diff --git a/amvb/besluit-brede-doeluitkering-sociaal-integratie-en-veiligheid/BWBR0018238/README.md b/amvb/besluit-brede-doeluitkering-sociaal-integratie-en-veiligheid/BWBR0018238/README.md index 16577b207b7..2c0bd0c4ee5 100644 --- a/amvb/besluit-brede-doeluitkering-sociaal-integratie-en-veiligheid/BWBR0018238/README.md +++ b/amvb/besluit-brede-doeluitkering-sociaal-integratie-en-veiligheid/BWBR0018238/README.md @@ -35,21 +35,22 @@ m. volwassen veelpleger: een persoon van 18 jaar of ouder tegen wie meer dan tie n. jeugdige veelpleger: een persoon van 12 tot en met 17 jaar tegen wie meer dan vijf processen-verbaal wegens een misdrijf zijn opgemaakt; o. inburgeringsdeel: het deel van de uitkering dat afkomstig is uit de middelen voor de inburgering van nieuwkomers en voor de inburgering van oudkomers, gedurende 2005 en 2006; p. programmadeel: het andere deel van de uitkering dan het inburgeringsdeel; -q. inburgeringsplichtige: de inburgeringsplichtige, bedoeld in de artikelen 19, eerste en tweede lid, en 20 van de Wet inburgering, aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van die wet is verstrekt, tenzij die lening is terugbetaald; +q. inburgeringsplichtige: de inburgeringsplichtige, bedoeld in de artikelen 19, eerste en tweede lid, en 20 van de Wet inburgering, aan wie geen lening als bedoeld in artikel 16 van die wet is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening is terugbetaald, en die niet behoort tot de inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie een persoonsvolgend budget is verstrekt; r. Nederlander: de Nederlander, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet inburgering; -s. inburgeraar: de Nederlander of de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft en onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, van Zwitserland of van een staat wiens onderdanen op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 van de Wet inburgering kan worden opgelegd, en die +s. inburgeraar: de Nederlander of de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering, het rechtmatig in Nederland verblijvende familielid van voornoemde vreemdeling of de rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die onderdaan is van een staat wiens onderdanen op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld van artikel 7 van de Wet inburgering kan worden opgelegd, en die 1°. ouder is dan 15 jaar; 2°. minder dan acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven, en; 3°. niet beschikt over een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering; -4°. niet volledig leerplichtig is, dan wel een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering; +4°. niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is, dan wel een opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit inburgering; 5°. geen overeenkomst heeft afgesloten op grond van de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31, dan wel het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal; t. geestelijke bedienaar: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inburgering; u. inburgeringsvoorziening: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, onderdeel j, van het Besluit inburgering; v. gecombineerde inburgeringsvoorziening: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, onderdeel k, van het Besluit inburgering; w. handhavingsbeschikking: de beschikking, bedoeld in artikel 26 van de Wet inburgering, die niet tevens is gegeven op grond van artikel 22, tweede lid, van die wet; x. kennisgeving: de schriftelijke informatieverstrekking op grond van artikel 5.3, derde lid, van het Besluit inburgering; -y. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006. +y. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006; +z. persoonsvolgend budget: budget dat ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van de inburgering van een persoon als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007, 111), die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de Wet inburgering en die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft. **2.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel d, loopt de GSB III periode voor de gemeente Sittard-Geleen van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009. @@ -70,7 +71,7 @@ b. de uitvoering van de artikelen 4, 5, 6, eerste lid, en 15 van de Wet inburger De uitkering wordt berekend volgens de formule: -A x I + B x J + C x K + D x L + E x M + F x N + G x O + H x P + Q +A x I + B x J + C x K + D x L + E x M + F x N + G x O + H x P + Q + R in welke formule voorstelt: @@ -106,7 +107,9 @@ O: de middelen voor de inburgering van oudkomers die in 2005 en in 2006 vanuit h P: de extra middelen voor veiligheid die gedurende de GSB III periode vanuit hoofdstuk VII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld; -Q: het aandeel van de gemeente in de middelen voor inburgering die gedurende 2007, 2008 en 2009 vanuit hoofdstuk VI van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld. +Q: het aandeel van de gemeente in de middelen voor inburgering ten behoeve van inburgeringsplichtigen, niet bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit inburgering, en die gedurende 2007, 2008 en 2009 vanuit hoofdstuk XI, respectievelijk hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld; + +R: het aandeel van de gemeente in de middelen voor inburgering ten behoeve van inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 7.1a van het Besluit inburgering, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt, en die gedurende 2008 en 2009 vanuit hoofdstuk XVIII van de Rijksbegroting voor de uitkering ter beschikking worden gesteld. **2.