2003-10-01 | BWBR0007858 | Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
This commit is contained in:
parent
031c47cad6
commit
b396fb0b59
1 changed files with 166 additions and 76 deletions
|
|
@ -311,7 +311,9 @@ Aan dit verzoek om een onderzoek dient gevolg te worden gegeven.
|
|||
|
||||
### Artikel 2.12
|
||||
|
||||
De Commissie van Deskundigen kan er geheel of gedeeltelijk van afzien te onderzoeken of een vaartuig voldoet aan de bepalingen van Deel II en van artikel 23.09 voor zover uit een geldige verklaring, afgegeven door een classificatiebureau dat door de regeringen van alle Oeverstaten en van België is erkend, blijkt dat het vaartuig geheel of gedeeltelijk aan die bepalingen voldoet.
|
||||
**1.** De Commissie van Deskundigen kan er geheel of gedeeltelijk van afzien te onderzoeken of een vaartuig voldoet aan de bepalingen van Deel II en van artikel 23.09 voor zover uit een geldige verklaring, afgegeven door een classificatiebureau dat door de regeringen van alle Oeverstaten en van België is erkend, blijkt dat het vaartuig geheel of gedeeltelijk aan die bepalingen voldoet.
|
||||
|
||||
**2.** Een verklaring van een classificatiebureau, dan wel – voor zover dit volgens dit reglement voor bepaalde onderdelen van de uitrusting is toegelaten – van een andere instantie, mag door de bevoegde autoriteit slechts dan worden erkend, indien dat classificatiebureau of die andere instantie verklaart dat het de bepalingen van de richtlijnen bedoeld in artikel 1.07 in acht heeft genomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -417,12 +419,12 @@ Als minimale dikte t_min moet worden genomen de grootste van de aan de hand van
|
|||
1. Voor schepen met een lengte van meer dan 40 m:
|
||||
|
||||
*t*
|
||||
_min = *f . b . c .* (2,3+0,04*L*) [*mm*];
|
||||
_min = *f . b . c .* (2,3+0,04*L*) [*mm*];
|
||||
|
||||
voor schepen met een lengte van 40 m of minder:
|
||||
|
||||
*t*
|
||||
_min = *f . b . c .* (1,5+0,06*L*) [*mm*],
|
||||
_min = *f . b . c .* (1,5+0,06*L*) [*mm*],
|
||||
|
||||
echter ten minste 3,0 mm.
|
||||
2. Voor schepen ongeacht de lengte: *t*_min = 0,005 . a √*T* [*mm*].
|
||||
|
|
@ -454,6 +456,9 @@ c = 1,0 voor schepen met een andere bouwwijze.
|
|||
De volgens bovenstaande methode vastgestelde waarden voor de minimumdikten van de beplating van de scheepshuid zijn grenswaarden bij een normale en gelijkmatige slijtage onder de voorwaarde dat scheepsbouwstaal is gebruikt en dat de inwendige constructiedelen, zoals spanten, bodemvrangen en hoofd-, langs- en dwarsverbanddelen zich in goede staat bevinden en dat het casco geen schade heeft opgelopen die wijst op overbelasting van de romp in langsscheepse richting.
|
||||
|
||||
Indien de werkelijke waarden lager zijn dan de berekende waarden, moeten de desbetreffende platen worden vervangen of gerepareerd. Plaatselijke kleine, dunnere plekken kunnen worden toegestaan tot een afwijking van ten hoogste 10% van de minimumdikte.
|
||||
c. De minimale plaatdikte die met de in onderdeel b vermelde formules is berekend mag bij schepen die in langsrichting zijn gebouwd en die van een dubbele bodem en zijtanks zijn voorzien zoveel minder zijn als door een erkend classificatiebureau is vastgesteld en gedocumenteerd nadat de voldoende sterkte van de scheepsromp rekenkundig is aangetoond.
|
||||
|
||||
Vernieuwing van de beplating is noodzakelijk wanneer de dikte van bodem- of zijbeplating minder is dan de aldus vastgestelde waarde.
|
||||
|
||||
**2.** De stabiliteit van de schepen moet in overeenstemming zijn met het doel waarvoor zij zijn bestemd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -488,13 +493,15 @@ Deuren in het achterpiekschot en openingen voor de doorvoering van assen, leidin
|
|||
|
||||
**6.** Openingen waarlangs water wordt in- of uitgelaten, alsmede de aangesloten leidingen moeten zo geconstrueerd zijn dat onopzettelijk binnendringen van water in de scheepsromp niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**7.** Een voorschip moet zodanig gebouwd zijn dat ankers noch geheel, noch gedeeltelijk buiten de scheepshuid uitsteken.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.04
|
||||
|
||||
**1.** De ruimten waarin machine-installaties of ketels, alsmede hun toebehoren zijn opgesteld, moeten zodanig uitgerust en ingericht zijn dat bediening, toezicht en onderhoud van de zich aldaar bevindende installaties gemakkelijk en zonder gevaar kunnen geschieden.
|
||||
|
||||
**2.** Brandstof- of smeeroliebunkers mogen met verblijven geen begrenzingsvlakken gemeen hebben die bij normaal bedrijf onder de statische druk van de vloeistof staan.
|
||||
**2.** Bunkers voor vloeibare brandstof of smeerolie mogen met ruimten bestemd voor passagiers en met verblijven geen begrenzingsvlakken gemeen hebben die bij normaal bedrijf onder de statische druk van de vloeistof staan.
|
||||
|
||||
**3.** Wanden, dekken en deuren van de machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van staal of een ander, met betrekking tot onbrandbaarheid gelijkwaardig materiaal zijn gemaakt.
|
||||
**3.** Wanden, dekken en deuren van de machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van staal of een ander, met betrekking tot onbrandbaarheid, gelijkwaardig materiaal zijn gemaakt.
