WHW, of artikel 10.6, vierde lid, heeft verstrekt, wordt de tempobeurs onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
**7.** Indien een onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 10.6, tweede lid, niet na het einde van elk studiejaar voor 1 november daaropvolgend aan Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 7.9a van de WHW, of artikel 10.6, vierde lid, heeft verstrekt, wordt de tempobeurs onvoorwaardelijk als gift vastgesteld.
### Artikel 10.8
@ -1482,43 +1455,113 @@ Dit artikel is uitsluitend van toepassing op studenten die:
a. na 31 augustus 1995 en voor 1 september 1996 voor het eerst voor het volgen van hoger onderwijs studiefinanciering ontvingen op grond van de Wet op de studiefinanciering, en
b. een voltijdse opleiding volgen als bedoeld in artikel 7.4, zesde lid, van de WHW , zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002, of het geheel van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, eerste lid, van de WHW en een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW.
**2.** Indien aan een student na de periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, op grond van artikel 10.3, derde lid, studiefinanciering in de vorm van lening is verstrekt voor een periode van 2 jaren, vermeerderd met 1 jaar, en hij een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte kopie van het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd hebben van het afsluitend examen van een zodanige opleiding aan de IB-Groep overlegt, wordt zijn studiefinanciering over die leenperiode opnieuw vastgesteld alsof artikel 10.3, derde lid, eerste volzin, over die periode niet van toepassing was geweest. Indien die leenperiode langer is dan 12 maanden, wordt de werking van de vorige volzin beperkt tot de eerste 12 maanden van die leenperiode.
**2.** Indien aan een student na de periode van 5 jaren, genoemd in artikel 10.3, tweede lid, op grond van artikel 10.3, derde lid, studiefinanciering in de vorm van lening is verstrekt voor een periode van 2 jaren, vermeerderd met 1 jaar, en hij een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte kopie van het getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd hebben van het afsluitend examen van een zodanige opleiding aan Onze Minister overlegt, wordt zijn studiefinanciering over die leenperiode opnieuw vastgesteld alsof artikel 10.3, derde lid, eerste volzin, over die periode niet van toepassing was geweest. Indien die leenperiode langer is dan 12 maanden, wordt de werking van de vorige volzin beperkt tot de eerste 12 maanden van die leenperiode.
**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op maanden die deel uitmaken van een studiejaar waarin de student niet het in artikel 10.6, tweede lid, genoemde aantal studiepunten heeft behaald. De eerste volzin is niet van toepassing op maanden van het studiejaar waarin de student de opleiding waarvoor hij staat ingeschreven, met goed gevolg afrondt.
**4.** Het tweede lid is niet van toepassing, indien de daar bedoelde gewaarmerkte kopie van het getuigschrift niet binnen 2 jaren na het einde van de leenperiode waarop het tweede lid, laatste volzin, betrekking heeft, of wanneer dat eerder is, binnen 6 maanden na de uitreiking van dat getuigschrift, aan de IB-Groep is overgelegd.
**4.** Het tweede lid is niet van toepassing, indien de daar bedoelde gewaarmerkte kopie van het getuigschrift niet binnen 2 jaren na het einde van de leenperiode waarop het tweede lid, laatste volzin, betrekking heeft, of wanneer dat eerder is, binnen 6 maanden na de uitreiking van dat getuigschrift, aan Onze Minister is overgelegd.
**5.** Bij het in het tweede lid bedoelde opnieuw vaststellen van de studiefinanciering wordt de per maand in aanmerking te nemen aanvullende beurs vastgesteld op het gemiddelde van de maandbedragen aan aanvullende beurs die aan de aanvrager voorwaardelijk zijn toegekend over de laatste 12 maanden van de in het tweede lid bedoelde periode van 5 jaren. De toekenning van gift op grond van het tweede lid is een onvoorwaardelijke.
## Hoofdstuk 10A. Hoger onderwijs; omzetting eerste 12 maanden
### Paragraaf 10a.1. Algemeen
## Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren
### Artikel 10a.1
Vervallen
### Paragraaf 10a.2. Omzettingsprocedure bij overstappen voor 1 februari in eerste studiejaar (voorheen paragraaf 5.4)
Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op debiteuren die voor het studiejaar 20092010 voor het eerst studiefinanciering ontvingen, tenzij zij een aanvraag hebben ingediend als bedoeld in artikel 10a.2.
### Artikel 10a.2
Vervallen
**1.** Een debiteur die voor het studiejaar 2009-2010 voor het eerst studiefinanciering ontving en voor wie op 31 december 2011 nog geen aflosfase is aangevangen, kan, op aanvraag, zijn schuld aflossen op grond van hoofdstuk 6. Een debiteur dient een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend voor de aanvang van zijn aflosfase in.