** @@ -116,7 +119,8 @@ a. de procentuele aandelen van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, onder de b. het aandeel van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, onder letter Q, wordt bepaald, met dien verstande dat dit aandeel zal bestaan uit: 1°. een vast deel, en -2°. een deel dat wordt berekend op de grondslag van door de gemeente gerealiseerde prestaties, vermenigvuldigd met de bijbehorende bijdragevergoedingen, waarvan de hoogte per kalenderjaar kan verschillen. +2°. een deel dat wordt berekend op de grondslag van door de gemeente gerealiseerde prestaties, vermenigvuldigd met de bijbehorende bijdragevergoedingen, waarvan de hoogte per kalenderjaar kan verschillen; +c. het aandeel van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, onder letter R, wordt bepaald, met dien verstande dat dit aandeel wordt berekend op de grondslag van door de gemeente gerealiseerde prestaties, vermenigvuldigd met de bijbehorende bijdragevergoedingen, waarvan de hoogte per kalenderjaar kan verschillen. **3.** In afwijking van het eerste en tweede lid wordt het bedrag van de aan de gemeente Sittard-Geleen te verstrekken uitkering bij regeling van Onze Minister afzonderlijk vastgesteld. @@ -130,6 +134,8 @@ b. het aandeel van de gemeenten, bedoeld in het eerste lid, onder letter Q, word **4.** Het college van burgemeester en wethouders dient voor 15 april 2007 een aanvraag in tot verlening van het aandeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel Q. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. +**5.** Het college van burgemeester en wethouders dient voor 15 december van het komende kalenderjaar een aanvraag in tot verlening van het aandeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel R. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. + ### Artikel 6 **1.** Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan Onze Minister een prognose van het aantal oudkomers dat in 2005 en 2006 een inburgeringsprogramma voor oudkomers zal starten. @@ -161,7 +167,8 @@ o. inburgering van inburgeringsplichtigen en inburgeraars, te weten: 1°. het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars ten behoeve van wie voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening of een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld; 2°. het aantal inburgeringsplichtigen aan wie een handhavingsbeschikking zal worden bekendgemaakt dan wel een kennisgeving zal worden verstrekt; 3°. het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars, tevens zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld; -4°. het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars dat op 1 januari 2007 deelneemt aan opleidingen educatie, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede de omvang van het bedrag dat benodigd is om deze opleidingen educatie gedurende het jaar 2007 te bekostigen. +4°. het aantal inburgeringsplichtigen en inburgeraars dat op 1 januari 2007 deelneemt aan opleidingen educatie, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede de omvang van het bedrag dat benodigd is om deze opleidingen educatie gedurende het jaar 2007 te bekostigen; +5º. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, aan wie geen persoonsvolgend budget is verstrekt, ten behoeve van wie voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal worden vastgesteld in het komende kalenderjaar, als bedoeld in artikel 5, vijfde lid. **2.** De resultaten ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met o, worden geformuleerd met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen indicatoren. Bij de regeling van Onze Minister worden de categorieën van middelen van het programmadeel, percentsgewijs toegedeeld aan één of meer indicatoren. @@ -188,11 +195,13 @@ d. sociale kwaliteit. **2.** In een geval als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als het tijdstip van de ontvangst van de aanvraag. -**3.** Onze Minister neemt een beschikking tot verlening van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering binnen acht weken na het tijdstip waarop de aanvraag door hem is ontvangen. +**3.** Onze Minister neemt een beschikking tot verlening van de onderdelen Q respectievelijk R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering binnen acht weken na het tijdstip waarop de aanvraag door hem is ontvangen. -**4.** +**4.** De beschikking tot verlening van de uitkering vermeldt de wijze waarop het bedrag van de uitkering wordt bepaald. -De beschikking tot verlening van de uitkering vermeldt de wijze waarop het bedrag van de uitkering wordt bepaald. Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt met betrekking tot: +**5.** + +Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt met betrekking tot: a. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, een vast bedrag vermeld, bestaande uit: @@ -200,7 +209,9 @@ a. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, een vast 2°. een door Onze Minister te bepalen bedrag ten behoeve van de door de gemeente te verstrekken informatie aan (potentiële) inburgeringsplichtigen omtrent het inburgeringsstelsel van de Wet inburgering; b. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, voor zover betrekking hebbende op prestaties op grond van de Wet inburgering, in plaats van van de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels. -**5.** De uitkering wordt verleend onder de voorwaarde dat door de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking worden gesteld. +**6.** Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels. + +**7.** De uitkering wordt verleend onder de voorwaarde dat door de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking worden gesteld. ### Artikel 10 @@ -371,7 +382,12 @@ Het college van burgemeester en wethouders dient voor 1 april 2009 bij Onze Min ### Artikel 27 -**1.** Onze Minister stelt het programmadeel overeenkomstig de verlening vast, met dien verstande dat bij het vaststellen van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de door de gemeente behaalde resultaten worden betrokken met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen berekeningswijze en de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 9, vierde lid, worden vervangen door de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°. +**1.** + +Onze Minister stelt het programmadeel overeenkomstig de verlening vast, met dien verstande dat: + +a. bij het vaststellen van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de door de gemeente behaalde resultaten worden betrokken met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen berekeningswijze en de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, worden vervangen door de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2º; +b. bij het vaststellen van onderdeel R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de door de gemeente behaalde resultaten worden betrokken met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen berekeningwijze en de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 9, zesde lid, worden vervangen door de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel c. **2.** @@ -386,11 +402,11 @@ d. de door de gemeente gerealiseerde resultaten en de uitkomst van de berekening **4.** De lagere vaststelling van het programmadeel ingevolge het tweede lid, onderdeel a, geschiedt naar evenredigheid van de krachtens artikel 7, tweede lid en derde lid, en artikel 16, derde lid, vastgestelde verdeling over de indicatoren. -**5.** Behalve ten aanzien van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan Onze Minister in afwijking van het vierde lid de lagere vaststelling van het programmadeel ingevolge het tweede lid, onderdeel a, op verzoek van het gemeentebestuur, bepalen aan de hand van de relatieve verdeling van de besteding van de verleende voorschotten over de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten ten aanzien van de indicatoren, zoals die de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24, tweede lid, en in artikel 26, derde lid, is opgenomen. Ten behoeve van de lagere vaststelling past hij de hierbedoelde relatieve verdeling toe op het totaal van de verleende rijksbijdrage. +**5.** Behalve ten aanzien van de onderdelen Q en R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan Onze Minister in afwijking van het vierde lid de lagere vaststelling van het programmadeel ingevolge het tweede lid, onderdeel a, op verzoek van het gemeentebestuur, bepalen aan de hand van de relatieve verdeling van de besteding van de verleende voorschotten over de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten ten aanzien van de indicatoren, zoals die de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 24, tweede lid, en in artikel 26, derde lid, is opgenomen. Ten behoeve van de lagere vaststelling past hij de hierbedoelde relatieve verdeling toe op het totaal van de verleende rijksbijdrage. **6.** Het programmadeel kan in afwijking van het eerste lid, volgens bij regeling van Onze Minister vast te stellen regels, hoger worden vastgesteld, indien het gemeentebestuur de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten heeft overtroffen en dit naar zijn oordeel aan het gemeentebestuur kan worden toegerekend. -**7.** In afwijking van het zesde lid wordt onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het programmadeel hoger vastgesteld indien de door de gemeente gerealiseerde resultaten en de uitkomst van de berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geven. +**7.** In afwijking van het zesde lid wordt de onderdelen Q en R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het programmadeel hoger vastgesteld indien de door de gemeente gerealiseerde resultaten en de uitkomst van de berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geven. **8.** De vaststelling geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag van het programmadeel.