|
||||
|
||||
**4.** Machinekamers, ketelruimen en andere ruimten waarin zich brandbare of giftige gassen kunen ontwikkelen, moeten voldoende kunnen worden geventileerd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -508,7 +515,7 @@ Van een tweede uitgang kan worden afgezien, indien:
|
|||
|
||||
a. het grondvlak (gemiddelde lengte * gemiddelde breedte ter hoogte van de vloerplaten) van een machinekamer of ketelruim in totaal niet meer bedraagt dan 35 m²,
|
||||
b. de vluchtweg vanaf iedere standplaats waar bedieningshandelingen of onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd tot aan de uitgang, of tot aan het voetpunt van de trap bij de uitgang die naar buiten leidt, niet meer bedraagt dan 5 m, en
|
||||
c. bij de plaats van onderhoud die het verst verwijderd is van de uitgang een draagbaar blustoestel aanwezig is, en wel in afwijking van artikel 10.03, eerste lid onder *e*, ook indien de geïnstalleerde motorcapaciteit 100 kW of minder bedraagt.
|
||||
c. bij de plaats van onderhoud die het verst verwijderd is van de uitgang een draagbaar blustoestel aanwezig is, en wel in afwijking van artikel 10.03, eerste lid onder e, ook indien de geïnstalleerde motorcapaciteit 100 kW of minder bedraagt.
|
||||
|
||||
**7.** Het ten hoogste toegestane niveau van de geluidsdruk in de machinekamers bedraagt 110 dB(A). De meetpunten moeten worden gekozen met inachtneming van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden tijdens het normale bedrijf van de installaties.
|
||||
|
||||
|
|
@ -570,11 +577,7 @@ h de hoogte van de desbetreffende bovenbouw in m. Voor luikhoofden wordt h evenw
|
|||
|
||||
Wanneer het quotiënt van b en B of van b en B_1 kleiner is dan 0,6 moet de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw le gelijk aan nul worden gesteld.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De coëfficiënten β_v en β_a worden volgens de volgende formules berekend:
|
||||
|
||||
,
|
||||
**4.** De coëfficiënten β_v en β_a worden volgens de volgende formules berekend:
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1068,7 +1071,7 @@ Afsluitinrichtingen op brandstoftanks, die dienen voor het ontnemen van brandsto
|
|||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De vulleiding van brandstoftanks moet aan dek uitmonden, met uitzondering van die der dagtanks. De vulleiding moet afsluitbaar zijn. Deze tanks moeten zijn voorzien van een ontluchtingsleiding die bovendeks in de open lucht moet uitmonden en zo moet zijn ingericht dat geen water kan binnendringen. De doorsnede van de ontluchtingsleiding moet ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.
|
||||
De vulleidingen van brandstoftanks moeten aan dek uitmonden, met uitzondering van die der dagtanks. De vulleidingen moeten voorzien zijn van een aansluitkoppeling volgens de Europese norm EN 12 827. Deze tanks moeten zijn voorzien van een ontluchtingsleiding die bovendeks in de open lucht uitmondt en zo zijn ingericht dat geen water kan binnendringen. De doorsnede van deze ontluchtingsleiding moet ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.
|
||||
|
||||
Indien tanks voor vloeibare brandstoffen met elkaar in verbinding staan, moet de doorsnede van de verbindingsleiding ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1076,11 +1079,24 @@ Indien tanks voor vloeibare brandstoffen met elkaar in verbinding staan, moet de
|
|||
|
||||
**8.** Brandstofleidingen, hun verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische belasting. Brandstofleidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden.
|
||||
|
||||
**9.** Brandstoftanks moeten zijn voorzien van een peilinrichting die afleesbaar moet zijn tot aan de hoogste vulstand. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen.
|
||||
**9.**
|
||||
|
||||
**10.** Tanks voor vloeibare brandstoffen moeten zijn voorzien van afsluitbare openingen voor reiniging en inspectie.
|
||||
Brandstoftanks moeten zijn voorzien van een peilinrichting die afleesbaar moet zijn tot aan de hoogste vulstand. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen.
|
||||
|
||||
**11.** Brandstoftanks die onmiddellijk aan de voortstuwingsmotoren en aan de voor de vaart noodzakelijke andere motoren zijn aangesloten, moeten zijn voorzien van een inrichting waardoor zowel optisch als akoestisch in het stuurhuis wordt aangegeven dat de hoeveelheid brandstof in de tank niet meer voldoende is voor een veilige voortzetting van de vaart.
|
||||
Smeerolietanks moeten zijn voorzien van een peilinrichting.
|
||||
|
||||
**10.** a. Brandstoftanks moeten door geschikte technische inrichtingen aan boord, die in het certificaat van onderzoek onder nummer 52 moeten worden vermeld, zijn beveiligd tegen het uitstromen van brandstof tijdens het bunkeren.
|
||||
b. Wanneer brandstof wordt ingenomen van bunkerstations die door hun eigen technische inrichtingen tegen het uitstromen van brandstof aan boord tijdens het bunkeren beveiligd zijn, is het uitrustingsvoorschrift, bedoeld in onderdeel a en in het elfde lid, niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**11.**
|
||||
|
||||
Indien brandstoftanks zijn uitgerust met een automatische uitschakelinrichting, moeten de meetelementen bij een tankvulstand van 97 % het bunkeren onderbreken; deze inrichtingen moeten voldoen aan de maatstaf «failsafe».
|
||||
|
||||
Indien het meetelement een elektrisch contact in werking stelt, dat in de vorm van een binair signaal de van het bunkerstation afkomstige en gevoede stroomkring kan onderbreken, moet het signaal naar het bunkerstation kunnen worden overgebracht via een waterdichte apparatenstekker van een koppelingsinrichting volgens de internationale norm IEC 60309–1: 1999 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur.