### Paragraaf 10a.3. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.5)
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de goede uitvoering van het eerste lid.
### Artikel 10a.3
Vervallen
De artikelen 6.1 tot en met 6.6, 6.8, 6.12, en 6.14 tot en met 6.17 zijn van overeenkomstige toepassing op debiteuren die onder dit hoofdstuk vallen.
### Artikel 10a.4
Vervallen
### Paragraaf 10a.4. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden (voorheen paragraaf 5.6)
De aflosfase beslaat behoudens toepassing van artikel 10a.6, derde lid, 15 kalenderjaren volgend op de aanloopfase. Deze periode wordt verlengd indien artikel 10a.11, tweede lid, van toepassing is.
### Artikel 10a.5
Vervallen
**1.** In afwijking van artikel 10a.4 kan een debiteur met ingang van 1 januari 2012 op aanvraag de terugbetaling voor ten hoogste 5 kalenderjaren opschorten.
**2.** De aflosfase wordt verlengd met het aantal maanden dat gebruik is gemaakt van de aflosvrije periode op grond van het eerste lid.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de opschorting, bedoeld in het eerste lid.
### Artikel 10a.6
**1.** Rente en aflossing van de lening vervallen gedurende de aflosfase in maandelijkse termijnen.
**2.**
De hoogte van de maandelijkse termijnen wordt op basis van het aantal maanden van de aflosfase onderscheidenlijk het nog resterende aantal maanden van de aflosfase tot gelijke bedragen vastgesteld bij de aanvang van:
a. het eerste jaar van de aflosfase,
b. het vierde jaar van de aflosfase, en
c. ieder vijfde jaar na het vierde jaar van de aflosfase.
**3.** Onverminderd artikel 10a.7, eerste lid, bedraagt het totaal per jaar te betalen bedrag aan maandelijkse termijnen ten minste € 545,. Bij ministeriële regeling kan dit bedrag gelet op de loonontwikkeling worden herzien.
**4.** Rente en aflossing van de lening van een debiteur die in het buitenland woont, vervallen, in afwijking van het eerste lid, gedurende de aflosfase in jaarlijkse termijnen. Indien die debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn behandeld als een debiteur die in het buitenland woont. De artikelen 6.4 en 6.6 zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Op aanvraag van een in de eerste volzin bedoelde debiteur besluit Onze Minister dat de rente en aflossing van de lening niet vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de terugbetalingstermijnen.
### Artikel 10a.7
**1.** Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijn te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij de IB-Groep een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.
**2.** De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.
**4.** Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijn, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijn.
### Artikel 10a.8
**1.** Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.
**2.** Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, indien voor de debiteur voor de inkomstenbelasting naast de algemene heffingskorting de alleenstaande-ouderkorting, of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting maar niet de alleenstaande-ouderkorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur naast de algemene heffingskorting voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn.
**3.** Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf.
**4.** Indien de debiteur of zijn partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander.
**5.** Indien de debiteur en zijn partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander.
**6.** De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.
**7.** In afwijking van het tweede tot en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een debiteur met een toetsingsinkomen lager dan een bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende groepen debiteuren verschillend luiden.
**8.** Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door de IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.
### Artikel 10a.9
Indien voor de debiteur voor de inkomstenbelasting na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld naast de algemene heffingskorting de alleenstaande-ouderkorting, of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing wordt, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.
### Artikel 10a.10
**1.** Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijn te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen 10a.7, 10a.8, 6.12 en 6.13.
**2.** Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijn, bedoeld in artikel 10a.6, tweede lid, wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte.
### Artikel 10a.11
**1.** Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient.
**2.** Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar.
### Artikel 10a.12
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijn. Op het bedrag dat aan draagkracht resteert is artikel 10a.10, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 10a.13
**1.** Indien de partner van de debiteur een debiteur is op wie hoofdstuk 6 van toepassing is, blijft artikel 10a.10, eerste lid, buiten toepassing.
**2.** Bij de toepassing van artikel 10a.10, tweede lid, wordt de draagkracht van de debiteur op wie hoofdstuk 6 van toepassing is, aangewend, voor zover het bedrag van de draagkracht groter is dan de vastgestelde termijn, bedoeld in artikel 6.9, tweede lid.
## Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
@ -1546,7 +1589,7 @@ Vervallen
### Artikel 11.5
**1.** De IB-Groep kan voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
**1.** Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
**2.**
@ -1691,7 +1734,7 @@ b. een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 van de WHW met een studielast van
### Artikel 12.10a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Het rentepercentage voor leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is in afwijking van artikel 6.3, 1,65 procentpunt lager dan het in dat artikel bedoelde rentepercentage.
### Artikel 12.11