|
||||
|
||||
**12.** Tanks voor vloeibare brandstoffen moeten zijn voorzien van afsluitbare openingen voor reiniging en inspectie.
|
||||
|
||||
**13.** Brandstoftanks die onmiddellijk aan de voortstuwingsmotoren en aan de voor de vaart noodzakelijke andere motoren zijn aangesloten, moeten zijn voorzien van een inrichting waardoor zowel optisch als akoestisch in het stuurhuis wordt aangegeven dat de hoeveelheid brandstof in de tank niet meer voldoende is voor een veilige voortzetting van de vaart.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.06
|
||||
|
||||
|
|
@ -1144,15 +1160,17 @@ Afdelingen of andere ruimten, die als ballastruimten dienen, behoeven slechts vi
|
|||
|
||||
**10.** Indien een lensinrichting is uitgevoerd met vast aangebrachte leidingen, moeten de lensleidingen van de bilgen die voor het verzamelen van oliehoudend water zijn bestemd, zijn voorzien van door een Commissie van Deskundigen in gesloten stand verzegelde afsluiters. Het aantal en de plaats van deze afsluiters moeten worden vermeld in het certificaat van onderzoek.
|
||||
|
||||
**11.** Het afgesloten zijn moet worden beschouwd als gelijkwaardig aan een verzegeling als bedoeld in het tiende lid. De sleutel of sleutels van de sloten van de afsluitinrichtingen moeten overeenkomstig gekenmerkt op een gemakkelijk toegankelijke en aangeduide plaats in de machinekamer worden bewaard.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.07
|
||||
|
||||
**1.** Het tijdens het bedrijf van een schip vrijkomend oliehoudend water moet aan boord kunnen worden verzameld. In dit verband wordt de machinekamer-bilge aangemerkt als verzamelruimte.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor het verzamelen van afgewerkte olie moeten in de machinekamer(s) één of meer speciaal daarvoor bestemde reservoirs zijn aangebracht die ten minste 1,5 keer de hoeveelheid afgewerkte olie uit de carters van alle ingebouwde verbrandingsmotoren en tandwielkasten, alsmede de hoeveelheid hydraulische olie afkomstig uit de hydraulische-olietanks, kunnen bevatten.
|
||||
Voor het verzamelen van afgewerkte olie moeten in de machinekamer(s) één of meer speciaal daarvoor bestemde reservoirs zijn aangebracht die ten minste 1,5 keer de hoeveelheid afgewerkte olie uit de carters van alle ingebouwde verbrandingsmotoren en tandwielkasten, alsmede de hoeveelheid hydraulische olie afkomstig uit de hydraulische olietanks, kunnen bevatten.
|
||||
|
||||
Aansluitingen voor het leeghalen van deze reservoirs moeten voldoen aan de Europese norm EN 1305.
|
||||
Aansluitingen voor het leeghalen van deze reservoirs moeten voldoen aan de Europese norm EN 1305: 1996.
|
||||
|
||||
**3.** Voor schepen die slechts worden ingezet op korte trajecten kan de Commissie van Deskundigen ontheffing verlenen van het tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1218,7 +1236,7 @@ De uitstoot van deze motoren van koolmonoxide (CO), koolwaterstoffen (HC), stiks
|
|||
|
||||
### Artikel 8a.03
|
||||
|
||||
**1.** Een aanvraag van een typegoedkeuring van een motortype, een motorfamilie of een motorgroep moet door de fabrikant bij een der bevoegde autoriteiten worden ingediend. Bij de aanvraag moet een informatiedossier en het ontwerp van een proces-verbaal van de motorkenmerken worden gevoegd. De fabrikant moet voor de typekeuringen een motor, die voldoet aan de essentiële kenmerken vermeld in bijlage J, deel II, aanhangsel 1, demonstreren.
|
||||
**1.** Een aanvraag van een typegoedkeuring van een motortype, een motorfamilie of een motorgroep moet door de fabrikant bij de bevoegde autoriteit worden ingediend. Bij de aanvraag moet een informatiedossier en het ontwerp van een proces-verbaal van de motorkenmerken worden gevoegd. De fabrikant moet voor de typekeuringen een motor, die voldoet aan de essentiële kenmerken vermeld in bijlage J, deel II, aanhangsel 1, demonstreren.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de bevoegde autoriteit, in het geval van een aanvraag van een typegoedkeuring van een motorfamilie of van een motorgroep, vaststelt dat de ingediende aanvraag met betrekking tot de geselecteerde basismotor voor de in bijlage J, deel II, aanhangsel 2, beschreven motorfamilie of motorgroep niet representatief is, moet een andere, en eventueel een extra, basismotor, die door de bevoegde autoriteit wordt aangewezen, ten behoeve van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking worden gesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1310,7 +1328,7 @@ Indien de conformiteit van de motor niet wordt hersteld of indien de typegoedkeu
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De Rijnoeverstaten en België delen aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart de namen en de adressen van de bevoegde autoriteiten en technische diensten mede, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk. De technische diensten moeten voldoen aan de geharmoniseerde normen voor het functioneren van testlaboratoria (EN 45001) en voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
||||
De Oeverstaten en België delen aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart de namen en de adressen van de bevoegde autoriteiten en technische diensten mede, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk. De technische diensten moeten voldoen aan de geharmoniseerde normen voor het functioneren van testlaboratoria (EN ISO/IEC 17 025: 2000) en voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. de fabrikanten van motoren kunnen niet als technische dienst worden erkend;
|
||||
b. voor de toepassing van dit hoofdstuk mag een technische dienst met toestemming van de bevoegde autoriteit gebruik maken van inrichtingen buiten zijn eigen testinstelling.
|
||||
|
|
@ -1467,7 +1485,7 @@ b. de stroomsoort, de nominale spanning en, bij wisselstroom, bovendien de frequ
|
|||
|
||||
### Artikel 9.09
|
||||
|
||||
**1.** Indien aan andere schepen stroom wordt geleverd, moet daarvoor een afzonderlijke aansluitinrichting aanwezig zijn. Indien contactstekkerinrichtingen worden gebruikt die geschikt zijn voor een nominale stroom van meer dan 16 A, moet zijn gewaarborgd dat het aansluiten of het verbreken van de aansluiting alleen in stroomloze toestand kan plaatsvinden.
|
||||
**1.** Indien aan andere vaartuigen stroom wordt geleverd, moet daarvoor een afzonderlijke aansluitinrichting aanwezig zijn. Indien contactstekkerinrichtingen worden gebruikt die geschikt zijn voor een nominale stroom van meer dan 16 A, moet zijn gewaarborgd dat het aansluiten of het verbreken van de aansluiting alleen in stroomloze toestand kan plaatsvinden.
|
||||
|
||||
**2.** Kabelverbindingen mogen niet op spanning worden belast.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1525,7 +1543,7 @@ Bij mechanische ventilatie moet, bij voorkeur, een afzuigventilator worden gebru
|
|||
|
||||
Deze ventilator moet zodanig zijn uitgevoerd dat geen vonkvorming bij aanraking van een waaier met het ventilatorhuis en geen elektrostatische oplading kunnen optreden.
|
||||
|
||||
**8.** Op de deuren of deksels van ruimten, kasten of kisten voor accumulatoren moet een teken "verboden te roken" met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 61 van bijlage 3 van het Rijnvaartpolitiereglement, zijn aangebracht.
|
||||
**8.** Op de deuren of deksels van ruimten, kasten of kisten voor accumulatoren moet een teken «vuur, open licht en roken verboden» met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage I, zijn aangebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -1633,7 +1651,7 @@ In de verblijven kan de toepassing van andere kabeltypen worden toegestaan, mits
|
|||
|
||||
**1.** Op schepen voor dagtochten met een lengte LWL van 25 m of meer en op hotelschepen moet een noodstroominstallatie aanwezig zijn, die bij uitval van de voeding de stroomvoorziening van de in het derde lid bedoelde elektrische inrichtingen kan overnemen.
|
||||
|
||||
**2.** De noodstroominstallatie (noodstroombron en noodschakelbord) moet buiten de machinekamer en de ruimte waarin het hoofdschakelbord staat opgesteld zijn aangebracht en van deze ruimten door brandvertragende, waterdichte schotten zijn gescheiden.
|
||||
**2.** De noodstroominstallatie (noodstroombron en noodschakelbord) moet buiten de hoofdmachinekamer en de ruimte waarin het hoofdschakelbord staat opgesteld zijn aangebracht en van deze ruimten door brandvertragende, waterdichte schotten zijn gescheiden.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1882,7 +1900,8 @@ d. een loopplank, ten minste 0,40 m breed en ten minste 4 m lang, waarvan de zij
|
|||
e. een bootshaak;
|
||||
f. een verbandtrommel;
|
||||
g. een verrekijker, 7 ̈ 50 of een grotere lensdiameter;
|
||||
h. een bord met aanwijzingen betreffende het redden en het bijbrengen van drenkelingen.
|
||||
h. een bord met aanwijzingen betreffende het redden en het bijbrengen van drenkelingen;
|
||||
i. een vanuit de stuurstand bedienbare schijnwerper.
|
||||
|
||||
**3.** Op schepen waarvan de hoogte van het boord boven de waterlijn bij ledig schip meer dan 1,50 m bedraagt moet een buitenboordtrap of -ladder aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2014,32 +2033,15 @@ H_B: de hoogte in de zijde van de bijboot in m.
|
|||
|
||||
### Artikel 10.05
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Aan boord van vaartuigen moeten ten minste drie reddingsboeien overeenkomstig de Europese norm EN 14 144 : 2002 aanwezig zijn. Zij moeten zich in gebruiksklare toestand op vaste en daarvoor geschikte plaatsen aan dek bevinden en mogen niet zijn vastgemaakt aan de houders. Ten minste één reddingsboei moet zich in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis bevinden en deze moet zijn voorzien van een automatisch ontbrandend licht, gevoed door batterijen, dat in het water niet kan uitgaan.
|
||||
|
||||
Aan boord van vaartuigen moeten ten minste drie reddingsboeien aanwezig zijn. Zij moeten zich in gebruiksklare toestand op vaste en daarvoor geschikte plaatsen aan dek bevinden en mogen niet zijn vastgemaakt aan de houders. Ten minste één reddingsboei moet zich in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis bevinden.
|
||||
|
||||
Reddingsboeien moeten
|
||||
|
||||
a. een drijfvermogen in zoet water hebben van ten minste 100 N;
|
||||
b. van geschikt materiaal zijn gemaakt en bestand zijn tegen olie en van olie afgeleide produkten alsmede tegen temperaturen tot 50°C;
|
||||
c. door hun kleur in het water goed zichtbaar zijn;
|
||||
d. een eigen massa van ten minste 2,5 kg hebben;
|
||||
e. een inwendige doorsnede van 45 cm ± 10% hebben;
|
||||
f. van een rondom lopende grijplijn zijn voorzien.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Aan boord van vaartuigen moet zich voor iedere zich regelmatig aan boord bevindende persoon een zwemvest onder handbereik bevinden.
|
||||
|
||||
Zwemvesten moeten voldoen aan de in het eerste lid, onder *a* t/m *c*, genoemde eisen dan wel aan de Europese norm EN 395 (100 N drijfvermogen).
|
||||
|
||||
Opblaasbare zwemvesten moeten automatisch en bovendien zowel door handbediening als met de mond kunnen worden opgeblazen. Zij moeten in overeenstemming met de instructies van de fabrikant zijn gecontroleerd.
|
||||
**2.** Aan boord van vaartuigen moet zich voor ieder zich regelmatig aan boord bevindende persoon een voor hem persoonlijk geschikt, automatisch opblaasbaar zwemvest, dat voldoet aan de Europese norm EN 395 : 1998, of EN 396 : 1998, onder handbereik bevinden.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 11. Veiligheid op de werkplek
|
||||
|
||||
### Artikel 11.01
|
||||
|
||||
**1.** Schepen moeten zodanig zijn gebouwd, ingericht en uitgerust, dat personen daarop veilig kunnen werken en zich verplaatsen.
|
||||
**1.** Vaartuigen moeten zodanig zijn gebouwd, ingericht en uitgerust, dat personen daarop veilig kunnen werken en zich verplaatsen.
|
||||
|
||||
**2.** De voor het werk aan boord noodzakelijke en vast opgestelde voorzieningen moeten zodanig zijn ingericht, opgesteld en beveiligd, dat ze gemakkelijk en zonder gevaar bediend, gebruikt en onderhouden kunnen worden. Zo nodig moeten bewegende en hete delen van beschermende inrichtingen zijn voorzien.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2051,7 +2053,7 @@ Opblaasbare zwemvesten moeten automatisch en bovendien zowel door handbediening
|
|||
|
||||
**3.** Bolderdeksels in de gangboorden en hindernissen in de verkeerswegen, zoals bijvoorbeeld randen van traptreden, moeten in een met het omgevende dek contrasterende kleur zijn geverfd.
|
||||
|
||||
**4.** Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, moeten zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711, die bestaan uit een handreling, een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst. Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de denneboom zijn aangebracht. De handreling aan de denneboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet-neerklapbare reling.
|
||||
**4.** Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, moeten zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 1995, die bestaan uit een handreling, een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst. Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de dennenboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.03
|
||||
|
||||
|
|
@ -2061,7 +2063,7 @@ Werkplekken moeten zo groot zijn dat iedere persoon die er werkt voldoende beweg
|
|||
|
||||
**1.** De vrije breedte van het gangboord moet ten minste 0,60 m bedragen. Op de plaats van bepaalde ingebouwde noodzakelijke constructies (zoals afsluiters voor dekwasleidingen) behoeft dit slechts 0,50 m te zijn en bij bolders en klampen 0,40 m.
|
||||
|
||||
**2.** De vrije breedte van het gangboord kan tot een hoogte van 0,90 m daarboven tot 0,54 m beperkt blijven wanneer de vrije breedte in het gedeelte daarboven tussen de buitenkant van de scheepshuid en de binnenkant van de opening van het laadruim ten minste 0,65 m bedraagt. In dit geval kan de vrije breedte van het gangboord tot 0,50 m beperkt blijven, indien aan de buitenkant van het gangboord een reling is aangebracht als voorziening tegen overboord vallen van personen, die voldoet aan de Europese norm EN 711. Deze reling behoeft niet te zijn aangebracht op schepen met een lengte L van 55 m of minder die slechts verblijven op het achterschip hebben.
|
||||
**2.** De vrije breedte van het gangboord kan tot een hoogte van 0,90 m daarboven tot 0,54 m beperkt blijven wanneer de vrije breedte in het gedeelte daarboven tussen de buitenkant van de scheepshuid en de binnenkant van de opening van het laadruim ten minste 0,65 m bedraagt. In dit geval kan de vrije breedte van het gangboord tot 0,50 m beperkt blijven, indien aan de buitenkant van het gangboord een reling is aangebracht als voorziening tegen overboord vallen van personen, die voldoet aan de Europese norm EN 711 : 1995. Deze reling behoeft niet te zijn aangebracht op schepen met een lengte van 55 m of minder die slechts verblijven op het achterschip hebben.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en tweede lid gelden tot een hoogte van 2,00 m boven het gangboord.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2113,7 +2115,7 @@ c. de vrije hoogte van de doorgangen inclusief de hoogte van de drempels ten min
|
|||
|
||||
**2.** Permanent gebruikte werkruimten moeten bovendien zodanig zijn gebouwd en geïsoleerd tegen geluid dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers niet door geluidshinder in gevaar worden gebracht.
|
||||
|
||||
**3.** Voor werknemers die dagelijks aan een geluidsdruk van meer dan 85 dB(A) worden blootgesteld, moeten persoonlijke gehoorbeschermingsmiddelen aanwezig zijn. Werkplekken waar deze waarden meer zijn dan 90 dB(A) moeten zijn voorzien van een bord met opschrift waarin wordt gewezen op de plicht tot het gebruiken van deze gehoorbeschermingsmiddelen.
|
||||
**3.** Voor werknemers die dagelijks aan een geluidsdruk van meer dan 85 dB(A) worden blootgesteld, moeten persoonlijke gehoorbeschermings-middelen aanwezig zijn. Werkplekken waar deze waarden meer zijn dan 90 dB(A) moeten zijn voorzien van een teken «gehoorbescherming verplicht» met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 7 van bijlage I, waarin wordt gewezen op de plicht tot het gebruiken van deze gehoorbeschermingsmiddelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -2192,7 +2194,7 @@ b. de verklaring over uitgevoerde testen als bedoeld in het zesde, zevende, acht
|
|||
|
||||
### Artikel 11.13
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Ten behoeve van de opslag van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van minder dan 55° C moet zich aan dek een geventileerde kast van onbrandbaar materiaal bevinden. De buitenkant daarvan moet zijn voorzien van een teken «Vuur, open licht en roken verboden» met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage I.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 12. Verblijven
|
||||
|
||||
|
|
@ -2280,22 +2282,28 @@ e. voldoende berg-, werk- en voorraadruimte.
|
|||
|
||||
### Artikel 12.05
|
||||
|
||||
**1.** Schepen waarop zich verblijven bevinden moeten van een of meer drinkwatertanks zijn voorzien. Op de vulopeningen van de drinkwatertanks en de drinkwaterslangen dient te zijn vermeld dat zij uitsluitend voor drinkwater zijn bestemd. Vulaansluitingen voor drinkwater moeten boven het dek zijn aangebracht.
|
||||
**1.** Schepen waarop zich verblijven bevinden moeten van een drinkwaterinstallatie zijn voorzien. Op de vulopeningen van de drinkwatertanks en de drinkwaterslangen dient te zijn vermeld dat zij uitsluitend voor drinkwater zijn bestemd. Vulaansluitingen voor drinkwater moeten boven het dek zijn aangebracht.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Drinkwatertanks moeten:
|
||||
Drinkwaterinstallaties moeten:
|
||||
|
||||
a. tegen overmatige verhitting zijn beschermd;
|
||||
b. een capaciteit hebben van ten minste 150 l per gewoonlijk aan boord verblijvende persoon, maar ten minste per bemanningslid;
|
||||
c. van binnen uit corrosiebestendig en fysiologisch ongevaarlijk materiaal bestaan;
|
||||
d. een adequaat afsluitbare opening hebben voor het schoonmaken van de binnenkant;
|
||||
e. een inrichting voor het aanwijzen van de inhoud hebben;
|
||||
f. aansluitingen hebben voor beluchten en ontluchten, die afvoeren in de open lucht of die van adequate filters zijn voorzien.
|
||||
a. van binnen uit corrosiebestendig en fysiologisch ongevaarlijk materiaal bestaan;
|
||||
b. zijn samengesteld zonder leidinggedeelten waarin een regelmatige doorstroming niet is gegarandeerd, en
|
||||
c. tegen overmatige verhitting zijn beschermd.
|
||||
|
||||
**3.** Drinkwatertanks mogen geen wanden gemeen hebben met andere tanks. Drinkwaterleidingen mogen niet door tanks lopen die andere vloeistoffen bevatten. Verbindingen tussen het drinkwatersysteem en andere pijpleidingen zijn niet toegestaan. Pijpleidingen voor gas of andere vloeistoffen dan drinkwater mogen niet door drinkwatertanks lopen.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
**4.** Drukvaten voor drinkwater mogen slechts met niet verontreinigde perslucht worden bediend. Indien de perslucht afkomstig is van compressoren, moeten vlak vóór de drukvaten voor drinkwater geschikte luchtfilters en olieafscheiders zijn aangebracht, tenzij het drinkwater door een membraan van de perslucht is gescheiden.
|
||||
Drinkwatertanks moeten bovendien:
|
||||
|
||||
a. een capaciteit hebben van ten minste 150 l per gewoonlijk aan boord verblijvende persoon, maar ten minste per bemanningslid;
|
||||
b. een adequaat afsluitbare opening hebben voor het schoonmaken van de binnenkant;
|
||||
c. een inrichting voor het aanwijzen van de inhoud hebben; en
|
||||
d. aansluitingen hebben voor beluchten en ontluchten, die afvoeren in de open lucht of die van adequate filters zijn voorzien.
|
||||
|
||||
**4.** Drinkwatertanks mogen geen wanden gemeen hebben met andere tanks. Drinkwaterleidingen mogen niet door tanks lopen die andere vloeistoffen bevatten. Verbindingen tussen het drinkwatersysteem en andere pijpleidingen zijn niet toegestaan. Pijpleidingen voor gas of andere vloeistoffen dan drinkwater mogen niet door drinkwatertanks lopen.
|
||||
|
||||
**5.** Drukvaten voor drinkwater mogen slechts met niet verontreinigde perslucht worden bediend. Indien de perslucht afkomstig is van compressoren, moeten vlak vóór de drukvaten voor drinkwater geschikte luchtfilters en olieafscheiders zijn aangebracht, tenzij het drinkwater door een membraan van de perslucht is gescheiden.
|
||||
|
||||
### Artikel 12.06
|
||||
|
||||
|
|
@ -2403,10 +2411,6 @@ i. Luchtverhitters mogen hun verwarmingslucht niet uit een machinekamer kunnen a
|
|||
|
||||
### Artikel 13.07
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
|
||||
### Artikel 13.09
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Verwarmingsapparaten die op vaste brandstoffen werken moeten zodanig op een metalen plaat met een opstaande rand staan dat gloeiende brandstoffen of hete as niet buiten deze plaat kunnen geraken.
|
||||
|
|
@ -2417,6 +2421,10 @@ Dit is niet vereist in ruimten die zijn gebouwd van onbrandbaar materiaal en die
|
|||
|
||||
**3.** In de nabijheid van ieder verwarmingsapparaat moeten middelen aanwezig zijn waarmee de as gemakkelijk kan worden afgekoeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 13.09
|
||||
|
||||
Door vernummering vervallen.
|
||||
|
||||
### Hoofdstuk 14. Vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik
|
||||
|
||||
### Artikel 14.01
|
||||
|
|
@ -2467,7 +2475,7 @@ De drukregelaar, of in geval van een drukregeling in twee trappen, de eerste dru
|
|||
|
||||
**4.** De flessenkast moet zodanig zijn ingericht en opgesteld dat de temperatuur van de flessen niet boven 50° C kan stijgen.
|
||||
|
||||
**5.** Aan de buitenzijde van de flessenkast moet het opschrift "vloeibaar gas" en een bord voor een rookverbod overeenkomstig schets 61 van bijlage 3 van het Rijnvaartpolitiereglement met een diameter van ten minste 10 cm zijn aangebracht.
|
||||
**5.** Aan de buitenzijde van de flessenkast moet het opschrift «vloeibaar gas» en een teken «vuur, open licht en roken verboden» met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage I, zijn aangebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 14.05
|
||||
|
||||
|
|
@ -3533,13 +3541,13 @@ Voorts gelden:
|
|||
a. Hoofdstuk 5;
|
||||
b. Van hoofdstuk 6: de artikelen 6.01, eerste lid, en 6.02, eerste en tweede lid;
|
||||
c. Van hoofdstuk 7: de artikelen 7.01, tweede lid, 7.02, eerste lid, en derde lid, eerste en derde alinea, 7.05, tweede lid, en 7.13 voor schepen die voor het voeren van het schip door één persoon met behulp van radar zijn toegelaten;
|
||||
d. Van hoofdstuk 8: de artikelen 8.05, elfde lid, 8.06, tiende lid, 8.07, eerste en tweede lid, en 8.08;
|
||||
d. Van hoofdstuk 8: artikel 8.03, derde lid, indien vanuit het stuurhuis een inrichting om de motor automatisch te stoppen kan worden uitgeschakeld, en de artikelen 8.05, dertiende lid, 8.06, tiende lid, 8.07, eerste en tweede lid, en 8.08.
|
||||
|
||||
Een verzegeling van de afsluitorganen overeenkomstig artikel 8.06, tiende lid, wordt geacht overeen te komen met het afsluiten van de afsluitorganen in het lenssysteem, via welke het oliehoudende water overboord kan worden gepompt. De sleutel of sleutels daarvan moeten op een centrale als zodanig gekenmerkte plaats worden bewaard.
|
||||
|
||||
Een bewakings- en controlesysteem voor olielozingen, overeenkomstig voorschrift 16 van het MARPOL-verdrag, wordt geacht overeen te komen met het verzegelen van het afsluitorgaan overeenkomstig artikel 8.06, tiende lid. De aanwezigheid van een bewakings- en controlesysteem moet door een internationaal document inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee overeenkomstig het MARPOL-verdrag worden aangetoond.
|
||||
|
||||
Blijkt uit het IOPP document bedoeld in het derde lid of uit het nationale door de vlaggestaat afgegeven document bedoeld in het vierde lid, dat het schip voorzien is van opslagtanks waarin al het aan boord aanwezige oliehoudende bilgewater en alle olieresten kunnen worden verzameld, wordt geacht dat aan artikel 8.07, tweede lid, is voldaan;
|
||||
Blijkt uit het IOPP document, bedoeld in het derde lid, of uit het nationale door de vlaggenstaat afgegeven document, bedoeld in het vierde lid, dat het schip voorzien is van opslagtanks waarin al het aan boord aanwezige oliehoudende bilgewater en alle olieresten kunnen worden verzameld, dan wordt het schip geacht te hebben voldaan aan artikel 8.07, tweede lid;
|
||||
e. Van hoofdstuk 9: artikel 9.17;
|
||||
f. Van hoofdstuk 10: de artikelen 10.01 en 10.02, eerste lid;
|
||||
g. Hoofdstuk 16: voor zeeschepen die zijn toegelaten om deel uit te maken van een samenstel;
|
||||
|
|
@ -3574,17 +3582,45 @@ Op pleziervaartuigen zijn voor wat betreft bouw, uitrusting en bemanning slechts
|
|||
|
||||
### Artikel 21.02
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Op pleziervaartuigen zijn van toepassing:
|
||||
|
||||
1. van hoofdstuk 3: de artikelen 3.01, 3.02, eerste lid onder *a*, en tweede lid, 3.03, eerste lid onder *a*, en zesde lid, en 3.04, eerste lid;
|
||||
2. hoofdstuk 5;
|
||||
3. van hoofdstuk 6: de artikelen 6.01, eerste lid, en 6.08;
|
||||
4. van hoofdstuk 7: de artikelen 7.01, eerste en tweede lid, 7.02, 7.03, eerste en tweede lid, 7.04, eerste lid, en 7.05, tweede lid, en artikel 7.13 voor pleziervaartuigen die voor het varen met behulp van radar door één persoon zijn toegelaten;
|
||||
5. van hoofdstuk 8: de artikelen 8.01, eerste en tweede lid, 8.02, eerste en tweede lid, 8.03, eerste en derde lid, 8.04, 8.05, eerste tot en met negende lid en elfde lid, 8.06, eerste, tweede, vijfde, zevende en tiende lid, 8.07, eerste lid, en 8.08;
|
||||
6. van hoofdstuk 9: artikel 9.01, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing;
|
||||
7. van hoofdstuk 10: de artikelen 10.01, tweede, derde en vijfde tot en met veertiende lid, 10.02, eerste lid onder *a*, *b* en *c*, en tweede lid onder *a*, *e* tot en met *g* en *h*, en 10.03, eerste lid onder *a*, *b* en *d*; er moeten echter ten minste twee blustoestellen aan boord aanwezig zijn; en voorts de artikelen 10.03, tweede tot en met vijfde lid, en 10.05;
|
||||
8. hoofdstuk 13;
|
||||
9. hoofdstuk 14.
|
||||
a. van hoofdstuk 3:
|
||||
|
||||
de artikelen 3.01, 3.02, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 3.03, eerste lid, onderdeel a, en zesde lid, en 3.04, eerste lid;
|
||||
b. hoofdstuk 5;
|
||||
c. van hoofdstuk 6:
|
||||
|
||||
de artikelen 6.01, eerste lid, en 6.08;
|
||||
d. van hoofdstuk 7:
|
||||
|
||||
de artikelen 7.01, eerste en tweede lid, 7.02, 7.03, eerste en tweede lid, 7.04, eerste lid, en 7.05, tweede lid, en artikel 7.13 voor pleziervaartuigen met een éénmansstuurstand voor het varen met behulp van radar;
|
||||
e. van hoofdstuk 8:
|
||||
|
||||
de artikelen 8.01, eerste en tweede lid, 8.02, eerste en tweede lid, 8.03, eerste en derde lid, 8.04, 8.05, eerste tot en met tiende lid en dertiende lid, 8.06, eerste, tweede, vijfde, zevende en tiende lid, 8.07, eerste lid, en 8.08;
|
||||
f. van hoofdstuk 9: artikel 9.01, eerste lid, van overeenkomstige toepassing;
|
||||
g. van hoofdstuk 10:
|
||||
|
||||
de artikelen 10.01, tweede, derde en vijfde tot en met veertiende lid, 10.02, eerste lid, onderdelen a, b en c, en tweede lid, onderdelen a en e tot en met h, en 10.03, eaerste lid, onderdelen a, b en d; er moeten echter ten minste twee blustoestellen aan boord aanwezig zijn; en voorts de artikelen 10.03, tweede tot en met vijfde lid, en 10.05;
|
||||
h. hoofdstuk 13;
|
||||
i. hoofdstuk 14.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In het geval van pleziervaartuigen, waarop richtlijn nr. 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen (PbEG L 164) van toepassing is, hebben het eerste onderzoek en het aanvullend onderzoek slechts betrekking op:
|
||||
|
||||
a. artikel 6.08, in het geval dat een bochtaanwijzer aanwezig is;
|
||||
b. de artikelen 7.01, tweede lid, 7.02, en 7.03, eerste lid, alsmede artikel 7.13, in het geval dat er sprake is van een éénmansstuurstelling voor het varen op radar;
|
||||
c. de artikelen 8.01, tweede lid, 8.02, eerste lid, 8.03, derde lid, 8.05, vijfde lid, 8.06, tweede lid, en 8.08;
|
||||
d. de artikelen 10.01, tweede, derde, zesde en veertiende lid, 10.02, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid, onderdelen a en e tot en met h, 10.03, eerste lid, onderdelen b en d, en tweede tot en met vierde lid, en 10.05;
|
||||
e. hoofdstuk 13;
|
||||
f. van hoofdstuk 14:
|
||||
|
||||
1°. artikel 14.12;
|
||||
2°. artikel 14.13, waarbij de keuring na ingebruikneming van de vloeibaargasinstallatie overeenkomstig de eisen van de richtlijn geschiedt en aan de Commissie van Deskundigen hierover een verslag van de keuring moet worden uitgebracht;
|
||||
3°. de artikelen 14.14 en 14.15 met dien verstande, dat de vloeibaargasinstallatie aan de eisen van de richtlijn moet beantwoorden;
|
||||
4°. hoofdstuk 14 in zijn geheel, indien de vloeibaargasinstallatie wordt ingebouwd nadat het pleziervaartuig in het verkeer is gebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 21.03
|
||||
|
||||
|
|
@ -3664,7 +3700,7 @@ e. De arm van het moment veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken van reg
|
|||
|
||||
In deze formule betekent:
|
||||
|
||||
c_Kfo coëfficiënt (c_Kfo : 0,015) [t/m²];
|
||||
c_KfO coëfficiënt (c_KfO = 0,015) [t/m^2]
|
||||
|
||||
b de breedte van het desbetreffende ruim of ruimgedeelte [m]; 1Ruimgedeelten van vrije vloeistofoppervlakken ontstaan, indien door waterdichte langs- en/of dwars-verdelingen van elkaar onafhankelijke vrije vloeistofoppervlakken worden gevormd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3731,7 +3767,7 @@ a. De metacentrumhoogte
|
|||
|
||||
mag niet minder zijn dan 0,50 m.
|
||||
b. Onder de gelijktijdige invloed van de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken mag geen opening van de scheepsromp onder water komen.
|
||||
c. De armen van de momenten veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, door de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken worden berekend volgens de formules van artikel 22.02, eerste lid onder *c*, *d* en *e*.
|
||||
c. De armen van de momenten veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, door de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken worden berekend volgens de formules van artikel 22.02, eerste lid onder c, d en e.
|
||||
d. Voor elke beladingstoestand moet met de halve voorraad aan brandstof en drinkwater worden gerekend.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
|
@ -4382,6 +4418,18 @@ Raadpleeg voor de wijziging op nummer 47 van het certificaat van onderzoek Stb.
|
|||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Onderdeel 6.2 wordt gewijzigd:
|
||||
|
||||
6.2 Uitrusting van het schip op grond van artikel 23.09
|
||||
|
||||
Het schip voldoet*)/voldoet niet*) aan artikel 23.09, lid 1.1*)/artikel 23.09, lid 1.2*).
|
||||
|
||||
De minimum bemanning wordt op grond van artikel 23.13 als volgt versterkt*/niet versterkt*
|
||||
|
||||
Opmerkingen en bijzondere eisen:
|
||||
|
||||
* Doorhalen wat niet van toepassing is.
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
[Model 2: tankschip]
|
||||
|
|
@ -4414,7 +4462,49 @@ Raadpleeg voor deze bijlage Stb. 1997/494.
|
|||
|
||||
## Bijlage I. Veiligheidstekens
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
Schets 1
|
||||
|
||||
Verboden voor onbevoegden Kleur: rood/wit/zwart
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Schets 2
|
||||
|
||||
Vuur, open licht en roken verboden Kleur: rood/wit/zwart
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Schets 3
|
||||
|
||||
Aanduiding van een brandblusapparaat Kleur: rood/wit
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Schets 4
|
||||
|
||||
Waarschuwing voor algemeen gevaar Kleur: zwart/geel
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Schets 5
|
||||
|
||||
Brandslang Kleur: rood/wit
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Schets 6
|
||||
|
||||
Brandblusinstallatie Kleur: rood/wit
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Schets 7
|
||||
|
||||
Gehoorbescherming verplicht Kleur: blauw/wit
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
De gebruikte pictogrammen mogen enigszins variëren of meer gedetailleerd zijn dan de illustraties in deze bijlage, mits de betekenis ervan niet wordt veranderd en verschillen en aanpassingen de betekenis niet onbegrijpelijk maken.
|
||||
|
||||
## Bijlage J. Uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes door dieselmotoren
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue